Site-archief

Zwanenzang

Herman Leenders

.

In de nieuwe bundel van de Vlaamse schrijver en dichter Herman Leenders (1960) is een gedicht gewijd aan een andere dichter Koenraad Goudeseune (1965-2020). Herman Leenders debuteerde in 1982 met de bundel ‘Mijn landschap, een beeldinventaris’ waarna nog 7 dichtbundels en enkele romans volgden. Hij behandelt in zijn gedichten vooral de spanning tussen droom en werkelijkheid. Hij doet dat in een directe taal die beeldend en zintuiglijk is.

Hij was vrije Brugse stadsdichter voor de periode 2016 – 2017. Voor zijn poëzie ontving hij onder andere de C. Buddingh’-prijs (1993) en de Hugues C. Pernath-prijs (1993) beide voor zijn bundel ‘Ogentroost’.

In zijn laatste bundel ‘Het voorland’  “hangt een onuitgesproken dreiging over deze gedichten maar tegelijkertijd een geruststellende mist van weemoed en tevredenheid. De mens is op weg naar zijn lotsbestemming en leeft ondertussen onwetend, min of meer gelukkig, min of meer onschuldig in het voorland, het grensgebied tussen land en zee, hemel en aarde, gisteren en morgen, leven en dood”.

In deze bundel staat dus een gedicht voor Koenraad Goudeseune, de dichter die na een kort ziekbed in 2020 euthanasie koos. Het gedicht is getiteld ‘Zwanenzang’.

.

Zwanenzang

.

 Voor Koenraad Goudeseune

.

je bent onder vrienden als een koning gestorven

op het laatste podium dat je hebt bestegen

in het nerveuze licht van schermen

met likes als heilig oliesel

.

we leefden dag na dag van je sonnetten

die niemand ontzien – jezelf nog het minst –

we zagen bloemen glorieus verwelken

drank in de glazen verschalen

.

jouw lach verkrampen

weglekken in het infuus

het vege lijf mager en gekrompen

.

je poëzie zal blijven leven beweren de vazallen

straks krijg je postuum de Herman de Coninckprijs

weer niet: is dit dan het happy end waarde vriend

.

 

Overspelig Nederlands

Breyten Breytenbach

.

Afgelopen zondag 24 november is de Zuid-Afrikaanse dichter, schilder, schrijver en anti-apartheidsactivist Breyten Breytenbach (1939-2024) overleden in zijn woonplaats Parijs. Hij woonde in Parijs sinds 1960. Nadat hij in 1958 Fine Arts ging studeren werd hij zich ook steeds bewuster van de Apartheid in Zuid-Afrika. Daarom verhuist hij in 1960 naar Parijs waar hij zijn latere vrouw de Frans-Vietnamese Yolande Ngo Thi Hoang Lien, leert kennen. Omdat gemengde huwelijken verboden zijn in Zuid-Afrika in die tijd, is een terugkeer naar Zuid-Afrika uitgesloten.

Breytenbach wordt lid van de Sestigers (niet te verwarren met de Zestigers waar ik gisteren nog over schreef), een groep schrijvers die zich in het Afrikaans verzetten tegen de apartheid, waartoe ook André Brink en Ingrid Jonker behoren. In 1964 debuteert Breytenbach met de poëziebundel ‘Die Ysterkoei Moet Sweet’. In zijn hele leven publiceert Breytenbach circa 50 boeken waarvan de helft dichtbundels.

In 1975 keert Breytenbach toch terug naar Zuid-Afrika, ondanks dat hij weet dat hij daar opgepakt zal worden. Dat gebeurt en in zijn proces dat volgt bekent hij schuld: hij zou zijn teruggekeerd om een anti-apartheidsorganisatie in het leven te roepen die als witte afdeling gelieerd zou zijn aan het ANC. Hij wordt veroordeeld  tot negen jaar in de cel (welke hij voor een deel in isolatie doorbrengt). Maar ook in de gevangenis schrijft hij door. Maar liefst vijf boeken schrijft hij daar waaronder ‘De ware bekentenissen van een witte terrorist’ memoires over zijn veroordeling en gevangenschap. In dit boek gaat hij in op de vraag hoe hij als politieke gevangene zijn gevangenschap overleefd heeft.

Na heel veel druk op de Zuid-Afrikaanse machthebbers wordt hij uiteindelijk in 1982 vrijgelaten uit de gevangenis. Hij gaat terug naar Frankrijk waar hem het Frans staatsburgerschap wordt toegekend. Vanaf 2004 woont en werkt hij afwisselend in Europa, Afrika (Zuid-Afrika, Senegal) en de Verenigde Staten.

Breytenbach ontvangt gedurende zijn leven vele literaire prijzen en zijn werk is over de hele wereld vertaald. Zo ook in Nederland bijvoorbeeld door Adriaan van Dis en Laurens van Krevelen. In 2017 verschijnt bij uitgeverij Podium de bundel ‘De zingende hand’ Gedichten 2007-2016. Adriaan van Dis zegt over de taal van Breytenbach: “Een overspelig Nederlands, lenig en krachtig, een kleurtaal aan Calvijn en klei ontstegen’ en The New Yorker noemde hem ‘De grootste Afrikaanse dichter van zijn generatie’.

Uit deze laatste bundel koos ik het gedicht ‘eigenplekspertief’ in een vertaling van Laurens van Krevelen, dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Katalekte’ (Nederlands Catalecten: een verzameling fragmenten uit oude werken) of ‘selfplekspertief’zoals de originele titel luidt.

.

eigenplekspertief

.

om met Descartes te spreken:

het ik is het spook

in de nachtmachine

van het gedicht

.

en als die gedachte

begint te dagen op papier

komt de nachttijding

als beweging

.

pats-boem in het kaartenhuis van hier-kiep-kiep

.

selfplekspertief

.

om met Descrates te praat:

die ek is die spook

in die nagmasjien

van die gedig

.

en wanneer daardie gedagte

dag word op papier

beland die nagtyding

as beweging

.

kaplaks in die hierkiepkiep se kaartehuis

.

Watou

Bernard Dewulf

.

In de kringloopwinkel kocht ik ‘Poëziezomer Watou 2004’ verzamelde gedichten, samengesteld door Gwy Mandelinck. Een wat wonderlijke bundeling gedichten want in plaats van de gedichten in de bundel te hebben gedrukt, zijn er deels gedrukte gedichten maar het grootste deel is losbladig en erin geplakt (wat de bundel niet altijd ten goede komt). Daarbij zijn de geplakte gedichten soms op glad papier en andere juist weer niet. En omdat de bundel al oud is zijn er, natuurlijk, ook gedichten losgelaten.

Van een enkele dichter zijn twee gedichten opgenomen (Rutger Kopland), bij een gedicht van K. Michel zijn de laatste regels in pen toegevoegd, en alsof dat nog niet genoeg is zitten er los twee gedichten in die ook al geplakt in de bundel zitten. Een heerlijke chaos kortom maar met prachtige gedichten van bijvoorbeeld Jan Lauwereyns, Mark Insingel, Mark Boog, Peter Verhelst, Miriam Van hee, Serge van Duijnhoven en Hugo Claus.

Ik koos voor het gedicht ‘Boswachter’ van Bernard Dewulf (1960-2021) dat werd genomen uit de bundel ‘Waar de egel gaat’ uit 1995 die bekroond werd met de Debuutprijs. Bernard Dewulf was dichter, essayist, toneelauteur en columnist.

.

Boswachter

.

Hij is even terug van weggeweest.

Nu is nu en dan. Toch moet hij morgen

naar het bos, zijn hoofd ligt

nog vol hout. Een stapel zorgen

in een begroeide geest.

.

Bij zijn bijl, op een sprei

zoekt hij bomen in de kamer.

.

En te voorschijn in wit schort,

uit een deur in het lover

komt een zoon, een jager

die hem aan tafel vraagt.

Hij knikt en komt binnenkort.

.

Genealogie

Jos de Haes

.

Ergens deze zomer vertelde mijn moeder dat wij familie zijn van een zeeheld. Johan Evertsen is zijn naam en hij was Luitenant-Admiraal van Zeeland (net als zijn broer Cornelis overigens). Ik wist niet beter dan dat ik van een landarbeider afstamde (wat overigens ook zo is) maar ja familielijnen lopen natuurlijk via je moeder en je vader. Ik heb het praalgraf in de Wandelkerk, dat deel uitmaakt van het Abdijcomplex in Middelburg, deze zomer bezocht en het ziet er fraai uit.

Ik moest hieraan weer denken toen ik in de bundel ‘Gedichten’ van Jos de Haes (1920-1974) uit 2004 het gedicht ‘Genealogie’ las. Als je een beetje geïnteresseerd bent in de genealogie van je familie dan zijn er veel mogelijkheden om uit te zoeken waar je vandaan komt en uit welke familie(s) je afstamt. In het gedicht van de Haes komt dat mooi naar voren.

Jos de Haes was een Vlaams dichter, essayist en radiomaker. Hij publiceerde gedichten in het tijdschrift Podium (1943-1944), waarvan hij hoofdredacteur was en in Poëziespiegel. In 1950 werd hij recensent bij Dietsche Warande en Belfort en werd in 1960 redactielid. In 1942 debuteerde hij met de bundel ‘Het andere wezen’. Voor de bundel ‘Azuren holte’ uit 1964 ontving hij de Poëzieprijs van de provincie Brabant (1965), de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies (1965) en de Driejaarlijkse staatsprijs voor Poëzie (1965).

.

Genealogie

.

Tussen twee heuvelen van Brabant in
is de geschiedenis tot grond verteerd.
Geen steen, geen korrel of hij draagt een zin,
een hand, een hart heeft zich aan hem bezeerd.
.
Harten, handen, die ‘k ben en die ‘k bemin,
lijfeigenen die anders lijf begeert,
hoe lang hebt gij gewroet, om wiens gewin
zijt gij in zonde en armoe gecrepeerd!
.
Want uw geschiedenis ben ik . . .  De grond
en ik zijn al wat rest in deze stond,
twee zuren die elkaar benaderen.
.
Zij prikken de papillen in mijn mond,
zij zetten ’t virus in mijn aderen,
o stalmeiden en dronkaards, vaderen.

.

Merckx en Coppi

Dubbelgedicht

.

Nu de tour de France en de tour des Femmes zijn afgelopen en de voorjaarsklassiekers gereden is het tijd voor een dubbelgedicht over twee grote namen uit het wielrennen; de Italiaanse Fausto Coppi (1919-1960) en Eddy Merckx (1945). Een tweede overeenkomst tussen de beide gedichten is dat ze allebei komen uit een bundel waarin de dood/sterven in de titel is opgenomen.

Het eerste gedicht is van een dichter uit Drenthe, Ton Peters (1952) is getiteld ‘Fausto Coppi’ en komt uit de bundel ‘De dood en het peloton’ uit 2012.

Het tweede gedicht is van de Vlaamse dichter Willie Verhegghe (1947) is getiteld ‘Eddy Merckx’, en komt uit de bundel ‘Renners sterven niet’ uit 2004.

.

Fausto Coppi

.

Flink trappen tot je weet wat je ooit wordt:

kasseienknecht of koning van de wegen.

Zo simpel is de wet van de wielersport.

.

En op zichzelf is daar niet veel op tegen

zolang je je maar niet te buiten gaat

aan doping of de pauselijke zegen.

.

’t Is mooi als je de rest finaal verslaat

door eerder op een bergtop aan te komen,

ontsnapt aan peloton en middelmaat

.

en dat je in het landschap opgenomen

zo hoog komt dat je nergens meer op let,

op weg naar de vervulling van je dromen.

.

Bedacht ik mij vanmorgen in mijn bed

als fietser met een minimaal verzet.

.

Eddy Merckx

.

Zeus Mercks

wielergod en millimetersleutelaar

die uiot de ijle hoogten van zijn flitsend rijk

met bovenaardse krachten uit dij en kuit

meer dan de helft van duizend palmen

op gouden vingers aan het ivoren kromstuur

telt en telt.

.

Tussen Milano en San Remo zeven keer

de roes van Poggio en feestfontein,

ongekroonde keizer van Tre Cime di Lavaredo,

Ballon d’Alsace, Ventoux en Izoard,

één uur Montezuma – Merckx in Mexico.

.

Heerser over allen die hun lamme lijf

in de schaterende schaduw van zijn wurgend wiel

te pletter en aan splinters fietsen.

Alom geweeklaag, geknars van tand en wielen.

.

Meer omnivoor van alle wielervoer

dan kannibaal van Meensel-Kiezegem.

Nu haute-couture-fietsenbaas in Meise.

.

 

Nacht

Agostinho Neto

.

Na een langdurige strijd tegen het Portugese kolonialisme, als medisch student in Lissabon en als leider van de vrijheidsoorlog die de MPLA (People’s Movement for the Liberation of Angola) vanaf 1961 voerde, werd  António Agostinho Neto (1922-1979) op 11 november 1975 bij het uitroepen van de onafhankelijkheid beëdigd als de president van de Volksrepubliek Angola. Agostinho Neto was echter ook dichter. Zijn poëzie werd door de Angolese dichter en schrijver Fernando Costa Andrade (1936-2009) gekarakteriseerd als ‘de kreet van een volk dat vastbesloten is zicht te bevrijden’.  De poëzie van Neto geeft uiting aan het leed van de onderdrukking, het groeiend verzet en het verlangen naar bevrijding.

In de bundel ‘Horizon van bevrijding’ van Agostinho Neto die in een vertaling van Bertus Dijk in 1976 verscheen, wordt de onderdrukking, de vernietiging van mensenlevens maar ook het uitzicht op de bevrijding. Neto schreef het meeste van zijn poëzie tussen 1946 en 1960. Hij was het eerste lid van de Anglo Writers Union and The Center for African Studies in Lissabon. Ook kreeg hij de Lotus Prize van de Conferentie van Afro-Aziatische schrijvers. Uit de bundel ‘Horizon van bevrijding’ koos ik het gedicht ‘Nacht’.

.

Nacht

.

Ik leef

in de duistere wijken der wereld

zonder licht of leven

.

Tastend loop ik

door de straten

geleund tegen mijn vormeloze dromen

struikelend in slavernij

in mijn verlangen om te bestaan

.

Het zijn slavenwijken

werelden van ellende

duistere wijken

.

Waar verlangens verwelken

en de mensen versmelten

met de dingen

.

Strompelend

door de onbekende

onverlichte straten

gedrenkt in mystiek en verschrikking

hand in hand met de schimmen

.

Ook de nacht is donker.

.

Een mug in de zomer

Voorproefje

.

Gedurende het jaar brengen wij Marianne, Bart en ik, vijf keer een MUGzine uit. En elke jaar doen we iets extra’s (een GUM, een Special of een ansichtkaart). Over het extraatje zijn we al hard aan het nadenken maar de eerstvolgende editie van MUGzine, editie 23 is aanstaande. Vijf keer per jaar betekent in de eerste en de laatste vier maanden van het jaar elk twee edities en dan hou je vier maanden over in de zomer waarin we de zomereditie uitbrengen. De zomermaanden gebruiken we om nieuwe ideeën, dichters, kunstenaars, illustrators te zoeken en die voor te leggen aan onze onafhankelijke redactie.

De eerstvolgende MUGzine is dan ook de zomereditie en we verwachten deze in augustus te kunnen publiceren. In deze deze editie met als richting ‘Ins Blaue Hinein’ de Vlaamse dichter Astrid Arns en uit Nederland de dichters Daniël Vis en Floor Tinga. Het artwork komt dit keer van Willem Hansum. Natuurlijk is er een poëtisch voorwoord en een Luule en bieden we, zoals altijd, de mogelijkheid de MUGzine op papier te ontvangen. Al vele poëzieliefhebbers maken gebruik van deze mogelijkheid en ontvangen, voor een bedrag per jaar waar je nog geen dichtbundel van kan kopen, een jaar lang de MUG op papier aangevuld met een extraatje.

Om alvast in de stemming te komen wil ik hier alvast het gedicht ‘Ontheemden’ plaatsen van één van de dichters van #23 namelijk Astrid Arns (1960). Astrid Arns is onderwijzeres en dichter en publiceerde gedichten in de Poëziekrant, De Schaal van Dighter, Meander. Het Gezeefde Gedicht en De Vallei. In 2018 verscheen haar debuutbundel ‘Mijn naam op de deur’ die inmiddels een tweede druk kent.

Ontheemden

.

Ik voel nog hoe het vroeger was.

Gekroonde hoofden en een kring die ons omsloot.

En wij ontheemden liepen zij aan zij.

Wij schoven voet per voet en kregen dan hun zegen.

Zij waren nog en waren ook geweest.

Gebukte zielen met een afgewende kop.

Zij schreeuwden scheuren in de nacht in krukkentaal,

er werd op hen gewacht.

Wij wisten niets, niet waar ze waren

of vanwaar ze kwamen.

Zij waren marmerblanke webben in ons hoofd.

.

Middag

Victor E. van Vriesland

.

Bladerend door een bundel die ik pas geleden heb aangeschaft las ik een gedicht van Victor E. van Vriesland (1892-1974). Terugkijkend in mijn blog kom ik erachter dat ik de naam van Victor E. van Vriesland wel een paar keer heb genoemd maar nog nimmer een blog aan hem of zijn poëzie heb gewijd. Tijd om daar verandering in te brengen. Want Victor E. van Vriesland mag dan zo’n dichter zijn die we (bijna) zijn vergeten, hij was al schrijver en dichter niet de eerste de beste. Zo ontving hij voor zijn werk de Constantijn Huygensprijs in 1958 en de PC Hooftprijs in 1960. Hij was voorzitter van de Nederlandse Penclub. Van 1962 tot 1965 was van Vriesland voorzitter van PEN International , de wereldwijde vereniging van schrijvers.

Van Vriesland debuteerde in 1915 met de bundel ‘De culturele noodtoestand van het Joodsche volk’ (van Vriesland was Joods) en publiceerde vele bundels, gedichten in literaire tijdschriften als Forum, Helicon, De Nieuwe Stem, Maatstaf en De Gids en hij was actief als vertaler van het werk van onder andere John Donne en Charles Baudelaire. In 2022 werd de bundel ‘Gekozen gedichten’ gepubliceerd waaruit ik het gedicht ‘Middag’ nam.

.

Middag

.

Dit is het einde; met haar daverende koorden
Peilt de vergeefse zon het grondeloze meer.
Mijn boot ligt onbeweegliijk in een hete sfeer
Van glanzende eenzaamheid. Op ’t stroeve lichtveld moorden

.

Striemende branden mijn geteisterd aangezicht.
Dit is het einde; want de somber loden dreiging
Der barre bergen stort zich op me in starre zwijging
Onder ’t gewicht van het verschrikkelijke licht.

.

Vloeibaar vuur stroomt roerloos uit vlambladige kelken.
Mijn boot ligt stil; ik hoor het gonzen van mijn bloed.—
In ’t stage laaien van een blinde stenen gloed
Voel ik het leven als een bloem langzaam verwelken.

.

Een heiden in een heiligdom

Daan Anthuenis

.

In de Verbeke foundation, een bijzondere kunstcollectie in Kemzeke, Vlaanderen, viel mijn oog in de museumwinkel op een klein boekje. Waarschijnlijk omdat het op A6 formaat was gedrukt (net als de MUGzines). Het betrof hier een poëziebundeltje van historicus, filosoof en dichter Daan Anthuenis (1943-2018) met de titel ‘Een heiden in een heiligdom’.

Anthuenis was in de jaren zeventig cultuurattaché en werd in de jaren tachtig ook schepen (wat wij wethouder zouden noemen) voor Cultuur in Sint-Niklaas, van 1983 tot 1988. Daarna was hij actief voor de SP in Sint-Niklaas, waarvan hij ook voorzitter werd. Hij werd ook nog voorzitter van het Cultureel Centrum in Sint-Niklaas.

Hoewel hij vocht al jaren een vorm van kanker had, weerhield het hem er niet van om met een groot optimisme te leven en elke dag te omarmen. Als kunstkenner en filosoof bleef hij volop actief in het cultureel leven. Zo zette hij zich onder meer in voor artistieke projecten in de Verbeke Foundation. Daar organiseerde hij  ook ‘Het Feest van de Vriendschap’. “Een dag van dankbaarheid, voor zovele echte vrienden, de échte rijkdom van het leven”, omschreef hij dat initiatief. Ook bracht hij nog verscheidene poëziebundels uit. Het kleine bundeltje ‘Een heiden in een heiligdom’ is daar één van. Dat hij als dichter erkenning kreeg blijkt ook uit zijn deelname aan het Poëziepad Puivelde (een dorp in de gemeente Sint-Niklaas), een poëtische wandelroute van 13 kilometer waaraan ook dichters als Dirk van Bastelaere (1960), Lut de Block (1952) en Jana Arns (1983) deelnamen.

Uit het bundeltje ‘Een heiden in een heiligdom’ koos ik een gedicht zonder titel.

.

Hoe in godsnaam

kan een nijlpaard,

kan een neushoorn

een heuvel opklimmen?

.

Een os ja, dat lastdier

dat stenen sjouwt

en sjouwend sterft.

Of een draak die vliegt,

vuur- en waterspuwend,

dat kan .

.

Maar zwaargewichten

uit Afrika!

Niet.

.

2024!

Bernard Dewulf

.

Ik wens iedereen een heel mooi, gezond, gelukkig en poëtisch nieuwjaar toe. En om het jaar maar meteen goed te beginnen een gedicht van Bernard Dewulf (1960-2023), uit de bundel ‘Licht dat naar ons tast’ een gloednieuwe bundel verzamelde gedichten van deze ons te vroeg ontvallen dichter getiteld ‘Tafereel’.

.

Tafereel

.

Sneeuw etste een ansicht. Oud dorp,

nieuw jaar. In de bocht stond

een voorbeeld van een boom. Waaronder

.

op miljoenen rode sponsjes lagen:

een gedeukte neus en hoed,

confetti en een feestelijke schoen.

.

Verderop de voet die paste, glas

en chroom. de schittering

van puin. De rest was geen gezicht.

.