Site-archief
Als
Peter Goossens
.
‘Als’ is de tweede poëziebundel van Peter Goossens (1957). Eerder verscheen bij dezelfde uitgeverij Het Punt de bundel ‘Madrigalen van strijd en liefde’ onder het pseudoniem Charles Janssens. Nu is er dus een nieuwe bundel en, zo schrijft de dichter, dit is een poëtisch verhaal een vertelling van 3 gedichten waarvan het eerste een drieluik is.
Wie nu denkt dat dit hele lange gedichten zijn, of een hele kleine bundel, komt bedrogen uit. Hoewel in drie gesplitst (of eigenlijk in 5 dus) bestaan de gedichten uit vele losse stukken die allemaal een stuk van het verhaal vertellen.
Wat is dat verhaal? Het betreft hier een vertelling van een driehoeksverhouding, van de gevoelsstrijd, de zoektocht en de aanvaarding van deze polyamorische liefde. Of zoals opnieuw de dichter het zelf zegt “een poëtische beschrijving van de gevoelswereld van de partner van de polyamorische persoon.
Nu ben ik niet zo’n fan van getuigenispoëzie. Getuigenispoëzie leunt wat mij betreft vrijwel altijd te zwaar op de getuigenis en te weinig op het poëtische. Ook hier is dat in enige mate het geval. In deze bundel wordt duidelijk een verhaal verteld, begrensd door de ware gebeurtenissen. Tijdens het lezen bekroop mij zo nu en dan het gevoel dat het voor de dichter een belangrijke emotionele verwerking betrof maar te weinig een poëtische daad.
Toch is dit een zeer verteerbare bundel met wel degelijk mooie poëtische zinnen. Voor wie interesse heeft in wat een driehoeksverhouding met een mens doet (en ik zou bijna zeggen wie is daarin niet geïnteresseerd) is dit een heel leesbare bundel.
Door de bundel heen lees je de worsteling, de liefde, het verdriet, de afgunst en de haat en toch ook de aanvaarding van de situatie.
“mijn lief, stap in de koets,
een schim zal je trekken
naar een ongewis einde
van een donkere nacht”
En toch, als ik dan het slotgedicht lees vraag ik me af of de partner van de polyamorische persoon wel echt aanvaard heeft dat de situatie anders is dan daarvoor en dat hij daar evenveel geluk bij kan voelen.
“We zitten op een bank, eten roomijs
zwijgen en trekken gekke bekken.
Het klinkt stom
maar niemand mag aan je komen”
.
Voor de lezer die van persoonlijke of ervaringspoëzie houdt is dit een zeer toegankelijke en boeiende bundel om te lezen, misschien minder poëtisch en meer beschrijvend dan ik had gehoopt maar desalniettemin de moeite waard. De uitvoering is netjes en de illustraties zijn ook door Peter gemaakt. De bundel is te krijgen via http://www.uitgeverijhetpunt.be
.
Niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
Armando
.
Soms kom ik associatief ertoe om dichters te gaan lezen of herlezen. Zo hoorde ik gisteren iets over Parlando (een voordrachtstechniek) op de radio en dat deed me denken aan Armando.
Armando (1929) is een zeer all round artiest en kunstenaar; beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker. Armando is zijn officiële naam; zijn geboortenaam, het pseudoniem zoals hij het noemt, bestaat voor hem niet meer. Hij heeft zijn oorspronkelijke naam in het register van de burgerlijke stand laten vervangen door Armando, een Italiaanse versie van de naam Herman, die hij te danken heeft aan zijn Italiaanse grootmoeder. Betekenissen als ‘zich wapenend’, zoals de literaire analisten in zijn naam zien, zijn dus toevallig. Armando ontving vele (ook literaire) prijzen. Zelf ziet hij zijn werk als ‘Gesamtkunstwerk’, waarvoor zijn ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog in de omgeving van Kamp Amersfoort de basis vormen.
Veel van zijn gedichten spelen zich af of verwijzen naar de oorlog, zo ook het gedicht ‘Niemand weet wie ik zal zijn wie ik was’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999.
.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
u overschat mij
ik ben radeloos ik was een ander
geef mij touwen bind mij vast
dood mij niet
ik ben onschuldig ik ben de vijand
.
In mantels van tandvlees
Ton Luiting
.
In 1971 verscheen bij de noord-nederlandse poëziereeks “taal op de tong”deel 1 met als titel ‘In mantels van tandvlees’. Dit heerlijk obscure werkje vond ik in een kringloopwinkel. Wat al helemaal grappig is , is dat het in Oudenaarde (België) werd gedrukt bij uitgeverij Saeftinge én bij uitgeverij de Koepel in Roosendaal.
In deze bundel staan gedichten van dichters als Hans Dütting, Catharina de Haas, Remco Heite, Wouter Kotte, Wim Pendrecht en Jan Visser. Zij staan ook op een werkelijk prachtige jaren zeventigfoto op de achterflap. Van elke dichter staat er een korte bio- en bibliografie (indien aanwezig) en zelfs korte stukjes uit krantenrecensies (indien aanwezig).
Kortom veel te genieten in dit bundeltje. In de categorie (bijna) vergeten dichters kunnen alle 6 de dichters zo bijgeschreven worden. Misschien is het dus niet de laatste keer dat ik uit dit bundeltje put.
Voor nu heb ik gekozen voor Wim Pendrecht. Als C.W. van der Neut geboren in 1930 woonde hij vooral in het Gooi. Behalve met het geven van taal-onderwijs houdt hij zich (in 1971) bezig met de taal van de liturgie en van de poëzie. In 1968 verscheen van hem de bundel ‘Communicerend’ en was zijn bundel ‘Voor de zonen van aardman’ in voorbereiding.
.
Belastende verklaringen
.
Familiereünie
.
Van woorden met een neef of nicht
wemelt het huis: een gek gezicht
al die portretten die maar jonger worden-
in ’t nieuw geslacht tenminste (en allicht)!
.
Pseudoniem
.
Mijn naam ontloopt de burgerlijke stand
en schuilt nu weg onder de hand.
Wanneer die naam is uitgeschreven
maakt hij zich overbodig en van kant.
.
Schools
.
Argeloos gaan zij naar school, in draf.
In rechte rijen levert men ze af
om in een proeflokaal te onderzoeken
wie koren is en wie het kaf.
.
Afgrond
.
Leven alleen bij plus en min
is dor en doelloos, zonder zin.
Wie aarzelt voor de tijd als voor een zwarte diepte
die valt er wikkend, wegend in.
.
Vliegtocht
Anthonie Donker
.
Na de Dichters omnibus, derde bloemlezing, vandaag de vierde bloemlezing die ik kreeg toegestuurd van Corry Nieman. Het vierde deel uit 1958 bevat gedichten van vele bekende dichters en een enkele voor mij wat minder bekende dichter. Daar zal ik later ongetwijfeld nog een keer over schrijven in de rubriek (bijna) vergeten dichters. Vandaag koos ik echter voor een dichter die misschien niet meer zo bekend is maar die velen zeker van naam nog zullen kennen; Anthonie Donker.
Anthonie Donker, pseudoniem van Nicolaas Anthony Donkersloot (1902 – 1965) studeerde in Leiden en Utrecht Nederlands en promoveerde in 1929 op het proefschrift ‘De episode van de vernieuwing onzer poëzie [1880-1894]’. Hij was enige jaren leraar en vanaf 1936 hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam in de Nederlandse letterkunde, vanaf 1956 in de algemene en vergelijkende literatuurwetenschap.
Hij was tijdens WO II betrokken bij het verzet tegen de bezetters, werd gearresteerd en ontslagen als hoogleraar. Van 1945 tot 1949 was parlementslid voor de Partij van de Arbeid en in 1950 medeoprichter van de vredesbeweging De derde weg.
In zijn gedichten streeft Donker naar verinnerlijking, een mediteren over dood, leven en liefde. Behalve dichter was hij vertaler van o.a. Goethe. Uit de vierde bloemlezing van de Dichters omnibus komt zijn gedicht ‘Vliegtocht’.
.
Vliegtocht
.
Het v liegtuig hangt tegen het avondrood.
Het leven wordt verdubbeld met den dood.
Het krijgt een onbenoembre voorwaarde,
een smaak van voortbestaan buiten de aarde,
met open ogen ziende in het Niets –
Maar bijna zonder dat men het begeert
wordt het oneindige reeds afgeweerd,
maakt men in rechte lijn weer rechtsomkeert
en is aldoor domweg op weg naar iets
waar kalm de breuk in den tijd wordt hersteld
en men bij het vanouds wordt ingeteld.
.
Zelfportret
Stefaan van den Bremt
.
Stefaan Van den Bremt (1941) is een Vlaams dichter en essayist. Hij debuteerde onder het pseudoniem Stevi Braem in 1968 met de bundel ‘Sextant’, waarmee hij de eerste debuutprijs (in 1969) won. Onder dit pseudoniem schreef hij ook als redacteur in het literair tijdschrift Kreatief (1966-2003). In 1980 ontving hij de Louis Paul Boonprijs voor zijn gehele oeuvre. Zijn laatste bundel dateert alweer van 2002 maar hij is ook actief als vertaler van Mexicaans Spaanse poëzie. Hiervoor ontving hij in 2007 in Mexico de Internationale Poëzieprijs Zacatecas.
Uit de bundel ‘Rover en reiziger’ uit 1992 het gedicht ‘Zelfportret’.
.
Zelfportret
.
Ik die de nasmaak van loslippigheid
geproefd heb, en zij is te jong
en praat mijn mond voorbij en bijt
als peper op mijn tong;
ik die de vreemde kriebel van het woord
gevoeld heb als het witte blad
en zit te schrijven als vermoord
ik het, al dat wit zat;
ik die de ren van kippen zonder kop
gezien heb, en hoe oud was ik
die de stokkende hartenklop
gehoord heb van de schrik? –
Ik die aan boeken en een bloem
geroken heb, en ze niet noem.
.
V in vers
Verzetspoëzie
.
In 1965 werd naar aanleiding van het feit dat de Tweede Wereldoorlog 20 jaar daarvoor werd beëindigd, de bundel ‘V in vers’ uitgegeven. De ondertitel van dit boek luidt: De bezetting en het verzet in verzen op de voet gevolgd door Anthonie Donker, met medewerking van E.G. Groeneveld.
Dat ‘op de voet gevolgd’ slaat op de manier waarop deze bundel is samengesteld. In de bundel wordt namelijk verband gelegd tussen verzen en feiten. Vaak werd een verzetsvers namelijk geschreven naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis. De aan de voet van de gedichten opgenomen aantekeningen verduidelijken waar nodig dat verband en geven biografische bijzonderheden. Dat is waar de bijdrage van Drs. E.G. Groeneveld om de hoek komt, hij werkte destijds voor het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
De V in de titel van het boek verwijst naar de V van Vrijheid, Verzet en Victorie. Deze verzen ‘bevrijdden’ degenen die hun gevoelens op deze wijze onder woorden brachten en, als ‘kleine overwinningen’van hand tot hand gaande, stimuleerden zij anderen in hun verzet.
De schrijver Anton van Duinkerken, pseudoniem van de Nijmeegse hoogleraar dr. W.J.M.A. Asselbergs, verbleef van mei tot december 1942 als gijzelaar in het tot interneringskamp ingerichte Klein seminarie Beekvliet in St. Michielsgestel. In het voorjaar van 1942 waren de bezetters ertoe overgegaan een groot aantal Nederlanders gevangen te zetten als gijzelaars. Hiertoe trachtten de Duitsers het toenemende verzet de kop in te drukken, daar in de toekomst na een tegen hen gerichte aanslag een aantal gijzelaars als represaille zou worden gefusilleerd. Dit is twee maal gebeurd waarbij in totaal acht gijzelaars vermoord werden.
Het gedicht van Anton van Duinkerken over deze gijzelaars is getiteld ‘Concentratiekamp’.
.
Concentratiekamp
.
Niets dan een stem van een kind op de weg
is genoeg om volkomen gevangen te zijn.
Achter het prikkeldraad wuiven de heesters;
wat verder staan bomen, en rein
in de lucht van de zomer klinkt eensklaps daarachter
het heldere, hoge geluid
van ’t kind, dat plezier heeft, en ’t weet niet hoezeer het
voor allen de vrijheid beduidt.
.
Dit lijkt op het heldere schellen der huisbel
na schooltijd, als ’t zaterdag is:
dan komen ze stoeiende vragen aan de vader,
waar morgen, direct na de Mis
de wandeling heengaat. Ze maken plannen;
het huis is te klein voor ’t geluk
en luid breekt de geestdrift der schone verwachting
de ernst der studeerkamer stuk.
.
Wat baat het, van kindren en vrijheid te dromen
terwijl men toch vruchteloos tuurt
om achter de heesters een glimp te betrappen
van ’t leven? – Gevangenschap duurt
niet korter, wanneer men zijn eigen geluk zoekt, –
wij zijn meer dan zeshonderd man.
Een kind op de weg heeft gelachen. Wij hoorden ‘t
en elk werd er eenzamer van.
.


















