Site-archief
Wonderbaarlijke maand
Ramsey Nasr
.
Op 4 januari 2022 schreef ik over de Poëzieweek en over het motto ‘bloesemingen en overvloed’ dat uit een gedicht van Ramsey Nasr (1974) werd genomen. Het betreft hier het gedicht ‘wonderbaarlijke maand’ uit de bundel ‘onhandig bloesemend’ gedichten uit 2006. Om nog iets vollediger te zijn wil ik het gedicht hier delen waarin ik een verwijzing lees naar het gedicht ‘Mei’ van Herman Gorter (1864 – 1927) één van de Beweging van Tachtig (beter bekend als de Tachtigers). In het taalgebruik en de thematiek van Nasr wordt de verwijzing nog eens versterkt in het gedicht ‘wonderbaarlijke maand’.
.
wonderbaarlijke maand
.
dat was in de wonderbaarlijke maand
van bloesemingen en overvloed
toen mijn borstkas opstoof als papaver
ribben in sierpennen uitwaaierden
mei mijn magere taal openbrak
vergelijkingen vrat als vuur water
.
ik schaamde mij diep naar poldergewoonte
in loden jas tussen druppel en wind
ongevoelig bij takken struikgewas doornen
had ik licht opgevat
ik wreef haar in
en doorzichtig vernederend fonkelniezen
kwam over mij o wonder daar ging ik
men zou van minder uit schamen gaan
maar dit was mijn ziekte baarlijke liefde
.
De zangeres zonder stem
Hans Wap
.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw kwam onder de leiding van poëziefanaat Martin Mooij, bij de sectie letteren van de Rotterdamse Kunststichting de Sonde-reeks uit. De reeks liep van 1971 met de eerste uitgave ‘Pat’ van Leyn Leynse tot de laatste uitgave in 1987. Koos Teeuwkens sloot de Sonde-reeks af met het 56ste deel maar liefst in de serie, die een prachtige dwarsdoorsnee vormt van wat er in Rotterdam tussen 1971 en 1987 op literair gebied gebeurde.
In de Sonde-reeks verschenen bundels van Dirk Kroon, Rien Vroegindeweij, Cor Vaandrager en Jules Deelder (een verzameling humor) maar ook van vele namen die inmiddels bijna of helemaal vergeten zijn.
In mijn bezit heb ik (volgens telling) het 17e deel uit 1974 van Hans Wap getiteld ‘De zangeres zonder stem’. Een bundel die zelfs is opgenomen in de Research Library van het Rijksmuseum.
Hans Wap (1943) is een Nederlands beeldend kunstenaar, actief als zeefdrukker, vervaardiger van houtsnedes, grafisch ontwerper, illustrator, wandschilder, tekenaar, schilder, dichter, en vervaardiger van gouaches, een veelzijdig man kortom. Als dichter is hij minder bekend dan als kunstenaar maar hij publiceerde in 1967 ‘Schoten en filtersigaretten’ in 1971 ‘Van wie is dat gekke koppie’ en in 1973 de telexrol ‘5 Electrische dichters. En in 1974 dus ‘De zangeres zonder stem’.
In ‘De zangeres zonder stem’ een bonte verzameling gedichten die doen denken aan Vaandrager en Deelder. Recht voor zijn raap en soms zo panklaar gebracht zoals ‘Leuk’.
.
Leuk
.
Leuk voor in de auto
deze zwerver met baard
compleet met ophanglusje
f 1,98
.
Maar ook een gedicht getiteld ‘Poëzie’ waarin de dichter zich aan het begin en einde de vraag stelt die jij misschien ook had na het lezen van ‘Leuk’.
.
Poëzie
.
Wat heeft het nog met poëzie te maken als
de kamer als een waanzinnige
om je heen draait
als overvloedig bewijs
dat de fles weer groter was
dan de glazen
.
of als je op een paardeharen matras
ligt te naaien
na een jarenlange vegetarische opvoeding
–
met een voldoende hoeveelheid grass
eet zelfs de meest verstarde planteneter
zijn hond op
.
ja, zo is dat
maar wat heeft het nog met poëzie te maken
.
Olympische spelen
Veldloop
.
Zeer binnenkort gaan de Olympische Spelen van Tokyo van start. De veldloop voor vrouwen zal daar niet te zien zijn, de veldloop is geen officiële olympische sport. Er zijn krachten bezig om de veldloop weer een olympische sport te maken. In de aanloop daarnaar toe (men hoopt in 2024 de sport weer op het programma te krijgen van de OS) een gedicht uit de light verse bundel ‘Atletische verzen’ uit 2007, geschreven door Ivo de Wijs en Theo Danes.
Het betreft hier het gedicht ‘Veldloop (vrouwen) van Ivo de Wijs. Het gedicht gaat over Lornah Kiplagat (1974), van oorsprong Keniaanse atlete die sinds 2003 voor Nederland uitkomt op dit onderdeel.
.
Veldloop (vrouwen)
.
Wat zie je als je onverhoopt
De hele race als tweede loopt?
Dan zie je voor je op het pad
Het gat van Lornah Kiplagat.
.
Waarna de pers nog ‘ns komt vragen:
‘Had Lornah weer een gat geslagen?’
.
Marie-Jeanne I
Jan Kal
.
Liefdesgedichten gaan vaak over de geweldige, hartstochtelijke of romantische liefde. Regels vol zoet en fluweel en warmte en licht. Liefdesgedichten kunnen echter ook gaan over onbeantwoorde liefde of over beantwoorde liefde waarin het antwoord niet is wat de vraagsteller ervan verwacht had.
Een voorbeeld van zo’n gedicht uit de laatste categorie schreef Jan Kal. Jan Pieter Kal (1946) debuteerde in 1974 met de bundel ‘Fietsen op de Mont Ventoux’ 74 sonnetten (later uitgebreid naar 222 sonnetten). Hij is vooral bekend van zijn vele sonnetten. Jan Kal kan van weinig poëzie maken. Hij heeft een eigen spontane, weemoedige toon, waarin ook zijn humor een plaats kan vinden.
Uit zijn debuutbundel komt het gedicht Marie-Jeanne 1, het liefdesgedicht in sonnetvorm waarin de liefde niet wordt ingelost.
.
Marie-Jeanne I
.
Wéér in 2a zitten was wel fijn
als ik rechts achterom keek naar dat liefje.
Maar zij keek steeds terug zo van wat blief je,
of helemaal niet. Wel de harde lijn.
.
Met Sinterklaas gaf ik mijn hartediefje
een hart van suikergoed en marsepein.
Zij deed de stille gever hartepijn,
want gaf hem via Joan het volgende briefje.
.
Daar stond geschreven: ‘Jan, ik heb gemerkt
dat je me aardig vindt. Ik vind jou niet
aardig. Zwijg daar dus over, Marie-Jeanne.’
.
Die doffe dreun heeft twee jaar doorgewerkt.
Nu kan ik lachen en ik zing een lied;
toen wou ik huilen maar ik had geen tranen.
.
Varkenspest
Ramsey Nasr
.
Een van de huidige Nederlandse dichters waar ik een zwak voor heb is Ramsey Nasr (1974). Sinds ik bij de bibliotheek in Delft een uitgebreid vraaggesprek bijwoonde met hem (toen gewoon nog live) in 2013 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2013/05/24/dichter-draagt-voor/ ben ik meer van hem gaan lezen en zien (op You Tube bijvoorbeeld).
Onlangs kocht ik de bundel ‘onhandig bloesemend’ uit 2004 van hem en opnieuw werd ik niet teleurgesteld. Een bundel vol kleurrijk taalgebruik zoals je van Nasr mag verwachten, onderwerpen die heel actueel aandoen (‘het complot’), gedichten over wetenschap, Frederik die in verschillende gedichten voorkomt en een hoofdstuk Wintersonate met drie lange proza-achtige gedichten.
Er ontbreekt maar een stuk aan deze bundel en dat is de CD die erbij hoort (helaas) maar ik kocht hem dan ook in een tweedehandswinkel. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘bse mkz dioxine varkenspest’ een gedicht met een stevige aanklacht tegen de mens en zijn omgang met dieren (bio industrie) getuige de titel waarin de gekke koeienziekte, Mond- en Klauwzeer, de dioxine in kippenmest en als klap op de vuurpijl de varkenspest genoemd worden.
.
bse mkz dioxine varkenspest
.
dag gijs het leven zit erop mijn jong
er werd niet veel gelachen dat is waar
maar zie het ook van onze kant de dood
wat is de dood het is maar een gebaar
.
in elk geval er valt niet veel te zeggen
dit was het dan
god heeft nog een verrassing
wanneer je boven komt het is óf óf
.
de hel is rot maar alles is er gratis
dus laat je niet misleiden beste gijs
want in de grijze hemel en voor geld
daar wonen wij onreine kankerlijders
.
De onkuisheid
Hugues C. Pernath
.
Woensdagavond keek ik naar De Vooravond, de talkshow op de vooravond op NPO 1. In deze aflevering was Wilfried de Jong aanwezig wat mijn aandacht trok. Hij presenteert met de Vlaamse Ruth Joos vanaf aanstaande zondag wekelijks het programma ‘Brommer op Zee’, waarin ze schrijvers en dichters interviewen over hun werk. In deze aflevering werd de beide presentatoren gevraagd naar mooie zinnen en Ruth Joos pakte een dichtbundel en las de eindzin van een gedicht voor ‘Hier ben ik, want ik blijf’ zonder verdere uitleg van wie het gedicht was of uit welke bundel het kwam.
Uiteraard ga ik dan zoeken en zo kwam ik bij het gedicht van Hugues C. Pernath ‘De onkuisheid’ uit.
Hugues C. Pernath (pseudoniem van Hugo Wouters, 1931 – 1975) was een Vlaams dichter. Zijn werk neigt naar het pessimistische, is emotioneel sterk geladen en was in het begin modern maniëristisch. Later wilde hij zich hieraan ontworstelen; zijn poëzie werd toen toegankelijker en meer gestructureerd. Pernath was redacteur van de literaire tijdschriften ‘Gard Sivik’ en ‘Het Cahier’. Later verliet hij deze redacties om zitting te nemen in de redactie van het ‘Nieuw Vlaams Tijdschrift’. Tevens was hij (vanaf 1973) lid van het Antwerps genootschap ‘Pink Poets’. Pernath ontving voor zijn werk onder andere de Jan Campert-prijs (1974) en postuum de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor poëzie (1977). Er is een poëzieprijs naar hem vernoemd: de Hugues C. Pernath-prijs.
Het gedicht waaruit Ruth Joos citeerde was het gedicht ‘De onkuisheid’ en dat nam ik uit de bundel ‘Mijn tegenstem’ Gedichten 1966-1973 uit 1975.
.
De onkuisheid
Voor Myra
.
Geloof in mij, want ik geloof in jou
Weigerend wat was en wetend wat ons weerhield.
Ik zal je vernoemen, je mee voorbij dit leven dragen
Jij, Enige, en schaduw die mij bedekt.
Door jou ben ik geworden en met de littekens
Van jouw weefsels, de waas van jou.
.
Zo ons zwijgen, zo ons zeggen.
Niets werd ons beloofd, alleen het leven
Dat wij kozen kan ons nemen of verlaten,
Geen medelijden, want niets heeft ons gemaakt.
.
Omdat ik voor jou mijn speeksel spaarde, en nu
Na de nacht en de nevel, in jouw angsten herleef
En tracht je te beschermen tegen de gruwel.
Er is geen klacht meer nodig, de pijn heeft opgehouden
En voldaan. Slechts jij en ik ontkiemen en gedijen
In het louterende onbekende van de tederheid.
.
Onwennig ligt ons landschap, een scheppingsverhaal
In ons zoeken en ons vinden, het reddeloze volgen
Van de onderwerping die onze lichamen rekt.
Spin. Spin en bewaar mij in jouw liefde.
.
Zo zullen wij beschreven staan, ouder wordend
Dan de valk die zijn vlucht begint en rimpels trekt
Over de dorre braaklanden van vroeger en voorheen.
Geen misverstand. Tussen jou en mij geen overleven
Want deze dag betekende voor mij het begin der dagen.
Jij bent mijn eerste dag. Hier ben ik, want ik blijf.
.
Bezoeken
Anne Kranendonk
.
In het literaire tijdschrift ‘Gedicht’ dat werd uitgegeven bij De Bezige Bij van 1974 tot 1976 kwam ik een dichter tegen die ik niet kende. Het betreft hier dichter Anne Kranendonk (1953). In ‘Gedicht’ zijn maar liefst 6 gedichten van haar gepubliceerd. In het korte stukje achterin staat vermeld dat ze in Hoek van Holland is geboren en Nederlands studeert in Amsterdam. Op zoek naar meer informatie over deze (bijna) vergeten dichter kwam ik nog een vermelding tegen in Tirade 1986, jaargang nummer 30 waar ze met vier gedichten in stond.
Uit ‘Gedicht’ nummer 7 uit 1975 het gedicht ‘Bezoeken’ van haar hand waaruit haar verbinding met de kust (Hoek van Holland) blijkt.
.
Bezoeken
.
Zonder weifeling stembanden roerend
op de hoogtijdagen van het strand
dat bij onweer bladstil is en mooier
met de overgekookte soep thuis op het
vuur hemelschreiend prijzen
.
niet nu ontoereikend de fatale luchtlagen
bezwerende zon die de achterkant van een
rotsenstruik (vergif van de stekelnoot)
nauwkeurig voor uitdaging bewaart:
het geruste karkas van de verwelkte narcis.
.
Nog
Roland Jooris
.
Opnieuw kom ik een , mij, onbekende dichter tegen. Dit keer in de bundel ‘De 100 beste gedichten’ gekozen door Francine Houben van de VSB Poëzieprijs 2017. Het betreft hier de Vlaamse dichter en publicist Roland Jooris (1936). Jooris debuteerde in 1956 met de bundel ‘Gitaar’ die hij in eigen beheer uitgaf. In 1958 volgde ‘Bluebird’. Beide bundels zijn voorbeelden van experimentele dichtkunst. Jooris nam later afstand van deze poëzie want in de bundel ‘Gedichten 1958 – 78 uit 1978 staat geen enkel gedicht uit een van deze bundels. Na deze experimentele bundels ontwikkeld Jooris zich meer als romantisch realistisch dichter. In zijn bundels ‘Het museum van de zomer’ (1974) en ‘Akker’ uit 1982 komt dit goed naar voren.
In 1976 kreeg Jooris de tweejaarlijkse prijs voor poëzie van De Vlaamse Gids en in 1979 de Jan Campertprijs voor de bundel ‘Gedichten 1958 – 78’. Ook ontving hij in 1981 de Prijs van de Vlaamse Provincies.
Uit de bundel ‘Bladgrond’ uit 2016 komt het gedicht dat in de ‘100 beste gedichten’ is opgenomen.
.
Nog
.
Nabij
toch weer elders
.
Hij raapt op
wat niet gevonden
kan worden
.
Hij hoort iets
wat opspringt uit beduimeld
geblader, uit gefluister
een toets die zich afvraagt
waarom
.
Hij tast naar
een gestommel van
onmondig beramen, hij brengt
het ter sprake
.
Het doorwoelt zich
.
De menselijke natuur
Gerrit Bakker
.
Niets is zo fijn als voor je boekenkast te gaan staan en tussen de vele bundels op de boekenplanken een bundel te kiezen die je al lange tijd niet meer hebt ingezien. Helemaal als het een bundel van bijna 50 jaar geleden betreft. In de bloemlezing ‘ Lees eens een gedicht’ uit 1974 heeft samensteller Ton van Deel een keuze gemaakt uit het poëzie-fonds van uitgeverij Querido.
Kees Fens schreef destijds in een recensie in de Volkskrant over deze bloemlezing: “Hij (Ton van Deel) heeft de gedichten gegroepeerd rond makkelijk herkenbare thema’s, de bloemlezing heeft dus een echte opbouw.Maar de gevolgde opzet heeft bovendien dit resultaat: de verzen – ook van moeilijkere dichters- gaan ineens functioneren binnen het dagelijks leven. Poëzie wordt alledaagsere dan u denkt. Dat een bloemlezing dat kan bereiken is een prestatie.”
Alle reden dus om dit boek weer eens te herlezen en tot de conclusie te komen dat Fens gelijk had en dat er in de bundel dichters staan die in de vergetelheid dreigen te raken of dat al zijn.
Een van die dichters is Gerrit Bakker. Bakker (1939-2011) debuteerde in 1963 met de bundel ‘Een koe slaapt ‘s avonds buiten’. Zijn laatste bundel publiceerde hij is 1975 ( ‘Ommekeer’ ) en zijn werk werd in verschillende bloemlezingen opgenomen waaronder in ‘De Nederlandse Poezie van de 19de en 20ste Eeuw in 1000 en enige Gedichten’ van Gerrit Komrij. Uit de bundel ‘De menselijke natuur’ uit 1966 komt het volgende gedicht.
.
De jager mikt met een oog dicht.
Hij ziet het platte land.
Met opgestoken oren
ontspringt het konijn de dans.
Eenoog die zich op de vlakte houdt
hij deert het konijn geen haartje.
De jager scherpt zijn schuttersgave verder
op de stelen van de bloemen in het veld.
Met beide ogen open
maakt hij voor zijn vrouw een krans.
.














