Site-archief
De schaduw van Morandi
Antoon Van den Braembussche
.
De Vlaamse dichter Antoon Van den Braembussche (1946) doceerde kunstfilosofie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en kunstkritiek aan de Vrije Universiteit Brussel. Voor hem is poëzie een creatieve plek waar kunst en filosofie elkaar kunnen ontmoeten. Tel daarbij op de kernthema’s die in zijn werk voorkomen; liefde, stilte en het onuitsprekelijke, en je hebt alle ingrediënten voor de bundel ‘De schaduw van Morandi’ bij elkaar. Deze bundel uit 2022 is inmiddels zijn zevende.
Antoon Van den Braembussche debuteerde al in 1967 als dichter, maar zijn dichtbundel ‘Liefdesverklaring’ wordt beschouwd als zijn eigenlijke, literaire debuut. Deze bundel verscheen in 1979 onder het pseudoniem Tonko Brem in de Yang Poëzie reeks, werd door critici erg goed ontvangen en beleefde meteen een tweede druk. In 1985 en 1995 verschenen opnieuw dichtbundels onder dit pseudoniem maar vanaf 2007, bij het verschijnen van de bundel ‘Kant-tekeningen’ publiceert hij onder zijn eigen naam, vanaf dat moment bewoog zijn poëzie zich veel meer op het raakvlak tussen filosofie en kunst.
‘De schaduw van Morandi’ bestaat eigenlijk uit drie delen die ogenschijnlijk los van elkaar staan. En dat terwijl de bundel is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is gewijd aan de Corona pandemie, het laatste hoofdstuk is een ode aan de dichter Paul Celan (1920-1970) en de tussenliggende hoofdstukken ‘Het beeld, nogmaals het beeld’ (twee), ‘Moments de grâce’ (drie) en ‘Paradoxen’ (vier) vormen samen eigenlijk ook een deel. In dit tussendeel komt de poëzie zoals Van den Braembussche die beschouwt (in zijn kernthema’s) als een rode draad terug.
Van den Braembussche is een beschrijvend dichter. Hij gebruikt de taal om situaties en gebeurtenissen maar ook gevoelens te beschrijven in heldere taal, in herkenbare strofen en staat daarmee aan de ene kant in een literaire traditie en aan de andere kant verkondigt hij middels thematiek en filosofische soms mystieke inslag een heel eigen geluid. In een gedicht als ‘Af en aan’ Rumi indachtig, uit ‘Moments de grâce’ komt dat duidelijk naar voren.
.
Af en aan
Rumi indachtig
.
Dansend in het
ongehoorde gaf ik je
de binnenkant van mijn ziel.
.
Daar waar betekenis
er niet meer toe doet.
.
Daar waar enkel nog heerst
pure resonantie,
de echo van een stervend lied.
.
Waar dans duisternis wordt,
duisternis een onmetelijke dans.
.
Waar alles af en aan danst
nooit-eindigend,
terwijl de dichter enkel nog
naar woorden tast.
.
In het deel dat over de Corona pandemie gaat is zijn poëzie directer, plaatsbaar in de situatie zoals in het gedicht ‘Lockdown’: Niet alleen de eenzaamheid / kwam handen tekort. Ook de hoop die over / balustrades boog. Of in het openingsgedicht ‘Corona’: In overvolle ziekenzalen / in luidkeelse bedden / tast de dood in het rond. Ongenadig. / Longnabij.
Persoonlijk werd ik het meest gegrepen door de ‘Ode aan Paul Celan’ een cyclus van vier delen met als titel ‘Ein-sof’ (wat uit de Kabbalah komt en zoveel betekent als oneindig, zonder einde). Van den Braembussche schreef dit op uitnodiging van Carl de Strycker voor de Poëziekrant ter gelegenheid van het Celan-jaar in 2020 (honderd jaar daarvoor geboren, vijftig jaar daarvoor overleden). Het gedicht verscheen in de Poëziekrant nummer 2 in 2020.
Waar Celan in zijn poëzie spaarzaam omgaat met woorden en schrijft op de rand van het zwijgen, gebruik makend van gewaagde metaforen en neologismen, die hij voor een deel haalde uit lectuur van geologische boeken, daar put Van den Braembussche uit zijn eigen filosofisch idioom: Sterf voor je sterft, / zegt de mysticus. / Wij hebben in het kamp / en de rookblauwe, / ongeheelde herinnering / niets anders gedaan. / In herfst, getijde en het niets. / Ons stuk kauwend / op de tekens van het ongeziene.
De bundel ‘De schaduw van Morandi’ Gedichten 2018-2021 heeft een uitspraak van M. Vasalis als ‘motto’: “een dichter vertaalt. Geeft taal aan datgene uit zijn binnenwereld dat zelf geen woorden heeft.” Ik vind dat Van den Braembussche daarin goed geslaagd is. De bundel bevat twee illustraties, afbeeldingen van de kunstenaars Sofie Muller en Christian Clauwers.
.
Gedenk te overstromen
De MUG en het klimaat
.
In editie 16 van MUGzine (nu gratis te lezen en bekijken op de Website ) hebben we dit keer de dichters gevraagd aan te haken bij de richting die we ze hebben meegegeven ‘Gedenk te overstromen’. De dichters David Troch, Els de Groen, Sara Eelen en Alex Gentjens zijn niet zomaar gevraagd, ze maken allemaal onderdeel uit van snel groeiende beweging van Klimaatdichters die met poëzie in al haar verschijningsvormen strijden voor een klimaatvriendelijke wereld.
Het artwork is dit keer van de jonge illustrator/kunstenaar Els van den Bosch en natuurlijk is #16 van de MUGzine weer voorzien van een poëtisch voorwoord en een kakelverse Luule. Wil je MUGzine op papier ontvangen? Dat kan. Stuur een mail naar mugazines@yahoo.com en maak jezelf donateur. Je ontvangt dan elke editie een jaar lang via de post (5 edities).
Om je alvast in de stemming te brengen hier alvast een gedicht van een van de dichters uit #16 Alex Gentjens.
.
Een leeg wit hoofd
Ik bewaar mijn zeven dromen
van de laatste negen nachten
in een leeg wit hoofd.
Er is nog plaats voor twee keer
jouw gezicht. Ik zie jou zondag
wel verschijnen.
Er valt geen geld meer met ons
samen te verdienen. Jij jouw kermis,
ik de mijne.
Ik schud je schubben van mij af.
Ik pluk je scherven van de vloer
en doe alsof ik onweer was.
.
MUGzine wordt gemaakt door Marie-Anne Hermans, Bart van Heiningen en Wouter van Heiningen i.s.m. een onafhankelijke redactie.
Mondmaskerpoëzie
Michiel van Opstal
.
Voormalig stadsdichter van de gemeente Hoogstraten (provincie Antwerpen) Michiel van Opstal (1992) heeft in zijn periode (2019-2021) als stadsdichter verschillende activiteiten georganiseerd naast het schrijven van stadsgedichten. Zo organiseerde hij een zoektocht naar het middelpunt van Hoogstraten middels poëtische wegwijzers, schreef hij een stadsgedicht in het plaatselijke dialect én zorgde hij in Coronatijd voor poëzie op doosjes mondmaskers.
Het bedrijf DeSter, gespecialiseerd in de productie van bestek en verpakkingen voor de luchtvaartsector, schakelde tijdens de voorbije coronacrisis over naar de productie van chirurgische mondmaskers. De schoonvader van Michiel van Opstal werkt bij dit bedrijf en dat gaf hem het idee om een coronagedicht de wereld in te sturen. “Het idee achter het gedicht is adem, want die houden we voor ons achter het masker”, zei Michiel Van Opstal hierover. “Ik hang een beeld op dat je adem het kostbaarste is, een soort schat, die je steeds moet beschermen.”
Michiel van Opstal was één van de deelnemende dichters aan de toer van de Poëziebus 2016. Toen wilde hij al stadsdichter worden, hetgeen hem dus gelukt is.
Dit is het gedicht dat op het doosje was afgedrukt.
.
Als je jezelf beschermt
begin dan met iets kostbaar
iets waardevol
waar alles mee begint
je adem
die hevig na het sporten hijgt
of rustig al zittend deint
in en uit
de sleutel tot rust
en tot gezond
als je de jouwe
Wat maakt een gedicht?
Gemeenschappelijke kenmerken van poëzie
.
Ik mag graag rondzwerven op het wereldwijde Internet op zoek naar hoe men denkt en schrijft over poëzie. Ik schreef er al over in 2019, nogmaals 2019, 2017, 2015, en 2013. En als je goed zoekt waarschijnlijk nog wel vaker. Lezen over poëzie kan je helpen bij het zelf, beter, schrijven van poëzie. Maar wat het allerbeste werkt is heel veel poëzie lezen, het vakmanschap door je eigen ogen binnen halen en daar je eigen draai aan geven.
Op Literacyideas.com kwam ik het volgende artikel tegen. Voor het gemak heb ik de belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken van poëzie voor je uit het artikel geplukt en vertaald. Natuurlijk is dit geen uitputtende lijst van gemeenschappelijke kenmerken. Als je meer over poëzie leest mis je er al snel verschillende (verdichten van tekst, aanspreken door de dichter, enjambement – het afbreken van zinnen en woorden-, gebruik van witregels etc.) maar zo’n eerste korte lijst kan je al wat houvast geven. Dit is wat Literacyideas zegt over de gemeenschappelijke kenmerken van een gedicht:
● Het ziet eruit als een gedicht – als het eruitziet als een gedicht en leest als een gedicht, dan is de kans groot dat het inderdaad een gedicht is. Poëzie bestaat uit regels, waarvan sommige volledige zinnen zijn, maar veel niet. Bovendien lopen deze regels meestal niet consequent uit tot in de marge, zoals in bijvoorbeeld een roman. Dit alles geeft poëzie een onderscheidende en herkenbare uitstraling op de pagina.
● Het heeft vaak een onderliggende vorm die dingen bij elkaar houdt – hoewel dit niet altijd waar is (bijvoorbeeld in sommige vrije verzen), voldoet veel poëzie aan een voorgeschreven structuur, zoals in een sonnet, een rondeel, een haiku enz. Tegenwoordig gaat dit steeds minder op want het ‘vrije vers’ is bovenliggend.
● Het maakt gebruik van beelden – als een dichter serieus is, zullen deze proberen om beelden in de geest van de lezer te creëren met behulp van veel zintuiglijke details en figuurlijk taalgebruik.
● Het heeft een zekere muzikaliteit – we zouden kunnen denken dat de natuurlijke incarnatie van poëzie het geschreven woord is en zijn habitat, de pagina, maar het gedrukte woord is niet waar de oorsprong van poëzie ligt. De vroegste gedichten werden mondeling gecomponeerd en in het geheugen vastgelegd. We kunnen nog steeds zien hoe belangrijk de klank van taal is als we gedichten hardop voorlezen. We zien het ook terug in de aandacht voor muzikale middelen die in het gedicht zijn verwerkt. Poëtische hulpmiddelen zoals alliteratie, assonantie en rijm bijvoorbeeld.
Doe er je voordeel mee zou ik zeggen maar vergeet niet dat de beste dichters vaak ook de beste lezers (van poëzie) zijn. Daarom hier een gedicht over poëzie, met als titel ‘Poëzie’ van één van de beste dichters uit het Nederlands taalgebied, mijn favoriet, de Vlaamse dichter Herman de Coninck (1944-1997) uit ‘De gedichten’ uit 1998.
.
Poëzie
.
Zoals je zegt ‘Val maar, sneeuw’
als het al een half uur sneeuwt,
.
zo heb ik er 45 jaar over gedaan
om er 45 jaar over te doen,
.
zo zeg ik ‘slaap maar’
tegen een dochter die al lang slaapt
.
en heb het daar twee uur later
nog altijd een beetje warm van,
als een thermos.
.
Prosper aan Guido
Prosper van Langendonck
.
Bij het lezen van de naam Prosper moest ik onwillekeurig denken aan Foleor van Steenbergen, de ons in 2021 ontvallen toondichter, maar dat heeft vooral met de ietwat ouderwetse naam te maken, dat weet ik. De naam Prosper van Langendonk kwam ik tegen toen ik las in de bundel ‘Dichters van vroeger’ een bloemlezing uit acht eeuwen Nederlandse poëzie, samengesteld door Garmt Stuiveling uit 1977. Ik realiseer me dat 1977 voor veel mensen al ‘vroeger’ is maar veel van de namen in deze bundel zijn herkenbaar, al is het maar omdat vele straten en lanen genoemd zijn naar de grote dichters uit ons verleden.
Prosper van Langendonk (1862-1920) was een Vlaams dichter hetgeen me verraste, uit de ondertitel van deze bundel zou je verwachten dat het Vlaamse smaldeel buiten de selectie is gehouden. In de Aantekeningen en Verklaringen staat ook niets van deze dichter opgenomen, alsof hij illegaal mee is gelift.
In 1893 richtte Van Langendonck samen met August Vermeylen, Emmanuel de Bom en Cyriel Buysse het literaire tijdschrift ‘Van Nu en Straks’ op, het tijdschrift dat de Vlaamse literatuur vernieuwde. Zijn opstel uit 1894 ‘De herleving van de Vlaamse poëzij’ gold als manifest van de literaire vernieuwing. Binnen de redactie van het tijdschrift had hij als enige rooms-katholiek wel meer voeling met de traditionele stijl. De thema’s die hij vanuit zijn achtergrond beschreef werden op een romantische, nogal zwaarmoedige manier, met naar moderne oren omslachtig taalgebruik, worden verwoord. Later in zijn leven, kwam er meer weltschmerz in zijn werk waarschijnlijk door de schizofrenie waaraan hij leed.
Van Langendonk schreef vooral voor Van Nu en Straks maar er werd ook werk van hem opgenomen in Dietsche Warande en Belfort. De reden dat ik hier over deze dichter schrijf is tweeledig. Allereerst is het een (bijna) vergeten dichter maar daarnaast is in de bundel een gedicht opgenomen dat hij schreef ‘aan Guido Gezelle’ ook al een Vlaamse dichter die is opgenomen met werk in deze bundel. De ondertitel had dus waarschijnlijk beter ‘een bloemlezing uit acht eeuwen Nederlandstalige poëzie’ kunnen heten.
.
Aan Guido Gezelle
.
Zwaar peinzend hoofd, met eeuwigheid omtogen,
doorgroefd van voren, door de idee geleid,
diep over al dat werelds wee gebogen,
dat, staag opwellend in uw boezem schreit;
.
schoon hoofd, wars van versiering, los van logen,
wijdstralend brandpunt van ál-menselijkheid,
waarop, nu ’t aardse leven is vervlogen,
een glans van eeuwig leven ligt gespreid;
.
in laaie liefdesvlammen gaan ons harten
tot U, die al hun liefd’ hebt voorgevoeld,
en duizendvoud doorvoeld hun fijnste smarten,
.
met gal gelaafd, door ’t waanwijs volkje omjoeld,
waarop gij nederschouwt, met zielvolle ogen,
groots van vergiffenis en mededogen…
.
hier
Anke Senden
.
De Vlaamse dichter Anke Senden (1994) was van jongs af aan gefascineerd door taal en schrijven. Daarom studeerde ze Taal- en Letterkunde Engels-Nederlands aan de universiteit in Leuven en volgde ze de opleiding Literaire Creativiteit aan de Stedelijke Academie van Deinze. Ze won verschillende prijzen op poëziewedstrijden voor jongeren en staat ook graag op het podium in literaire programma’s. Ze beschouwt zichzelf als een ‘dichter’ in de eerste betekenis van het woord: een ‘maker’: altijd bezig met het uitwerken van het volgende wild creatieve idee.
Op de website The Low Countries is haar gedicht ‘hier’ dat ook verscheen in ‘Het liegend konijn’ 2019/1 vertaald in het Engels. Hier kun je het origineel lezen.
.
hier
.
je begin is bepoteld worden, al onmiddellijk
geldt: wie je bent, wordt bepaald
door je vlees, je piemel of je spleet
.
het is vel tegen vel, jij tegen haar, jij tegen hem,
als er al een ik bestond, zou het zich verzetten
maar het zit gesnoerd in kilo’s en centimeters
.
en mensen op wie het lijkt of zou moeten lijken
het besef bonkt in je oren: dit kan je nooit meer
overdoen, je eigen begin is je uit handen gerukt
.
als een kind uit de armen van zijn moeder
uit je keel breekt de schreeuw van wie nog alles
te verliezen heeft, jouw pijn is het lachen van anderen –
.
in je hoofd begint het denken zichzelf uit te vinden, zwermen
gedachten om die onmacht te maskeren, te vergeten
dat ze later, tot op het laatst, terug zal keren
.
Als een tafelblad glanzend
Peter Verhelst
.
De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst was in december 2020 dichter van de maand. Al eerder schreef ik over zijn poëzie en nu bezit ik zijn bundel ‘nieuwe sterrenbeelden’ uit 2008. Verhelst is een gelauwerd dichter, zo ontving hij onder andere de Paul Snoekprijs, De Gedichtendagprijs, de Jan Campert-prijs, de Herman de Coninckprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de Constantijn Huygensprijs voor zijn werk en werken.
Hij debuteerde in 1987 met de bundel ‘Obsidiaan’ en ‘nieuwe sterrenbeelden’ is zijn 10e dichtbundel (van de 17 die hij publiceerde). Peter Verhelsts vroege poëzie en proza wordt over het algemeen gerekend tot het postmodernisme, meer bepaald de esthetische variant hiervan. In de kunsten gaat het bij het postmodernisme om een principieel eclectische stroming die het onderscheid tussen lage en hoge cultuurproductie veronachtzaamt en zich bedient van ironische of anarchistische combinaties van elementen uit verschillende stijlperioden, stromingen, genres, media en technieken die voorheen onverenigbaar werden geacht.
Of dat ook opgaat voor het gedicht ‘als een tafelblad glanzend’ uit ‘nieuwe sterrenbeelden’ opgaat laat ik aan de lezer over.
.
Als een tafelblad glanzend
.
Op bed kijken we elkaar
uit de kleren op de vloer
een jurk een hemd, meer valt niet
uit te trekken; hoe we ook op handen en knieën
bijenwas in de vloer wrijven
tot het hout was opgeeft
terwijl we elkaar op bed liggen te bekijken
op de vloer, glad as een tafelblad waarover dingen
uit eigen beweging beginnen te schuiven
tegen elkaar aan, van elkaar weg,
traag over de was glijdend, het lijkt ze
geen moeite te kosten, de magneet onder tafel onzichtbaar
ademend; een tepel uit een borst, een borst
uit een jurk, een hoofd uit een hemd,
het hoofd in de nek
zo graag had ik me
aan haar mond totaal
opengesneden.
.
Poëzieweek 2023
Miriam Van hee
.
In 2023 schrijven Hester Knibbe en Miriam Van hee het Poëziegeschenk met als titel ‘Er staat te gebeuren’. Het thema van deze Poëzieweek is ‘Vriendschap’. De Poëzieweek loopt van 26 januari t/m 1 februari.
Miriam Van hee (1952) is een Vlaamse dichter en vertaler. Ze debuteerde in 1978 met de bundel ‘Het karige maal’, waarvoor ze meteen bekroond werd met de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Oost-Vlaanderen. Ook de bundels die ze daarna publiceerde werden geregeld bekroond: voor ‘Winterhard’ (1988) won ze de Jan Campert-prijs, voor ‘Reisgeld’ (1992) kreeg ze de Dirk Martensprijs, voor ‘Achter de bergen’ (1996) won ze de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie. In 2008 sloeg ze een dubbelslag met ‘Buitenland’. Ze won zowel de juryprijs van de Herman de Coninckprijs voor de hele bundel, als de publieksprijs voor het beste gedicht voor ‘Zomereinde aan de Leie’. Voor haar recentste bundel ‘Als werden wij ergens ontboden’ (2017) ontving ze namens de Vlaamse regering in 2017 de Ultima voor de Letteren.
De poëzie van Miriam Van hee is vertaald in verschillende talen en werd ook in vertaling bekroond. In 2007 won ze de Europese poëzieprijs POESIAS voor de Franse vertaling van haar dichtbundel ‘De bramenpluk’.
Miriam Van hee vertaalde onder meer poëzie van Anna Achamatova, Osip Mandelstam, Velimir Chlebnikov en Vjatsjeslav Koeprijanov. Samen met Lisette Keustermans vertaalde ze ook gedichten van de Zweedse dichter Tua Forström. Sinds 2011 is Miriam Van hee ook lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren.
In het poëzietijdschrift ‘Het liegend konijn’ uit 2003 komt het gedicht ‘Everzwijnen in januari’ van Van hee.
Everzwijnen in januari
.
je zocht een pad in het ongewisse
bij elke bocht keek je om, waar
je was, je gooide een steen
en het stoof in de struiken:
vijf kleine gestreepte coureurs
en hun moeder renden als gekken
je blikveld uit
.
je stelde je voor hoe je ’s avonds
zou bellen om hun te vragen
hoe het ze verder die dag was vergaan
om hen gerust te stellen, de jacht
was voorbij, het nageslacht veilig,
de wereld had weer
aan zichzelf genoeg
.
Ten minste houdbaar tot
Jana Arns
.
Op de zeer leesbare website Neerlandistiek.nl las ik in een recensie van Marc van Oostendorp over de bundel ‘De spronglaag’ van Esther Jansma, dat recensenten zich tegenwoordig nogal vaak schuldig maken aan het uitleggen van een dichtbundel. Marc schrijft bijvoorbeeld: ” Voor zover een recensie bedoeld is om lezers te informeren of ze iets wel of niet moeten kopen, is het volkomen ongeschikt: detectives recenseer je toch ook niet door te vertellen wie het precies gedaan heeft? Zou het niet eerder moeten gaan over wat er nu zo mooi of zo goed is aan deze bundel? Brengt close reading – hoe zinnig die activiteit op zich ook is – ons daar ooit dichterbij?”
Hoewel ik denk dat enige uitleg in een recensie wel degelijk een functie kan hebben bij het begrijpen van een bundel voor de wat minder geoefende lezer, ben ik het wel eens met hem. Een recensie is toch vooral een mening op basis waarvan je een bundel denkt te gaan lezen of kopen (of lenen bij een bibliotheek). Ik begin dit stuk met deze verwijzing naar het artikel in Neerlandistiek omdat ik de bundel ‘Ten minste houdbaar tot’ van Jana Arns voor me heb liggen waarvan ik hoop dat de lezer, na lezing van dit stuk, zal denken; Ja, die bundel wil ik lezen of kopen (of lenen).
Jana Arns (1983) is dichter, muzikant, docent schrijven en een beetje fotograaf. In de bundel staan 5 zelfportretten. Na haar debuut ‘Status: het is ingewikkeld’ uit 2016, ‘Nergens in het bijzonder’ uit 2018, ‘Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn’ uit 2019, ‘In welke vrouw ik leef’ uit 2021 is dit haar vijfde bundel.
De bundel bestaat uit een aantal hoofdstukken waarvan ik er een al kende. Suite Paternelle bevat een aantal gedichten die Jana schreef, verdichtte passages uit Suite Paternelle, een kameropera van Frank Nuyts. Vier van de 5 passages verschenen reeds in MUGzine #13. De andere gedichten uit de 6 hoofdstukken waren nieuw maar bij lezing van de gedichten moest ik regelmatig aan de woorden van Marc van Oostendorp denken. Het heeft geen zin om een uitleg te geven aan deze hoofdstukken, interessanter is het de taal van Jana Arns tot je te nemen. Want die taal is rijk, heel rijk.
Neem het gedicht ‘De nacht is een syncope’. De verwijzingen naar de nacht, het donker, hoe gedachten zich ontwikkelen tijdens de slaap of je juist uit de slaap houden, de elementen die de nacht omringen, in dit gedicht komen ze allemaal voorbij maar op een manier die niet alledaags is, of voorspelbaar maar speels, poëtisch, onverwacht. En in vrijwel elk gedicht neemt Jana Arns je mee in haar gedachtewereld, in haar hoofd vol fantasiebeelden, plakt ze moeiteloos fysieke zaken aan elkaar die op zijn minst creatief en soms absurd genoemd kunnen worden. Ze gebruikt in haar poëzie antropomorfisme; geeft dode zaken een leven en levende zaken zonder ziel een geestesleven, .
In haar Annie M.G. Schmidtlezing uit 2002 sprak Joke van Leeuwen over de term uitgesteld begrip. Ze zegt daarover: “Er is een soort denken waar nog niet altijd de goede woorden voor zijn, een soort begrijpen dat nog niet het soort is dat wij volwassenen meestal bedoelen als we vragen: begrijp je het wel?” Dat uitgestelde begrip lees ik terug in de gedichten van Jana Arns. En betekent dat dat haar poëzie onbegrijpelijk is? Nee, in tegendeel, maar door de rijkdom van de taal in haar poëzie is er sprake van een begrijpen zonder precies te weten. Zulke poëzie maakt nieuwsgierig naar meer en herlezen.
.
Coupe de Colruyt
.
We treffen elkaar in de wijnstreek van gang 1.
Twee onthouders met uitgeweken honger
en een blanco boodschappenlijst.
.
In het vriesvak talmen we quattro minuti.
Tongen kleven aan een fantasie uit ijs.
Tussen droogwaren rijst de verbeelding.
.
Bij de granaatappels plukken we
een laatste maal bijeen,
schuiven rookgordijnen open, want
,
thuis krijgt het bed nieuwe heupen
en nu eelt van het matras wordt geschraapt,
verschijnen jongere lakens.
.
Zo delen wij reeds maanden de rekening.
Soms kus je me in de hals van je glas.
Ik schenk telkens bij.
.













