Categorie archief: Over Poëzie

De dichter is een koe

Gerrit Achterberg

.

Via via ( ik mag graag browsend van het ene naar het andere artikel of website surfen op Internet, zo kom je de interessantste dingen tegen) kwam ik al lezend uit bij een artikel waarin verwezen werd naar de beginregels van een gedicht. Dit gedicht heb ik op DBNL.org gevonden en blijkt van Gerrit Achterberg (1905-1962) te zijn. De beginregels zijn: Gras… en voorbij het grazen / lig ik bij mijn vier poten / mijn ogen te verbazen. Het zijn de beginregels van het gedicht ‘De dichter is een koe’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Eiland der ziel’ uit 1939.

In een artikel van Hugo Brems uit 1991 over dit gedicht schrijft hij: “Dit beroemde gedicht van Achterberg wordt doorgaans gelezen als de uitwerking van de metafoor die al in de titel wordt uitgedrukt. De dichter, die vooreerst algemeen (‘De dichter’) met een koe wordt geïdentificeerd, verschijnt in het gedicht als ik, als geïndividualiseerde, sprekende koe, die zich bezint over haar eigen gedrag en haar eigen gedachtengang en die bovendien commentaar levert op de houding van anderen tegenover haar (en vice versa): kikkers, kinderen, de boer. Zonder titel lijkt het wel een met verwondering en gevoeligheid geschreven inleving in de koe, een ‘testament to his country roots’ zoals Paul Vincent het formuleerde in een commentaar bij zijn Engelse vertaling van het gedicht. Mét de titel erbij wordt het een nogal doorzichtig gedicht over het dichterschap: de dichter als herkauwer, die put uit het onderbewuste en ten slotte zijn gedichten als voedzame melk aan de lezers meedeelt.”

Ik zet dit laatste stuk er met opzet bij om te laten zien wat een titel met een gedicht kan doen. Zonder titel zou dit gedicht inderdaad een uitwerking van een metafoor zijn, wordt er iets gevraagd van je, als lezer, namelijk de metafoor in te vullen. Met de titel erbij wordt het meteen duidelijk wat de dichter bedoelt. Een titel kan dus een heel mooie toevoeging zijn aan een gedicht maar kan ook soms meteen al teveel weggeven. Het mooiste vind ik, is wanneer een titel een stukje van de puzzel (het gedicht) is, een onderdeel dat je meeneemt in het lezen van het gedicht en dat je nodig hebt om een gedicht te doorgronden. Dichters (ook ik) hebben soms de neiging in de titel een verklaring of uitleg van het gedicht te stoppen. Voor het gedicht en voor de lezer is het beter dit niet te doen.

.

De dichter is een koe

.

Gras… en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor een dier ik ben – de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt oud en glad en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

.

Poëzie verkoopt niet

Poëzie is populair

.

Ik kan je bijna horen vragen huh? Bij de aanhef van dit stuk over poëzie staat ‘Poëzie verkoopt niet’ en meteen daaronder ‘Poëzie is populair. Dat lijkt een tegenstelling en toch is het dat niet. In ‘Schrijven magazine’ van februari dit jaar staat een lang artikel over poëzie. Dat poëzie leeft maar slechts mondjesmaat wordt verkocht.

Het artikel begint, zoals zo vaak, met het onderzoek dat Kila van der Starre deed in 2017 over de belevenis van poëzie door de Nederlander. Uit dat onderzoek blijkt dat maar liefst 97% van de Nederlanders in aanraking komt met poëzie. Kila plaatste nog gisteren een post op Instagram dat ze benaderd werd door de Telegraaf over dat zelfde onderzoek, 6 jaar na verschijnen. Dat in aanraking komen met poëzie gebeurt, je raadt het al, vooral buiten het boek. Op gebouwen, Internet, in kranten, in theaterzalen op de radio enzovoorts komen de Nederlandsers poëzie tegen.

Veel (vooral jongeren) lezen poëzie online. Zoals via InstagramUit een zoekwoord analyse van Arjan Jonker blijkt dat er maar liefst 2,4 miljoen keer per jaar op gedichten of poëzie wordt gezocht online. Omdat dat natuurlijk niet alleen de termen zijn waarop men zoekt ligt het totaal van zoekopdrachten nog veel hoger (denk aan dichter, dichtbundel etc.).

Een andere conclusie is dat Vlamingen en Nederlanderspoëzie vaker gezamenlijk ervaren, veelal auditief, dus door ernnaar te luisteren. Overigens staan de top 10 van best verkochten bundels van Vlaanderen en Nederland ook geplaatst in het artikel. Opvallend vind ik dat van de 10 er in Nederland maar liefst 6 in staan van buitenlandse dichters (vooral Rupi Kaur drie keer) en in Vlaanderen slechts drie (allemaal van Rupi Kaur). In Vlaanderen staan ook hedendaagse dichters als Delphine Lecompte (op 1 en op 6), Lieke Marsman (op 3), Maud Vanhauwaert (op 7), David Troch (op 8) en Leo Bormans (op 10). Terwijl in Nederland Lieke Masrman (op 1 en 5), De Poëzieboys (op 9) en Merel Morre (op 10 staat). In bedie landen staat alleen in Vlaanderen op 4 een klassieke held uit de poëzie namelijk het verzameld werk van Paul Celan.

Uit het onderzoek van Kila blijkt dat mensen dichtbundels lezen om: geraakt te worden (25%) of om een gedicht uit te zoeken voor een gelegenheid (20%). De verkoop van dichtbundels loopt al langere tijd terug. Dat is deels te verklaren doordat met name jongeren steeds minder boeken lezen en in toenemende mate online maar ook blijkbaar omdat het aantal mensen dat intrinsiek gemotiveerd is om poëzie te lezen om de schoonheid of de taal erg klein is en kleiner lijkt te worden.

Een voorzichtige conclusie van de hoofdredacteur in zijn redactionele stuk is dat poëzie definitief is losgeraakt van het papier. Is dat erg? Ik denk van niet, mis je iets als je geen poëziebundels leest? Ik denk van wel, de ware liefhebber zal begrijpen wat ik bedoel. Maar zoals de science fiction al jarenlang het kleine stiefzusje is van de lietartuur maar wel gelezen wordt door een kleine maar enthosuaiste groep liefhebbers, zo is het ook met de poëzie. Tel daarbij de aandacht voor poëzie buiten het boek en ik denk dat de conclusie moet zijn  dat A.: poëzie inderdaad steeds minder verkoopt en B.: dat poëzie populair is.

Geen blogbericht zonder gedicht dus daarom een gedicht over poëzie.   In dit geval het gedicht van Rogi Wieg (1962-2015) getiteld ‘Poëzie’ uit zijn bundel ‘De zee heeft geen manieren’ uit 1987.

.

Poëzie

.

Nu is het dus dat ik niet meer weet

hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand

zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet

niet wat je was: ogen, haar, een hand

.

om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen,

de stadsweg waarover je naar huis gaat,

mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen

van dit leven is gewichtig. dat je hier bestaat

.

alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig,

– en al die mooie dingen dan –

om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichgtvaardig.

.

Er is weinig taal in mij om zaken

te omschrijven zoals duit gebrek aan angst;

dus noem ik maar wat afgebroken wordt om nog iets goed te maken.

.

 

Waarheidsvinding

De Haarlemse dichtlijn

.

Op Hemelvaartsdag wordt al sinds jaar en dag De Haarlemse Dichtlijn georganiseerd, een poëziefestival waar maar liefst 100 dichters aan kunnen meedoen. In het Verhalenhuis aan de van Egmondstraat kwamen dit jaar ruim 60 dichters bij elkaar, met publiek meer dan 100 mensen. I de Theaterzaal, de Ademende zolder, het Taalterras en de Intieme huiskamer werd in drie ronden voorgedragen. Ik droeg voor in de eerste en de derde ronde met tweemaal drie gedichten.

De organisatie was als altijd van zeer hoog niveau, de inleiders en presentatoren kundig en het was weer een plezier om zoveel bekende en onbekende dichters te mogen beluisteren en spreken. De festivalbundel (te koop voor € 12,- bij de organisatie) die elk jaar gemaakt wordt van alle gedichten die de deelnemende dichters inbrengen werd dit jaar vormgegeven door Mart Warmerdam. Ook ik heb een gedicht ingebracht met het thema ‘Plot’ getiteld ‘Waarheidsvinding’ dat is opgenomen in de bundel.

Het bestuur van Meander (Alja Spaan, voorzitter, Peer van den Hoven en ikzelf) konden op deze mooie middag ook de bundel met bijdragen van de Meandermedewerkers voor het eerst aanschouwen. De bundel ‘Wat maakt een gedicht goed?’ wordt binnenkort officieel gepresenteerd.

.

Waarheidsvinding

.

Ik droomde de waarheid. In die lucide momenten

was er steeds het besef, dat ik kort van herinnering ben.

.

Het verlies van die helderheid laat geen leegte achter,

de waarheid is steeds een momentopname. Waarom

.

waken over gedachten die verlopen in de tijd,

daarin hun uiterste houdbaarheid bereiken? Nu,

.

wakker geworden door de lichtheid van de ochtend,

begin van lichamelijk leven, na de veilige onthechting,

.

blijft opnieuw die vraag liggen. Tijd schenkt pauzes van

schijnbare duidelijkheid in een leven vol ruis.

.

De wereld van het vers

Vogelvrij

.

In 1985 verscheen bij Athenaeum – Polak het boek ‘De wereld van het vers’ over het werk van Ida Gerhardt van Marie (M.H.) van der Zeyde.  Van der Zeyde heeft Nederlands gestudeerd en promoveerde op Hadewych. Uit de tekst op de achterflap blijkt dat er niemand is die Ida Gerhardt en haar werk beter heeft gekend dan van der Zeyde. In de nalatenschap van de schrijfster (van der Zeyde) werd een afgerond hoofdstuk over ‘De Adelaarsvarens’ uit 1988 aangetroffen en dat hoofdstuk is in de editie van 1992 die ik bezit, opgenomen.

In dit boek is een vrijwel volledige beschrijving van de verzen, de poëzie en het dichterschap van Ida Gerhardt (1905-1997) opgenomen en dat is precies de vraag die de schrijfster van het boek bezig houdt. Een interessant en ook intrigerend boek. Over de bundel ‘De Slechtvalk’ uit 1966 is uiteraard ook een hoofdstuk opgenomen. Hierin worden enkele gedichten beschreven waaronder het gedicht ‘Vogelvrij’.

Van der Zeyde schrijft hierover: “Het eigenaardige ‘Vogelvrij’ staat min of meer op zichzelf, het lijkt anekdotisch (waarschijnlijk ‘waar gebeurd’), en erg mooi is het niet. Maar wanneer ik het goed zie, betekent het meer dan het zo oppervlakkig schijnt. Het zijn niet alleen die dorpskinderen, sterk, bot agressief, die een eenling die anders is ‘schelden en achtervolgen’. De burgerlijke wereld doet niet anders. En zelf in de literaire ‘wereld’ openbaart zich dezelfde tendens. Maar eigenlijk is het ook niet de slotstrofe, die ik in het vers het opmerkelijkst vind; het is de regel ‘en sloeg de kluiten van mijn jas’. Daar zit alles in, de grofheid van de bejegening, de droefheid daarover en ook de verachting. En het mengsel van bitterheid en nuchtere berusting, waarmee de dichter overgaat tot de orde van de dag. Een onopzettelijk en bijzonder sprekend klein zelfportret.”

.

Vogelvrij

.

Kinderen van een prachtig ras

– ik kwam hun noordelijk dorp voorbij –

scholden en achtervolgden mij

en één smeet raak met een pol gras.

.

En toen ik hen ontkomen was

zat ik tussen een wilgenrij,

een oude vrouw in de maand mei

en sloeg de kluiten van mijn jas.

.

Kinderen zijn oprecht en wreed:

zij zagen mij de dichter aan

en deden frank, wat meer discreet

de wereld dagelijks heeft gedaan.

.

Jan Hanlo

Vers

.

Van mijn broer kreeg ik de 400 pagina dikke ‘Verspreide kritieken’, verzamelde essays en kritieken van Paul Rodenko (1920-1976), uitgegeven door Meulenhoff in 1992. In dit vierde deel van een reeks komt de criticus Rodenko aan het woord. Niet alleen poëzie maar ook proza wordt door Rodenko beschouwd. Interessant zijn ook zeker de poëziekronieken die Rodenko schreef voor ‘Delta’ een internationaal tijdschrift, waarin hij de ontwikkelingen op het gebied van poëzie in Nederland in de jaren vijftig beschrijft.

Rodenko, dichter, criticus, essayist en vertaler neemt in dit boek geen blad voor de mond en schrijft over dichters die wij heden ten dagen hoog aanslaan, op soms zeer kritische en cynische wijze (pure kitsch en aanstellerij, bijna eerste rangs-dichters, nog net charmant etc.).

Zijn bespreking van ‘Verzamelde gedichten’ van Jan Hanlo (1912-1969) is daarentegen zeer lovend. Daar lees ik ook het gedicht ‘Vers’ dat Rodenko aanhaalt. Hij zegt hierover: “En, van de subjectiviteit van de dichter uit gezien: wanneer alles met alles te maken heeft, is de ene weg dan niet even goed als de andere, het ene thema even goed als het andere, de ene vorm even goed als de andere? ” Omdat het zo’n mooi gedicht is en omdat Rodenko dit ook ziet als een uiting van de veelkleurigheid van het dichterschap van Jan Hanlo deel ik het hier graag.

.

Vers

.

Op mijn gitaar kan ik zacht een snaar aanslaan

en dan mijn vingers vormen tot een ongewoon akkoord

of laat des avonds langs de door de storm beruiste bomen gaan

.

‘k Kan bladeren in een boek met platen

of op een nieuw vel van mijn bloc een streep zetten

of dwalen naar de stenen bank waar we eens stonden

.

Of met de trein naar Zandvoort naar het strand gaan

en naar de grijze zee en de verlaten branding kijken

en daar met gave schoongespoelde schelpjes in mijn hand staan

.

Kennismaking met de poëzie

Billy Collins

.

William (Billy) James Collins(1941) is een Amerikaanse dichter, was Dichter des Vaderlands van de Verenigde Staten, of Poet Laureate zoals het daar heet,  van 2001 tot 2003. Hij is een Distinguished Professor aan Lehman College van de City University of New York ( gepensioneerd, 2016). Collins kreeg de titel van Literary Lion van de New York Public Library (1992) en was de New York State Poet van 2004 tot en met 2006. In 2016 werd Collins opgenomen in de American Academy of Arts and Letters. Sinds 2020 is hij docent in het MFA-programma (Master of Fine Arts) aan Stony Brook Southampton. Als dichter kreeg hij verschillende prijzen en onderscheidingen en van zijn bundels werden meer dan 250.000 exemplaren verkocht in de Verenigde Staten.

In 2010 verscheen de bundel ‘Zo Wordt U Gelukkig’ Kees van Kooten en de poëzie van Billy Collins. Kees van Kooten vertaalde en voorzag zesentwintig gedichten van Collins van uitgebreid en geestig commentaar, waarin hij niet alleen laat weten waarom de gedichten hem zo inspireerden, maar ook bepaalde vertaalkeuzes verklaart. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Kennismaking met de poëzie’ of in het Engels ‘Introduction in Poetry’. In dit gedicht neemt Collins op humoristische en ironische wijze lezers (leerlingen) op de hak die per se precies willen weten waar een gedicht over gaat en wat er precies staat. Collins suggereert in dit gedicht dat het lezen van poëzie niet de vreugdeloze analytische oefening hoeft te zijn die veel mensen denken dat het is. De spreker – een leraar – wil dat studenten gedichten benaderen met een speelse, ruimdenkende houding.

.

Kennismaking met de poëzie

.

Ik vraag ze een gedicht te nemen

en dit tegen het licht te houden

als een kleurendia

.

of een oor tegen deze bijenkorf te drukken.

.

Ik zeg laat een muis in het gedicht los

en kijk hoe hij de uitgang zoekt,

.

of schuifel rond in de kamer van dit gedicht

en tast langs de wanden naar de knop  van het licht.

.

Ik wil dat ze waterskiën

over het oppervlak van een gedicht

en zwaaien naar de auteursnaam op het strand.

.

Maar het enige dat zij willen

is het gedicht met touwen op een stoel binden

en er een bekentenis aan ontwringen.

.

Zij beginnen te meppen met stukken tuinslang

om erachter te komen wat dit te betekenen heeft.

.

Introduction to Poetry

.

I ask them to take a poem
and hold it up to the light
like a color slide
.
or press an ear against its hive.
.
I say drop a mouse into a poem
and watch him probe his way out,
.
or walk inside the poem’s room
and feel the walls for a light switch.
.
I want them to waterski
across the surface of a poem
waving at the author’s name on the shore.
.
But all they want to do
is tie the poem to a chair with rope
and torture a confession out of it.
.
They begin beating it with a hose
to find out what it really means.
.

Do’s en Don’ts

Hoe schrijf je (goede) poëzie?

.

Het CBC, de nationale omroep van Canada, organiseert elk jaar een poëziewedstrijd waar mooie prijzen mee zijn te winnen. Op hun website vond ik 11 do’s en dont’s als het gaat om het aanleveren van gedichten voor deze wedstrijd. En wat voor een wedstrijd in Canada geldt, geldt natuurlijk ook voor het aanleveren van gedichten in ons taalgebied voor wedstrijden, publicaties in literaire- en poëziemagazines en bij uitgeverijen.

Daar om heb ik deze 11 tips en tricks vertaald naar het Nederlands zodat ook zij die het Engels wat minder goed beheersen er hun voordeel mee kunnen doen.

De Do’s

  1. Lees veel. Ik heb het hier op dit blog al vele malen geschreven en ik geloof er heilig in dat het lezen van poëzie je een betere dichter maakt. Beperk je niet alleen tot poëzie van nu of van jouw favoriete dichters, wees nieuwsgierig!
  2. Schrijf wat alleen jij kan schrijven. Wanneer je iets instuurt stel jezelf dan de vraag of dit echt alleen maar door jou geschreven had kunnen worden? Denk hierbij aan het gebruik van clichés (die kan iedereen namelijk bedenken).
  3. Schrijf over je eigen leven. Maak gebruik van de levenservaringen die je hebt, wat alles wat je weet en meemaakte in de verschillende fases van je leven. Geef meningen over sociale, politieke of persoonlijke ontwikkelingen.
  4. Beleef de wereld. Lees en kijk het nieuws, lees social media, lees boeken (fictie en non fictie) maar ook strips. Kijk series en documentaires. Laat je inspireren door de wereld om je heen. Goede literatuur bestaat niet in een vacuüm.
  5. Bedenk hoe je gedicht eruit ziet. Welke vorm gaat je gedicht hebben, is dit van belang voor het gedicht? Let op interpunctie (ook als je die niet gebruikt), witregels, enjambement. Naar de vorm van je gedicht kijken en het dan hardop lezen helpt je bij de ontvangst van de lezer.
  6. Redigeer, redigeer, redigeer! Lees je gedicht een aantal keer door en kijk of alles wat je geschreven hebt er zo staat dat het voor jou klopt. Schrijffouten en grammaticale missers zijn showstoppers, voorkom ze.

De Don’ts

  1. Ga voor veilig. Als je voor veilig gaat komt dit je gedicht niet ten goede. Schudt je lezers wakker, experimenteer, schokeer, verras, zet je lezer op het verkeerde been en wees niet bang om iets te schrijven waarvan je denkt dat de lezer zich ongemakkelijk bij zal voelen.
  2. Speel met lettertypes. Hoewel de vorm van een gedicht belangrijk is (zie hierboven bij 5) is het gebruik van verschillende lettertypes of het gebruik van exotische lettertypes geen goed idee. Het zal onmiddellijk afleiden van waar het over gaat; het gedicht. Ik wil daar nog aan toevoegen: centreer een gedicht nooit in het midden van de pagina!
  3. Probeer trendy te zijn. Wees trouw aan je eigen ‘stem’ en taal. Wees origineel en authentiek maar probeer niet met allerlei dingen in en om je gedicht te imponeren. Je gedicht is waar het om draait, niet of je in een trend meegaat.
  4. Vergeet je lezer. Een lezer bestaat slechts in je verbeelding op het moment dat je het gedicht schrijft. Maar realiseer je dat wanneer je gedicht wordt gelezen er een mens van vlees en bloed het leest. Een ander dan jezelf dus. Jij als dichter bent niet je publiek.
  5. Leg je gedicht uit. Laat je gedicht altijd op eigen benen staan. Gedichten komen uit een vreemde plek in je ziel die niet per se slim of logisch is. Laat altijd wat te raden of aan de fantasie van de lezer over. Dit geldt wat mij betreft ook bij voordragen. Niets is zo’n afknapper als er een uitleg van een gedicht komt voor het eigenlijke gedicht, zeker niet als die uitleg veel langer duurt dan het gedicht zelf.

Herinner je deze tips en tricks tijdens je schrijfproces en pas ze toe en je zult zien dat het je poëzie ten goede komt. K. Schippers schreef een toepasselijk gedicht over het gedicht getiteld ‘Gedicht’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Een leeuwerik boven een eiland’ uit 2003.

.

Gedicht

In dit gedicht
is geen woord
te veel

Neem je er iets van af
dan is het
niet meer heel

.

Literaire anekdoten

Gerrit Achterberg

.

In 1988 verscheen bij de Bijenkorf ‘Het literair anekdoten boek’. Een onderhoudend en vrolijk boek, zo belooft de achterflap. En dat is het ook. Een boek vol onderwerpen (op alfabetische volgorde) met de meest bizarre, ongelofelijke en interessante feiten en feitjes aangaande de literaire wereld. Uiteraard ben ik dan in het bijzonder geïnteresseerd in de anekdoten rondom poëzie en dichters en daarin word ik niet teleurgesteld.

Zo is er bij het onderwerp Pinksterprijs het volgende te lezen: De dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) kreeg slechtsgedicht, gedichten, dichtbundel, gedichtenbundel, poëziebundel,  geleidelijk aan literaire erkenning. ‘Toen in 1946 opnieuw een literaire prijs aan Achterberg voorbijging (de prijs van de Maatschappij voor Letterkunde werd toegewezen aan Ida Gerhardt, een feit waartegen Bertus Aafjes, Vasalis en Ed. Hoornik in Vrij Nederland protesteerden), besloot mr. Joan Th. Stakenburg, onder toejuiching van literaire vrienden aan een cafétafel van Reynders in Amsterdam, de eenmalige Pinksterprijs ( ƒ 1000,-) voor Achterberg in te stellen. De prijs werd toegekend voor de bundel ‘Radar’ en uitgever-boekverkoper Balkema stelde de gehele opbrengst ter beschikking van Achterberg’.

In de jaren hierna kreeg Achterberg de erkenning die hij verdiende. Zo ontving hij onder andere in 1949 de P.C. Hooft-prijs en in 1959 de Constantijn Huygens-prijs en wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie.

Uit de bundel ‘Radar’ komt het gedicht ‘Qualiteit’. Voor een analyse van het gedicht kijk je op deze website.

.

Qualiteit

.

Hebt gij volgorde nog
van boven naar beneden,
van links naar rechts, alsmede
totaalgetal en samenhang?
Bleven de maten even lang,
die ik op u heb aangebracht?
Zijt gij uzelf de eerste nog
en eenige, of alreede
zevende, negende, ongeacht
welk ranggetal in reeksen,
die u vermeesterden, in  ‘t zog
trokken der quantiteit …. en toch
hield gij daarin het teeken,
dat u bewaart en duidt tot in
verste verandering?

.

Wat maakt een gedicht?

Gemeenschappelijke kenmerken van poëzie

.

Ik mag graag rondzwerven op het wereldwijde Internet op zoek naar hoe men denkt en schrijft over poëzie. Ik schreef er al over in 2019nogmaals 20192017, 2015, en 2013. En als je goed zoekt waarschijnlijk nog wel vaker. Lezen over poëzie kan je helpen bij het zelf, beter, schrijven van poëzie. Maar wat het allerbeste werkt is heel veel poëzie lezen, het vakmanschap door je eigen ogen binnen halen en daar je eigen draai aan geven.

Op Literacyideas.com kwam ik het volgende artikel tegen. Voor het gemak heb ik de belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken van poëzie voor je uit het artikel geplukt en vertaald. Natuurlijk is dit geen uitputtende lijst van gemeenschappelijke kenmerken. Als je meer over poëzie leest mis je er al snel verschillende (verdichten van tekst, aanspreken door de dichter, enjambement – het afbreken van zinnen en woorden-, gebruik van witregels etc.) maar zo’n eerste korte lijst kan je al wat houvast geven. Dit is wat Literacyideas zegt over de gemeenschappelijke kenmerken van een gedicht:

● Het ziet eruit als een gedicht – als het eruitziet als een gedicht en leest als een gedicht, dan is de kans groot dat het inderdaad een gedicht is. Poëzie bestaat uit regels, waarvan sommige volledige zinnen zijn, maar veel niet. Bovendien lopen deze regels meestal niet consequent uit tot in de marge, zoals in bijvoorbeeld een roman. Dit alles geeft poëzie een onderscheidende en herkenbare uitstraling op de pagina.

● Het heeft vaak een onderliggende vorm die dingen bij elkaar houdt – hoewel dit niet altijd waar is (bijvoorbeeld in sommige vrije verzen), voldoet veel poëzie aan een voorgeschreven structuur, zoals in een sonnet, een rondeel, een haiku enz. Tegenwoordig gaat dit steeds minder op want het ‘vrije vers’ is bovenliggend.

● Het maakt gebruik van beelden – als een dichter serieus is, zullen deze proberen om beelden in de geest van de lezer te creëren met behulp van veel zintuiglijke details en figuurlijk taalgebruik.

● Het heeft een zekere muzikaliteit – we zouden kunnen denken dat de natuurlijke incarnatie van poëzie het geschreven woord is en zijn habitat, de pagina, maar het gedrukte woord is niet waar de oorsprong van poëzie ligt. De vroegste gedichten werden mondeling gecomponeerd en in het geheugen vastgelegd. We kunnen nog steeds zien hoe belangrijk de klank van taal is als we gedichten hardop voorlezen. We zien het ook terug in de aandacht voor muzikale middelen die in het gedicht zijn verwerkt. Poëtische hulpmiddelen zoals alliteratie, assonantie en rijm bijvoorbeeld. 

Doe er je voordeel mee zou ik zeggen maar vergeet niet dat de beste dichters vaak ook de beste lezers (van poëzie) zijn. Daarom hier een gedicht over poëzie, met als titel ‘Poëzie’ van één van de beste dichters uit het Nederlands taalgebied, mijn favoriet, de Vlaamse dichter Herman de Coninck (1944-1997) uit ‘De gedichten’ uit 1998.

.

Poëzie

.

Zoals je zegt ‘Val maar, sneeuw’

als het al een half uur sneeuwt,

.

zo heb ik er 45 jaar over gedaan

om er 45 jaar over te doen,

.

zo zeg ik ‘slaap maar’

tegen een dochter die al lang slaapt

.

en heb het daar twee uur later

nog altijd een beetje warm van,

als een thermos.

.

Rood en blauw

Anton van Duinkerken

.

Sinds ik met enige regelmaat in Bergen op Zoom ben is me al een aantal keren het bronzen beeld van Anton van Duinkerken (1903-1968) opgevallen dat daar op de Grote Markt voor het stadhuis staat. Van Duinkerken (pseudoniem van Willem Asselbergs) was dichter, essayist, hoogleraar, redenaar en literatuurhistoricus.

Van Duinkerkens debuteerde in 1927 met de bundel ‘Onder Gods ogen’ waarna hij tot aan zijn dood door bleef schrijven en publiceren. De poëzie van van Duinkerken heeft een traditionele vorm, een soms vertellende, soms betogende, altijd inhoudelijk gedachtenrijke zo niet overladen stijl, met daaronder een sterke, warme, soms wat melancholische gevoelstoon. Zijn proza, dikwijls essayistisch van aard, kenmerkt zich door een krachtige retorische stijl, een zekere breedvoerigheid en buitengewone eruditie.

Tijdens zijn leven kreeg van Duinkerken meerdere literaire prijzen, zo ontving hij de C. W. van der Hoogtprijs in 1933, de Constantijn Huygensprijs in 1960 en de P.C. Hooft-prijs in 1966.

In de bundel ‘In Liefde Bloeyende’ De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten, samengesteld door Gerrit Komrij, uit 1998, is een gedicht van Van Duinkerken opgenomen over Rood en Zwart dat volgens Komrij gaat over blauw (“Het is duidelijk, dit gedicht over rood is een gedicht over blauw”). De redenering van Komrij is zeer de moeite waard. Zo stelt hij “Vergis u niet als een dichter u voorliegt dat hij van rood houdt. Als hij over rood zingt bedoelt hij blauw. Als hij ons de hemel ontvouwt bedoelt hij de hel.” en “Dichters hebben het bijna altijd over Het Een als ze het over Het Ander hebben. Ze doen alsof.

Met deze woorden lees je zo’n gedicht ineens heel anders.

.

Ik houd van het rood wat Van Deyssel

Weleer van het poroza hield.

’t Zij het rood van een bloedbad te Rijssel

Of een krootmarkt in Baconsfield.

.

Ik houd van het rood van de kroegwijn

En ’t rood van een gloeiende haard;

Geen rood kan mij ooit rood genoeg zijn

In een bruine pater zijn baard.

.

Het rood op een roodhuid, die dood is,

En de kieuw van de kabeljauw;

O. geef mij een rood, dat zo rood is

Als het blauw van het zakjesblauw blauw!

.