Site-archief

Dichten alsof

Sybren Polet

.

Sybren Polet (1924-2015) was schrijver en dichter. Polet (pseudoniem van Sybe Minnema) debuteerde onder zijn eigen naam met de dichtbundel ‘Genesis’ in 1946. Als Sybren Polet debuteerde hij in 1949 in het literaire tijdschrift Podium, waarvan hij van 1952 tot 1965 redacteur zou zijn. Zijn dichtwerk wordt tot dat van de Vijftigers gerekend. De stad Amsterdam speelt er een centrale rol in en de personages, aangeduid als Mr. Iks, Mr. X, en dergelijke meer, veranderen continu van gedaante.

Polet kreeg voor zijn werk onder andere de Jan Campert-prijs, de Herman Gorterprijs, de Busken Huetprijs en de Constantijn Huygensprijs. In 2011 werd de Lokienprijs in het leven geroepen, vernoemd naar de bekende romanfiguur van Polet en vanaf 2018 wordt ook de Sybren Poletprijs toegekend.

In de nalatenschap van Sybren Polet is een manuscript aangetroffen met handgeschreven gedichten die nog niet eerder waren gepubliceerd. Op de achterflap van deze bundel getiteld ‘Zijnsvariaties Verbovelden’ uit 2018 staat te lezen: een vlijmscherpe analyse van onze tijd, een bewogen afscheid van het bestaan en een sprankelende blik op de toekomst: het slotakkoord van een avontuurlijk oeuvre in de Nederlandstalige literatuur.

Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Dichten alsof’.

.

Dichten alsof

.

1

En dan weer het zelfvernietigende besef

dat wij een doorgangsvorm zijn

naar een volgende mutatie.

*

De laatste huidschubben uitgekweekt,

de aapvorm verlaten:

een buitenbrein ontwikkeld.

Een derde voorhoofdsoog.

*

Het superego wordt geëtheriseerd

of ondergebracht in een andere biovorm.

.

2

Denkleven.

Vanaf het jaar nul

zal niemand meer sterven, niemand

geboren worden.

.

Hoe vredig volledig

dit nihil: alles alleen weer

in afwachting van:

In afwachting van

een nieuw alsof.

*

Leven alsof.

Dichten alsof.

.

Ooitgedicht

b. zwaal

.

Door de jaren heen heeft het CPNB (Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek) verschillende boeken en bundels met poëzie uitgegeven. Als geschenk of als uitgave ter promotie van de poëzie, of denk aan de serie bundels uit de jaren ’50 en ’60 (1949-1964) met in de titel steeds ‘De muze’. Maar soms kwam er ook zomaar een boek met poëzie. Zoals in 1985.

Toen werd door het CPNB in samenwerking met het (toen nog) ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) het boek ‘Ooitgedicht’ uitgegeven. En hoewel het boek er aan de buitenkant uitziet als een kinderboek (waarschijnlijk mijn associatie met de overigens geweldige tekeningen van Sylvia Weve) is het wel degelijk een poëzieboek voor volwassenen en jongeren (vanaf 14 jaar) en voor iedereen eigenlijk die de poëzie een warm hart toedraagt.

De ondertitel van ‘Ooitgedicht’ is ‘een groot aantal gedichten verzameld in een boek’. Geniale ondertitel natuurlijk, zowel nietszeggend als alleszeggend. De samensteller van dit boek is Willem van Toorn en bestaat uit heel veel gedichten van heel veel dichters, illustraties van Peter van Hugten, Sylvia Weve, Franka van der Loo en Louis Radstaak. Achterin het boek van elke dichter een biobibliografie (ja je leest het goed) en een aantal blanco bladzijden waar je je eigen gedichten in kan schrijven.

Naast de dichters die je verwacht staan er ook teksten in van muzikanten. Zo is van Paul Simon de liedtekst van ‘You’re kind’ opgenomen, van Bruce Springsteen ”The river’ en van Jackson Browne ‘Running on empty’. Ook van een aantal buitenlandse dichters is poëzie opgenomen zoals van Kurt Schwitters, Marin Sorescu, Dylan Thomas, Czeslaw Milosz en Edna St. Vincent (allemaal in vertaling).

Het boek heeft hoofdstukken zonder dat die heel duidelijk worden aangegeven. Over poëzie en het dichten, over de dood, over de liefde, over angst, werk en school en dieren. Een boek kortom om heerlijk in te bladeren en vaak ter hand te nemen om in te lezen. Ik koos voor een gedicht uit het ‘hoofdstuk’ over dieren van de dichter b. zwaal (zo geschreven zonder hoofdletters) zonder titel.

.

een rode mier op het wad jaagt de vloed op de vlucht.

ik ben trots, denkt de mier.

ik, een kleine heerser,

rood op de zwarte kleuren van slib,

verdraag geen bezoek van de zee op mijn vlakte.

duizelig marcheert de mier over de droge landen.

zijn oog valt op het kind,

scharrelend over paaltjes en kluiten.

wat brengt jouw bezoek, kindje?

ik breng je aai, mier, rode aait.

de zee ziet beide aan, lacht wat.

ik kom terug, ik kom eraan.

berg je, mier van het kind.

huppelend nadert de zee het kind en de mier,

tikt ze aan, tilt ze op.

hun roepen waait over de vlakte.

alleen de dijk luistert met aandacht.

.

Lunchpauzegedichten

Jan Arends

.

Dichter Jan Arends (1925-1974) was ook schrijver en vertaler. Hij heeft een klein oeuvre van verhalen en gedichten nagelaten. Het werk van Jan Arends bevat veel autobiografische elementen en geeft een kritische visie op de Nederlandse maatschappij vanuit een persoonlijk perspectief. Zijn leven (bijvoorbeeld ervaringen met strenge vorst in de hongerwinter van 1944) en zijn literaire werk zijn sterk met elkaar vervlochten. Arends had een zeer complexe en moeilijke jeugd. Op later leeftijd verbleef hij geregeld in psychiatrische inrichtingen al gaat het verhaal dat hij ‘minder gek was’ dan dat hij zich voordeed en kwam een opname in een psychiatrisch ziekenhuis hem soms goed uit in een tijd dat de sociale voorzieningen voornamelijk uit verschillende vormen van liefdadigheid bestonden.

In januari 1944 heeft Jan Arends een eerste gedicht in een illegaal krantje gepubliceerd. Vanaf 1949 wordt af en toe een gedicht van hem gepubliceerd in tijdschriften. Uiteindelijk debuteert hij in 1965 bij De Bezige Bij met de bundel ‘Gedichten’. Als schrijver was hij toen al gedebuteerd met een verhaal in Maatstaf in 1955. Zelf hoorde ik voor het eerst van de schrijver Arends in de jaren ’70 nadat hij met zijn verhalenbundel ‘Keefman’ enig succes had.

Op 21 januari 1974, twee dagen voordat zijn gedichtenbundel ‘Lunchpauzegedichten’ verschijnt, pleegt hij zelfmoord door uit het raam van zijn woning op de vijfde etage van een flat in Amsterdam te springen. In deze bundel staan grillige, donkere maar ook wrang-geestige gedichten. Mijn exemplaar is uit 2015 en een elfde druk waaruit maar blijkt dat zijn werk nog altijd wordt gewaardeerd. Uit deze bundel, met een nawoord van Menno Wigman, koos ik het gedicht gericht aan mededichter A. Roland Holst zonder titel.

.

 Voor A. Roland Holst

.

Wat

doet

een man?

.

Hij

geeft de zee

namen.

.

Hij

gaat

naar het strand.

.

Hij

geeft

de zee

een naam.

.

Hij

geeft

zijn taal

aan de zee.

.

Hij

geeft

aan de zee

de mond

van de aarde.

.

Hij

geeft

alle namen

aan de zee.

.

 

Literaire anekdoten

Gerrit Achterberg

.

In 1988 verscheen bij de Bijenkorf ‘Het literair anekdoten boek’. Een onderhoudend en vrolijk boek, zo belooft de achterflap. En dat is het ook. Een boek vol onderwerpen (op alfabetische volgorde) met de meest bizarre, ongelofelijke en interessante feiten en feitjes aangaande de literaire wereld. Uiteraard ben ik dan in het bijzonder geïnteresseerd in de anekdoten rondom poëzie en dichters en daarin word ik niet teleurgesteld.

Zo is er bij het onderwerp Pinksterprijs het volgende te lezen: De dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) kreeg slechtsgedicht, gedichten, dichtbundel, gedichtenbundel, poëziebundel,  geleidelijk aan literaire erkenning. ‘Toen in 1946 opnieuw een literaire prijs aan Achterberg voorbijging (de prijs van de Maatschappij voor Letterkunde werd toegewezen aan Ida Gerhardt, een feit waartegen Bertus Aafjes, Vasalis en Ed. Hoornik in Vrij Nederland protesteerden), besloot mr. Joan Th. Stakenburg, onder toejuiching van literaire vrienden aan een cafétafel van Reynders in Amsterdam, de eenmalige Pinksterprijs ( ƒ 1000,-) voor Achterberg in te stellen. De prijs werd toegekend voor de bundel ‘Radar’ en uitgever-boekverkoper Balkema stelde de gehele opbrengst ter beschikking van Achterberg’.

In de jaren hierna kreeg Achterberg de erkenning die hij verdiende. Zo ontving hij onder andere in 1949 de P.C. Hooft-prijs en in 1959 de Constantijn Huygens-prijs en wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie.

Uit de bundel ‘Radar’ komt het gedicht ‘Qualiteit’. Voor een analyse van het gedicht kijk je op deze website.

.

Qualiteit

.

Hebt gij volgorde nog
van boven naar beneden,
van links naar rechts, alsmede
totaalgetal en samenhang?
Bleven de maten even lang,
die ik op u heb aangebracht?
Zijt gij uzelf de eerste nog
en eenige, of alreede
zevende, negende, ongeacht
welk ranggetal in reeksen,
die u vermeesterden, in  ‘t zog
trokken der quantiteit …. en toch
hield gij daarin het teeken,
dat u bewaart en duidt tot in
verste verandering?

.

Nieuwe poëzie

#16 van MUGzine

.

Zeer binnenkort (binnen nu en twee weken) verschijnt alweer #16 van MUGzine, het leukste en meest eigenzinnige poëzietijdschrift van Nederland en Vlaanderen. Dit keer is de richting die de dichters meekregen ‘Gedenk te overstromen’. Dichters David Troch, Els de Groen, Alex Gentjens en Sara Eelen (haar debuutbundel ‘Het nodige breken’ is eind vorig jaar verschenen) schreven zeer uiteenlopende gedichten en kunstenaar/illustrator Els van de Bosch (@els.illustration) verzorgde het artwork. De dichters behoren allemaal tot de zogenaamde Klimaatdichters.

Mugzines is zoals altijd gratis te lezen op de website en de ware liefhebber ontvangt de papieren editie gewoon via de post thuis. Wil je ook de papieren editie ontvangen? Word dan donateur (vanaf € 20,- per jaar ontvang je 5 edities plus elk jaar een extraatje) of mail naar mugazines@yahoo.com voor een editie (al dan niet in een cadeauverpakking). Was je donateur vorig jaar en wil je verzekerd zijn van weer een jaar mugzines ontvangen, maak dan je donatie over.

Om alvast in de stemming te komen hier een gedicht van Els de Groen (1949) uit haar bundel ‘Hebben mollen weet van zonsondergangen?’ uit 2020 van uitgeverij In de Knipscheer.

.

Zij die gaan sterven

.

Beseft het laatste dier nog wat voor dier hij was?
Zal hij te rechter tijd nog in het water kijken
en, enig in zijn soort, met niets te vergelijken
de laatste partner vinden onderin een plas?

.

Als hij haar dorstig aanraakt, spat het spiegelglas
zodat de ander plots een zelfportret zal blijken.
Hoe tragisch het zou zijn, het zou hem ook verrijken
je eigen kop te kennen komt immers van pas.

.

Voortaan zal hij bevroeden wat voor lief te zoeken:
vier poten, zachte wangen en een slanke nek.
Ja, vader zal hij worden, zij een prachtig moeke.

.

Helaas het zoeken eindigt in een hok met hek
in observatieruimten en notitieboeken.
Want hij is echt de laatste, er is geen comeback.

.

 

Mugzine wordt gemaakt door MarieAnne Hermans (Poetry Affairs) Wouter van Heiningen (MUGbooks) en Bart van Heiningen ( @brrt.graphic.design) i.s.m. een onafhankelijke redactie.

Chaplin

Simon Vestdijk

.

Romanschrijver, dichter, essayist, vertaler, muziekcriticus en arts Simon Vestdijk (1898-1971) was een veelschrijver (hij schreef maar liefst 52 romans) en als dichter is hij bij het grote publiek waarschijnlijk minder bekend. Dat Simon Vestdijk een zeer belezen intellectuele man was blijkt uit de titels van zijn romans en dichtbundels. Neem zijn Tien Grieksche sonnetten uit de bundel ‘Gestelsche  liederen’ uit 1949 of de bundel ‘Thanatos aan banden’ uit 1948.

In 1955 verscheen bij Nijgh & Van Ditmar de bloemlezing ‘Een op de zeven’, een bundeling gedichten samengesteld door de schrijver zelf. In deze bloemlezing verschillende van zijn sonnetten, kwatrijnen en andere dichtvormen maar ook, en dat vond ik dan wel weer heel verrassend, een gedicht over Charlie Chaplin (1889-1977) een generatiegenot van Vestdijk. Het is een charmant gedicht met een duidelijke Vestdijk signatuur.

.

Chaplin

.

Kaarsrecht,

Twee kruitvlekken onder den neus.

Nooit bang.

Maar toch gedeserteerd uit dat regiment maan-

Niemand, niemand is zoo bleek            [bewoners.

En zoo zwart geschaduwd op aarde.

.

Loop recht omhoog.

Een doode vulkaan gebouwd van Pierrotmutsen,

Manchetten en ernstige theeketeltjes

Wacht op je;

Beklim ze maar weer,

Kleine lorrenkoopman.

.

Hang je stok aan een stilgezet eerste kwartier

En schommel,

Schommel met fladderbewegingen,

En geef aan elk hart,

Elk hart waar je bij kunt,

Een klein, voorzichtig trapje.

.

 

 

Ietsnut

Wim Meyles

.

De poëzie is een veelkoppig, maar meestal vriendelijk, monster. Of misschien moet ik schrijven dat de poëzie vele gezichten heeft. Eén van die gezichten is de light verse. Ik schreef al vaker over light verse zoals over Het Vrije Vers,en MUGzine nummer 8 stond volledig in het teken van deze meestal vrolijke vorm van poëzie.

In diezelfde MUGzine waren gedichten opgenomen van Wim Meyles (1949). Naast dichter is Wim beeldhouwer, schrijver, ontwerper van spellen, en heeft hij veertig jaar in het voortgezet onderwijs gewerkt als schooldecaan en docent Engels.

In 2020 kwam zijn bundel ‘Ietsnut’ uit bij Elikser uitgeverij. Naast vele light verse gedichten bevat de bundel ook twee minicursussen ‘Zelf plezierdichten’ en ‘Spelen met taal’.

Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Uitgevogeld’. Aan de ene kant omdat ik deze week al schreef over de Spreeuw en aan de andere klant omdat ik pas geleden nog sprak met Alek Dabrowski over zijn nieuwe boek ‘Mannen met hobby’s’ waarin de vogelaar zeker voorkomt.

.

Uitgevogeld

.

Ik zocht naar een hobby die echt bij me past.

Ja vogeltjes kijken! Ik werd enthousiast.

Ik zag met mijn kijker de mus en de zwaan,

maar nergens een glimp van een korhoen of -haan.

Ik spotte geen zwartkop, geen roodborsttapuit

en hoorde noch goudvink-, noch blauwborstgefluit.

Van roerdomp tot geelgors, van tjiftjaf tot uil

hield al het gevederde zich voor mij schuil.

Ik kan het niet vatten, dus zegt u het maar.

Misschien ben ik domweg een pechvogelaar.

.

 

 

Hals over kop

Yerna Van den Driessche

.

De Vlaamse dichter Yerna Van den Driessche (1949) studeerde als laborante en volgde tegelijkertijd een vier jarige toneelopleiding. Als kind had zij al een grote voorliefde voor poëzie maar begon haar literaire loopbaan ernstig op te nemen vanaf 2005 door deel te nemen aan talrijke poëziewedstrijden. Ze behaalde meerdere prijzen zoals in 2008 de ‘Prijs van de Stad Harelbeke’. In 2008 was ze ook laureaat ‘Literaire Creatie’ aan de ‘Stedelijke Academie voor Muziek en Woord’ te Ieper.

In 2009 debuteerde zij met de dichtbundel ‘Reconstructie’ waarna nog drie bundels volgde. De laatste in 2020 getiteld ‘Op twee benen lopen is moeilijk’. Gedichten van haar werden gepubliceerd in ‘Het Liegend Konijn’, ‘Poëziekrant’, ‘Deus Ex Machina’ en op de literaire sites ‘Meander’ en ‘Digther’.

In 2017 verscheen ‘Schaken met de dood’. Uit deze bundel staan een aantal gedichten in ‘Het liegend konijn 2019/1. Ik koos uit deze gedichten het liefdesgedicht ‘Hals over kop’.

.

Hals over kop

.

hij is het middelpunt van mijn universum

paal in het moeras van een losgeslagen zomer

.

in een wirwar van knisperend katoen

verhitte verstrengeling van huid haar en handen

is hij een blinde die mij toekomst biedt

.

de dag versplintert in de geruststellende geur

van soepel leer en verwarmde zetels

van lichamen die elkaar begrijpen

.

we nemen afscheid

hij oogverblindend met een kushand

ik met de koosnaam – junior – op mijn lippen

.

Films over dichters

Papusza

.

Op zoek naar iets anders (dat gebeurt me vaak maar ik laat me graag verrassen) kwam ik op een website waar Emily Temple, redacteur van Lit Hub, een lijstje van 16 films over dichters heeft geplaatst. Een bijzondere lijst want de meeste van de besproken films krijgen niet echt de goedkeuring van Temple. Pas vanaf nummer 9 (Papusza, een film over de Roma dichter Bronisława Wajs) krijgen de films een goede recensie.

De top vijf van haar lijstje bestaat uit films over Emily Dickinson, Reinaldo Arenas, Pablo Neruda (twee keer) en op nummer 1 de film ‘Bright star’ uit 2009 over het leven van John Keats (1795 – 1821). Ze schrijft hierover: “De biopic van John Keats van Jane Campion (“Bright star, would I were solid as thou art. …”) is een weemoedig verhaal van gedoemde liefde in de meest ondraaglijke scenario’s: wanneer het meisje van wie je houdt in hetzelfde kleine huis woont als jij , gescheiden door een muur (en heel veel fatsoen). Visueel prachtig, hartverscheurend en – door wat magie – eigenlijk heel poëtisch.”

Voor de liefhebber van films over dichters een aanrader dit lijstje. Ik was vooral nieuwsgierig naar Bronisława Wajs en Reinaldo Arenas omdat ik beide dichters niet ken. Vandaag wat meer informatie en een gedicht van de eerste, Bronisława Wajs (1908 – 1987).

Deze Poolse Roma dichter bekend onder haar Roma naam Papusza (Pop), heeft geen makkelijk leven gehad, ze groeide nomadisch op in Polen, waar ze leerde lezen door kippen te ruilen voor leesles bij lokale dorpelingen. Ze trouwde op haar 15e met harpist Dionizy Wajs. Ze was erg ongelukkig en begon te zingen waarbij haar man haar begeleidde op harp. Toen begon ze ook zelfs teksten voor liedjes te schrijven op basis van traditionele Roma-verhalen en liederen.

In 1949 hoorde de Poolse dichter Jerzy Ficowski haar liedjes en herkende meteen haar talent. Veel van haar gedichten gingen over “Nostos” ( Grieks voor “een terugkeer naar huis”), een thema dat veel voorkomt in Roma-poëzie. Hoewel Roma dit gebruikte om het verlangen om terug te keren naar de openbare weg te beschrijven, zag Ficowski dit als Papusza verlangen om zich te vestigen, om niet langer nomadisch te zijn. Hij publiceerde een aantal van haar gedichten in een tijdschrift genaamd ‘Problemy’. Hoewel de gedichten aan de ene kant Papusza voor het eerst bekend maakte bij het Poolse publiek, veroorzaakte het interview en vooral het eraan verbonden Romani-Poolse miniwoordenboek aan de andere kant een negatieve wending in het leven van de dichter, aangezien ze ervan beschuldigd werd van het onthullen van de geheimen van haar inheemse cultuur aan de gadjo’s ( iedereen die niet-Roma is).

De Roma-gemeenschap begon Papusza al snel als een verrader te beschouwen. Ze werd uitgescholden en bedreigd, omdat ze details van de Roma-taal, cultuur, gewoonten en gewoonterecht had onthuld, en voor haar contacten met gadjo’s. ( ook werd haar een rol toegedeeld in de anti-nomadische acties van de regering). Papusza beweerde dat Ficowski haar werk had uitgebuit en uit de context had gehaald. Haar oproepen waren aan dovemansoren gericht en de Baro Shero (Grote kop, een ouderling in de Roma-gemeenschap) verklaarde haar “onrein”.

Ze werd uit de Roma gemeenschap verbannen, het contact met Ficowski werd verbroken (al bleef hij haar bewonderen en maakte hij haar werk toegankelijk) en de laatste 34 jaar van haar leven bracht ze door in isolatie. Tegenwoordig wordt ze gezien als de belangrijkste en bekendste Roma dichter ooit. De meeste gedichten van Papusza bevatten traditionele Roma elementen, samen met enkele ongebruikelijke aspecten zoals het schrijven in enkelvoud. Het meeste van haar werk gaat over nostalgie, verlangen en (vooral) verloren voelen. Een van de (ongeveer 40 handgeschreven) gedichten die bekend is en hoog aangeschreven staat is het gedicht uit 1950/1951 ‘Gypsy song’.

.

Gypsy song

.

In the forest I grew like a shrub of gold,
born in a Gypsy tent,
akin to a boletus.
I love fire like my own heart.
The winds lesser and greater
cradled the little Gypsy
and blew her far away into the world…

.

The rains washed away my tears,
The sun my golden, Gypsy father,
kept me warm
and beautifully tanned my heart.

.

From a blue stream I didn’t take strength
only washed my eyes…
The bear wanders the forests
like a silver moon,
the wolf fears the fire,
he won’t bite a Gypsy.

.

[..] Oh, how beautifully by the tent,
sings the girl,
the fire burns!
Oh, how beautifully, people, from afar
to hear the Easter songs of birds,
the whimpers of children, and the song, and the dance
of boys and girls.

.

[…] Oh, how beautifully the forest rustles for us-
sings me songs.
How beautifully the rivers flow,
they fill my heart with joy.
How delightful to behold the water deep
and to tell her everything.
Because no one can understand me,
only the forests and streams.
What I’m telling here it has all long passed
and took everything, everything with it-
and my younger years.’

.

 

 

 

 

Gegeven is mij slechts

Gerard J.D. Goudriaan

.

De relatief onbekende dichter Gerard Goudriaan (1919-1949) was in de eerste plaats een Leidse student. Na een verkeersongeval in 1949 te Leiden kwam hij als enige van de zes inzittenden van een auto te overlijden. In de jaren daarvoor had hij een reputatie opgebouwd, als student, als dandy en in beperkte kring als dichter. Hij bewonderde ook andere dichters; zo sprak hij als student enkele woorden tijdens de begrafenis van Pieter Cornelis Boutens (1870-1943).

Gerard Goudriaan gaf verschillende publicaties in eigen beheer uit, waaronder eigen dichtbundels. Een van diens uitgaven was het herdenkingsartikel ter gelegenheid van de 20e sterfdag van Louis Couperus (1863-1923). Ook schreef voor de Nederlandsche Bibliographie en het dagblad de Kroniek. In 2003 kwam van Goudriaan een biografie uit bij uitgeverij De Nieuwe Vaart met de titel ‘De gedrevene tussen de dorens; leven en werk van de Leidse dandy-student Gerard Goudriaan (1919-1949)’.

Eén van de dichtbundels die Goudriaan in eigen beheer uitgaf was ‘De Wenteltrap’ in 1942. Uit deze bundel komt het naamloze gedicht over het dichterschap.

.

Gegeven is mij slechts te zingen

over voorbijgegane dingen

en over alles, wat niet gebeuren

zal, nu gesloten zijn de deuren.

.

Als de ziel geen vrede heeft

en zij mij niet de liefde geeft,

ontbreekt aan mij de eerste steen –

blijf ik, wat ik ben, geheel alleen.

.

Mijn vers, dat niet gehoord zal worden,

daar ik niet raken kan tot orde,

voert mij weg van al het leven.

.

O hoor mij, doch zij zal niet luisteren.

O hart, dat nog maar steeds moet fluisteren.

O blad, blijft altijd onbeschreven.

.