Site-archief

Dichters op het Binnenhof

Robert Junius

.

Toen ik de bundel ‘De Haagse Helicon’ Dichters op het Binnenhof onder ogen kreeg moest ik meteen denken aan een bundel die in mijn boekenkast staat en die ik een paar jaar geleden in Vlaanderen kocht over poëten in het parlement https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/06/12/poeten-in-het-parlement/. Toch blijkt het hier om iets anders te gaan. Was de aanleiding in Vlaanderen het 30 jarig bestaan van het Vlaams parlement, bij ‘De Haagse Helicon gaat het om een vorm van ‘gevonden poëzie’ of ready mades.

Robert Junius (1955), degene die de verzen in deze bundel van Binnenhofdichters verzamelde studeerde Nederlands en is zelf dichter. In ministeriële speeches, stenografische Kamer- en commissieverslagen zocht hij naar stukken tekst die als ready made uitingen van troostende lyriek, haiku’s, poesie pure en ironische levenslessen bevatten. Soms liggen deze ready mades een beetje verborgen en elders weer zo voor het grijpen.

De auteur heeft dus teksten uit allerlei verslagen bekeken en daar de leukste, mooiste of vreemdste uit gehaald en in deze zeer vermakelijke bundel gestopt. Wat te denken van deze van Maria Verhoeven:

.

Eenvoud

.

Ik ben een nuchter mens:

ik kan tellen

en ik kan ook luisteren

.

Of deze van Pieter Hofstra:

.

Melding van een ontijdig vertrek naar de Volksrepubliek China

.

Allereerst meld ik dat ik

deze vergadering om halfzes

moet verlaten om mij naar

Hongkong te spoeden.

.

Of deze van voormalig Kamervoorzitter Gerdi Verbeet.

.

Een gevoel van vervreemding

.

Ik heb een sterk gevoel van vervreemding:

waar is de patiënt, waar zijn

de mensen in deze begroting,

de mensen om wie het zou moeten gaan?

Het woord ‘patiënt’staat niet eens

in het trefwoordenregister.

Waarom zitten de patiënten niet aan tafel?

.

Of deze grappige van iemand van wie je het misschien niet meteen verwacht Ad Melkert.

.

Inspiratie te Gouda

.

Ik werd geraakt door mensen die

verantwoordelijkheid nemen.

.

In sportclubs, of zoals in Gouda,

waar ik ben opgegroeid,

de duivenclub.

.

Frietpoëzie

Paul Ilegems

.

De Brugse kunsthistoricus, schrijver en plezierdichter Paul Ilegems (1946) is samen met uitgever Jef Meert oprichter van het Frietkotmuseum, een reizende collectie van allerlei materialen, schilderijen, sculpturen en foto’s die in 2008 werden opgenomen in het Frietmuseum te Brugge. Inmiddels heeft Ilegems 7 naslagwerken over Friet en de frietcultuur geschreven en 2 dichtbundels.

Zijn eerste frietgedichten verschenen in 1981 in het bundeltje ‘Frieten bakken’, geheel volgens de strakke richtlijnen van het plezierdichten in vaste versvormen van Drs. P. Maar het onderwerp friet was voor Ilegems niet voldoende en hij begon ook over andere onderwerpen te dichten als een voorhistorisch monster, sigaren, vrouwenondergoed, de strooiweide en Brigitte Bardot. En niet te vergeten het dichterschap zelve. Kortom, een onbepaald allegaartje. In de bundel ‘Eeuwig zingen de frieten’ uit 2015 zijn deze gedichten samengebracht onder de noemer Fritto misto.

Maar omdat Paul Ilegems zo bekend geworden is door zijn fascinatie met friet hier een gedicht uit deze bundel over een frietkot.

 

Frituur Marleen

.

Frituur Marleen, hoewel zeer florissant,
Moest onlangs dicht: een anonieme brief.
De buurt scheen dit maar moeilijk te verkroppen.
De halve waarheid slechts kwam in de krant.
.
Marleen was wel een tikkeltje naïef
Maar had het strippen in haar vingertoppen
En danste onder ’t bakken expressief
Op melodietjes uit haar portatief.
.
Maar ook (en hierin was ze niet te kloppen)
Nam zij vaak weg wat op de heupen spant
Om tussendoor een onverschrokken klant
Een hoogst intieme friet te laten soppen.
.
Dit was, behalve lichter te verteren
Ook heel wat lekkerder dan kut met peren.
.
,

Korte gedichten

Op maandag

.

De dagen lijken steeds meer op elkaar en daardoor was ik gisteren helemaal in de war. In plaats van korte gedichten van de maand te plaatsen, gaf ik jullie een ‘Cadeautje’. Ook niks mis mee natuurlijk en daarom vandaag, voor een keer op maandag in plaats van op zondag, korte gedichten. Vandaag koos ik voor drie gedichten van dichters uit Vlaanderen en Nederland te weten Hubert van Herreweghen (1920 – 2016) een van de belangrijkste na-oorlogse dichters uit Vlaanderen, de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky (1932 – 1977) en de Vlaamse dichter Petra Van den Berghen (1971).

Van Hubert van Herreweghen koos ik het gedicht ‘Paar’ uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986.

Van Riekus Waskowsky koos ik het gedicht ‘Gospelsong’ uit ‘De verzamelde gedichten’ uit 1985.

Van Petra Van den Berghen koos ik het gedicht ‘grijpen en mazen’ uit ‘Staalkaart van de Nederlandstalige Podiumpoëzie 2017’.

.

Paar

.

Ik zie een jongen naast een meisje lopen,

hij kust haar en zij lacht om het geval.

Genadige dood! Zij kirren en zij hopen,

zij zien het kind nog niet dat hen begraven zal.

.

Gospelsong

.

Elke seconde verandert de wereld

men leeft maar en sterft maar

alsof het niets is en misschien is

het ook wel niets dan wat beweging

waardoor de wereld niet verandert.

.

grijpen en mazen

.

het glijdt de vingers van herhaling door

-tussen-

de pauzes in

snijdend aan gewonde handen grijpen ze doelloos in uitgezette netten

tussen de lijven in wapperen de mazen, bot in hun vieren

in altijd, overal ontglipt.

.

Herinnering aan Willem Elsschot

Peter van Steen

.

In de rubriek ‘Dichters over dichters’ dit keer een gedicht van Peter van Steen over de schrijver en dichter Willem Elsschot (1882 – 1960). Het gedicht ‘Herinnering aan Willem Elsschot’ staat in ‘De spiegel van de Nederlandse poëzie, dichters van de twintigste eeuw’ uit 1983 samengesteld door Hans Warren.

Over Peter van Steen (1904 – 1971) is niet zoveel bekend, gelukkig vond ik via de geweldig rijke website https://www.dbnl.org een artikel over deze Amsterdamse dichter uit het Jaarboek van de Maatschappij Nederlandse Letterkunde uit 1975. Peter Mourits (de echte naam van Peter van Steen) begon als schrijver van romans maar in oorlogstijd ontdekte hij de poëzie. In de tweede wereldoorlog publiceerde hij anoniem en in eigen beheer drie boekjes; ‘Bezet gebied’ en ‘Nieuwe lente’ in 1944 en ‘Vijf dagen’ in 1944-1945 (eerste en tweede druk).

Peter van Steen was een onvoorwaardelijk bewonderaar van de romans van Willem Elsschot waar hij en zijn vrouw Riek af en toe gingen logeren. Willem Elsschot schreef een inleidend woord voor Peter van Steens novellenboek ‘Alarm in de spiegel’ (1951), waarin hij hem ‘de verpersoonlijking van de opstandigheid’ noemde, ‘niet alleen tegen de tyrannie, maar tegen alles wat laag is, gluiperig, laf of halfslachtig.’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat Peter van Steen een gedicht aan zijn favoriete schrijver/dichter schreef dat eerst in het ‘Nieuw Vlaams tijdschrift’ in 1965 en later in zijn bundel ‘Aan het raam en erbuiten’ uit 1971 verscheen.

.

Herinnering aan Willem Elsschot

.

Zo vaak moet ik nog aan hem denken,

hij schreef niet meer

maar ’t was zo veilig dat hij er nog was;

nu kijk ik naar zijn dodenmasker.

Zó veel bleef ongezegd

van Bach en Mozart , Multatuli,

van communisme en het christendom;

hij zou ze samen laten gaan

maar in de duinen zong hij luid

met tranen in de ogen:

‘Und alle deine Tränen

und alle deine Tränen

und alle deine Tränen

mamita mia

werden wir rächen’

en hij schuwde het geweld,

sprak tandenknarsend van tederheid.

Maar uitdagend zong hij verder:

‘Und alle deine Knechtschaft

und alle deine Knechtschaft

und alle deine Knechtschaft

mamita mia

werden wir brechen.’

Maar het slijpen in de straten van Antwerpen is voorbij;

geen schuimend bier,

geen onverzettelijkheid,

geen snelle blik naar mooie vrouwen,

fini, afgelopen, uit.

‘De aarde is niet uit haar baan gedreven.’

.

 

Korte gedichten van de maand

April 2020

.

Ik was van plan de zondagen in april te vullen met een nieuwe dichter van de maand en op zoek naar een dichter kwam ik een aantal bundels tegen met korte gedichten. Ik heb me daarom bedacht en zal in april geen dichter van de maand kiezen maar korte gedichten van de maand.

Elke zondag deze maand zal ik vier korte gedichten plaatsen. Gedichten van Nederlandse en Vlaamse dichters van alle tijden. Vandaag te beginnen met vier gedichten van de volgende dichters: Driek van Wissen (1943 – 2010) uit ‘Volle mep’ uit 1987, Roeland van Leuve (1691 – 1751) uit ‘Mengelwerken’ uit 1723, Evy Van Eynde (1978) uit ‘Zal ik liefde noemen’ uit 2019 en Henk Spaan (1948) uit ”n Lach en ’n Traan’ uit 1974. Een eclectisch gezelschap van Vlamingen en Nederlanders uit verschillende eeuwen.

.

Voetbal is oorlog – zei men indertijd,

maar tegenwoordig vindt de meeste strijd

buiten de lijnen plaats en niet erbinnen

door uitschot dat het elftal begeleidt

en waar je nooit de oorlog mee kunt winnen

.

Onweetent

.

Ik Schryf, en en weet niet wat!

Ik Digt, en moet nog denken,

Om ’t geen ik op dit blad,

Mijn Lezer nu zal schenken:

Maar wyl ik niets en weet,

Zoo doe ik niemant leet.

.

IJspapavers

.

Door ijspapavers tegen het raam

grijpt het kale beeld

dat steeds luider schreeuwt

.

om kraakverse krokusblaadjes

mij naar de keel

.

Hoeveel suikerklontjes smelten straks

in mijn kop vol lentebloemen.

.

Dichter

.

De dichter dicht niet

Maar opent verre verschieten

b.v. van tientallen vrouwen

met prachtige tieten

.

Afbeelding: poeziecentrum.be

De ballade van als dan

Gedichten voor gelukkige mensen

.

In 2008 werd door Querido de bundel ‘Voor gelukkige mensen’ uitgegeven van Bart Moeyaert. Roman-, kinderboekenschrijver en dichter Moeyaert (1964( debuteerde in 2003 als dichter met de bundel ‘Verzamel de liefde’. Hij publiceerde een aantal romans en stelde de poëziebloemlezing ‘Vlees is het mooiste’ samen.

Van januari 2006 tot en met januari 2008 was hij stadsdichter van Antwerpen en ontving hij in die functie ook een eredoctoraat aan de universiteit van Antwerpen. Moeyaert is veelvuldig bekroond en werd in meer dan 17 talen vertaald.

Voor zijn kinderboeken ontving hij vele prijzen en voor zijn poëzie werd hij genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs 2009 (voor ‘Gedichten voor gelukkige mensen’) en voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2020 (voor de bundel ‘Helium’).

In de bundel ‘Gedichten voor gelukkige mensen staan 27 gedichten en ik koos voor het gedicht ‘De ballade van als dan’.

.

De ballade van als dan

.

Ik dacht dat je wat zei

-jij hoort bij mij

was mooi geweest-

en buig me naar je toe,

maar hoe ik me ook

hou, in jouw geval

noem ik het horten

van je adem de ballade

van als dan: ik ken er

onderhand de stilte

van – het is haast

dodelijk hoe jij naar

woorden zoekt als je

wilt zeggen: dichterbij.

.

Zomergedichten

Dubbel-gedicht

.

Nu de zon weer schijnt in deze rare en ingewikkelde tijden vond ik het tijd om ook in mijn berichten wat vaker de zon te laten schijnen. Als hart onder de riem of gewoon als voorbode van betere tijden. Daarom vandaag een Dubbel-gedicht over de zon.

Het eerste gedicht ‘Zomer’ is van de dichter Jos De Haes (1920 – 1974) en komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986. De Haes was een Vlaams dichter, essayist en radiomaker. Hij debuteerde in de collectieve bundel ‘Aanhef’ in 1941 met ‘De diepe wortel’, publiceerde gedichten in ‘Podium (1943 – 1944) waar hij hoofdredacteur van was, in de ‘Poëziespiegel’ en in ‘Dietsche Warande & Belfort’ waarvoor hij in 1950 recensent werd en in 1960 redactielid. Na zijn dood verscheen zijn verzameld werk in 3 delen in 1974, 1986 en 2004.

Het tweede gedicht ‘Zonlicht’ is van dichter Rogi Wieg (1962 – 2015) en komt uit de bloemlezing ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ uit 2015. Rogi Wieg was schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant. Hij debuteerde in 1981 met de bundel ‘Cis-trans’. Hij was redacteur van de literaire bladen ‘Tirade’ en ‘Maatstaf’ en hij was tussen 1986 en 1999 als poëziecriticus verbonden aan ‘Het Parool’. Wieg kreeg onder andere het Charlotte Köhler Stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverblijf’. stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverdrijf’. 

.

Zomer

.

Stond op de plek een wagen

scheef in de grond ter ziele.

De zon stond hout te zagen.

Ik sliep tussen de wielen.

Ik sloeg de liefde gade

van kevers en van maden.

Tedere bakelieten

plezierden en verdrietten

elkaar met dunne vijlen,

met haken en met bijlen,

met tatertjes en sprieten

alaam van sodomieten.

.

Ik lag in hoge klaver,

de rode toppen blekten.

Ik lag in hoge klaver

met wijfjes van insecten.

.

Zonlicht

.

Veel grote mannen hadden wel

een gezin, een warm bord op

tafel, een balkon boven de zee.

Ben ik een groot man, sla dan

.

tenminste een spijker in mijn

werk die niet krom en roestig

verleden of toekomst uitbeeldt,

maar als spijker het oog

juist op de hoogte houdt

.

van wat het moet zien:

ik mis je zo, eeuwigheid,

dat ik haastig naar huis ga

uit het zonlicht om nog

.

tijd te hebben thuis te komen

uit het zonlicht.

Grootheid is het meervoud omarmen

van grammaticaal zeer ongelijke tijden.

.

 

Boer, land- en tuinbouw

Dubbelgedicht

.

Nu het rumoer rond de CO2 kwestie en het boerenprotest wat is gaan liggen door een andere belangrijker en actueler probleem, wilde ik in het kader van het Dubbel-gedicht hier twee gedichten van twee ogenschijnlijk totaal verschillende dichters plaatsen. Ogenschijnlijk want eigenlijk hebben beide dichters veel meer gemeen dan je misschien in eerste instantie zou denken. het betreft hier de dichters Jotie ‘T Hooft (1956 – 1977) en Jules Deelder (1944 – 2019). Twee dichters wier leven getekend is door hun drugsgebruik. Waar ‘T Hooft zelfmoord pleegde op 21 jarige leeftijd door een overdosis cocaïne te nemen, werd Jules Deelder ondanks een leven lang speedgebruik toch nog een respectabele 75 jaar.

Wat voor mij deze aflevering van het Dubbel-gedicht nog bijzonderder maakt is het onderwerp van de twee gedichten; de boer, land- en tuinbouwer. Een onderwerp dat je (ik niet in ieder geval) niet verwacht bij deze twee dichters die toch vooral om allerlei andere zaken bekend staan. Het eerste gedicht is van Jotie ‘T Hooft en komt uit de bundel ‘Junkieverdriet’ uit 1976 en is getiteld ‘Voor boer en tuinder’. Het tweede gedicht ‘Gedicht voor Land- en Tuinbouw’ is van Jules Deelder en komt uit de bundel ‘Dag en nacht geopend’ uit 1970.

.

Voor boer en tuinder

.

Mijn geboorte was geen verstilling

Maar regelrecht oorlog

Want tussen brandnetel en dovenetel

Ligt een verterend vuur.

.

Hoe huiverde ik in die tuin en zag

Het bewegen van gelederen ledematen

Vanuit het sprakeloos veld van de hersenen.

Bemest en bemoederd ontstond verdriet.

.

Om de duif die langzaam huiswaarts keert

Over de meren en gebieden, cirkelend

En haperend aan de dorst, de draden.

Om al wat in mijn maag verteert.

.

En na de brand, die dooft, na het rood

Der geraniums en het groen van agaves

Bemorst de kwasterige bloesem ons

Van een in herfstkou geteelde chrysant.

.

Gedicht voor land- en tuinbouw

.

Voor het eerst een merel

horen zingen.

Het eerste wilde viooltje

gevonden.

De kastanjes in bloei.

.

Het eerste speenkruidbloempje

gezien.

De eerste zwaluw waargenomen.

Voor het eerst gegeten zonder

lamp.

.

Bloeiend klein Hoefblad

gevonden.

Voor het eerst een koekoek

gehoord.

Het eerste gras gemaaid.

.

De kersebomen bloeien.

De peren in bloei.

De appels in bloesemtooi.

De eerste aardbeien.

De aalbessen rijp.

.

De kersen rijp.

De haver op het veld rijp.

De eerste peren.

De laatste maaltijd zonder

lamp.

.

De eerste appels.

De eerste druiven.

Het laatste bad in de open

lucht.

Het vertrek van de zwaluwen.

.

Het laatste gras gemaaid.

Voor het eerst de kachel aan.

De eerste rijp.

De laatste roos.

De eerste sneeuw gevallen.

.

 

In de bibliotheek

Herman de Coninck

.

in deze moeilijke tijden van Coronavirus en het stilvallen van het dagelijks leven zijn er gelukkig nog instituten waar je terecht kan wanneer je gedwongen bent om thuis te blijven. Zeker wanneer zo’n beetje elke vorm van vermaak is afgelast, geannuleerd of verzet is er niets mooiers dan naar de bibliotheek te gaan en daar het boek van je keuze uit te zoeken, te lenen en te gaan lezen.
Ik weet dat er ook bibliotheken sluiten ( zeker de grote waar op elk moment van de dag meer dan 100 mensen aanwezig zijn) maar er zijn zeker ook nog veel bibliotheken die gewoon open zijn en waar je terecht kan.

Charles Simic (1938) is een Servisch-Amerikaanse dichter en voormalig co-poëzie-editor van de Paris Review. Hij ontving de Pulitzer Prize for Poetry in 1990 voor ‘The World Doesn’t End’, en was finalist van de Pulitzer Prize in 1986 voor ‘Selected Poems, 1963-1983’ en in 1987 voor ’Unending Blues’.

In ‘ De gedichten’ de verzamelde werken van Herman de Coninck uit 1998 staat een door Herman de Coninck vertaald gedicht van Charles Simic met als titel ‘In de bibliotheek’. Als ode aan de dit belangrijke instituut dat ook heden ten dagen nog steeds midden in de samenleving staat hier het gedicht van Simic.

.

In de bibliotheek

.

Er is een boek,

’Het woordenboek der engelen’ geheten.

Vijftig jaar lang heeft niemand het geopend,

Weet ik, want toen ik het deed

Krakte de cover, verkruimelden

De bladzijden. Daar ontdekte ik

.

Dat engelen ooit zo talrijk waren

Als vliegensoorten

In de schemering

Maakten ze de lucht dik.

Je had twee armen nodig

Om ze van je af te slaan.

.

Vandaag schijnt de zon

Door de hoge ramen.

De bibliotheek is een rustige plek.

Engelen en goden opeengepakt

In donkere, ongeopende boeken.

Het grote geheim ligt

Op een schap waar Mrs. Jones

Elke dag op haar ronde voorbijgaat.

.

Ze is erg groot, ze houdt haar hoofd

Daar nog bovenuit, of ze luistert.

De boeken fluisteren.

Ik hoor niks, maar zij wel.

.

De nieuwe bibliotheek aan het Neude in Utrecht die vandaag geopend zou worden.

 

Koor

Peter Verhelst

.

In 1987 debuteerde de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) met de bundel ‘Obsidiaan’. Dertig jaar later, inmiddels een belangrijk en gelauwerd dichter ( Verhelst ontving onder andere de Paul Snoekprijs, De Gedichtendagprijs, de Jan Campert-prijs, de Herman de Coninckprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs) verschijnt in 2017 de bundel ‘Koor’ een bloemlezing uit zijn meest opzienbarende poëzie.

In de bundel ‘Koor’ is door de dichter zelf een keuze gemaakt uit eerder gepubliceerd werk aangevuld met ongepubliceerde gedichten. Om uit zoveel bijzondere en mooie gedichten een keuze te maken is zelfs voor mij een opgave maar uiteindelijk kies ik voor het (liefdes-) gedicht ‘Tegen het vergeten’. Ik kies hier bewust voor dit gedicht omdat het mooi aansluit bij een categorie die ik hier alweer een paar jaar geleden begonnen ben; (bijna) vergeten dichters. Ook die dichters waar we nooit meer wat van horen hebben vaak zulke mooie poëzie geschreven, reden waarom ik ze regelmatig weer terug haal. Bij een dichter als Peter Verhelst zal dit waarschijnlijk niet snel gebeuren. Daarom is de combinatie tussen zijn gedicht en deze categorie dichters een waardevolle.

Oorspronkelijk verschenen in de bundel ‘Wij totale vlam’ uit 2014 ‘Tegen het vergeten’.

.

Tegen het vergeten

.

Niet hoe je was, hoe je op je ellenbogen achterover leunend, zo bleek was je,
hoe we keken – niet vergeten,
niet het zich zuchtend openvouwen – nooit vergeten,
niet hoe het had kunnen zijn, hoe we hadden willen zijn.
.
Wat van ons verloren is gegaan.
Wie van ons verloren ging.
Laten we ons elkaar zo herinneren
voor de herinneringen dingen met ons doen:
.
een dunne lijn rood, gloeiend in de avondlucht,
hoe we, op onze ellenbogen achterover leunend, naar elkaar keken,
een fonkeling in het wachten, een nauwelijks hoorbare zucht.
.
Wit
oplossend als suiker
in het vallende duister.
.
De echo van je zucht.
.
De echo van de echo van je zucht.

.