Site-archief

Zondag

Sophia Blyden

.

In de bundel ‘Stip op de horizon’ 80 jaar vrijheid in 80 gedichten uit 2024 zijn gedichten opgenomen over vrijheid. Op 5 mei 2025 was het 80 jaar geleden dat de tweede wereldoorlog tot een eind kwam in Nederland. Terwijl we dagelijks in landen als Oekraïne en nu pas weer Polen, om ons heen zien hoe broos een begrip als vrijheid is, altijd in het besef dat het geen vanzelfsprekendheid is.

Wat is het wel? Wat betekent vrijheid voor ons, waardoor wordt ze beperkt, hoe herdenken we haar? Dat waren vragen die samensteller Mirjam van Hengel van deze jubileumbundel (80 jaar vrij) stelde aan 80 dichters als Bart Chabot, Anna Enquist, Babs Gons, Erik Jan Harmens, Judith Herzberg, Ingmar Heytze, Iduna Paalman en Lucas Rijneveld (en nog 72) met daarbij de vraag om hierover een gedicht te schrijven.

Ook dichter, schrijver en programmamaker Sophia Blyden (1993) werd deze vraag gesteld. Haar bijdrage met de titel ‘Zondag’ kan ik hier natuurlijk alleen maar op zondag plaatsen.

.

Zondag

.

dagen waarop de wasmachine draait, de gordijnen

open schuiven, het asfalt nat van de nacht, zonlicht

weerkaatst door de ramen als echo’s, je mijn hand

pakt tijdens het koffiedrinken

.

dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd

is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister

nog op tafel, kringen in het blad, mijn moeder belt

en we samen opa missen

.

dagen waarop de afwas met de hand, de lp-speler

overuren maakt en we dansen, de bank langzaam

verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik

wil doen is niets

.

we staan voor het keukenraam, slaan onze armen

om elkaar heen, zien hoe twee duiven takjes verzamelen

en we kijken ernaar

.

Een groot schrijver

Kees Ouwens

.

Ondanks dat ik op dit blog richting de 6000 berichten ga, kom ik er toch nog regelmatig achter dat ik over bepaalde dichters nog nooit iets geschreven heb. Dat kan allerlei oorzaken hebben maar in het geval van dichter en schrijver Kees Ouwens weet ik eerlijk gezegd niet waarom dit niet zo is. Misschien omdat hij als hermetisch dichter te boek staat (maar dit heeft mij er nooit van weerhouden daarover te schrijven) of dat ik zijn naam misschien niet vaak tegenkom. Hoe dan ook, vandaag gaat dat veranderen.

Kees Ouwens (1944-2004) debuteerde in 1968 met de dichtbundel ‘Arcadia’ en er zouden tot na zijn dood 10 poëziebundels van hem verschijnen. Ouwens schreef ook proza maar verwierf vooral een plaats in de Nederlandse literatuur als experimenteel dichter. Op zijn Wikipediapagina lees ik: “Zijn fascinatie met het taalspel verleidde hem er soms toe de begrijpelijkheid of het grammaticaal voor de hand liggende te veronachtzamen met het doel de exactheid van uitdrukking in de zorgvuldig opgebouwde talige realiteit. Hierdoor wordt hij weleens als ‘hermetisch’ dichter bestempeld, terwijl anderen zijn oeuvre juist daardoor, samen met dat van andere grote naoorlogse dichters als Jacques Hamelink en Hans Faverey, als verrijkend voor het Nederlandstalige dichtersidioom ervaren.”

Ondanks, of misschien wel dankzij zijn zoektocht kreeg hij bij leven verschillende literaire prijzen toegekend zoals de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1976), de Jan Campert-prijs (1985), de Herman Gorterprijs (1998), de VSB Poëzieprijs (2001) en de Constantijn Huygens-prijs (2002), voorwaar een indrukwekkende reeks prijzen.

Uit de bundel ‘Alle gedichten tot dusver’ uit 2002 nam ik het gedicht ‘Een groot schrijver’ waarin de dichter zichzelf kritisch bekijkt en de lezer achterblijft met de vraag ‘ziet de dichter zichzelf hier nu als groot schrijver of juist niet?’ En waarin de dichter speelt met verwijzingen naar de christelijke religie (stille nacht, schrift, de sterren). Op het eerste oog een kort en bondig gedicht waar heel veel uit te halen valt. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘Intieme handelingen’ uit 1973.

.

Een groot schrijver

.

Ik legde mijn pen neer en begaf mij

naar buiten.

Daar keek ik omhoog en zag de sterren.

Het was een stille nacht.

Ik ben een groot schrijver,

dacht ik.

.

Toen begaf ik mij weer naar binnen,

om die regel op te schrijven

en er schoot mij een traan te

binnen, die op mijn schrift viel.

Ik huilde om de waarheid.

.

Blaka Oema

Hilli Arduin

.

Hilli Arduin is geboren in Paramaribo (1950) maar ze bracht haar jeugd door op Curaçao. Om verder te studeren verhuisde ze op 21-jarige leeftijd naar Nederland. In Nederland studeerde ze af in maar liefst 5 HBO- en 2 doctoraalstudies. Van beroep is Hilli Arduin klinisch orthopedagoog en psycholoog. Naast haar drukke bezigheden heeft ze schrijven als hobby. Maar ook haar hobby neemt ze zeer serieus.

Zo schreef ze ‘De donkere tranen van zijn moeder’ dat gaat over haar oudste zoon, die op 21-jarige leeftijd aan sarcoïdose (een zeldzame ziekte van het afweersysteem) overleed. Maar ze schreef ook het kinderboek ‘Ik neem je mee’ waarin de trans-Atlantische slavernij wordt belicht. De verhalen in dit boek worden steeds ingeleid met een gedicht.

Ook is Arduin verhalenvertelster. Dit bracht haar naar landen als Zuid-Amerika, Amerika, Canada, Suriname, Nederland en België. In 2018 publiceerde ze een ‘Kindergedichtenbundel’. In 2011 verscheen van haar hand ‘Wie ben ik / Ta ken mi ta’ en uit die bundel komt het gedicht ‘Blaka Oema’ (kleine heester met groene bloemen).

.

Blaka Oema

.

Bijzonder was de dag waarop

de zon

de flonkerster

de volle maandag

de morgendauw

haar baarden.

.

Fluweelzachte huid

gekleurd door

bruinige tinten,

rimpelloos en strak.

Met afgemeten precisie

creëerden ze haar gelaat.

De donkere ogen

de platte neus

de volle lippen

pasten als puzzelstukjes in elkaar.

Uitstulpende rondingen

voor, achter, links en rechts

vertolkten haar sensualiteit.

Donzig pluizig haar

drapeerde haar hoofd

in vallende lokken.

.

Eigenzinnig en trots

bewandelt zij

in ritmische cadans

haar weg.

.

Ze gaat.

Kijkt om.

En gaat weer verder.

.

Mooi blaka oema.

.

 

De bol is rond

Michael Tedja

.

De in Rotterdam geboren maar in Vlaardingen opgegroeide, schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en curator Michael Tedja (1971) is niet alleen een zeer veelzijdig man maar ook echt een kunstenaar. Ik leid dat af aan zijn oeuvre maar ook aan het feit dat hij in woorden zijn universum heeft benoemd. Of zoals hij het noemt de fictieve ruimte waarbinnen zijn beeldend werk, zijn poëzie en proza samenkomen. Hij noemt dit Het Holarium. Deze virtuele ruimte bestaat uit een systeem opgebouwd uit fragmenten van taal, ritme en onderzoek die samen een coherente entiteit vormen. Het verzamelen van deze fragmenten wordt door hem ‘aquaholisme’ genoemd, net als ‘Holarium’ een samenvoeging van de woorden aquarium en holisme (het zoeken naar verbindingen die losse eigenschappen tot één geheel maken). Het Holarium was ook de titel van zijn eerste solotentoonstelling in Museum Jan Cunen in Oss in 2002.

Tedja debuteerde als dichter in 2005 met de bundel ‘De aquaholist’ bij de Rotterdamse uitgeverij Sea Urchin, een uitgeverij gespecialiseerd in ‘historical avant-garde and counterculture’, met gedichten en prozagedichten. In 2013 verschijnt zijn tweede bundel met de titel ‘Tot hier en verder’. De titel is gebaseerd op de betekenis van de naam Tedja. Deze betekent in het Surinaams: tot hier. Te = tot, en dja = hier. In 2015 verschijnt de bundel ‘Regen’ dat afkomst en racisme als thema heeft.

En nu, dit jaar verschijnt zijn bundel ‘Lift’, een ‘eigenzinnig en gelaagd kunstwerk dat een kritische blik biedt op de samenleving.  Tedja kreeg voor zijn literaire werk de Sybren Poletprijs (2021) en de Jana Beranováprijs 2020. Uit zijn laatste bundel ‘Lift’ heb ik een gedicht gekozen waarin de lift een centrale rol speelt.

.

Het verschil tussen

rijk en arm was als koren op het

mechaniek. De

relaties tussen de flatbewoners.

.

Ik wilde die

relatiegeschiedenis omverwerpen, het mechaniek

van de lift veranderen

en opbouwen

met ronde informatie

in de vorm van een wereldbol

.

De wereldbol was eindig

en oneindig, universeel en persoonlijk.

.

Net zoals de bollen,

die altijd bol waren, waar

ik die ook liet staan of aan ophing.

De cirkel was bol

en die was rond.

.

Deense dichter

Inger Christensen

.

In de bundel ‘Alfabet’ uit 2002 van de Deense dichter Inger Christensen, vertaald door Annelies van Hees, lees ik het gedicht zonder titel met de eerste zin ‘ergens word ik plotseling geboren’. Een intrigerend gedicht waarin het leven wordt voorgesteld als een huis. Omdat ik deze dichter niet kende heb ik me eens in haar leven ingelezen voor zover dat gaat. Inger Christensen (1935-2009) is schrijver, dichter en essayist.

Terugkijkend op mijn blog blijken Deense dichters niet heel veel beschreven, zo heb ik aandacht besteed aan Otto Gelsted, Henrik Nordbrandt, Hans Christiaan Andersen en Yahya Hassan en dat was het. Daar komt vandaag dus Inger Christensen bij. Christensen wordt als een van de meest vooraanstaande poëtische experimentalisten van haar generatie gezien. Na 1964 begon ze full time met schrijven. Haar belangrijkste werk uit de jaren ’60 was het werk ‘det’ (‘Het’), dat sociale, politieke en esthetische aspecten verkende, maar tegelijkertijd grote filosofische kwesties van zingeving als onderwerp had.

Veel van haar werk is georganiseerd in systematische structuren, in overeenstemming met haar geloof dat poëzie niet de waarheid is, en evenmin een droom van de waarheid, een spel, misschien een tragisch spel – een spel dat we spelen met een wereld die zijn eigen spelletjes met ons speelt. Ze werd bekend met haar bundel ‘Alfabet’ dat als een meesterwerk wordt gezien. Ze gebruikt in deze bundel het alfabet (van a van abrikozen tot de n van nachten) met de wiskundige rij van Fibonacci. Hierbij is het volgende getal de som van de twee vorige (0, 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34…). Of zoals Christensen het toelichtte: “De numerieke ratio bestaat in de natuur: de wijze waarop een prei zichzelf rond het binnenste wikkelt en de kop van een sneeuwbloem zijn op deze serie gebaseerd.”

In 1978 werd ze aangesteld bij de Deense Academie en in 1994 werd ze lid van de Académie Européenne de Poésie. Ze won de Austrian State Prize for European Literature in 1994 de Nordic Prize in hetzelfde jaar, de European Poetry Prize in 1995, de America Award in 2001, en ontving allerlei andere onderscheidingen. Haar werk is in verschillende talen vertaald, en ze is regelmatig genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur.

.

ergens word ik plotseling geboren
in een uitdrukkingloos huis; als je
schreeuwt, geven de muren mee en
.
de tuin, waarin je verdwijnt, is
gladgesleten door slakken; je baadt
in schokjes als een vogel, en als de aarde
.
opgegeten is en de rabarber voor het eerst
verwelkt, geeft de zomer mee en
de stad, waarin je verdwijnt, is
.
langzaam en zwart; je loopt door
de straten, doet als de anderen, die
zonder een woord in het voorbijgaan
.
wat metselwerk op zijn plaats duwen; als de route
ingestudeerd is, vasthoudend genoeg, geven
de huizen mee, en de hoogvlakte breidt
.
zich dwars en almachtig en bijna
onzichtbaar uit; ergens staat een wilde
abrikozenboom een ogenblik stil en
.
bloeit, maar met slechts een heel
dunne sluier over de uitgespreide takken,
voor hij toch verdergaat
.

De klopper van het geluk

Valeria Di Felice

.

De Italiaanse dichter, uitgever en vertaler Valeria Di Felice (1984) is een Italiaanse dichter, uitgever en vertaler, publiceerde de dichtbundels ‘L’antiriva’ (2014), ‘Attese’ (2016) en ‘Il battente della felicità’ (2018). In 2023 verscheen in een vertaling van haar hand een keuze uit het werk van Anna de Brémont (1849-1922) een Amerikaanse journalist, schrijfster, dichter en zangeres, getiteld ‘Sonetti e Poesie d’amore’.

Valeria Di Felice is medeoprichter van het Casa della Poesia in de Abruzzen. In 2021 verscheen bij uitgeverij Atalanta Pers ‘De tegenoever’, een vertaling door Willem van Toorn en Patrizia Filia van ‘L’antiriva’. De bundel is inmiddels ook verschenen in het Arabisch, Spaans en Roemeens.

Uit de bundel ‘De klopper van het geluk’ ( ‘Il battente della felicità’) vertaald in dit geval door Patrizia Filia en Ineke Holzhaus, drieëndertig gedichten verdeeld in drie secties, vertelt over de liefde tussen een ‘ik’ en een ‘jij’, waarbij de ‘ik’ probeert niet alleen de ‘jij’ te ontdekken en wat hen verbindt, maar ook zichzelf, hier gedicht 2 en 5. Meer over deze bundel lees je hier. Deze bundel is nog niet gepubliceerd in Nederland

.

2

Nu moet ik het doen – zeg ik tegen mezelf –
de bron uitkiezen van de glimlach

de parel gewiegd in de mond
van de vreugde.

Ik moet – nu – een kus geven aan jouw kus,
scharlaken veertje gegleden
over de lichtheid van de wereld,
de witte handschoen neergedrukt
op de oevers van de ander.

.

5

Je hier houden, in vloeibare dromen
van slapeloze nachten, in een onverwacht april
van een ochtend die zich blauw maakt van licht.

In een onbekend alfabet
en regenbogen van zijde,
in de gewelfde rondingen
van een hart dat de stilte doet zwijgen.

Je hier houden is dichterbij
het wonder komen ergens anders te zijn,
de gouden mond van een gedicht
herboren buiten de rite van de zon.

.

Godzijdank

Dag zes

.

Op deze zesde dag van mijn korte vakantie een gedicht van Vijftiger, performer, levensgenieter, dichter en schrijver Simon Vinkenoog (1928-2009). Het gedicht ‘Godzijdank’ komt uit het hoofdstuk ‘Gesproken woord (jazz en poetry)/1963-1964’ uit de bundel ‘eerste gedichten 49|64’uit 1966.

.

Godzijdank

.

Godzijdank dat ik leef

Godzijdank dat ik engels spreek

Godzijdank dat ik adem en beweeg

Godzijdank dat ik leef.

.

Godzijdank dat ik spreek

Godzijdank dat ik weet

Godzijdank dat ik

Godzijdank

ik

God

.

ik,

waarneembaar,

Ik,

aanvaardbaar.

.

 

Stof

Marc Reugebrink

.

In 2021 overleed dichter Remco Ekkers (1941-2021) en naar aanleiding van zijn overlijden schreef ik toen een stuk op dit blog. Omdat het een belangrijke dichter was en in het bijzonder omdat ik zijn visie op poëzie deel (zie dit bericht). Deze maand was ik in Barneveld en daar kocht ik de bundel ‘Om honing gaat het niet’ uit 2023 van de in Vlaanderen woonachtige schrijver, essayist en dichter Marc Reugebrink (1960).

In deze bundel wordt uit alle macht gepoogd om te ontkomen aan het verlies, dat desalniettemin onvermijdelijk en alomtegenwoordig is. Dat lees ik op de achterkant van de bundel. In de bundel staan dan ook een aantal in memoriams. Voor Georges Henry, Ernalien Reugebrink, Koenraad Goudeseune en ook voor Remco Ekkers. Het gedicht ‘Stof’ i.m. Remco Ekkers wil ik hier met jullie delen in de rubriek Dichters over dichters.

.

Stof

.

We moeten door de stof, zei je,

maar zweeg over wat volgen zou.

.

Soms moet men een dode iets anders

laten doen dan een dode nog maar kan.

.

Je bijvoorbeeld tegenkomen in het park

en praten over regenwolken en daarna.

.

Of zwemmen in een meer in plaats van in de zee.

.

Terugroepen heeft geen zin, zeg ik,

stof is stof, ook na de regen.

.

En op de oever van het meer

spoelt als vanouds niets aan.

.

Maar ik zie je staan, toch, heel

even, alsof je wegkijkt over zee.

.

Mijn vierhoogkat

Simon Vinkenoog

.

Soms sta ik voor mijn boekenkast, ogen dicht, en pak ik een poëziebundel die ik al heel lang niet meer in handen had. Vandaag was dat het geval. Opmerkelijk want het is best een opvallende bundel in paars met een groene rand. En de bundel is ook nog eens 310 pagina’s dik (misschien wel daardoor, de dunne bundels daar blijk ik wat vaker en langer naar te moeten zoeken).

Ik heb het over de bundel ‘eerste gedichten 49|64’ van Simon Vinkenoog (1928-2009). Als ik terugzoek blijk ik met enige regelmaat over deze flamboyante schrijver, dichter en performer, lid van de beweging der Vijftigers, heb geschreven maar het was al lang geleden (2015 en 2017) dat ik deze bundel erbij pakte (ik bezit verschillende van zijn gedichtenbundels waarover ik geschreven heb, zoek maar eens op zijn naam in dit blog).

Vandaag dus na al die jaren opnieuw. Zonder te kijken opende ik de bundel op pagina 40 en daar staat het gedicht ‘Mijn vierhoogkat’. De gedichten komen uit het hoofdstuk Verspreide gedichten 1950/1951, welke gepubliceerd zijn in tijdschriften of kleine gebundelde uitgaven.

.

mijn vierhoogkat

.

de taal der katten mee te spreken

nachtwaken

met de ogen open

het geluid van de vrijheid

en het ademhalen

hoorbaar tevreden

.

het rantsoen water en brood

veranderd: vlees en melk

een dagelijkse gang

in de vensterbank

een hang naar

vier verdiepingen lager

.

waar de tuin

met wouden gras en

tunnels muizenholen

lokt

.

helaas geen kat

.

 

Een vrij land

Hans Mirck

.

Op de radio hoor ik dat de grote blonde ophitser in Zwolle zijn zure plasje doet over een gemeentelijk besluit en onwillekeurig moet ik terug denken aan het afgelopen weekend. Toen las ik in de bundel ‘Dichter bij de dag’ Dagelijkse portie poëzie op Radio 1, het gedicht ‘Een vrij land’ van Hans Mirck (1970). In dit gedicht wordt de zogenaamde vrijheid (wat is vrijheid als ie maar voor een beperkt deel van de bevolking geldt?) bekritiseerd door de dichter.

Hans Mirck (docent Nederlands, vertaler, muzikant, dichter, ex-stadsdichter van Zutphen en Apeldoorn en schrijver) publiceerde verschillende dichtbundels. Zijn debuutbundel ‘Het geluk weet niets van mij’ uit 2002 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2003. Zijn bundel ‘Wegsleepregeling van kracht’ uit 2006 werd bekroond met de J.C. Bloemprijs 2007. Mirck is ruim tien jaar actief als schrijfdocent en redacteur, onder andere voor de popgroep BLØF. Ook was hij redacteur van het literaire tijdschrift Parmentier en voor uitgeverijen als Passage en Vassallucci.

.

Een vrij land

.

de dikke mensen kunnen  wij niet meer dragen

de arme mensen worden ons te duur

zij moeten het zelf maar betalen

het goede leven belonen wij

en onze dure dokters

Een rank die niet aan de wijnstok blijft,

kan geen vruchten dragen

Een verdorde wijnstok

wordt in het vuur gegooid en verbrand

focus is alles, laat de mensen maar hongerig zijn

en luisteren naar klassieke muziek

dat is vrijheid

vrij om te verdorren,

om woorden te mismaken

vettaks, bonus

om slechte films te maken

als je van klassieke muziek houdt

heb je ook recht op verkeersinformatie

.