Categorie archief: (bijna) vergeten dichters

Vox Populi

Hans Vlek

.

In de categorie (bijna) vergeten dichters, wil ik vandaag stilstaan bij de dichter Hans Vlek. Vlek (1947) is dichter en schilder en debuteerde in 1965 met de bundel ‘Anatomie voor moordenaars’ (1965). Voor zijn derde bundel ‘Een warm hemd voor de winter’ (1968) ontving hij zowel de Reina Prinsen Geerligs als de Jan Campert-prijs. Bekend is hij geworden met zijn bundel ‘Voor de bakker’ en de bundel ‘De goddelijke gekte’ uit 1986. Hans Vlek woont en werkt nu het grootste deel van het jaar in de Spaanse stad Granada. Vlek die ook wel ‘De Shakespeare van de Nederlandse letteren’ werd genoemd was in zijn tijd zeer actief met o.a. het organiseren van popconcerten, het opzetten van periodieken en het schrijven over literatuur en popmuziek.

In 2001 maakte regisseur John Albert Jansen een documentaire over Hans Vlek met de titel ‘De Goddelijke Gekte’. In deze documentaire gaat hij in gesprek met Vlek over muziek (jazz), vrouwen, de psychiatrie (Vlek werd in de jaren zeventig enige tijd in een psychiatrische inrichting behandeld) de jaren zestig en uiteraard poëzie.

In 2009 verleende het Fonds voor de Letteren een eregeld aan Vlek voor zijn verdienste voor de Nederlandse literatuur.

 

Vox Populi

Steeds minder wordt de fantasie
fantastisch, steeds kleiner
de wereld, korter
de reisduur, de voetbalbroeken.

Narcissen verdrogen en worden
door tulpen vervangen, de kat
werpt tussen ontsproten bintjes
negen jongen waar geen blik voor is.

Elke dag poets ik zorgvuldig
mijn schoenen en gebit terwijl er
verrekt, gecrepeerd en gemoord wordt.
Maar als je zo denkt word je gek.

 

Uit: Geen volkse god in uw achtertuin, Querido, 1980.

 

Old finish

Ik stootte mijn hoofd aan de bladrand
op zondag, nog steeds groeit
op die plek geen haar.
Een koekje voor het bloeden en
een zakdoek, gedrenkt in azijn.

Een hoogpotige tafel met namaakpers
in het midden van de kamer, waarrond
het Wilhelmus staand werd aangehoord.
Er werd die middag niet gescoord
door de oranjehemden.

De hoogpotige tafel waarrond
wij, achter dampende bloemkool
met maïzenasaus die ik
niet lustte, aandachtig luisterden
naar Tom Schreurs.
De tafel waarrond ’s avonds gekaart werd
om een kwartje, die vent speelt
vals, waarna met vloeken werd gesmeten.
Vanuit mijn bed hoorde ik
later weer lachen.

Die tafel met donkerrood kleed uit
de uitverkoop is nu, als ik schoenmaten later
weer binnenkom, vervangen door een lagere
met glazen blad, een betere, waar
ook een kleuter overheen kijkt.

Uit: Zwart op Wit, 1970

Hans Vlek

 

VlekHan

Poëzie op straat – Den Bosch, lokatie: Korte Putstraat.

 

 

Met dank aan Ipoetry.nl, gedichten.nl en CUBra.nl

Ballade aan de maan

Theo van Ameide

.

Theo van Ameide is het pseudoniem van Johan Hendrik Labberton. Labberton was een Nederlands jurist, dichter en essayist (1877 – 1955), geboren in Ameide (wat zijn pseudoniem verklaart).

Hij publiceerde een bundel gedichten onder de titel ‘Lof der wijsheid’ (1906), poëzie die eerder verscheen in het tijdschrift  ‘De Beweging’. In dat tijdschrift nam hij deel aan de discussie over ‘bezielde retoriek’ met bijdragen waarin hij pleitte voor ‘een nieuwe rethoriek’ (1913), een herstel van de ‘oude’ beelden en metaforen, mits doorvoeld en natuurlijk toegepast.  In 1912 verscheen zijn tot dan toe verschenen poëzie in ‘Verzamelde gedichten: 1906-1912’.

Pas in 1941 verscheen opnieuw poëzie van hem met het langere gedicht ‘Eeuwige lente’, in 1950 gevolgd door ‘Aarde en hemel: een gedicht’. De poëzie van Theo van Ameide heeft een filosofische strekking en is geschreven in een verheven retorische stijl.

.

Ballade aan de maan

.

Wij zijn te zamen maar alleen,
mijn bleke liefde, en over tijden
en ruimten gaat mijn mijmring heen
met u door lege luchten glijden;
daar kan geen tegenstand ons beiden;
gij ziet mij van de hemel aan,
als vroeg gij: waarom al dit lijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Ik ben maar liefst met u getweên,
gij zijt althans niet van de blijden,
gij kunt begrijpen, dat ik ween,
wen gij uw tere glans gaat breiden
en dromen weeft om dorre heiden,
een parel tovert in een traan….
Gij zoudt mij willen leeds bevrijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Hoe dikwijls, ach, hoe dikwijls scheen
mijn wezen ook, van de aard gescheiden,
niets, niets te blijven dan alleen
een oog dat schouwde, een oog dat – schreide….
.
Mijn arm verlangen, dat bij zijden
verheven machteloos blijft staan,
heet gij vergeten, heet gij mijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Ook gij….toch moet ik U benijden:
gij drijft, een glimlach, rond uw baan….
Begeer ik ook zo stil te weiden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.

.

Verschenen in ‘De Beweging’ in 1912.

.

moon

Liefdesgedicht

Kees Winkler

.

Vandaag een liefdesgedicht van een (tot voor kort) voor mij onbekende dichter Kees Winkler. Kees Winkler (1927 – 2004) was een dichter die o.a. deel uitmaakte van de redactie van Propria Cures , hij publiceerde zo’n 17 poëziebundels en in 1985 stelde hij de bloemlezing ‘Liefde is het enige. De honderd mooiste liefdesgedichten sinds 1945′ samen.

Van zijn hand het liefdesgedicht ‘Leuk Judy’ uit de bundel Gedichten uit 1972.

.

Leuk Judy

.

Zij huppelt als een hertje naast mij voort

met af en toe een balletpasje

ik houd haar stevig bij de hand

bang haar te verliezen

.

Als ze er niet meer was

wie zou mij dan kussen in de herfst

en wie zou er met kleine woordjes

aan mijn oor kriebelen?

.

Gelukkig is ze er nog en huppelt

en doet het kraagje van mijn jas goed

met al haar kleine dingen is zij duizendvoudig

huppelend op de maat der stadsmuziek

.

huppel

Erich Arendt

Poetry International 1981

.

van mijn broer kreeg ik een Bzzlletin van 1981 met daarin een aantal artikelen over Poetry International van dat jaar. Een van de artikelen gaat over de dichter Erich Arendt. Erich Arendt woonde en werkte in de Deutsche Democratische Republik (DDR). Hij werd geboren in 1903 en overleed in 1984. Hij was dichter en vertaler (van de werken van Pablo Neruda).

In de aanloop naar de tweede wereldoorlog vluchtte hij met zijn half-Joodse vrouw naar Zwitserland en later naar Frankrijk en Spanje. In 1950 keerde de overtuigd communistische Arendt terug naar de DDR. Toen de censuur van de veiligheidsdiensten hem echter in het vizier kreeg begon hij zich af te zetten tegen wat hij het beperkende cultuurbeleid noemde.

Later werd hem het reizen naar andere (niet communistische) landen door de autoriteiten moeilijk gemaakt. Pas na zijn pensionering kreeg hij toestemming om naar het Westen te reizen. Zo ook, een paar jaar voor zijn dood, naar Nederland in 1981.

Zijn werk gaat van sensueel vitaal, intellectueel afstandelijk, klassiek maar rijk aan surrealistische metaforen of zoals een Duits wetenschapper ooit schreef:

Zijn werk is een exploitatie van de associatieve verbeelding, een visuele realisatie van ritmisch-muzikale ideeën, de ideeën van fragmentatie, de versnippering van aaneengesloten beelden of zinsconstructies, lijnen, zelfs woorden, de absolute vermindering van het woord.[

In de Bzzlletin van 1981 staat het gedicht Marina Zwetajewa ter illustratie. Marina Zwetajewa wordt gezien als één van de belangrijkste Russische dichteressen uit de vorige eeuw (samen met Anna Achmatowa).

.

Marina Zwetajewa

.

Hoe hondsdood

anoniem jouw graf.

Vroeg

uitgeteerde horizon

(maar, die haar roven wilde

de schamele rest, ze

deelt de laatste hap

met hem).

Het vlaggedoek armoede

vast om haar borst, zo

van land naar land, tot

kale glans,

de Seine steeg:

in de ochtend Sacré Coeur: de

de gesprongen hartklop … en

gescheiden weer

muur de

spoorloosheid,

en –

iedere adem

als wurgsnoer:

in sneeuw-groene-verte het eigen –

geboren bloed.

(Wat heeft huilen hier voor zin!)

.

erich_arendt

 

graf EA

 

Erts

Een bloemlezing uit de poëzie van heden

.

vandaag uit mijn boekenkast een bloemlezing uit 1955 ‘ mede samengesteld ten behoeve van literatuuronderricht op de middelbare scholen’ door Bert Voeten. Aardig aan deze bundel is dat de dichters in volgorde van geboortejaar worden opgevoerd waarbij de ‘jongste’ uit 1930 stamt namelijk Ellen Warmond en de oudste van 1883 H.W.J.M. Keuls.

veel bekende namen maar ook een aantal dichters waar ik nog niet eerder van gehoord had zoals Jan Wit, W.J. van der Molen, J. Valentin en Nes Tergast.

Van Ellen Warmond het gedicht ‘Naar men zegt’ uit deze bloemlezing.

.

Naar men zegt

.

Naar men zegt is dit

het leven der wijzen:

.

niet meer bewegen stilstaan als een berg

zeer ouderwetse liefdesbrieven lezen

een kerkboek copiëren zonder lachen

bij willekeurige voorbijgangers

naar hun gezondheid informeren

.

1 boek bezitten met het alfabet

letter voor letter op een ander blad geschreven

daar lang in lezen

dan tevreden als een varen

het lichaam samenvouwen

en gaan slapen.

.

erts

Ik ben zo blij, ik ben vreemd blij

Over de liefde

.

P.N. van Eyck was tot vandaag voor mij een onbekende dichter. Tot ik dit gedicht tegen kwam en ik nieuwsgierig als altijd, meer wilde weten van deze van Eyck.

Pieter Nicolaas van Eyck ( 1887 – 1954) was dichter en criticus. Hij is de vader van de bekende architect Aldo van Eyck. Tussen 1909 en 1954 publiceerde hij 12 poëziebundels alsmede verschillende andere publicaties. In 1947 ontving van Eyck de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre.  Zijn bekendste gedicht (uit 1926) is ‘De tuinman en de dood’maar hier kun je het gedicht ‘Wat deert me nieuwe liefdes-tijd” lezen. Hoewel het Nederlands van een heel andere tijd is en daardoor misschien wat moeilijk te begrijpen is het gedicht en de thematiek van alle tijden

.

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd;
wat deren waan’ge dagen?
‘k Heb mij in bedden neer-geleid
waar vreemde doden lagen…

Wat schade aan hergenoten waan?
Misschien zal ik vergeten
hoe doornen langs een liefde-laan
mijn lede’ aan stukken reten…

– Ik ben zo blij, ik ben vreemd blij,
te kunnen stil geloven
in nieuw-aanblazend min-getij
door oud-gekende hoven.

.

love_time_by_lans_bejbe

Afbeelding Lans Bebjbe, met dank aan Wikipedia.

.

Jan Maria de Willebois

Vandaag 90 jaar

.

Van José Boersma kreeg ik drie dichtbundels te lezen van de, mij onbekende, dichter Jan Maria de Willebois.  Deze dichter wordt vandaag 90 jaar dus ik had een goede reden om juist vandaag iets over zijn werk te schrijven.

De drie bundeltjes met de titels ‘een bloem van licht’, ‘Maar voort gaan, hoog, de reigers’ en Waar stille snaren spannen tot een harpbegin’ zijn alle drie uitgegeven bij Memini in respectievelijk 1998, 1996 en 2003.

Op de achterkant van de drie mooi uitgegeven bundels een kort stukje over de dichter.

Jan Maria de Willebois is geboren in 1924 te Hintham, studeerde sociale wetenschappen, is gehuwd met Lysbeth van der Does de Willebois-Bruining (die de illustraties verzorgde voor de bundels) en heeft twee zonen (aan wie de tweede bundel is opgedragen). Omstreeks zijn 23ste jaar begon hij , in gesprek met zichzelf, spontaan gedichten te schrijven. Heel veel later besloot hij tot publiceren (1996).

.

De poëzie van de Willebois is heel herkenbaar in vorm. De meeste van zijn gedichten bestaan uit gedichten van 4 strofen met twee strofen van 4 regels en twee strofen van 3 regels met als rijmschema abab cdcd efe ghg.

De onderwerpen zijn veelal de zoektocht naar zichzelf, de ander en de dimensies van het leven. Sommige zouden zijn poëzie wat ouderwets noemen maar dat hoeft zeker geen negatieve connotatie te zijn. Hier spreekt een man die het leven niet voor als van zelf sprekend aanneemt, een man die vragen stelt en op zoek naar de antwoorden deze soms wel, soms niet vindt. Voor de liefhebbers van rijmende poëzie zeker een aanrader, juist omdat steeds heel mooi in ritme wordt gedicht, muzikaal en met gebruikmaking van ‘mooie woorden’.

Uit de bundel ‘Maar voort gaan, hoog, de reigers’ het gedicht ‘Elevatie’.

.

Elevatie

.

“L ‘arbre, ce prêtre qui loue, transsubstantie…’ (anoniem, 14 eeuw)

.

Hoog ben ik, als alle bomen.

Adem mijn top

de hemel, waar de winden komen

in en neem ze op.

.

en leid ze naar de stille vaten

van mijn wortelnet

in alle dingen, – doen en laten,

kiezen en verzet:

.

de geestdrift zelf te verwerken,

breken tot bestaan

in vruchten om wat leeft te sterken:

.

de zon bied ik ze aan.

Ik kan niet meer dan ik kan leven.

En meer dan dat kan ik niet geven.

.

foto bundels

Sappho

Een gedicht

.

Sappho was een lyrische dichteres uit het oude Griekenland (ca. 625 tot 565 voor Chr.). Haar werk kenmerkt zich door de verfijning van warme gevoelens. In een heel eigen stijl, getuigend van grote originaliteit. Hieronder een voorbeeld.

.

Hij lijkt mij aan de goden gelijk te zijn,

de man die tegenover jou mag zitten

en van dichtbij hoort hoe jij zachtjes praat

met mooie stem

.

en hoe jij lieflijk lacht, wat bij mij altijd

mijn hart heftig onder mijn ribben laat slaan

Zodra ik maar even naar je kijk verstomt

mijn stem volledig,

.

mijn tong ligt gebroken in mijn mond, meteen

kruipt er een ragfijn vuur onder mijn huid,

mijn ogen zien niets meer, een machtig gonzen

vult mijn oren

.

zweet breekt aan alle kanten uit, een trillen

neemt bezit van mij, bleker dan verdord gras

ben ik, slechts een paar korte stappen nog en

ik lijk te sterven.

.

Maar alles is te verdragen, als zelfs een

onder armoede gebukt mens (…)

.

sappho

Uit: Sapfo, Gedichten, Athaneum-Polak & van Gennep, 1999

Krantenvrouw

Marnix Gijsen

.

De laatste weken valt me iets op als ik in het dashboard van dit blog mijn statistieken bekijk. Al een paar keer is het aantal bezoekers uit Vlaanderen groter dan het aantal bezoekers uit Nederland. Nu probeer ik mijn aandacht van onderwerpen niet te kijken naar landen of herkomst maar ik weet dat veel Vlaamse vrienden dit blog graag en vaak bezoeken. Als dank daarvoor een gedicht van de beroemde Vlaamse schrijver/dichter Marnix Gijsen (1899 – 1984).

.

De krantenvrouw

De kleine klaagstem van de krantenvrouw
siddert door d’avondlucht
en wil niet laten.
Is er een mensch ter wereld
meer verlaten?
een even wrak en nutteloos gerucht.
Er is een ster en een lantaren,
boven der menschen smalle nacht.
Er is een minnaar met ronde gebaren
en een meisje dat huivert en lacht.
De huizen zijn vol donker gebeuren:
de wanden van een oud en rijk tooverslot.
Waarom klaagt de krantenvrouw
aan alle gesloten deuren?
Waarom breekt haar stem als een slechte sleutel
in het harde slot?
Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God.

.

Uit: Het Huis, 1925

.

Marnix Gijsen

Met dank aan Meander.

Zwaar in mijn borst

Hélène Swarth

.

Naar aanleiding van mijn blog over Gerry van der Linden kreeg ik van Geraldina Metselaar de tip om ook vooral eens aandacht te besteden aan Hélène Swarth. Nu kende ik de naam van Hélène Swarth wel maar niets van haar werk of haar leven. Daar kwam echter snel verandering in toen ik de blog http://heleneswarth.blogspot.nl/ van Dirk Vekemans ontdekte.

Hélène Swarth (1859-1941) was een Nederlands dichteres die gerekend werd tot de Tachtigers. Ze groeide op in Brussel en bleef in België wonen tot haar huwelijk met de Nederlandse schrijver Frits Lapidoth. Ze debuteerde met Franse, door Lamartine beïnvloede gedichten, maar schakelde op aanraden van Pol De Mont over naar het Nederlands. Haar gedichten werden warm ontvangen door Willem Kloos die haar ‘het zingende hart van Holland’ noemde en haar gedichten publiceerde in zijn tijdschrift De Nieuwe Gids.

Door haar zuiverheid van uitdrukking bereikte zij een opvallende eenheid van vorm en inhoud, terwijl anderzijds haar grote zintuiglijke ontvankelijkheid aan haar beste werk een kosmisch-religieuze inslag geeft. Een mooi voorbeeld hiervan is het gedicht ‘Zwaar in mijn borst’ uit de bundel ‘Blanke duiven’ uit 1895.

.

Zwaar in mijn borst

Zwaar in mijn borst en week van ’t vele weenen,
Was toen mijn hart, roodbloedende uit zijn wond,
Vrucht, regenpijp, door zongloed nooit beschenen,
Vermolmd de boom waar ’t Noodlot haar aan bond.

Wie troost beloofde wierp, in hoon, met steenen
En bitter proefde ik ’t leven in mijn mond.
O liever stil ware ik van de aard verdwenen,
Waar ‘k altijd valscheid, nimmer liefde vond!

Toen vleide een stem: – “Kom mee naar Liefde’s Eden!
En ‘k voelde een blik, die al mijn leed verstond.

En ‘k volgde, in hoop, in deemoed en gebeden,
of me, als Tobias, God een engel zond,

Langs koele waatren, ver van woel’ge steden,
Waar kruiden bloeien voor mijn hartewond.

.

Swarth

Met dank aan Geraldina Metselaar, Wikipedia en http://heleneswarth.blogspot.nl/