Site-archief
Wisselplaats
Een recensie
.stijlfiguren,
Van Monique Wilmer-Leegwater (1966) verscheen dit jaar de bundel ‘Wisselplaats’ bij uitgeverij U2pi. Wanneer ik een nieuwe bundel in handen krijg dan begin ik altijd met het lezen van de achterkant, en de gegevens in de bundel. Op de achterzijde van ‘Wisselplaats’ staat: In Wisselplaats geeft Monique Wilmer-Leegwater woorden aan de vervreemding tussen de mens en zijn natuurlijke omgeving. Waar is nog sprake van herkenning en verbondenheid? En: in deze bundel klinkt de roep van een gezamenlijke oorsprong.
Nu weet ik en eigenlijk iedereen die weleens een boek of dichtbundel leest dat teksten op achterflappen leest dat je dit soort ronkende teksten met een korreltje zout moet nemen. Maar mijn ervaring leert me dat er altijd een kern van waarheid zit in dit soort bespiegelingen. Benieuwd of dit ook zo is bij deze bundel.
Wat me meteen opviel bij de eerste lezing van ‘ Wisselplaats’. Is dat dieren een belangrijke rol spelen in de poëzie van Monique. En dan vooral in hun relatie met de dichter. Paarden, vogels, maar ook elementen als bomen en gras. In de gedichten speelt de natuur in al haar rijkdom een rol zou je kunnen zeggen. De dichter verlangt naar het opgaan in en samen gaan met de natuur. Zoals in het gedicht ‘ Mogelijk een mens’ op pagina 32. “ Er ligt verwondering in hun blik, ben ik / een van hen, ben ik iets van belang / ben ik iemand die ergens voor staat.” De hun in deze strofe zijn de bomen. Die bomen keren terug aan het einde van het gedicht: “Zij zingen, vormen een boog, een erehaag van blad / en bloei voor al het uitzichtloze dat aan hen / voorbij blijft komen. “
In deze bundel worden mensen met dieren vergeleken, de levens van mensen met de levens van dieren, wordt er gepraat met de dieren, geeft ze (hiermee) dieren een stem. In het hoofdstuk ‘ Kijk, daar gaan de meisjes’ staan de dieren even wat minder centraal, daar is er tijd en aandacht voor een moeder en vrouw. En toch is de natuur ook in de gedichten in dit hoofdstuk nooit ver weg al wordt ze minder nadrukkelijk benoemd.
In het hoofdstuk ‘ Bloedbanden’ is ook ruimte voor het kind en de sterfelijkheid van de mens. En opnieuw verhoudt de dichter zich met de natuur buiten de mens. Een boom, een vos, een oerwoud, een oceaan, haviken. In het gedicht ‘ Schraal’ wordt dit als volgt verwoord: Ik verwelkom het dierenrijk op mijn gazon. Kom, dorstige vos, / armzalige haas, moedeloze bij. Laten we spreken / over toekomstige dagen.
Maar er valt meer te genieten in de bundel. In twee gedichten ‘ Olemaan’ en ‘Wende’ komt het taalgevoel van de dichter op een heel andere creatieve manier tot zijn recht. Deze gedichten zette me bij een eerste vluchtige lezing op het verkeerde been. Woorden als scharmen, kopsel, bandsel, ekerharten, lokselmazen, olemanen en drachtelijn lijken Nederlandse woorden te zijn (dialect wellicht) maar zijn gewoon verzonnen woorden. Bijzonder hoe je zo’n gedicht dan leest alsof het allemaal klopt wat er staat. Zoals in de zin uit ‘Wende’: Hoor hoe wendsels het land bedotten, zie / hun strook en kot besmuikt met bandsel.
Ik ben blij dat de dichter en de uitgever deze twee gedichten in de bundel hebben opgenomen. In het geheel en het thema van de bundel zou je kunnen betogen dat het twee losse flodders zijn in een verder met scherp geschoten relaas maar juist dit soort gedichten laten zien dat een dichter, hoe serieus ook in haar poëzie, ook een vrolijke, licht absurdistische kant heeft.
Het is moeilijk Monique in een traditie te plaatsen. Misschien een traditie die zich nog moet vormen. Net als ik heeft ze zich bij de Klimaatdichters aangesloten. Qua poëtische traditie zijn haar gedichten vrij maar maakt ze gebruik van stijlfiguren en enjambementen en doet dit zorgvuldig waardoor haar gedichten aan zeggingskracht toenemen. Als klimaatdichter is ze van het deel dat niet met een bestraffende vinger naar onrecht en veroorzakers van natuur- en klimaatschade wijst maar beschrijft ze situaties waar je als lezers je eigen conclusie mag en kan trekken.
Met deze bundel levert Monique Wilmer-Leegwater niet alleen bundel af die tot nadenken aanzet, maar vooral ook een bundel waarin taalgevoel en beschrijvingen van de mens-natuur relatie centraal staan.
Als ik dan terugga naar de tekst op de achterkant van deze bundel dan kan ik concluderen dat de redacteur die de tekst heeft geschreven met veel gevoel voor dramatiek de kern van de bundel heeft weten te beschrijven. Dat dit een reflectie in poëzie is, mag duidelijk zijn. Een frisse en wat mij betreft bloemrijke bundel die het verdient gelezen te worden ook buiten de groep van in klimaat geïnteresseerde poëzieliefhebbers.
Het gedicht dat ik koos om hier te plaatsen staat in het hoofdstuk ‘Notities van een klein toneel van onvolkomenheid’ en is getiteld ‘ Exodus’ .
.
Exodus
.
Het kind zingt een merellied, pikt wormen uit de aarde.
We imiteren vogels, er ligt een noodzaak in hun blijven.
Zoals het groen, de sterren, de sterren op het water, een gouden zon
in gedachten onze hemel zijn.
.
Aangevreten, uitgesleten, zijn bekoorlijk lijf kapot en zwart.
Niemand die hem nog herkennen kan, zijn naam durft
uit te spreken.
.
Zo leeg, zo kaal, zo schraal.
Vind je vergeldingsgdrang in genen, kent expansiedrift
een grens?
.
We weten nu hoe mooi hij was, hoeveel wij van hem hielden.
Hier is hij niet en waar is hij gebleven. We lopen en
we lopen maar, honden en katten kleven aan onze benen.
Niemand weet van wie ze zijn, of ze bij iemand horen.
.
Rozig
Dubbelgedicht
.
Vandaag een dubbelgedicht met twee gedichten over rozen.
Het eerste gedicht is van dichter, schrijver, taalkundige en politicus Jacob van Lennep (1802-1868) en is getiteld ‘Aan een Roosje’ waarbij Roosje duidelijk verwijst naar een meisje en niet zozeer de bloem. Het tweede gedicht is van P.A. Hoogwerf (waarvan ik verder geen informatie kan vinden behalve dat hij twee bundels heeft uitgegeven bij de Beuk eind jaren ’70 en begin jaren ’80 getiteld ‘De gehandicapte dichter’ en ‘Doorzichtige gedichten’) en is getiteld ‘De pracht der rozen’.
.
Aan een Roosje
.
Die selindes borstjes kust,
Die zo mollig op haar boezem,
Tussen donzen peulen rust!
Aartig roosjes, vers ontloken
ware uw zalig lot het mijn
.
De pracht der rozen
.
De pracht der rozen sterft, zomers sterven
de herfsten komen met het zachte klagen
van regens, die door de lege bossen zwerven
en het laatste bloeisel rukken van de hagen.
Maar in het voorjaar komt een nieuw verlangen,
ik voel in de tuin al knoppen openbreken,
dat is het vaste teken, dat weer een lente
komt met nieuwe bloemen en gezangen.
.
Waakzaam
Maarten Inghels
.
Afgelopen weekend weer twee VSB poëzieprijsbundels (De 100 beste gedichten voor de poëzieprijs) aan mijn collectie kunnen toevoegen; die van 2012 en 2018. In de editie van 2012 die door Kathleen Ferrier is samengesteld staan weer vele prachtige gedichten. Ik heb voor het gedicht ‘Waakzaam’ van Maarten Inghels (1988) gekozen uit de gelijknamige bundel uit 2011. Ik koos dit gedicht omdat het zo’n fraai liefdesgedicht is.
.
Waakzaam
.
De dichter moet immer waakzaam
blijven, vooral teder te zijn.
Elke dag voor haar uit de hemel willen vallen,
zorgen dat de jazz zijn spieren minder stram maakt.
.
Hij moet immer waakzaam
blijven, dat er genoeg verstrooiing
is voor ons hart, wij de dichter zijn verzen
nog kunnen prevelen in het oor van een vrouw.
.
Hij moet immer waakzaam
blijven, soms zwak te zijn.
Opdat de wind zal winnen van zijn gehoord, hem
zinnen influistert waarmee hij een lichaam
.
rond zijn vinger bouwt.
Waarna de dichter kan zeggen: o, omarm mij,
ik ben nog niet gauw voorbij.
.
Zijn
Eva De Roovere
.
Eva De Roovere (1978) ken je misschien van haar bescheiden hitje ‘Fantastig toch’ uit 2009, een heerlijk vrolijk liedje van de Vlaamse zangeres. In 2013 Kwam er echter ook een dichtbundel van haar hand uit met de titel ‘Positron’ uitgegeven door Poëzie Centrum.
Op de achterkant van de bundel schrijft Eva: “Positron is geschreven in studio’s tussen twee opnames in, tijdens autoritten, backstage voor en na concerten, voor vrienden en collega’s, over alles en niets bijzonders, zomaar ergens en nergens tussendoor en gewoon voor mezelf. En nu dus ook voor u: een gedichtenbundel over verloren dagen, maskers, woestijnen en schaamhaar. Deze keer niet gezongen.
Toch loopt de dichtbundel gelijk op met haar CD uit 2013 getiteld ‘Viert’. Lezend in deze bundel valt me steeds weer op hoe gemakkelijk De Roovere de taal gebruikt en beheerst, creatief, speels maar zeker ook serieus en zelfs filosofisch. Zoals in het gedicht ‘Zijn’ uit de bundel.
.
Zijn
.
Het er-zijn valt zwaar
En het besef van het zijn
En de zijnden rondom
Maken dat de vraag naar zingeving aan de orde komt
Zoiets als een fin-de-siècle-gevoel
Maar dan tijdens de eindejaars-periode
Er zijn: het in-de-wereld-zijn
Of beter: het met-de-wereld-zijn
Beseffen dat zijn an sich niet genoeg is
Maar dat er invulling nodig is
In samenwerking met wat rondom is / bestaat
En in de waarom-vraag de angst voor het niets ontdekken
Want in het waarom dreigt het iets over het hoofd te worden gezien
Maar het is nooit nergens
De angst maakt het iets
En ergens
.
Aan de wankelaar
Bertolt Brecht
.
Ik was in een bibliotheek en moest daar even op iemand wachten dus wat doe je dan? Precies, dan ga je naar de afdeling of de kast (of in sommige bibliotheken de plankjes) met poëzie. In dit geval was het een afdeling en scharrelend door de fonkelnieuwe maar ook oudere bundels kwam ik de bundel ‘De mooiste van Brecht’ uit 2010 tegen. Samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem.
Bertolt Brecht (1898 – 1956) was een Duits dichter, (toneel)schrijver, toneelregisseur en literatuurcriticus. Zijn werk was sterk politiek geëngageerd.
Wat ik dan meestal doe is een beetje door zo’n bundel bladeren en wanneer ik dan iets lees dat ik opmerkelijk vind of dat me even langer doet blijven op een bepaalde bladzijde, het betreffende gedicht helemaal lezen. In dit geval bleef mijn oog hangen op het woord wankelaar. In eerste instantie dacht ik wandelaar, maar nee wankelaar. Toen ik het gedicht las moest ik (vooral bij de eerste strofe) denken aan de Tweede Kamerverkiezingen van eind november. En aan de klimaatbeweging, en eigenlijk iedereen die het klimaat en de natuur een warm hart toedraagt.
Daarom, speciaal voor iedereen die zich aangesproken voelt, hou vol en blijf geloven en werken aan een betere wereld. En voor de ware liefhebber heb ik ook de originele versie in het Duits erbij geplaatst getiteld ‘An den Schwankenden’. Dit gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in ‘Svendborger Gedichte’ dat Brecht in ballingschap schreef in 1937.
.
Aan de wankelaar
.
Je zegt:
Het gaat slecht met onze zaak.
De duisternis neemt toe. De krachten nemen af.
Nu, na zoveel jaren werk,
Staan we er slechter voor dan bij de start.
.
De vijand daarentegen is sterker dan ooit.
Zijn krachten lijken toegenomen. Hij ziet er onoverwinnelijk uit.
Wij echter hebben fouten gemaakt, het valt niet meer te
loochenen.
Ons aantal vermindert.
Onze parolen klinken verward. De vijand heeft
Een deel van onze woorden verdraaid tot ze onherkenbaar waren.
.
Wat is er nu verkeerd in wat wij zeiden?
Iets of alles?
Op wie kunnen wij nog rekenen? Zijn wij, overgeblevenen,
geslingerd
Uit de levendige stroom? Zullen wij achterblijven,
Niemand meer begrijpend en door niemand begrepen?
.
Moeten wij geluk hebben?
.
Dat vraag jij. Verwacht
Geen ander antwoord dan dat van jezelf.
.
An den Schwankenden
.
.
Love is a dog from hell
Charles Bukowski
.
Er zijn dagen dat ik behoefte heb aan de onversneden taal en briljante geest, in de vorm van de soms wat bizarre fantasie, van Charles Bukowski (1920-1994). Vandaag is zo’n dag. In de bundel ‘Love is a Dog From Hell’ uit 1977 staan dit soort rauwe, absurdistische en fantastische gedichten. Ik koos voor vandaag het gedicht met de wellicht meest bizarre van allemaal ‘the night I fucked my alarm clock’.
.
the night I fucked my alarm clock
.
starving in philadelphia
i had a small room
it was evening going into night
and i stood at my window on the 3rd floor
in the dark and looked down into a
kitchen across the way on the 2nd floor
and i saw a beautiful blonde girl
embrace a young man there and kiss him
with what seemed hunger
and i stood and watched until they broke
away
then i turned and switched on the room light
i saw my dresser and my dresser drawers
and my alarm clock on the dresser
i took my alarm clock
to bed with me and
fucked it until the hands dropped off
then i went out and walked the streets
until my feet blistered
when i got back i walked to the window
and looked down and across the way
and the light in their kitchen was
out
.
Waarom zijn veel dichters ook kunstenaar
Maggie Millner
.
Op de website https://lithub.com las ik een interessant artikel van Maggie Millner over de combinatie van functies of rollen die veel voorkomt namelijk die van dichter én kunstenaar. En kunstenaar is een ruim begrip in deze. Dat kan gaan van danser, illustrator, filmmaker, zanger, fotograaf, multimedia ontwerper etc.
Ze begint haar artikel met: “Hoe meer poëzie ik lees, hoe meer ik ontdek dat een onwaarschijnlijk aantal goede dichters in feite multidisciplinaire kunstenaars zijn. Ik zeg onwaarschijnlijk omdat poëzie op zichzelf al een moeilijk genoeg beroep is; de zwakke relatie met zowel kapitaal als lezerspubliek betekent dat dichters hun schrijfwerk vaak aanvullen met redactionele of onderwijsopdrachten, waardoor er relatief weinig ruimte overblijft voor andere bezigheden. Toch is schrijven voor veel dichters slechts een van de vele creatieve praktijken, en blijkt het een van de meest geciteerde poëtische regels aller tijden te zijn: van Horatius ‘ut pictura poesis’, of vertaald ‘zoals schilderen is, zo is poëzie ook’.”
Ze correspondeerde vervolgens met verschillende dichters in verschillende stadia van hun carrière waarbij ze vragen stelde over de druk om te specialiseren, of er keuzes werden gemaakt om zich uit te drukken per discipline en of er makkelijk gewisseld werd tussen de verschillende disciplines. Een conclusie die Zachary Schomburg, dichter en illustrator in één van de interviews trekt is dat het maken van kunst op zijn best dezelfde ervaring is als het ervaren van kunst. Of zoals hij het zegt: “Ik wil het zoals ik wil eten, en ik eet niet slechts één soort voedsel. Soms maak ik wat ik eet, en soms eet ik wat andere mensen maken.”
Valerie Hsiung, dichter en zangeres zegt: “Om dezelfde reden dat ik geloof dat vertalen een andere dimensie aan de stem van een dichter toevoegt – wat in de basis het enige is dat er toe doet bij poëzie of zang – geloof ik dat een diepgaande betrokkenheid bij welke andere discipline dan ook de schrijfpraktijk kan verdiepen.”
Matthea Harvey, dichter en multimedia beeldend kunstenaar benadert het vanuit een andere hoek: “Ik denk dat zoveel dichters interdisciplinaire kunstenaars zijn, omdat dichter zijn draait om aandacht, en die aandacht vertaalt zich niet alleen in woorden.”
Paige Taggart, dichter en juwelier bekijkt het meer vanuit haar gevoel: “Ik denk dat een grote meerderheid van de dichters en kunstenaars van nature gevoeliger zijn voor de wereld en dus gebonden zijn aan overvloedige bronnen van interpretatie.”
Heel interessante bespiegelingen en ook wij in Nederland (en eigenlijk in alle culturen en landen waarschijnlijk) kennen dichters die ook andere disciplines beoefenen. Denk aan Armando (die vele andere disciplines beoefende), Frans Vogel, Maarten Inghels, Hans Wap, Jan Elburg, Hugo Claus, Rogi Wieg en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Een gedicht kiezen uit al deze multidisciplinaire dichters is niet eenvoudig en tegelijkertijd juist makkelijk (het zijn er zoveel). Ik heb voor het gedicht ‘Het laatste gesprek’ van Armando (1929-2018) gekozen uit de bundel ‘Dagboek van een dader’ uit 1973.
.
Het laatste gesprek
.
‘Heer, herken ik u? Zijn wij niet dezelfde van weleer?’
‘Wie riep mij dan? Zijn uw wapens niet de mijne?’
‘Ik wacht op woorden, heer.’
‘Ik was de Dader, u het Offer. De medemens is leeg.’
‘Sterven Daders niet?’
‘Neen. Zij kunnen niet. Zij verwoorden.’
‘Heeft u ginds gesproken, heer?’
‘De dagen zijn beschreven.’
‘Heeft de Tijd nog kwaad gewild?’
‘Ja, het slagveld is begroeid.’
‘Geen spoor van oorlog meer?’
‘Geen. Maar ik doorzie de stilte. Oog en oor vergaan.’
‘Nadert weer de Dood, o heer?’
‘Neen. Hij was er al.’
.
Eindspel
Marc Reugebrink
.
In augustus van dit jaar schreef ik over Marc Reugebrink (1960), de in Nederland geboren maar al jaren in Gent woonachtige dichter, essayist en schrijver. Ik eindigde dit bericht met een gedicht uit zijn laatste bundel uit 1991. Wat schetst mijn verbazing toen ik in de boekhandel een nieuwe bundel van hem tegenkwam, getiteld ‘Om honing gaat het niet’.
Deze derde bundel van Marc Reugebrink verschijnt ruim dertig jaar na zijn vorige. De toon van zijn poëzie is in al die jaren dezelfde gebleven, intiem en warm, licht zangerig in de melancholie en met een zweem van milde ironie. Hij zegt hier zelf over op zijn website: “Het is intussen een vreemde ervaring: plotseling weer een dichtbundel te hebben. Ik meende (heb zelfs op publieke plekken gezegd) dat ik van het dichterschap wel min of meer afscheid had genomen.”
Ik koos uit de bundel voor het gedicht ‘Eindspel’ omdat het een intiem gedicht is van de dichter die een bezoek brengt aan zijn grootvader en een potje schaap speelt met hem.
.
Eindspel
.
Zo’n koningin die wit verloren staat,
en dat hij komt, het zwarte paard.
Zijn hand zweeft over de velden,
het licht dooft op de gang.
.
Verliezen is het ergste niet,
maar dat hij zelfs in het verlies
van mij bleef winnen. Hijgend
wees hij op mijn lopers.
.
Je ziet het niet, zegt hij. Ik zag,
er is hier geen ontkomen,
de dag loopt op zijn einde,
de nachtzuster komt aan.
.
Zijn hand zweeft over de velden,
raakt aan en zet. Mijn dame valt.
Hij wint, ik leg mijn koning om.
Zijn hand ligt open op het bed.
.
Gers
Elfie Tromp
.
In Rotterdam wordt het tijdschrift ‘Gers!’ uitgegeven. Een stadsglossy van en voor Rotterdammers. In #19 uit 2018, met als thema circulair en duurzaam Rotterdam, staat een uitgebreid vraaggesprek met dichter, schrijver, performer, columnist en theatermaker Elfie Tromp (1985). Elfie is in 2023 en 2024 stadsdichter van Rotterdam. Ik ken haar al lang, ze droeg voor op het podium van poëziestichting Ongehoord! en ze organiseerde naar aanleiding van het verschijnen van de derde editie van het tijdschrift STRAK, dat ze samen met Jerry Hormone oprichtte, een lanceerfeest waar ik een bijdrage aan mocht leveren. Ook stond Elfie met twee gedichten in MUGzine #4.
Maar nu lees ik dus een interview met haar in Gers! over hoe ze bewust probeert te leven, recycling, hommels, geveltuintjes en over wat zij vindt dat een levensmotto zou moeten zijn: Doe alles met aandacht. En het gaat over haar dichtbundel ‘Victorieverdriet’ (2018). Deze bundel schreef ze over haar liefdesverdriet maar zegt ze in het interview: “De bundel gaat over meer dan alleen liefde; het gaat ook over hoe waardig om te gaan met het noodlot en de kwetsbaarheid van het leven. Hoe je je uiteindelijk weer moet openstellen voor nieuwe liefde en daar altijd even kwetsbaar in blijft”.
In het gedicht ‘Een stad in een stad’ wordt dat gevoel verwoord. In het artikel staat alleen de laatste strofe opgeschreven. Ik heb het hele gedicht uit ‘Victorieverdriet’ overgenomen zodat je kunt lezen wat Elfie bedoelt.
.
Een stad in een stad
.
Thuis was ik burgemeester
hier zit ik op een fiets
trek tegelijkertijd langs de paden binnen in mij
in New Orleans ben ik een stad in een stad
goedheid wordt niet altijd beloond
van iemand houden met alles wat je hebt
is geen garantie
.
mijn handtekening was een kras geworden
ik verliet mezelf
.
fietsend in die pittige hitte
druipt teleurstelling uit mijn poriën
wegvegen heeft geen zin
er komt altijd meer
elke week klinkt het tornado-alarm
donderopera’s
heavymetalregen slaat neer
ik brokkel af
ik sloop
.
mijn stad beweegt altijd
niets is in steen gehouwen
.
onder het huis waar ik slaap klinkt gekwetter
buidelratbaby’s veilig in hun hol
buigend naar de planken
piep ik met alles wat ik heb
onder mij blijft het stil
.
New Orleans is fantastisch voor peddelaars
en naakte worstelaars
vingers verdwijnen diep ik konten
de winnaar tongt met de verliezer
de opgedofte toeschouwers juichen
.
laat die tieten vechten!
roept Moe Joe
haar lichaam pulseert
wordt een groot orgaan
zo verwerkt ze
die korrelige substantie
die voor leven moet doorgaan
Moe Joe vertelt me over de vier witte agenten te paard
ze werd getaserd op de maat van haar muziek
vier apparaten op haar blote huid
voltage voltage voltage voltage
.
dagenlang zat ze opgesloten
hoe durf ik
witte vrouw
mijn lichaam te vergelijken
met een stad vol giftige geschiedenis
van ongelijkheid en geweld?
.
verzet moet onze adem worden
staat in helderzwarte letters
op een bord in een gazon
activisme is hier alledaags
elk concert stilgelegd voor bezinning
elke muur beklad met mening
misschien ligt het aan jou
spot de supermarktmuur
.
een zwarte veteraan zwaait met een Confederation flag
om zijn militaire geschiedenis te eren
een witte moeder strikt een bonnet om het hoofd
van haar zwarte dochter
.
ze hebben de beelden neergehaald
je weet wel, van de drie generaals
Jefferson, Beauregard en Lee
ooit monumenten van trots en macht
nu symbolen van schande en schaamte
traditie is veilig
we willen iets vasthouden
in dit continue loslaten
.
ik denk aan de sokkels in mij
de beelden die ik daar opzette en vereerde
wogen op het laatst te zwaar
.
niets is in steen gehouwen
.
zelfs steen niet
tijd is een spier
die pijn en liefde beweegt
ik trap door
.
pulseren
verteren
worstelen
loslaten
schudden
dansen
veranderen
.
dat is de aard van de geschiedenis
.














