Site-archief

Barts kale praat aap

Johnny van Doorn

.

Sinds ik, jaren geleden, voor het eerst hoorde (maar vooral zag) van Johnny van Doorn (1944-1991), oftewel Johnny the self-kicker, was ik diep onder de indruk van zijn performance en zijn poëzie. Ik schreef daarom al over hem en de gedichten ‘Een kwiek sexfestijn‘, ‘KOMTOCHEENSKLAARKLOOTZAK‘ en ‘Götterdämmerung’.

Vandaag wil ik daar weer zo’n pareltje aan toevoegen uit de bundel ‘Droom vrijuit’ uit 2014. In het hoofdstuk Verspreid gepubliceerd staan gedichten van Van Doorn. Dit gedicht, samen met nog een gedicht van zijn hand, werd gepubliceerd in het tijdschrift ‘Ratio in 1965. Het gedicht is getiteld ‘Barts kale praat aap’.

.

Barts kale praat aap

.

Zichtbaar de mondadem van R.J.’s exibielen,

De wortels van flats onderaards vertakt,

Het gekrakeel als grillige figuren in

Het vriesvast vizier & ondersteund door

Gestikulaties met lichaam, vliegtuig,

Stenguns, boordwapens & benagst bijeen

Ondergronds in massieve schuilholen,

Op- en onder de korst van de Planeet…

Leeft de Kale-Praat-Aap in Amerikaanse

Legerkostuums, Wehrmachthelmen, Homofiele

Onderkleding, Zomer- en Winterdracht

(Zich monotoon voortplantend in systemen…-

Een fantastisch schouwspel de schim-

Melplekken op aarde gereflekteerd,

Miljoenen mieren opeengehoopt en

Mechanieke zwevers boven zeeën,

Gereflekrteerd in het verhoornde

Oog.

.

Nergens anders

Lidy van Marissing

.

In de bundel ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2025’ staan een aantal gedichten van dichters die ik (nog) niet ken. Een van hen is Lidy van Marissing (1942). Deze dichter, journalist, scenarioschrijver en prozaïst volgde de sociale academie in Amsterdam en werd in 1964 medewerker op de kunstredactie van de Volkskrant, waarvoor zij kunstenaars interviewde. Als dichter debuteerde ze in het literaire tijdschrift Ontmoeting dat tussen 1946 en 1964 werd uitgegeven.

In 1965 kreeg een bundel van haar (die nooit gepubliceerd is) een eervolle vermelding voor de Reina Prinsen Geerligsprijs. Voor het tijdschrift Raster was zij mederedacteur van de boeken die in de Rasterreeks verschenen in de jaren 1972-1975. Voor ze in 1991 als dichter haar eerste poëziebundel publiceerde ‘De plons van een vlok’ publiceerde ze al verschillende prozawerken, toneelwerken en interviews. Na die eerste dichtbundel heeft ze vooral poëzie gepubliceerd. Haar dichtbundel ‘Zoek de lege gebieden’ werd in 2008 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2024 werd de driejaarlijkse Sybren Poletprijs voor experimentele literatuur aan haar toegekend. Haar laatste bundel verscheen in 2024 ‘De verwerping van het stilzitten’ waaruit het gedicht ‘Nergens anders’ is genomen dat in ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2025’ staat.

.

Nergens anders

.

door steeds meer webben

ingesponnen, behangen, met tijd grijs

bestrooid, met hete lucht gevuld en

opgeblazen, verstrikt in onzichtbare draden ben je

zowel adem als stof

.

gedachte in gedachte (droom

in droom), gat in leegte, golf in

zee, wolk in wolk om te blijven

waar je nooit geweest, wie je nooit

was, gevoelde gedachte (gedacht gevoel)

.

‘het denken voltrekt zich in

de taal en nergens anders, zei

hij snedig, waarop zij

zei: was hier maar iemand

die zachtjes ging zingen’

.

 

Geborduurde poëzie

Joost Broere

.

Bij Studio Kers is begin dit jaar de bundel ‘Geborduurde poëzie’ van Joost Broere (1965) verschenen. Rotterdammer Joost Broere, die ernstig ziek is en in een hospice verblijft, debuteert hiermee als dichter die zijn gedichten of tekstjes in de geest van Jules Deelder (1944-2019) en C.B. Vaandrager (1935-1992) de wereld instuurt. Zijn goede vriend en Volkskrant journalist John Schoorl (zelf ook dichter) verzamelde jarenlang de oneliners (ironische en observerende waarnemingen) van Broere (vandaar de omschrijving van Schoorl ‘de best niet-dichtende dichter’) en bracht die tezamen in de bundel ‘Geborduurde poëzie’ als cadeau voor zijn 60ste verjaardag.

De droogkomische, stoïcijnse dichtregels die Schoorl noteerde zullen veel mensen niet direct als poëzie zien. Toch zijn ze heel goed te plaatsen in de absurdistische en ‘niet-poëtische’ gedichten van Vaandrager, Deelder en Riekus Waskowsky (1932 – 1977). Niet toevallig allemaal Rotterdamse dichters. Bijzonder en grappig ook dat Broere helemaal niet de intentie heeft dichter te worden, het lijkt hem een hoop nodeloos gedoe, en tijd ervoor heeft hij ook niet.

Toch verdient deze bundel wat mij betreft een plekje onder de poëziehemel. Heel veel mensen zullen smullen van de ‘gedichten’ van Joost Broere. Daarom hieronder een paar voorbeelden uit deze bundel.

.

Over hartzeer

.

Doet je hart pijn,

eet dan na het wandelen een garnalenkroket

.

Over voortplanten

.

Als de motor
eenmaal loopt

Draait het
vanzelf.

.

Over historisch besef

.

Voor die ene gelegenheid
droeg opa altijd

zijn Duitse tropenbroek.

.

 

Hotsnotgot

Gastblog van Marianne

.

Zoals ik al aangekondigd had schrijft Marianne van Poetry Affairs (en medemaker van MUGzine) af en toe een gastblog in mijn vakantie. Vandaag haar eerste proeve en meteen een hele fraaie.

Hotsnotgot

Wat doet de bidsprinkhaan in Nederland?
Die vraag stelt NRC in een artikel in NRC op 22 februari jl.
Wat blijkt? Nederland is een insectensoort rijker, een van vele nieuwkomers op de Limburgse heide. Nu ben ik niet bijzonder geïnteresseerd in bidsprinkhanen, maar mijn brein bleef er even haken omdat ik afgelopen week wat bladerde in de prachtige bundel ‘Ik herhaal je’ met de mooiste gedichten van de Zuid-Afrikaanse Ingrid Jonker (1933-1965), vertaald door Gerrit Komrij. Daar las ik onderstaand gedicht, waarin de hotsnotgot een rol speelt:

Madeliefies in Namakwaland

Waarom luister ons nog
na die antwoorde van die madeliefies
op die wind op die son
wat het geword van die kokkewietjies

Agter die geslote voorkop
waar miskien nog ’n takkie tuimel
van ’n verdrinkte lente
Agter my gesneuwelde woord
Agter ons verdeelde huis
Agter die hart gesluit teen homself
Agter draadheinings, kampe, lokasies
Agter die stilte waar onbekende tale
val soos klokke by ‘n begrafnis
Agter ons verskeurde land

sit die groen hotnotsgot van die veld
en ons hoor nog verdwaasd
klein blou Namakwaland-madeliefie
iets antwoord, iets glo, iets weet.

Madeliefjes in Nawakwaland

Waarom luisteren we nog
naar de antwoorden van de madeliefjes
op de wind en de zon
wat is er geworden van de koekoeksroep

Achter het gesloten voorhoofd
waar wie weet nog een takje zweeft
van een verdronken lente
Achter mijn gesneuvelde woord
Achter ons verdeelde huis
Achter het tegen zichzelf gesloten hart
Achter prikkeldraad, kampen, townships
Achter de stilte waarin onbekende talen
tuimelen als klokken bij een begrafenis
Achter ons verscheurde land

zit de groene bidsprinkhaan van het veld
en wij horen nog verdwaasd
klein blauw Namakwaland-madeliefje
iets antwoorden, iets geloven, iets weten

.

Pegasus

Catharina Blaauwendraad

.

Zo nu en dan kom ik de naam van een dichter tegen die ik niet ken. Nu zal je denken dat dat niet zo vreemd is maar als je, zoals ik, al ruim 17 jaar dagelijks (de laatste 15 jaar) over poëzie schrijf, dan doen de meeste dichtersnamen wel ergens een belletje rinkelen. Maar niet altijd en is ook zo met de dichter en vertaler Catharina Blaauwendraad (1965). Voor de zekerheid check ik dan altijd nog even dit blog want na bijna 5.300 berichten weet ik ook niet precies meer over wie ik wat wanneer geschreven heb.

Maar over Catharina Blaauwendraad dus nog nooit. Op zichzelf niet heel vreemd want na te zijn gedebuteerd in 2004 met de bundel ‘Niet ik beheers de taal’ verscheen daarna alleen nog in 2009 de bundel ‘Beroepsgeheim’. In 1989 debuteerde zij in het literaire blad De Tweede Ronde, waaraan zij in de loop van de daaropvolgende jaren veel bijdragen zou leveren. Ook trad ze een aantal malen op als gastredacteur voor dit blad. Als vertaler vertaalde ze onder andere ‘Honderd liefdessonnetten’ van Pablo Neruda.

Uit haar debuutbundel uit 2004 nam ik het gedicht ‘Pegasus’.

.

Pegasus

.

Ik heb mij plotseling bedacht

al weet ik niet waarom. Ik jaag

de trappen af

omlaag

omlaag

.

Op straat

heb ik mijn draai verloren

en raak ik buiten adem van zijn naam.

.

Ik sta te zwaaien naar een verre man

en zoek de woorden om hem te herroepen.

.

Dan keer ik op mijn schreden terug

en tel de gaten die mijn hakken

als paardehoeven in ’t plaveisel sloegen.

.

Nog een keer Buddingh’

Vergissen is menselijk

.

Zoals ik op 15 januari al schreef kocht ik in december een paar bundels van de illustere C. Buddingh’ (1918-1985). Schreef ik toen over zijn bundel ‘Deze kant boven’ uit 1965, vandaag gaat dit stukje over de bundel ‘De wind houdt het droog’ uit 1974. De bundel verscheen als Dar pocket, een reeks pockets waar ook bundels van Hugo Claus, Remco Campert, Lucebert, Bert Schierbeek en Adriaan Morriën en nog zo wat dichters verschenen. Maar in 1974 dus als geschreven ‘De wind houdt het droog’. De Dar pockets stonden onder redactie van Oscar Timmers en deze pocket was nummer 14 in de reeks.

De bundel is een poëzieselectie uit eerdere bundels van Buddingh’. Achterin is een chronologie opgenomen, een soort levensbeschrijving tot dan toe. En daar doe ik een verrassende ontdekking. Net als Cees Buddingh’ heb ook ik (weliswaar maar twee jaar) MO A Engels gestudeerd aan de Haagse school voor Taal- en Letterkunde. In de tijd dat Buddingh’ dat deed heette dat nog Middelbaar Engels. Buddingh’ maakte het overigens wel af en haalde er zijn diploma.

Na de chronologie is er ook nog een zeer leuk interview met hem opgenomen, afgenomen door P.J. Stolk. Over de tijd van toen gesproken: de eerste vraag die Stolk Buddingh’ stelt is: “Hoe vind je het eigenlijk, Kees, om met deze elektronische apparatuur zo’n gesprek op te nemen. Ben je geporteerd voor moderne apparatuur?” Buddingh’ geeft hierop een uitgebreid antwoord (hij is wel geporteerd voor moderne apparatuur) want: “Ik vind we moeten geen moderne apparaten uit de weg gaan. Dat is gewoon, ja die staan ons te wachten.”

In de bundel dus gedichten uit de jaren voorafgaand aan 1974. Met op pagina 70 een heerlijk, typisch Buddingh’ gedicht getiteld ‘vergissen is menselijk’.

.

vergissen is menselijk

.

op het schemerige station

stak de jongen

een dikke bruine tong naar mij uit

.

hij tilde zijn rechterhand op,

pakte de tong beet, beet

een stuk eraf en liet

zijn hand weer zakken: het was

.

zijn tong niet, maar een kroketje

.

Caroline

Taalverruwing versus taalvervlakking

.

Tussen 1997 en 2004 verzorgde Driek van Wissen (1943-2010) in het radio- en televisieprogramma Binnenlandse Zaken van de TROS een rubriek met de titel ‘Kritiek van Driek’. In deze rubriek, herinner ik me, mocht hij graag commentaar geven, al dan niet met een vette knipoog op de taalverruwing. Overigens ging deze taalverruwing vaker over het ontbreken van enige logica in de Nederlandse taal en grammatica dan over echte taalverruwing.

Ik moest hieraan terugdenken toen ik in de bundel (met CD) ‘Dat lijkt warempel sandelhout’ van Frank van Pamelen uit 2003 het gedicht ‘Caroline’ las. In eerste instantie denk je tegenwoordig bij zo’n naam een een ‘politica’ met diezelfde naam, maar in dit geval betreft het niemand minder dan Caroline Tensen, of zoals van Pamelen haar in het gedicht noemt Tenzen.

Van Pamelen (1965) stond in MUGzine #8 (samen met een aantal andere light verse dichters) en is in de light verse kringen een zeer bekende en gewaardeerde naam. In de bundel ‘Dat lijkt warempel sandelhout’ neemt hij Caroline Tensen op de hak en dan vooral de manier waarop zij het Nederlands uitspreekt (op de manier waarop men in het Gooi woorden verbastert). Misschien kan René Appel een keer het DNA van Caroline Tensen in de Taalstaat bespreken (als hij dit niet al een keer gedaan heeft).

.

Caroline

.

Taalvernieuwing kent geen grenzen

Dankzij Caroline Tenzen

.

Want zij is op dat gebied

Zerieus mijn vavoriet

.

Steeds wanneer zij talenknobbelt

(in een kenniskwis bevobbeld)

.

Roept zij met een luide sreeuw:

Goh, u weet wel heeuw ejg veeuw!

.

Ach, de taauw waar ik van hieuwd

Wordt door haar voorgoed vernieuwd…

.

Levens-vreugde in den dood

De Tachtigers

.

Ik heb al veel geschreven over verschillende stromingen in de poëzie. De Vijftigers, de Zestigers, Nieuwe Realisten, de Maximalen, maar ik kwam erachter dat ik nog nooit een blog gewijd heb aan de Tachtigers. Ik heb wel aan verschillende vertegenwoordigers van de Tachtigers individueel aandacht besteed maar aan de stroming als zodanig nog niet. Een omissie kortom. Daar gaat nu verandering in komen.

De Tachtigers vormden een vernieuwende beweging binnen de Nederlandse kunst en met name binnen de Nederlandse literatuur die van ca. 1880 tot 1894 bestond. In het werk van de auteurs die tot deze beweging worden gerekend kwamen het impressionisme en naturalisme sterk naar voren. De Tachtigers zijn gevormd uit een groep jonge studenten en kunstenaars, geboren tussen 1855 en 1865, voornamelijk afkomstig uit Amsterdam en omgeving, die elkaar vonden in de afkeer van de victoriaanse wereld die Alphons Diepenbrock later zou beschrijven als ‘de afschuwelijke vulgariteit van de bureaucratenwereld der ‘letterkundigen’.

Ze zijn vooral van belang vanwege de vernieuwing die zij aanbrachten in de poëzie en de sterke onderlinge band die de meesten van hen aanvankelijk met elkaar hadden: zij kenden elkaar van hun studies of van sociëteiten, correspondeerden intensief met elkaar leenden elkaar geld en investeerden in hun in 1885 vol elan opgericht nieuw literair tijdschrift De Nieuwe Gids, dat vooral in de begintijd over het algemeen met de beweging werd vereenzelvigd en zich sterk afzette tegen de reeds bestaande, meer behoudende De Gids, dat verscheen sinds 1837.

Naast De Nieuwe Gids werd ook het  weekblad De Amsterdammer een belangrijk medium van de beweging. Hoewel het vooral een literaire beweging betrof, waren er ook kunstschilders en componisten die zich met de beweging associeerden, zoals de eerder genoemde componist en schrijver Alphons Diepenbrock (1862-1921).

Belangrijkste dichters uit de beweging van de Tachtigers zijn Willem Kloos, Herman Gorter, Hélène Swarth, Albert Verwey, Hein Boeken, Franc van der Goes en Jacques Perk en in hun voetspoor ook een dichter als Augusta Peaux.

Nico Donkersloot (1902 – 1965, pseudoniem Anthonie Donker)  hoogleraar Nederlands, letterkundige, essayist, schrijver, literair vertaler en dichter, publiceerde in 1935 ‘De gestalten van tachtig, bloemlezing uit de poëzie der tachtigers’. Uit deze bloemlezing koos ik het gedicht ‘Levensvreugde in den dood’ van Willem Kloos (1859-1938). Het gedicht werd genomen uit de bundel ‘Verzen III’ uit 1913.

.

Levens-vreugde in den dood

.

Zoudt ge, als gij doodgaat, menschen, en gij ligt,
Met brekende oogen in ’t aetherisch-teêre
Masker der trekken, niet nog even keeren,
Voor de allerlaatste maal, uw bleek gezicht
.
Naar ’t door de ruiten binnenstormend licht…?
’t Zal u niet wonden met zijn gloênde speren!
Laat het u schroeien zelfs….! wat zou ’t u deren?
Haast sluit gij voor eeuwig uw oogen dicht….
.
Dan zal die gloed op de wijde onbewustheid,
Waar heel uw wezen in henen-koelt,
Liggen, verzacht, als een zoete gerustheid,
Dat gij toch vroeger iets schoons hebt gevoeld
‘.
In dat nu mystische, verre verleden,
Toen in het zonlicht zich repten uw leden….
.
.

Deze kant boven

C. Buddingh’

.

Vorige maand heb ik een paar oudere bundels van C. Buddingh’ (1918-1985) gekocht en lezend in deze bundels wordt mijn waardering voor Buddingh’ als dichter steeds groter. Waar ik in het verleden nog weleens dacht dat Buddingh’ de boel in de maling nam met korte gedichten die vooral grappig waren en die je snel weer vergat, nu kijk ik daar toch wat anders naar. Zijn fantasie en manier van dichten is zo eigen. Een gedicht van Buddingh’ pik je er zo uit. De typografie, zijn eigenzinnige kijk op de taal en de poëzie, en zijn experimenteerdrang kenmerken zijn gedichten.

Op de achterkant van de bundel ‘Deze kant boven’ uit 1965 lees ik: “Jaren vóór de experimentelen het bolwerk der vaderlandse poëzie bestormden en innamen schreef hij experimentele gedichten; jaren vóór ‘de nieuwe stijl’ op haar beurt een knuppel in onze zwanenvijver wierp, vloeide uit zijn puntige pen het soort poëzie waarop deze jongste stroming in onze dichtkunst haar program zou baseren”.

In deze bundel staan nog steeds de korte puntige (bijna Luule-achtige) gedichtjes als:

.

spreker

.

de spreker betoogde

wat betoogde de spreker?

ja, dat zei de spreker niet

.

Maar ik kwam ook een wat langer, inhoudelijker gedicht tegen, getiteld ‘improvisatie’ met een motto van de Franse dichter Paul Eluard (1895-1952) ‘le ciel change’ ( De lucht verandert). Dit gedicht wil ik hier graag met jullie delen.

.

improvisatie

.

le ciel change

paul eluard

.

welaan dan: de lucht verandert:

er komen kleine witte wolkje, ziet u wel

(de meteorologen zullen er ongetwijfeld

een naam voor hebben) ze drijven op blauw

(denkt u, maar vanzelfsprekend

is dat gezichtsbedrog)

als mollige meisjes in een natuurbad-

jaja als ik het niet dacht:

natuurlijk moeten er weer meisjes bij komen

(u kunt ook geen vijf minuten

zonder erotiek)

nu vooruit dan, van mij mag het: droom dus gerust

van mollige jonge meisjes

als u naar een stel schapewolkjes kijkt

.

(de zinnen zijn er tenslotte)

.

Dichters bij elkaar

Singel 262

.

In 1967 gaf Em. Querido Uitgeverij N.V. de bundel ‘Dichters bij elkaar’ uit, een jaarboek van Singel 262 die geheel aan poëzie gewijd was. De dichters van Querido werd gevraagd een ongepubliceerd gedicht aan te leveren en een aantal heeft ook een essay over hun dichterschap geschreven. De titel Singel 262 is gelinkt aan het adres van Querido. De jaarboekjes verschenen van 1951 t/m 1990 en een aantal keer waren dichters en gedichten onderwerp van zo’n jaarboekje. De eerste keer in 1952 en in 1967 voor de vierde maal.

Bij de keuze van de essays heeft men destijds gestreefd naar een verscheidenheid van generaties zodat de ontwikkeling van de poëzie in Nederland via een aantal opvattingen tot uiting kwam. Een bundeling van dichters, gedichten en hun opvattingen over het dichterschap. Dit alles heeft een interessante en levendige bundeling van gedichten en inzichten opgeleverd.

Uit de vele dichters die vertegenwoordigd zijn in dit jaarboekje koos ik voor de dichter Anthonie Donker (1902-1965). Donker of Nico Donkersloot zoals zijn volledige naam luidde, was hoogleraar Nederlands, letterkundige, schrijver, essayist, dichter en literair vertaler. Anthonie Donker gebruikte ook de pseudoniemen Aart van der Alm, Siem de Maat en Maarten de Rijk.

Hij debuteerde in 1926 met de bundel ‘Acheron’ en bleef tot aan zijn dood essays, dichtbundels, biografieën en vertalingen produceren. Als vertaler werd Donkersloot bekend door zijn vertaalde werk van onder meer Coleridge, Goethe en Feuchtwanger. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor de plaquette (naast de deur in de buitenmuur aan de Van Alkemadelaan) die daar in 1949 onthuld werd ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte.

.

Een Breughel

.

De blindeninrichting gaat uit. Vijf uur

Een Breughel wordt de Amsterdamse tram.

Zij staan iets te rechtop, onzeker stram,

met het gezicht aldoor als naar de muur.

.

Hun blik is lichtloos, van een wit glazuur.

Alsof hij plots een andere route nam

rijdt door hun nacht de Amsterdamse tram,

door vreemde sferen zonder verf of vuur.

.

Hun vingers die volleerd zijn in het voelen,

baggernetten knopen en matten stoelen,

vinden de weg in het donker op den duur.

.

Zij staan, als knotwilgen in de natuur.

Zij weten niet wat wij ermee bedoelen

dat de duisternis invalt op dit uur.

.