Categorie archief: (bijna) vergeten dichters

Blogs over Nederlandse poëzie

Koninklijke Bibliotheek

.

Op de website van de Koninklijke Bibliotheek (KB) de nationale bibliotheek van Nederland, is heel veel informatie te vinden over werkelijk heel veel verschillende onderwerpen die te maken hebben met Literatuur. Zo ook over poëzie. Behalve een pagina met een enorme hoeveelheid informatie over moderne Nederlandse dichters https://www.kb.nl/themas/nederlandse-poezie/moderne-nederlandse-dichters die ik graag mag raadplegen, is er op de website van de KB ook een hele fijne pagina met blogs over Nederlandse poëzie https://www.kb.nl/blogs/nederlandse-poezie .

Vijf pagina’s met blogs van Gerrit Komrij, Jan Bos en Arno Kuipers over de meest uiteenlopende onderwerpen. Van blogs over De Beatrijs (13e eeuw) en Mariken van Nieuwmeghen (1608) tot blogs over de Podcast van Ester Naomi Perquin en Marc van Oostendorp ‘Publieke werken’ en het experimentele ‘stamelgedicht’  Jossie van Jan Hanlo (1912-1969).

In de keuze van Komrij (zoals zijn bijdragen getiteld zijn) kwam ik een gedicht tegen van een dichter die ik niet kende, namelijk Peter Jaspers. Deze Peter Jaspers was het pseudoniem van de vrouwelijke dichter Petronella Buzing (1918 – 1964) en Komrij schrijft over haar: Nooit van gehoord! Nooit zelfs maar horen noemen! En toch, een fijne dichter, jaren vijftig of niet.

Uit de bundel kindergedichten ‘Met rozerood en zonnehoed’ het gedicht ‘Ik wou zo graag’.

.

Ik wou zo graag

.

Ik wou zo graag een toverpen
voor Nederlandse taal.
De woorden, die ik echt niet ken,
verbeterde de toverpen,
onzichtbaar, allemaal.

.

Ik wou zo graag een rubber vel,
het zwembad is zo lang,
dan dreef ik eindelijk es wèl,
gewoon maar op m’n rubbervel
en was ik niet meer bang.

.

Ik wou zo graag een wonderpil.
Dan kon ik voor de klas
de beurten maken die ik wil,
omdat ik door de wonderpil
niet meer verlegen was.

.

Ik wou zo graag met een feeënstaf
naar aardrijkskunde gaan,
dan wist ik er genoeg van af,
dan wees ik met de feeënstaf
de goeie stippen aan.

.

Ik wou zo graag, ik wou zo graag,
gebeurde het nou maar,
het hoeft niet eens meteen vandaag,
maar morgen dan, ik wou zo graag.
Waar woont de tovenaar?

.

Bezoeken

Anne Kranendonk

.

In het literaire tijdschrift ‘Gedicht’ dat werd uitgegeven bij De Bezige Bij van 1974 tot 1976 kwam ik een dichter tegen die ik niet kende. Het betreft hier dichter Anne Kranendonk (1953). In ‘Gedicht’ zijn maar liefst 6 gedichten van haar gepubliceerd. In het korte stukje achterin staat vermeld dat ze in Hoek van Holland is geboren en Nederlands studeert in Amsterdam. Op zoek naar meer informatie over deze (bijna) vergeten dichter kwam ik nog een vermelding tegen in Tirade 1986, jaargang nummer 30 waar ze met vier gedichten in stond.

Uit ‘Gedicht’ nummer 7 uit 1975 het gedicht ‘Bezoeken’ van haar hand waaruit haar verbinding met de kust (Hoek van Holland) blijkt.

.

Bezoeken

.

Zonder weifeling stembanden roerend

op de hoogtijdagen van het strand

dat bij onweer bladstil is en mooier

met de overgekookte soep thuis op het

vuur hemelschreiend prijzen

.

niet nu ontoereikend de fatale luchtlagen

bezwerende zon die de achterkant van een

rotsenstruik (vergif van de stekelnoot)

nauwkeurig voor uitdaging bewaart:

het geruste karkas van de verwelkte narcis.

Benjamin’s vertellingen

W.L. Penning jr.

.

Wanneer ik de vele dichtbundels bekijk op de rug in mijn boekenkast, zie ik soms bundels waarvan ik het bestaan vergeten ben of waarvan ik het bestaan niet eens kon vermoeden. Meestal zijn dit oude en wat obscure bundels zoals in onderhavig geval ‘Benjamin’s vertellingen’ een gedicht door de Schiedamse dichter Willem Levinus Penning jr (1840 – 1924) . Dit fraaie werkje is uitgegeven in de sprokkelmaand (februari) van 1898 (zo staat het er echt) in Amsterdam door S.L. van Looy en bevat een aantal hoofdstukken en delen die in de jaren voor 1898 vanaf 1881 werden gepubliceerd onder andere in De Gids, Europa en De Nieuwe Gids.

De gedichten gaan over Benjamin en zijn vrouw Ruth, over het dichterschap, over het familieleven, over het dagelijks leven maar steeds rondom de familie van Benjamin waar de titel naar verwijst. In het hoofdstuk ‘Hoe in den grooten Benjamin de kleine werd wakker geluid’ staat het gedicht ‘De muze en haar dienaar’ dat losgezongen van de rest ook goed leesbaar is als opzichzelfstaand gedicht. Waarbij ik graag je wijs op de laatste 4 zinnen van de tweede strofe, waar de dichter duidelijk aangeeft hoe hij denkt over de ware kunst  (een kunstenaar moet lijden).

Penning was een van de voorlopers van de Beweging van Tachtig, een stroming die mede opkwam uit verzet tegen de clichématige, bloedeloze literatuur van haar voorgangers. Hoewel Penning tot die voorgangers behoorde, was hij nu juist een van de weinigen die een eigen geluid lieten klinken. Dichtbundels als ‘Benjamin’s vertellingen’ en ‘Tom’s dagboek’ thematiseren de kinderjaren van de dichter. Door een oogkwaal ging het gezichtsvermogen van Penning snel achteruit en werd hij uiteindelijk blind. Penning was bevriend met bekende dichters, zoals Jacques Bloem, Jan Greshoff, Hein Boeken en Albert Verwey. Zij maakten het mogelijk dat “Levensavond” (1921) verscheen daar Penning toen al enige jaren blind was..

Op Delpher kun je de bundel (tweede druk uit 1920) in zijn geheel lezen mocht je hierin geïnteresseerd zijn https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&identifier=MMKB02A:000031081:00001

.

De muze en haar dienaar

.

Aanschouwlijk, zou zich Ruth het nonnetje ook doen hóóren;

Zou ’t dubbel spoken! had ik wel gezworen;

Doch nu ’t Portret weêr hing, werd van geen vers gewaagd;

En liggen bleef het – tot door na-jaarskoren,

Door storm-muziek mijn ziel werd opgejaagd,

En zich ontwikkelde uit een zakendrukte

Waarvoor de muze al menigwerven week;

Wien ze ooit zich eensklaps weêr ontsluierde ne vrrukte,

Gist hoe in mij de minnaar Dienaar bleek.

Wien ze ooit verkóór, hij weet hoe’s dichters leven

Een dubbel-leven is, en al wie kunstig doet

Veel en uit liefde lijden moet-

Of koud is de uitslag van zijn streven,

Fabriekswerk! mooi, maar poppig goed!

.

Met zwier en glans den Geest ontwrongen,

Zij ’t kunstgewrocht bewond’renswaard, –

Beminnelijk is, en Goddelijk van aard,

Wat, tevens aan ’t Gemoed ontsprongen,

Meer bloeit dan blinkt, als uit de ziel gezongen

Dier leven trillende openbaart.

.

En wijl in ’s dichters hof de lieflijkste rozen

Zich drenkten met zijn hartebloed,

En tranen dauwden op haar gloed,

En stille pijn zich teekent in haar blozen,

Zoo heet de dichter ziek? ….

Blijkt maar zijn oogst gezond,

Gezond is ook zijn ziel! En àlweêr, zorgzaam blijde,

Wil ze als der Parel moeder lijden. –

En aarden naar de Schelp daar Venus uit ontstond.

.

 

Ballade van het optipessimisme

Ernst van Altena

.

De dichter, schrijver en vertaler Ernst Rudolf van Altena (1933 -1999)  werd vooral bekend als vertaler van chansons van Jacques Brel. Hij vertaalde tijdens zijn leven meer dan 1500 chansons, van Brel maar ook van Charles Aznavour, Gilbert Bécaud en Boris Vian. Daarnaast kende ik hem van de bloemlezingen die hij samenstelde ( https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/05/28/van-vroeger-en-thans/) en van zijn vertalingen van de Franse dichter François Villon ( https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/04/26/gek-slecht-en-gevaarlijk-te-kennen/ ).

Toch dreigt zijn naam als dichter wat te vervagen (het lot van vrijwel alle dichters). En dat is toch jammer want Ernst van Altena was een begenadigd dichter. Zo publiceerde hij in 1970 de bundel ‘Als je erdoor bent is het water heerlijk’. In de bundel ‘Weerspiegeling’ bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van 1880 tot heden uit 1971 werd dan ook prompt het gedicht ‘Ballade van het optipessimisme’ uit de bundel uit 1970 opgenomen.

Toen ik dit gedicht las moest ik glimlachen. Een serieus gedicht waarin wat zwaardere onderwerpen niet geschuwd worden, in een makkelijk leesbare versvorm (rijm) met kwinkslagen maar heerlijk om tot je te nemen. Reden genoeg om het gedicht hier te delen.

.

Ballade van het optipessimisme

.

Je kunt natuurlijk in het zand gaan rusten,

je ogen sluiten… branden in de zon.

Vergeten dat op andere verre kusten

een menner staat te brallen op ’t balkon.

Die menner haalt met woorden en met daden

de ochtendkrant en zelfs de avondbladen.

En boven brandt de zon en jij beneden,

jij denkt aan al wat jong is, blond en groen.

Voor optimisme is geen enkele reden,

maar zeg nou zelf, wat moet je zonder doen?

.

Je kunt natuurlijk binnen manneschouders

verliefd gaan bouwen aan een kindje blond.

Vergeten dat op dit moment veel ouders

hun blonde zoon zien weggaan naar het front.

Die zoon haalt zwartomrand de commentaren

en voor jouw zoon duurt dat misschien nog jàren.

En ach… voor het verlies maak je een tweede

en verder peinzen smoor je in een zoen…

Voor optimisme is geen enkele reden,

maar zeg nou zelf, wat moet je zonder?

.

Je kunt natuurlijk in een charter kruipen

en vliegen naar een zondoorstoofde staat.

Vergeten dat zo’n land lijdt aan de stuipen

van clericaal fascisme, derde graad.

De schrijvers zitten daar in kille cellen

en jij ligt op hun stranden te vervellen.

Maar Lorca is alweer zo lang geleden,

de Guardia Civil houdt z’n fatsoen.

Voor optimisme is geen enkele reden,

maar zeg nou zelf, wat moet je zonder doen?

Prince

Prins zeg nou zelf, dat wij dat gisteren deden,

moeten wij dat vandaag soms niet meer doen?

Voor zonnen, vrijen, reizen is geen reden…

maar kun je het niet zònder reden doen?

.

Vuur en wind

Muus Jacobse

.

In de loop der tijd heb ik heel wat dichtbundels verzameld die de oorlog als onderwerp hebben. In een aantal gevallen betreft het hier dichtbundels met poëzie die tijdens en na de oorlog zijn geschreven, vaak met verzetspoëzie maar in een aantal gevallen ook met persoonlijke gedichten.

De bundel ‘Vuur en wind’ van Muus Jacobse met als ondertitel Gedichten 1941 – 1945 waarvan ik een derde druk bezit uit 1946, is er een uit de laatste categorie. Deze bundel werd door D.A. Daamen uitgeversmaatschappij N.V. in Den Haag uitgegeven en werd in december 1945 (een maand na de eerste publicatie) bekroond met de Van der Hoogt-prijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde én met een prijs voor verzetspoëzie van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

De bundel is chronologisch ingedeeld (van 10 mei 1940 tot na de bevrijding), is geschreven in vast rijm en bevat vele verwijzingen naar God, die blijkbaar een belangrijke rol speelde in het leven van de dichter. Muus Jacobse was het pseudoniem van dichter Klaas Hanzen Heeroma (1909 – 1972). Ik schreef al eerder over deze dichter https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/04/02/het-boek-2/ als één van de dichters in de bundel ‘Het landvolk’.

Ik koos voor het gedicht ‘Wit afscheid’ omdat het zo vol van verwijzingen zit en niet doordrenkt is van religieuze overdenkingen. Voor de echte liefhebber is de hele bundel hier https://www.dbnl.org/tekst/heer023vuur01_01/heer023vuur01_01.pdf  integraal te lezen.

.

Wit afscheid

.

Vanmorgen lag als sneeuw

gespreid op gras en stam

een hagelbui, waarmee

de winter afscheid nam,

.

tussen de bloesemknop

en het uitdagend groen

een witte sluier op

de prilheid van ’t seizoen,

.

een hagelwitte kou

dun over ’t jonge gras,

opdat ons hart zich zou

herinneren wat wás…

.

Het is de laatste April

en morgen is het Mei.

Ons hart wordt wit en stil:

zijn wij nu morgen vrij?

.

Vandaag is het een eind,

morgen een nieuw begin:

wat er werd af gepijnd,

bracht het ons goed gewin?

.

Wit werd nu gras en stam,

dat ons hart nooit vergeet,

hoe ons de vrijheid kwam

door kou, honger en leed…

.

Misschien ligt in Berlijn

vandaag dezelfde sneeuw:

dat het begin mocht zijn,

God, van een beter eeuw!

 

In San Francisco, in

Moskou en Amsterdam

dezelfde sneeuw, waarin

Uw rijk een aanvang nam!

.

In San Francisco, in

Moskou en Amsterdam

Uw sneeuw als een begin,

Uw liefde als een vlam!

.

December-elegie

Maurice Gilliams

.

Het Vlaams literaire kwartaalblad ‘Yang’ verscheen van 1963 tot en met 2009. In ‘Yang’ werd ruime aandacht besteed aan hedendaagse poëzie en proza van zowel Nederlandstalige auteurs als in vertaling en er stonden kritieken en essays in. In 2009 is het samengesmolten met het tijdschrift ‘freespace Nieuwzuid’ tot het nieuwe platform ‘nY’. In ‘Yang’ het tijdschrift voor Literatuur Kommunikatie (ja zo schreef men dat destijds) uit 1980, staat een passend gedicht voor deze tijd van het jaar. Wellicht iets te vroeg (het is nog november) maar niet minder mooi. Het is het gedicht ‘December-elegie’ van de Vlaamse schrijver en dichter Maurice Gilliams (1900 – 1982). Op zeventienjarige leeftijd debuteerde Gilliams met gedichten en proza onder de naam Floris van Merckem, een pseudoniem dat hij later introk. Hij brak op 36-jarige leeftijd door met zijn sterk autobiografische roman ‘Elias of het gevecht met de nachtegalen’.

Gilliams ontving voor zijn werk onder andere de Constantijn Huygensprijs (1969) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1980). In de tuin van het Elzenveld in Antwerpen staat een standbeeld van hem van de hand van beeldhouwer Rik Poot. Op de arduinen sokkel staat Gilliams’ tekstregel ‘De onrust schenkt vleugels aan de verbeelding’, die in 2018 het motto werd van de roman ‘De avond is ongemak’ van dichter en schrijfster Marieke Lucas Rijneveld.

.

December-elegie

.
Hier woont een bruid. De stallen staan vol paarden.

De wintermaan beschijnt door ’t vensterglas,

verschuivend langs een roerloos vlak van angst,

de teil met bloedmoer van geslachte hazen.

.

En stoel aan stoel en kast aan kast der vaderen

beluistren ’t kraken van de zorgentrap

waarlangs zij klommen, lijdzaam overlast,

naar nesten van vergetelheid op zolderkameren.

.

Voor barenswee verkoren dochter sluimert;

een arm, als bij het rapen, hangt ontbloot

naar ’t veld der dromen waar de wellust suizelt.

.

En met haar mond naar de appels aan de bomen

bewasemt zij het plekje op de wand

waar de afscheidszucht verstierf van verre doden
.
.

Het glas breekt….

Bijna vergeten dichters

.

Ik heb veel oude dichtbundels in bezit en een groot deel daarvan zijn verzamelbundels of bloemlezingen. Het aardige van deze bundels is dat er dichters in zijn opgenomen waar je nooit meer iets van leest of hoort, terwijl er ook onder deze (bijna) vergeten dichters heel fijne dichters zitten. Zo lees ik in ‘De stem van de dichter’ samengesteld door Antal Sivirski en uitgegeven door J.B. Wolters Groningen in 1962 . In deze bloemlezing van poëzie en proza geschikt om voor te dragen (in het voorwoord neemt Sivirsky de lezer mee over het doel van het voordragen (anderen te laten genieten van een kunstwerk), de klank, de waarde van het voordragen en de keuze van de kunstwerken) staan behalve gedichten ook een aantal prozastukken. Ik beperk mezelf dan tot de gedichten van veel bekende dichters maar af en toe zit er een dichter tussen die ik niet ken. Zoals de dichter Dezsö Kosztolányi.

Kosztolányi (1885-1936)  was een Hongaars dichter, schrijver, vertaler en journalist. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hongaarse literatoren van de 20e eeuw.  Hij was vooral estheet en individualist, zijn werk laat een toenemende verdieping zien. In de communistische periode gold hij als burgerlijk en conservatief, maar ook toen werd hij erkend als voorbeeldig stilist.

In 1907 debuteerde hij en vanaf 1908 was hij actief voor het pas opgerichte, later leidende, Hongaarse letterkundige blad Nyugat, waarin van zijn hand een studie over Rilke verscheen. Hij kreeg vooral bekendheid door zijn in 1910 verschenen gedichtencyclus ‘A szegény kisgyermek panaszai’ (Klaagzang van een arm klein kind). In 1913 publiceerde hij de anthologie ‘Modern költők’ (Moderne dichters). Kosztolányi schreef makkelijk en snel, naast 12 bundels gedichten publiceerde hij veel krantenartikelen en korte verhalen. Hij was tevens belangrijk als literair vertaler. Hij vertaalde werk van Shakespeare, Rilke, Goethe, Verlaine en Rimbaud, maar ook ‘Alice in Wonderland’.

Van zijn hand is in ‘De stem van de dichter’ het gedicht ‘het glas breekt….’ opgenomen dar eerder in ‘De Muze kent geen Babel’ (Wereldpoëzie in vertaling) verscheen in 1959.

.

Het glas breekt….

.

Het glas breekt

En de tand valt uit.

.

Het kleed scheurt

En het oog verzwakt.

.

Sleutel en knoop gaan te loor

En de lust vergaat.

.

De kaars brandt op

En het bloed wordt traag.

.

De lamp stort neer

En het hart staat stil.

.

Wee mij en u

Wee onzer.

.

Bèèè

W.F. Oostveen

.

In de nieuwsbrief van Laurens Jz Coster http://www.ljcoster.nl/ stond een alleraardigst gedicht over schapen van de dichter Willem Frederik Oostveen (1849-1890). Reden genoeg voor mij om deze, voor mij onbekende, dichter eens van dichterbij te bekijken en te leren kennen. W.F. Oostveen blijkt een schrijver en tekstdichter te zijn waar vrijwel heel Nederland het werk van kent (of toch één specifiek lied), hij schreef namelijk de tekst van het Sinterklaaslied ‘Sinterklaas is jarig’. Oostveen heeft diverse publicaties op zijn naam staan en was redacteur van het tijdschrift ‘Ons Genoegen’ een tijdschrift voor de jeugd dat wordt uitgegeven door uitgeverij Muusses in Leiden.

Oostveen overlijdt jong, op 41-jarige leeftijd, waarschijnlijk aan de gevolgen van de Russische griep. Deze Russische griep (ook wel Aziatische griep genoemd) was een pandemie (toen dus ook al) die in 1889 uitbrak en vanuit Rusland (met de komst van stoomboten en spoorwegen) binnen vier maanden verspreid werd over de hele wereld en zijn hoogtepunt bereikte in de Verenigde Staten (toen dus ook al), zeventig dagen na zijn hoogtepunt in Sint-Petersburg. Het aantal slachtoffers van deze Russische griep bedroeg naar schatting circa 1 miljoen.

Oostveen was een geliefd auteur van ‘Ons Genoegen’ want bij zijn overlijden vroeg zijn uitgever de jeugdige lezer om bij te dragen aan een gedenkteken op het graf. Hetgeen ook gebeurde. Zoals hierboven al geschreven nam de nieuwsbrief van Laurens Jz Coster een gedicht van zijn hand op getiteld ‘Mijn schaapje’.

 

Mijn schaapje
.
Ik ken een aardig schaapje,
’t Loopt ginder in de wei,
Het huppelt en het springt maar
Heel vergenoegd en blij.
.
Het dartelt in de weide
De ganschen langen dag
En eet en drinkt met luste,
Al wat het gaarne mag.
.
Was ik maar eens zoo’n schaapje,
Dan zat ik nu niet hier,
Dan ging ik nooit naar school toe
En had maar steeds plezier.
.
Wel jongen lief, wat zegt ge,
En meent ge dat? Och kom,
Dan bleeft ge net als ’t schaapje,
Uw heele leven dom.

.

Op reis

Dubbel-gedicht

.

Op reis, weet je nog? Dat deden we vorig jaar en dit jaar maar dan dichterbij huis. Reden genoeg om een dubbelgedicht  te plaatsen over twee bundels dit keer die beide over ‘Op reis’ gaan. De eerste bundel is ‘De muze op reis’ uitgegeven in 1950 door de vereniging met de lange naam, of wel de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels, ter gelegenheid van de Boekenweek in dat jaar.

De tweede bundel is uit 1995 en getuige het losse blaadje voorin werd dit aangeboden door de NS aan haar reizigers. De titel van deze bundel is ‘Waarheen ik ga weet ik niet’ met als ondertitel Gedichten om mee op reis te nemen.

Uit de eerste bundel koos ik het gedicht ‘Coupé’ van Pierre Kemp (1886 – 1967) dat gaat over een reis per trein en uit de tweede bundel koos ik voor het gedicht ‘Een zakdoek in de oceaan’ van Harry Scholten (1936 – 1987) uit de gelijknamige bundel uit 1973.

.

Coupé

.

Van al die reizigers stond er ééne op

en tot haar moeder met de donkren bril,

stiet zij het uit haar oudren meisjeskop:

zie toch de zon eens! De andren werden stil.

Maar ik die dagelijks de zon vereer

als schepper van lief en leed, ik hield mij neer,

benijdde haar ’t moment. Ook ik ben vaak spontaan

voor zulk: de zon! uit de zittenden opgestaan.

Toen was ik jong en later even oud als zij.

Thans is de zon niet meer die god voor mij.

.

Een zakdoek in de oceaan

.

tijdens het stillezen

een snikhete zomerdag 1948

stapte hij opeens de bank uit

liep naar voren naar de wereldkaart

doopte zijn zakdoek in de oceaan

depte daarmee aandachtig het voorhoofd

liep bedaard terug naar zijn plaats

en las toen zichtbaar verfrist verder

.

Allerzielen 2020

Dichter bij de dood

.
In 2018 en 2019 mocht ik deelnemen aan het project rond Allerzielen ‘Dichter bij de dood’ waarbij een aantal dichters op Allerzielen (2 november) ’s avonds op de begraaf plaats Oud Eik en Duinen in Den Haag gedichten voordraagt. In het geval van Oud Eik en Duinen, één van ’s lands oudste en mooiste begraafplaatsen, gedichten bij de graven van bekende dichters, schrijvers en kunstenaars. In 2018 droeg ik een gedicht voor van de dichter Dop Bles https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/10/16/voordracht-tijdens-allerzielen/ en in 2019 van de dichter G.H.J.E. Boswel https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/10/26/tranen/. Dit jaar had ik voor de dichter-drogist S.J. van den Bergh gekozen https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/04/10/drogist/ en iedereen had er zin om weer een bijzondere avond rondom de dood en poëzie te beleven.
.
Helemaal omdat dit jaar ‘Dichter bij de dood’ haar lustrum viert. Iedereen had er zin en er werden allerlei plannen bedacht samen met de
begraafplaats. Deze editie wilde de organisatie iets bijzonders doen, extra uitpakken. Zo werd er een workshop gegeven aan de deelnemende  dichters, om ‘n portretgedicht te schrijven, over de persoon die zij hadden gekozen. Deze gedichten wilde de organisatie uitbrengen in een mooie dichtbundel. Een mooie kroon op onze afgelopen vijf jaar.
.
Maar zoals bij zoveel mooie initiatieven werd ook dit project definitief afgelast. Dankzij een tip van een van de deelnemende dichters, heeft de organisatie echter het volgende plan opgevat: de voordrachten van de gedichten worden gefilmd op de begraafplaats. Deze film zal worden verspreidt op 1 november a.s. via alle mogelijke kanalen. Daarnaast zullen deze prachtige gedichten bij de graven worden neergezet, waar zij de hele maand november te lezen
zullen zijn op de begraafplaats Oud Eik & Duinen.
.
Zo hebben de twee organisatoren Marjon van der Vegt en Liesbeth de Blécourt samen met Monuta, de eigenaar van Oud Eik en Duinen toch iets moois en speciaals weten neer te zetten rondom Allerzielen. Nadat het dichterspodium van Marjon ‘Dichter bij Den Engel, ophield te bestaan, en zij hoorde over de ‘Witte dichters’ die op de Oosterbegraafplaats in Amsterdam gedichten voordroegen eind november, heeft zij samen met Liesbeth ‘Dichter bij de dood’ opgericht. Waarmee ze een mooie en bijzondere manier biedt aan bezoekers om te herdenken en aan dichters om deze avond een bijzonder tintje mee te geven. 
.
Normaal gesproken wordt er op de avond zelf, 1 gedicht voorgedragen uit het werk van de schrijver/dichter, en 1 troostend gedicht over de dood. De begraafplaats heeft door de jaren heen gezien hoeveel mensen troost putten uit deze mooie avond. Het is uitgegroeid tot een waardevol evenement, waar mensen al in september om komen vragen, wanneer het evenement weer is, bij de begraafplaats. De dichters zijn trots om een mooi gedicht te schrijven, en deze voor te mogen dragen, aan de belangstellenden. Dan ontstaat er soms een gesprek, waarin hun verhaal aan bod mag komen, over hun ouder of kind die op de begraafplaats begraven ligt, om weer even hun naam te noemen, ze weer even hardop herinneringen kunnen worden opgehaald. Op deze manier gedenken, en uiting te kunnen geven aan het gemis, is een mooie manier om even bij stil te staan met Allerzielen.
Nu het dit jaar dus niet kan doorgaan door de Corona crisis zal er op 2 november een film worden gepubliceerd (ook op dit blog) met daarin de dichters en de gedichten die zij over de bekende schrijvers, dichters en kunstenaars maakten.
.
.
Mijn gedicht gaat, zoals ik al schreef, over S.J. van den Bergh (1814 – 1868), dichter, drogist en oprichter van letterkundig genootschap Oefening Kweekt kennis, en ik heb het gedicht getiteld ‘De drogist-dichter’. De video-opname van mijn voordracht kun je na 2 november via dit blog bekijken evenals de voordrachten van de andere dichters.
.
.

De drogist-dichter

.

In de voorraadkast van de dichter

staat geen zand, zeep of soda.

In taal samengesteld liggen de

onderdelen klaar samengevoegd te worden.

,

Om zo te komen tot een resultaat, ook

hier geldt: oefening kweekt kennis.

,

De waarde van woorden wordt niet

afgewogen, niet uitgedrukt in vaste frasen

of tabellen, hier bepalen vers en vorm

de inhoudsmaat.

,

Weegt en wikt de dichter tot het juiste

gewicht is bereikt.

,

Het graf van S.J. van den Bergh

Een aantal van de deelnemende dichters

Gedicht van S.J. van den Bergh op zijn graf

Tijdens de filmopnames van Marije Hendrikx