Site-archief
Lucebert
Liefde
.
Ik wilde vandaag gewoon een keer een liefdesgedicht plaatsen. Dat werd na enig zoeken het gedicht ‘Liefde’ van Lucebert (1924 – 1994). Lucebert, het pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk, was de voorman van de experimentele dichtersgroep de Vijftigers. Ik nam het gedicht ‘Liefde’ uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1974. .
.
Liefde
. ..
ik droom dus ben ik niet .
.
ik droom dat iemand de deur intrapt
niet voor de grap maar voor een politieke moord .
.
ik droom dat ik niet ben .
.
ik droom dat ik dood ga
niet voor de grap maar voor niets .
.
ik droom dat er een ik is .
.
ik droom dat ik eet en drink
voor de grap maar ook voor jou .
.
Michelangelo
Sonnetten
.
Ik ken de Italiaanse schilder Michelangelo (1475 – 1564) net als vrijwel iedereen hem kent als schilder van de Sixtijnse kapel, zijn David, De schepping van Adam en zijn Pietà. Maar dat Michelangelo di Lodovico Buonarroti Simoni ook actief was als dichter wist ik dan weer niet (en waarschijnlijk de meeste mensen niet). Tot ik het bundeltje ‘Sonnetten’ in handen kreeg uit 1947. Michelangelo vond zichzelf geen dichter hoewel hij meer dan 60 jaar lang gedichten schreef. Zijn poëzie werd echter pas na zijn dood officieel uitgegeven.
De tien sonnetten in de bundel zijn gekozen en vertaald door Nico van Suchtelen, en onder toezicht van S. H. de Roos gezet uit diens Erasmus Mediaeval. Tien sonnetten die wat archaïsch aandoen maar desalniettemin zeer de moeite waard zijn.
Uit dit kleine maar fijne bundeltje koos ik het liefdessonnet dat hij schreef in 1504-1505.
.
Dankbaar en blijde eens wijl ’t mij was gegund
Uw wilde euvelmoed te wederstaan,
Baad ik mijn borst thans vaak in traan op traan,
Nu ‘k, liefde, weet hoe fel ge treffen kunt!
.
Nimmer had uwer schichten scherpe punt
De boezem mij doorboord, maar ach, voortaan
Kunt ge door Háár blik wreken en verslaan
Dit hart waarop zo lang ge ’t had gemunt.
.
Aan hoeveel strikken, hoeveel netten laat
Ontkomen ’t vogelken ’t boosaardig lot,
Om het ten lest nog droever te doen sterven!
.
Zo spaarde Liefde, o Vrouwen, mij haar smaad:
Maar ziet, te wreder doodt zij mij ten slot,
Nu ‘k, minnend zelf, haar wedermin moet derven.
.
In het verborgene
Max Dendermonde
.
Op deze zaterdag voor Pasen kom ik in een tweedehandsboekenwinkel de bundel ‘Soms een paar uur tweezaamheid’ liefdesgedichten van Max Dendermonde (1919 – 2004) tegen. De ondertitel ‘103 sonnetten om loom te lezen op een koel laken’ lijkt me bij uitstek geschikt voor de warme Paasdagen die we in het vooruitzicht hebben.
Dendermonde was het pseudoniem van Hendrik Hazelhoff. Hij ontleende zijn pseudoniem aan de Belgische plaatsnaam die in zijn ogen verwees naar denderen over le monde. Daarin herkende hij zichzelf. ‘Ik ben altijd een zwerver geweest’ zei hij eens. Dendermonde wordt wel een veelschrijver genoemd, naast zijn journalistieke werk schreef hij ook gedenkboeken voor (meer dan 50) bedrijven.
In 1941 debuteerde hij echter als dichter met de bundel ‘Tijdelijk isolement’. De bundel ‘Soms een paar uur tweezaamheid’ bevat naast veel liefdesgedichten ook erotische gedichten. En een erotisch gedicht kan altijd dus vandaar mijn keuze voor vandaag, het gedicht ‘In het verborgene’.
.
In het verborgene
.
Kwam ze de school uit in haar grauwe winterjas,
haar schouders doodmoe van de verwoestende uren
met boze werkmansdochters in haar huishoudklas,
.
en onder dat strakke, vlasblonde haar de zure,
miskende trek van een oud meisje dat zich alvast
onthoudt van hoop op beter of eigen allure,
.
dan zou hier geen enkele geile wildebras
aan hemelse lust hebben gedacht, avonturen
van schreeuwen, slijmvlies, vlees, een ontheven bestaan.
.
Ze had inderdaad de smaak van een dorpsbazaar,
maar liep ze eenmaal in haar schitterende blootje,
gladgeschoren, met haar gaaf toegevouwen nootje,
dan kwam ik van louter kijken al bijna klaar
op die volmaakte kut. Vaak denk ik daar nog aan.
.
Ruimte
Roos Rebergen
.
Tijd voor alweer een liefdesgedicht. Zolang er aan de ene kant zoveel haat en geweld is in de oorlog en aan de andere kant zoveel liefde en medemenselijkheid als het gaat om het opvangen van vluchtelingen zal ik regelmatig liefdesgedichten plaatsen. Al is het maar om te laten zien en ervaren dat de liefde uiteindelijk altijd overwint. Vandaag een gedicht dat ik las in de bundel ‘Liefde’ uit eind 2021, samengesteld door dichter Tjitske Jansen, het gedicht ‘Ruimte’ van Roos Rebergen (1988) tekstschrijver en zangeres van de band Roosbeef.
Als twaalfjarige stond Roos Rebergen op de planken van de Koeioneur, het jaarlijkse muziekfestival dat haar vader organiseerde op het erf van zijn boerderij in Duiven. En sindsdien is Roos blijven zingen, aanvankelijk in het Engels, maar na het oprichten van haar band Roosbeef in het Nederlands. De taal waarin zij haar bijzondere, vaak bizarre en altijd boeiende gedachten het beste kwijt kan. Dat ze haar gedachten niet alleen kwijt kan in liedjes blijkt uit het feit dat ze in 2016 debuteerde met de dichtbundel ‘Ik ben al 11 jaar geen 16 meer’. Het gedicht ‘Ruimte’ komt oorspronkelijk uit deze bundel.
Ruimte
.
we hebben tijd
stotter maar zoveel je wilt
ik wacht wel
we hebben tijd
jij bent van de ruimte
ik van de afgrond
ik vraag niet door
jij vraagt niet verder
want we weten
we hebben tijd
ik wil met je zien
ik wil met je horen
de sterren moeten niet zo ongeduldig zijn
en het koor van de orka’s kan beter nog wat repeteren
al je kennis maakt je mooi
mijn stomheid doet hetzelfde
jij houdt van het niets
en ik houd van het alles
.
Verloofden
Pierre Kemp
.
Ik merk dat ik de laatste tijd regelmatig gedichten plaats die de liefde als onderwerp hebben. Wellicht als tegengeluid tegen de agressors, de dictators, de oorlogshitsers, de machtswellustelingen en de haviken. Vandaag opnieuw een liefdesgedicht en nu van de Limburgse dichter en schilder Pierre Kemp (1886 – 1967). Van Loes kreeg ik het alleraardigste bundeltje ‘Die Oude Regenboog met al zijn rood’ (let niet op het hoofdlettergebruik, zo staat het in en op de bundel) een bloemlezing uit het werk van Kemp uit 1986, samengesteld en ingeleid door Rob Molin.
In zijn inleiding schrijft Molin: “Enerzijds bemint Kemp het prille en tedere in de vrouw en anderzijds wijst hij het verslindende en berekende in haar sterk af. In het hele werk is er in de houding tegenover de vrouw sprake van aantrekken en afstoten”.
In het gedicht ‘Verloofden’ dat in de bundel ‘Garden 36,22,36 inches’ verscheen komt met name het beminnen van het prille en tedere aan bod. De nummers in de titel van de bundel verwijzen overigens naar de maten van de borst, taille en heupen van de beroemde balletdanseressen Blue Bell Girls.
.
Verloofden
.
Als hij mij een hand geeft,
kleedt hij mijn vingers uit.
Toch verlang ik zo naar dit
contact met mijn huid.
Als hij met een vinger de split
van mijn vingers beroert, word ik rood
en voel ik mijn schoot.
Wij glimlachen, het doet ons goed.
Is het wel, als het moet?
Maar ik geef toe
en doe, en doe, en doe.
.
Angst
M. Vasalis
.
Ik vroeg me af hoe vaak ik al over M. Vasalis (1909 – 1998) had geschreven (vaak zo bleek), naast dat ze in december 2016 Dichter van de maand was, heb ik veelvuldig aandacht aan haar en haar werk besteed. En terecht natuurlijk, zij is een van mijn favoriete dichters aller tijden. Nu zat ik te lezen in de bundel ‘Ik heb de liefde lief’ de mooiste liefdesgedichten uit de Nederlandse en Vlaamse poëzie, samengesteld en ingeleid door Willem Wilmink uit 1993, en daar las ik het bijzondere liefdesgedicht ‘Angst’ van M. Vasalis.
Nu denk je bij een titel ‘Angst’ niet meteen aan een liefdesgedicht (ik niet in ieder geval) maar al lezend wordt het duidelijk welke angst Vasalis hier beschrijft. En omdat je nooit teveel kan schrijven over zo’n bijzonder dichter hier het gedicht ‘Angst’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Parken en woestijnen’ uit 1940.
.
Angst
.
Ik ben voor bijna alles bang geweest:
voor ’t donker, voor figuren op het kleed,
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.
Dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw.
Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees
en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf
onder een vracht van rede, tot het wederkeert:
dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw
wanneer zij ’s morgens in de kamer treedt
samen met het ontluisterd licht en dat ik weet
wat ze zal zeggen: nog geen brief juffrouw.
.
Goede god oude god Eros
Hans Andreus
.
Dat dichter Hans Andreus (1926 – 1977) prachtige liefdesgedichten schreef wist ik, dat hij ook erotische gedichten schreef eigenlijk ook wel en uit het gedicht ‘Goede god oude god Eros’ blijkt dat hij de twee ook nog eens heel mooi wist te combineren.
Het gedicht komt uit de bundel ‘Dat licht van mij’ Een bloemlezing uit de poëzie van Hans Andreus, samengesteld door Jan van der Vegt uit 1978, een jaar na Andreus’ dood.
Het werk van Hans Andreus mag zich nog altijd in een grote populariteit verheugen, juist ook veel jonge dichters weten zijn werk nog steeds te vinden en te waarderen. Wanneer je zijn gedichten leest snap je waarom, ze zijn prachtig, tijdloos en weten ook vandaag de dag nog altijd lezers te raken. Hans Andreus was lid van de beweging van de Vijftigers, een stroming binnen de Nederlandse poëzie die nog altijd veel navolgers heeft.
.
Goede god oude god Eros
.
De tedere schijnbaar hulpeloze lippen
niet van de schaamte maar van het genot,
het schaduwhaar, nachthaar, en het diepe
liefhebben van het lichaam: au! – roepen van de stof
.
en lachen van de huid; – wij hier, zij, ik,
zien de god van het ogenblik
midden in de lichtbron van het gezicht –
.
en het licht verplettert ons: stervend, vallend, vrijuit
vliegen, zijn wij nergens meer, spoorloos in dat licht.
.















