Site-archief
Poëzie op de tocht
Mandala III/1
.
Van mijn broer kreeg ik wat bundeltjes en één daarvan bleek het ‘tijdschrift voor internationale avantgarde en etnoliteratuur’ Mandala te zijn. Een literair tijdschrift van In de Knipscheer B.V. dat tot stand kwam met subsidie van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk. Per jaar (vanaf 1975 tot in de jaren ’80) verschenen er er vier nummers waarvan en drie aan een bepaald onderwerp gewijd waren en een vierde openstaat voor wat zich aandiende. Het tijdschrift wilde een ‘aansluiting maken bij de internationale traditie van vernieuwing en openstelling van grenzen, talen landen en jaren’.
Mijn exemplaar, nummer III/1 uit 1979 kon je destijds kopen (los) voor 19 gulden en vijftig cent. Een abonnement was 70 gulden per jaar. Nummer III/1 heeft als titel ‘Poëzie op de tocht’ en is samengesteld door Erika Dedinszky (1942-2022), Jos Knipscheer (1945-1997), Wiel Kusters (1947) en Peter Nijmeijer (1947-2016). In ‘Poëzie op de tocht’ staan artikelen en essays, twee interviews, illustraties (of visualia zoals ze het noemen) en veel poëzie.
Van Peter Nijmeijer staat het gedicht ‘De schilder’ (voor Harry Hoogstraten) er in. Peter Nijmeijer was dichter, bloemlezer en poëzierecensent en hij vertaalde heel veel poëzie voor onder andere Poetry International. Harry Hoogstraten (1941) was dichter, performer en beeldend kunstenaar die veel experimenteerde met taal.
.
De schilder
(voor Harry Hoogstraten)
.
Dit landschap, zo rustiek déjà
vu en zo doorsnee bevlogen,
en jij daarin, paf staand, vermomd
als een kijker, doodmoe van al
die loodzware bomen, de woorden
die niet willen zwijgen en groen
zien van bladgroen en schimmel,
dit zwerk. Dit is mooi! Ja
natuurlijk. Maar dit is waar
lenzen zich richten, dreigen
het schoons vast te leggen, op-
vouwbaar, onwrikbaar, onmisbaar – nee
dan de schilder die op z’n eenzaam
paneel één enkele stip zet (een
groene) en schreeuwt (daar! god-
verdomme) en danst en weer
eens een keertje gebeurd is,
daar sta je mooi van te kijken.
.
Mijn mond is moe
Surinaamse poëzie
.
Mijn dochter was in Suriname en ze nam ‘Wortoe d’e tan abra’ (woorden die overblijven) bloemlezing uit de Surinaamse poëzie vanaf 1957, uitgegeven door het Bureau Volkslectuur in 1970 voor mij mee. Mijn exemplaar is uit 1979 en het betreft een 4e uitgebreide druk (waarmee er totaal 16.500 stuks gedrukt zijn). De bloemlezing is samengesteld door Shrinivási (1926-2019). Hij was een Surinaams dichter, wiens burgerlijke naam luidt Martinus Haridat Lutchman. Zijn pseudoniem betekent: edele bewoner van Suriname. Hij geldt als een van de grootste dichters die Suriname ooit heeft voortgebracht en is misschien wel de belangrijkste Nederlandstalige dichter van Suriname.
De bloemlezing bevat poëzie van bekende namen (Edgar Cairo, R. Dobru, Thea Doelwijt, Michael Arnoldus Slory en Shrinivási zelf) maar ook tal van (mij) onbekende dichters. Eén van die onbekende namen voor mij was Zamani. Lezend in de bundel bleef ik bij een gedicht van deze dichter ‘hangen’ met als titel ‘Mijn mond is moe’. Op zoek naar wie deze Zamani was werd ik verrast, het blijkt hier om niemand minder dan Astrid Roemer (1947) te gaan. In 1970 debuteerde zij met de dichtbundel ‘Sasa: mijn actuele zijn’ onder dat pseudoniem.
Jaren geleden vroeg ik Astrid Roemer om een lezing over haar werk te geven bij mij in de bibliotheek. Omdat ze, net als ik, in Den Haag woonde haalde ik haar op van huis. De avond was een succes en ik heb daar heel mooie herinneringen aan. Niet verassend dus dat ik hier graag het gedicht ‘Mijn mond is moe’ plaats uit deze bloemlezing.
.
mijn mond is moe
.
moe is mijn mond
van spreken
zinvolle woorden om
anderen te bereiken
mijn mond is moe
van pogen
pogen hen weer te begrijpen
neen
ze willen niet kussen
die lippen van mij zijn
moe
voor anderen zinvol
te zijn
.
Voor W.
Stijn de Paepe
.
Van de te vroeg gestorven Vlaamse dichter Stijn de Paepe (1979-2022) heb ik het gedicht ‘Voor W.’ dat ik op lezenswaard.be las gekozen om een voor de hand liggende reden.
.
Voor W.
Hoewel een wereld zich ontvouwde
toen jij al mooi was en ik jong,
de tijd nog niet zo kwistig klauwde,
de wind een lied van later zong.
gleed alles toen je met me trouwde
ineen, als een Cole Porter-song.
Geen dag die me sindsdien benauwde
Hoezeer de tijd ook tegenwrong.
Zo is het goed. Zo zal het duren.
Zo zingt de wind en luidt het lied.
Het leven sist van hete vuren
maar hier, met jou, verbrand ik niet.
En in een land van louter muren
maak jij de kier, waar licht uit schiet.
.
Drinken
Bernlef
.
Vanaf vandaag een weekje vakantiegedichten. Om te beginnen met een gedicht van Bernlef (1937-2012) getiteld ‘Drinken’ uit zijn bundel ‘Stilleven’ uit 1979.
.
Drinken
.
Alleen water kan
de fles ontdekken omdat
het stroomt (als het kan)
alle kanten op en dat
belet door dorst van mensen
en allerhand obstakels
zoekt en scharrelt tot in
wat de dronken classicus
een fles noemt (denkend aan statie-
geld en hoe dat later te beleggen).
Drinken is de vorm
van de fles (wat ieder mens
als baby weet en bijna iedereen
vergeet): drinken
Drinken is de vorm
.
Kuip
Ruth Lasters
.
De Rotterdamse school, de podcast van de Rotterdamse dichters Daniël Dee en Mark Boninsegna is weer begonnen. Alleen dit keer doet Mark Boninsegna het alleen. Mark is bekend als groot bewonderaar van Jules Deelder maar vooral van zijn grote liefde Feyenoord. Hij schreef dan ook een gedicht getiteld ‘Liefde op het eerste gezicht’ over de Kuip. Het gedicht verscheen dan ook in het supporters magazine van FSV De Feijenoorder.
Toch gaat het gedicht ‘Kuip’ dat ik hier vandaag wil plaatsen over iets heel anders. Het gedicht is dan ook van de Vlaamse dichter Ruth Lasters (1979) en komt uit haar bundel ‘Lichtmeters’ uit 2015 waarmee ze de Herman de Coninckprijs 2016 won.
.
Kuip
.
Ik tilde mijn oude minnaars in bad, ik wilde in één
oogopslag wat, wie ik had
.
liefgehad, meest of minder, misschien of stellig, onvoorwaardelijk
of indien-als. In een kuip als een galjoenboot lag
.
het synchroon
wassen van elkaars rug, met elk een stuk zeep
.
blauwdooraderd, waarna zij met schouders
tot bloedens toe opengeschrobd
.
wegstapten. Behalve één, jij, waar ik me
benen rond romp achter haakte, om samen
.
dwars door de ander heen
het onverdraaglijk afkoelen van het water af te wachten.
.
Hop over de sofa
Remco Ekkers
.
In 2021, in het jaar van zijn overlijden, publiceerde uitgeverij Kleine Uil, de bundel ‘Hop over de sofa’ van prozaschrijver, essayist en dichter Remco Ekkers (1941-1921). Ineke Holzhaus schreef over deze bundel: “Hop over de sofa’ lijkt een opgewekte of komische titel, maar er gaat een gruwelijke werkelijkheid achter schuil in het klein en in het groot. De dichter verwondert zich over het kwaad in de wereld, over ongerijmdheden, over vreemde toevalligheden, maar ook over liefde. Alle mensen die hebben bestaan zijn vergeten op enkelen na. ”
Voorts schrijft ze: “Remco Ekkers is een denkend dichter. Hij schuwt de grote thema’s niet, maar hij kan daarbij bij het kleine alledaagse beginnen, waarna hij zich naar universele overwegingen toedicht waarbij hij alle middelen inzet, die de poëzie hem aanreikt.”
Remco Ekkers debuteerde in 1979 met de bundel ‘Buurman’ waarna er nog vele zouden volgen, een groot aantal als bibliofiele uitgave. Hiernaast verscheen zijn werk in De Gids, Maatstaf, Tirade, Bzzlletin, De Revisor en Hollands Maandblad. Van 1976 tot 2016 maakte hij deel uit van de redactie van de Poëziekrant. Daarnaast was hij van 1986 tot 1992 poëziecriticus van De Gids. In de Leeuwarder Courant verzorgde hij tien jaar lang poëzierecensies. In het blad Schrijven verschenen zijn interviews met dichters
Een mooi voorbeeld van het kleine en ‘alledaagse’ in de poëzie van Ekkers uit de bundel ‘Hop over de sofa’ is het gedicht met de titel ‘Meisje zee’ waarin hij iets groots en machtigs vergelijkt met een meisje.
.
Meisje zee
.
Je komt en je gaat
je ruist en je loopt uit
je bent wijd en geheim
je zuigt me naar je toe
en laat los, je speelt
omdat het moet
van maan en wind.
.
Ik mag komen
je omspoelt me
beantwoordt mijn hunkering
zwijgt in het ruisen.
.
Eventjes
Hannes Meinkema
.
Hannes Meinkema (1943), schrijver, feminist en literatuurwetenschapster (pseudoniem van Hannemieke Stamperius) schreef ook poëzie. Ik schreef al eerder over haar werk dat uit heel veel romans, essays en verhalen bestaat en uit precies 1 dichtbundel ‘Het persoonlijke is poëzie’ uit 1979. Binnen bepaalde kringen is haar werk bekend maar bij het grote publiek is ze vooral een schrijver die in de jaren ’70 en ’80 enige bekendheid verwierf met bijvoorbeeld de roman ‘En dan is er koffie’.
De reden dat ik hier opnieuw over haar schrijft ligt gelegen in het feit dat ik een gedicht van haar las uit die ene poëziebundel die ze publiceerde waarin een gevoel beschreven wordt dat ik herken van vrienden met jonge kinderen en drukke banen. Het steeds maar aan staan, elk moment van de dag, vooral bij mensen die thuis werken (in maar ook na de Corona periode). De hoofdpersoon in dit gedicht blijft eventjes zitten in de auto die voor de deur van haar huis geparkeerd staat voor ze naar binnen gaat (waar er waarschijnlijk meteen een beroep op haar wordt gedaan). Ik ken voorbeelden van mensen die juist ook het huis ontvluchten en naar buiten gaan waar ze even alleen en met rust gelaten worden.
Het feit dat dit gedicht uit 1979 stamt (of al eerder) geeft maar aan dat dit iets is dat van alle tijden is en waarvoor eigenlijk geen oplossing is. Behalve dan eventjes te blijven zitten in een auto die geparkeerd staat voor je eigen huis.
.
Eventjes
voor Maja
ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
eventjes
moeten jullie me niet storen
.
en de preciuese beelden die ze maakt
zijn de schrijnende en
levenslange
bronsgeworden veelheid van gevoel
van iemand die als ze het niet langer uithoudt
eventjes
in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.
.
















