Site-archief

Gedicht in een film

Paul Éluard en Lee Miller

.

Afgelopen week bezocht ik de bioscoop om daar de film ‘Lee’ te kijken. ‘Lee’ gaat over het leven van fotograaf en fotojournalist Lee Miller (1907-1977), een bijzondere film met in de hoofdrol Kate Winslet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Lee Miller oorlogscorrespondent voor Vogue , waar ze verslag deed van gebeurtenissen als de London Blitz , de bevrijding van Parijs en de concentratiekampen Buchenwald en Dachau . Haar reputatie als kunstenaar op eigen titel is vooral te danken aan de ontdekking en promotie van haar werk als mode- en oorlogsfotograaf door haar zoon, die na haar dood haar fotoarchief ontdekte en ontsloot. Hij ontdekte ongeveer zestigduizend foto’s, negatieven , documenten, dagboeken, camera’s, liefdesbrieven en souvenirs in kartonnen dozen en kisten op de zolder van Farley Farm na de dood van zijn moeder.

In de film is dit allemaal, uiteraard zou ik bijna zeggen, wat geromantiseerd. Maar wat wel op ware feiten berust is haar vriendschap met de Franse dichter Paul Éluard (en Pablo Picasso en Jean Cocteau). In de film ‘Lee’ komt op enig moment dat Lee Miller in Frankrijk is om verslag te doen van de invasie door de geallieerden in Frankrijk, een vliegtuig overvliegen die pamfletten uitstrooit. Op deze pamfletten staat het gedicht ‘Liberté’ van dichter Paul Éluard (1895-1952) afgedrukt. Dit berust op waarheid, pamfletten met het  gedicht werden door geallieerde vliegtuigen van de Royal Air Force boven bezet gebied in Frankrijk uitgestrooid als teken van hoop.

De Franse tekst van het gedicht is voor de eerste keer gepubliceerd op 3 april 1942 in de clandestiene poëziebundel  ‘Poésie et Vérité’.   De dichter Paul Éluard behoorde tot de stroming van het Surrealisme. Hij was in tegenstelling tot bijvoorbeeld één van de oprichters van deze stroming, André Breton, maatschappelijk zeer geëngageerd. Met Louis Aragon zat hij in het verzet. De gedichten uit de bundel zijn allemaal verzetspoëzie, bedoeld om de verzetsstrijders te steunen in hun hoop op de overwinning.

Hieronder de Nederlandse vertaling van het gedicht in een vertaling van Paul Claes. Lees je liever de Franse tekst klik dan hier.

.

Vrijheid

.

Op mijn schoolschriften
Op mijn bank en de bomen
Op het zand op de sneeuw
Schrijf ik je naam

Op elke bladzij die ik las
Op elke blanco bladzij
Steen bloed papier of as
Schrijf ik je naam

Op de vergulde beelden
Op de wapens van krijgers
Op de kroon van koningen
Schrijf ik je naam

Op het oerwoud de woestijn
Op de nesten op de brem
Op de galm van mijn jeugd
Schrijf ik je naam

Op de wonderen van de nachten
Op het wittebrood van de dagen
Op de verloofde seizoenen
Schrijf ik je naam

Op al mijn lapjes hemelblauw
Op de vijver muffe zon
Op het meer frisse maan
Schrijf ik je naam

Op de velden op de einder
Op de wieken van vogels
En op de schaduwmolen
Schrijf ik je naam

Op elke wasem dageraad
Op de zee op de boten
Op de uitzinnige berg
Schrijf ik je naam

Op het schuim van de wolken
Op het zweten van de storm
Op de logge lome regen
Schrijf ik je naam

Op de flikkerende vormen
Op de klokken van de kleuren
Op de waarheid van de natuur
Schrijf ik je naam

Op de ontwaakte paden
Op de ontplooide wegen
Op de overvolle pleinen
Schrijf ik je naam

Op de lamp die oplicht
Op de lamp die uitdooft
Op mijn huizen allemaal
Schrijf ik je naam

Op de doorgesneden vrucht
Van de spiegel en mijn kamer
Op mijn bed lege schaal
Schrijf ik je naam

Op mijn lieve gulzige hond
Op zijn gespitste oren
Op zijn onbeholpen poot
Schrijf ik je naam

Op de springplank van mijn deur
Op de vertrouwde dingen
Op de vloed van heilig vuur
Schrijf ik je naam

Op al het vereende vlees
Op het voorhoofd van mijn vrienden
Op elke uitgestoken hand
Schrijf ik je naam

Op de ruit van de verrassing
Op de aandachtige lippen
Hoog boven de stilte uit
Schrijf ik je naam

Op mijn verwoeste schuilplaatsen
Op mijn ingestorte vuurtorens
Op de wanden van mijn verveling
Schrijf ik je naam

Op het gemis zonder begeerte
Op de naakte eenzaamheid
Op de treden naar de dood
Schrijf ik je naam

Op de herwonnen gezondheid
Op het geweken gevaar
Op de hoop zonder heimwee
Schrijf ik je naam

En door de kracht van een woord
Begin ik aan een nieuw leven
Ik besta om jou te kennen
Om jou te noemen

Vrijheid.”

.

October

Top Naeff

.

De in Dordrecht geboren Top Naeff (1878-1953) is niet alleen de schrijfster van een van de bekendste meisjesboeken van Nederland, ‘School-idyllen’ ze schreef ook verhalen, brieven, toneelspelen en boeken voor volwassenen. En daarnaast was ze dichter. Naeff was het grote voorbeeld van die andere bekende schrijfster van meisjesboeken Cissy van Marxveldt (1889-1948) bekend van haar boeken rond Joop ter Heul.

In 1947 verscheen van Naeff de bundel ‘Klein witboek’ verzen 1940-1945. Deze bundel bevat oorlogsgedichten zo lees ik op de website schrijversinfo.nl en het gedicht ‘October’ dat ik nam uit ‘Facetten der Nederlandse poëzie’ van Kloos tot Elsschot, uit de Nimmer dralend reeks, enkel deel no. 68, komt uit die bundel. Aan de tijdsaanduiding in de vijfde strofe lijkt dit gedicht geschreven te zijn in 1944.

.

October

.

De ramen rillen heel den langen dag,

De kamer is zo stil, haast zonder leven.

Het is, of de oude aarde staat te beven.

Ademloos wachtend den genadeslag.

.

Ik doe mijn best een boeiend boek te leze:

De letters lees ik, mij ontgaat de zin.

De stilte vol bedreiging spint mij in,

Schrikbeelden komen voor mij opgerezen:

.

Nog ver is ’t groot geschut – de lafaard vreest –

Maar vrienden en bekenden die daar wonen,

Ginds, in die al bereikte helse zone,

Zweven, in doodsnood vluchtend, voor mijn geest.

.

Dan scheurt de lucht met knetterende slagen

Een kort alarm – het is alweer voorbij.

Mijn hart zingt zacht een doden-litanei,

De stilte valt nog moeilijker te dragen.

.

In het plantsoen de laatste herfstsering.

De dagen ijlen als verwarde dromen…

Wij wachten lang tot de kanonnen komen.

Wordt dit de vierde overwintering?

.

— — — — — — — — — — — — — — — — —

,

Terwijl de wereld in haar puin verzinkt

En wij niet weten waar we ’t zoeken moeten,

Daalt van Gods troon op strompelende voeten

De kleine Vrede, bloedend en verminkt.

.

 

 

Museum Vaals

Gedicht op een ‘muurtje’

.

Afgelopen zondag was ik bij museum Vaals, een bijzonder museum met 600 beelden van heiligen, broeders en andere religieuze figuren uit de katholieke kerk. Deze beelden zijn van eind 19e eeuw tot halverwege de 20ste eeuw gemaakt en opgesteld in een voormalige kerk. Deze kerk werd in de tweede wereldoorlog getroffen door een Amerikaanse bom en na de oorlog opnieuw opgebouwd. Voor wie van bijzondere en ook wel gekke musea houdt een absolute aanrader.

Behalve een levensgroot beeld van Jezus bij de ingang als een soort van Delftsblauwe superman staan er in de tuin van het museum ook verschillende beelden. Eén ervan is ietwat vreemd in de zin dat het eigenlijk niet bij de rest hoort. Het is geen beeld van een heilige, geen piëta, geen engel of kruisbeeld maar een soort modern beeld met een gedicht erop van een mij onbekende dichter. Dat gedicht wil ik hier met je delen evenals een paar foto’s van het museum.

Inmiddels weet ik via Jac Ques dat het gedicht uit de Hebreeuwse Bijbel komt en wel uit het boek Job, vers 7-10 en vers 23-24.

.

Zie ik schreeuw moord

maar ik krijg geen antwoord.

Ik roep om hulp maar er is geen recht.

.

Mijn pad heeft hij versperd –

ik kan niet verder –

over mijn banen

heeft hij duisternis gelegd.

.

Hij sloopt mij rondom – daar ga ik –

heeft als een boom

uitgerukt mijn hoop.

.

Wie geeft ooit dat

mijn beweringen worden beschreven –

wie geeft dat ze worden vastgelegd

.

in een boekrol?

Met een stift van

ijzer en lood – voor altijd

uitgehouwen in de rots!

.

Duitse stalen doodskist

René Dislaire

.

Afgelopen weekend bracht ik een bezoek aan het Belgische plaatsje Houffalize in de Ardennen. In Houffalize en omgeving is in de tweede wereldoorlog, tijdens het Ardennenoffensief,  heftig gevochten tussen de geallieerden en de Duitsers. Veel dorpjes in de Ardennen lagen aan doorgaande wegen in een heuvelachtig en hier en daar moerassig gebied, waardoor de militaire voertuigen aangewezen waren op dit interlokale wegennet. De troepen trokken dwars door de dorpen. Daar werd regelmatig zwaar gevochten, zoals in Bastogne, Malmédy, Houffalize, La Roche en Saint-Vith. Het hele gebied was feitelijk één langgerekt rangeerterrein, bijna volledig platgebombardeerd door de Amerikaanse en Britse luchtmacht.

In Houffalize staat op een pleintje een Duitse tank. Daarnaast een informatiecentrum waarop, middels borden, het verloop van de gevechten wordt beschreven. Aan deze tank zit een bijzonder en ook wel gruwelijk verhaal. Ergens tijdens het Ardennenoffensief eind 1944, begin 1945, toen de Duitsers zich terugtrokken, reed deze tank door Houffalize en stak daarbij de brug over de Ourthe over. Door een stuurfout schoof de tank van de brug af en belande op zijn kop in de rivier. Hierbij werden vier van de bemanningsleden gedood. Een vijfde zou later aan zijn verwondingen  overlijden. De tank heeft echter nog tot 1948 in de rivier gelegen. Toen pas werd de tank door de genie van Namen uoit de rivier gehaald en al die tijd lagen de lijken van de Duitsers in de tank.

In 2022 schreef schrijver en dichter René Dislaire (1945) hier een gedicht over. Het gedicht is getiteld ‘Cercueil d’acier germain, recyclé dinky toys toursitique’. In de vertaling wordt dit ‘Duitse stalen doodkist’.

.

Duitse stalen doodskist

gerecycled toeristische Dinky Toy

Ik ben de tank, een merkwaardig lot, gevallen in het water
Van een bevroren stroom, in Houffalize, verlaten
Gedurende drie jaar, werd mijn bemanning daar aangevreten
door vette ratten, op hun gemak, tot op het bot.

Vier skeletten, vuile Duitsers, werden opgeruimd
met het afval. En om het beter te zeggen, de smerige vergetelheid
wacht op jullie allemaal, een eindeloos, nooit bloeiend grafmonument.
Tot het niets veroordeeld. Voor altijd leeggelopen.

Reservoir voor lijken, o tank die een pantser is geworden,
Duitse stalen doodskist, bij toeval hier gestrand
bij ons! Daar ben je, een modieus woord, gerecycled.

Aan de lopende band veranderd in een plastic dinky toy
voor de winkels, vergeet dat je gespierd was:
Een nieuwe, toeristische bestemming wacht op je.

 

.

 

De dichter die niet wilde zijn

Louis Th. Lehmann

De Rotterdamse dichter, danser, surrealist, jurist en scheepsarcheoloog Louis Th. Lehman (1920-2012) was een excentrieke man. Prominent aanwezig in kunstenaarsdorp Ruigoord maar ook bij internationale wetenschappelijke symposia. Al voor de oorlog, op zijn 18de, werd Lehmann erkend als een groot dichter door Menno ter Braak, Simon Vestdijk en Ed. Hoornik. Zij roemden zijn jeugdig elan, zijn moderne en pakkende beeldspraak: ‘Overrompelend oorspronkelijke verzen.’ Zijn hele leven bleef Lehmann poëzie schrijven. Hij kon niet anders maar liet geen kans voorbijgaan om te verklaren dat dans en muziek veel belangrijker voor hem waren. Bij vlagen keek hij neer op zijn eigen gedichten.

Nog maar achttien jaar oud debuteerde hij in de almanak ‘In Aanbouw’, in 1939 uitgegeven door Kees Lekkerkerker. In de Tweede Wereldoorlog werkte hij onder meer mee aan het surrealistische en dadaïstische tijdschrift De Schone Zakdoek met Emiel van Moerkerken, C. Buddingh’, Theo van Baaren en Gertrude Pape. In 1964 won hij de Jan Campert-prijs voor ‘Who’s who in Whatland’. In zijn latere poëzie geeft hij blijk van meer nuchterheid. In 2021 verscheen de biografie van Lehman, geschreven door Jaap van der Bent ‘De dichter die niet wilde zijn’. Daaruit dit gedicht.

.dichter

Als ’k dood ben zijn mijn kleren rare dingen:
de overhemden sierlijk in hun doos,
de pakken, hangend waar ze altijd hingen,
steeds wijzend naar omlaag, besluiteloos.

Ik was ze, ik alleen droeg hen altoos.
En, omdat ze mij zo vaak vervingen,
of omdat ik hen uit hun winkel koos;
zij weten iets van mijn herinneringen.

Gij vrienden, enigszins van mijn formaat,
ik roep U, als de dood te wachten staat,
(maak ik het sterven bij bewustzijn mee).

’k Geef U of leen, ’t zou niet de eerste keer zijn,
mijn pakken, vormt met hen die mij niet meer zijn
dan langs mijn kist een onzwart défilé.

.

Dagboek van de toren

Corneille

.

Soms krijg of koop ik een bundel die me in meer opzichten verrast dan alleen door de poëzie die erin is opgenomen. Toen ik ‘Het dagboek van een toren’ van kunstschilder en dichter Corneille (1922-2010) kocht wist ik nog niet wat ik in handen had. Dit boek is uitgegeven naar aanleiding van de jubileumtentoonstelling ‘Poetry, the artist’s muse’ de 20ste verjaardag van galerie Elisabeth den Bieman de Haas, die plaatsvond tussen 25 april en 25 mei 2001. De bundel bevat poëzie van Corneille in het Frans, vertaald naar het Nederlands en Engels door Hepzibah Kousbroek.

De titel van dit boek is ontleend aan een toren genaamd La Peschiera die vier eeuwen oud is en in Italië ligt. Corneille verbleef er sinds 1973 regelmatig. De toren behoorde toe aan een adellijke familie waarvan de laatste telg markiezin Irene de Ciccolini was. Zij woonde er tot haar dood enkele jaren voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Het domein werd na haar overlijden overgedragen aan paters en in de oorlog bewoond door een jonge officier en enige soldaten. Na de oorlog kocht een aannemer uit Ancona het.

Het boek heeft, door de vertalingen maar liefst drie titels: ‘Het dagboek van de toren’, ‘Diary of the tower’ en ‘Journal de la tour’. Achterin het boek staat een tekening van Corneille (in druk uiteraard) van de toren die hij maakte in 1997. Journal de la tour verscheen voor het eerst in 1975 met een vertaling in het Italiaans. In 1981 verscheen een editie uitsluitend in het Frans.

Ik koos voor een gedicht waarin het favoriete dier van Corneille voorkomt; de vogel.

.

De spoorwegovergang luidt

belletjes van Tibetaanse koeien.

Terwijl de stoomtrein

onverpoosd doorhijgt om snel

daar te zijn waar die zachte

hermelijne wezens wachten,

hooggehakt, hun benen in foedralen,

gestrekt met holle rug en licht

wiegend bekken.

De baren van de nacht hebben

bontgekleurde vogels bevrijd en je

hoort de zee onvermoeid

aan de keien van het strand zuigen.

.

Vandaag vrij, altijd vrij

Anton de Kom

.

De belangrijkste stem in de antikoloniale beweging van de 20ste eeuw is toch wel Anton de Kom (grootvader van dichter Antoine de Kom, 1956). In de jaren ’30 van de vorige eeuw vestigde Anton de Kom (1898-1945) een adviesbureau op het erf van het huis van zijn ouders, waar hij arbeiders adviseerde over hun rechten. Hij werd al door de koloniale machthebbers gevolgd en dit was de reden dat hij werd opgepakt en verbannen uit Suriname op beschuldiging van een revolutiepoging. Hij ging in Nederland wonen en tijdens de tweede wereldoorlog was hij actief in het Nederlandse verzet. Op 24 april 1945, vlak voor de bevrijding overleed hij in een Duits concentratiekamp.

In 1969 ontdekte de Stichting tot behoud en stimulatie van Surinaamse Kunst, Kultuur en Wetenschap De Koms gedichten, en gaf ze uit in een kleine oplage in Paramaribo. Dit jaar werd de bundel ‘Vandaag vrij, altijd vrij’ de gedichten uitgegeven met een voorwoord van Babs Gons. Ten opzichte van de bundel die in Paramaribo werd uitgegeven is deze uitgave aangevuld met enkele gedichten uit zijn ongepubliceerde werk.

In deze bundel staan gedichten die hij schreef tijdens de tweede wereldoorlog waar hij ook het slavernijverleden in verwerkte. Maar ook gedichten met natuurbeschrijvingen en gedichten waar zijn liefde voor Suriname uit spreekt. Ik koos uit dit mooi uitgegeven bundeltje het gedicht ‘Maar ik’ waarbij aangetekend dat Hevea rubberbomen zijn.

.

Maar ik

.

Gij bakra (blanke) bezit een huis

Een paleis gelijk

Gebeeldhouwde deur

Schoon als blozende wangen

Van marmer zijn de gangen

Bloeiende haag

En een zeiljacht aan de kaag

maar ik, maar ik

.

Onmetelijk zijn de rietvelden

Duizenden akkers

met mais beplant

Hevea, koffie en katoen

renderende rumbranderijen

Berooide pachters op je land

Stallen van stamboekvee

Maar ik, ik heb noch huis noch stee

.

Miljoenen in rubbers

Machines draaien

door jouw olie

.

Herrijzenis

Henriëtte Roland Holst

.

Ik hou erg van oude poëziebundels en vooral van poëziebundels die vlak na of zelfs nog in de tweede wereldoorlog zijn verschenen. Deze vaak broze bundeltjes appelleren aan een gevoel van eenheid, overwinning (op de Duitsers) en aan een trots op Nederland. Heel patriottistisch maar ook met gedichten van dichters die zich verzetten tegen de onvrijheid en de bezetting. Omdat de staat waarin deze bundeltjes zich meestal bevinden niet heel erg goed is, in die tijd was er vooral krantenpapier waarop gedrukt werd en de omslagen waren slap of voorzien van een dunne stofomslag, ben ik er zuinig op.

Zo heb ik eerder geschreven over de bundel ‘Geteisterd volk’ uit 1943 (gedrukt in Zweden), de bundel ‘Om land en hart’ uit 1945 (april, vlak voor de bevrijding van noord Nederland), ‘Bij Nederlands bevrijding’ uit 1945 (met gedichten geschreven tussen 1941 en 1945) en het ‘Geuzenliedboek 1940-1945.

Daar kan ik sinds een week het bundeltje ‘Herrijzenis’ aan toevoegen. In 1945 uitgegeven door uitgeverij Servire in Den Haag met 39 gedichten en tekeningen van Fr. Reitman. Naast een aantal oorlog gerelateerde gedichten als ‘De achttien doden’ van Jan Campert en ‘Het Carillon’ van Ida Gerhardt, staan er ook gedichten van algemene aard in die Holland bezingen. Een van die gedichten is van Henriëtte Roland Holst (1869-1952) getiteld ‘Holland’. Het gedicht verscheen zonder die titel overigens in haar dichtbundel ‘De nieuwe geboort’ uit 1928.

.

Holland

.

Holland gij hebt zwellende wolken-stoeten
uit verre hemel-velden aangevlogen,
gij hebt horizonnen, zacht omgebogen
van oost naar west zonder eenmaal te ontmoeten
lijn die ze snijdt; en wijd-gespannen bogen
van stranden en van zeeën om ze henen
gaand tot waar zij met heemlen zich vereenen
die uw schijn van oneindigheid verhoogen.
De lijnen van uw land en van uw water
wekken in ons onpeilbare gedachten
verlengen zich tot eindeloos begeeren.
Onze oogen proeve’ iets groots en daarvan gaat er
een trek van grootheid door ons geestes-trachten
en zijn wij thuis in grenzelooze sferen.
.
.

 

 

Het recht om te doden

Anna Świrszczyńska

.

De Poolse dichter Anna Świrszczyńska (1909-1984) schrijft in haar poëzie over haar ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, het moederschap, het vrouwelijke lichaam en sensualiteit, maar ook over mensenrechten en het feminisme. Ze begon haar gedichten in de jaren dertig van de 20e eeuw te publiceren. Tijdens de nazi-bezetting van Polen werd ze lid van de Poolse verzetsbeweging. Ze was militaire verpleegster tijdens de Opstand van Warschau in 1944. In die tijd wachtte ze ooit 60 minuten op haar executie (die niet plaatsvond). Begrijpelijk hadden haar ervaringen en herinneringen aan deze oorlogsjaren grote invloed op haar werk. In 1974 schreef ze de in het Engels vertaalde bundel over deze periode en het lijden dat ze toen meemaakte en zag getiteld ‘Building the Barricade’.

In 2003 verscheen in een vertaling van Karol Lesman bij Plantage de bundel ‘Heb medelijden, tijd’ Poolse poëzie van de twintigste eeuw. In deze bundel is haar gedicht ‘Het recht om te doden’ opgenomen.

.

Het recht om te doden

.

Het vertederende vliegenjong

een uur geleden geboren

warmt zich in de zon

op de hand van mijn kind.

.

Ik heb het doodgeslagen.

.

Mensen zeggen dat vliegen ziektes overbrengen.

Vliegen

zeggen misschien hetzelfde over mensen.

.

Mensen zijn sterker.

.

Gewoon jezelf zijn

Edith Sitwell

.

In de kunsthal in Rotterdam is momenteel een tentoonstelling te zien van Tim Walker (fashion fotograaf). Bij deze tentoonstelling hing een bordje met informatie over een aantal foto’s waarin  Tilda Swinton (actrice) een ver familielid van Edith Sitwell, de rol van dichter voor haar rekening neemt. De dichter Dame Edith Sitwell (1887-1964) had een opvallend persoonlijke smaak en stijl. Ze was heel fotogeniek maar vooral heel extravagant als verschijning (en dat werd steeds sterker naarmate ze ouder werd). Haar flamboyante garderobe bestond uit loshangende gewaden van brokaat, fluwelen mantels, tulbanden, gouden schoenen en grote kleurrijke ringen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Walker een ode wilde brengen aan deze dichter . Van Sitwell is de uitspraak “Waarom zou je niet jezelf zijn?”.

Sitwell stamde uit een excentrieke, puissant rijke, oude aristocratische familie en bracht haar jeugd door op het imposante landgoed van haar ouders Renishaw Hall. Ze had twee jongere broers,  Osbert en Sacheverell, die beide later ook schrijver zouden worden. In 1913 publiceerde Sitwell haar eerste gedichten, in de Daily Mirror en in 1915 verscheen haar eerste poëziebundel, ‘The Mother and Other Poems’. Tussen 1916 en 1921 gaf ze een avantgardistische bloemlezing uit, ‘Wheels’, samen met haar twee broers en Rootham, met wie ze de dichtersclub „De Sitwells“ vormde.

De vroege poëzie van Sitwell vertoont duidelijk invloeden van het Franse surrealisme uit die tijd. In feite was Sitwell er bewust op uit om haar publiek en de critici te provoceren. Tussen 1915 en 1930 werd Sitwells opstelling minder agressief en kregen de natuur, bloemen en dieren de overhand in haar poëzie. Tijdens de tweede wereldoorlog schreef ze naar aanleiding van de luchtaanvallen op Londen, gedichten als ‘Still falls the rain’ dat door Benjamin Britten op muziek gezet zou worden. Hieronder een gedicht van Sitwell uit de periode 1915-1930.

.

The Lady With The Sewing-Machine
Across the fields as green as spinach,
Cropped as close as Time to Greenwich,Stands a high house; if at all,
Spring comes like a Paisley shawl —Patternings meticulous
And youthfully ridiculous.In each room the yellow sun
Shakes like a canary, runOn run, roulade, and watery trill —
Yellow, meaningless, and shrill.

Face as white as any clock’s,
Cased in parsley-dark curled locks —

All day long you sit and sew,
Stitch life down for fear it grow,

Stitch life down for fear we guess
At the hidden ugliness.

Dusty voice that throbs with heat,
Hoping with your steel-thin beat

To put stitches in my mind,
Make it tidy, make it kind,

You shall not: I’ll keep it free
Though you turn earth, sky and sea

To a patchwork quilt to keep
Your mind snug and warm in sleep!

.