Site-archief

Waarom is oude/moderne poëzie zo lastig te lezen?

Oude versus moderne poëzie

.

Filosoof Charles Taylor schrijft in een artikel in The New York Review: “In de loop van de tijd moest de moderne poëzie steeds subtieler en verrassender worden om de verwachtingen van de lezer te overtreffen en hem of haar open te stellen voor de ervaring van transcendentie.”. Op de weblog van ene Arne staat de schrijver stil bij de verschillen tussen ‘oude’ en ‘moderne’ poëzie maar hij schrijft vooral over de vorm. Dat is één aspect maar er is natuurlijk veel meer dan vorm. Denk aan inhoud, thema, rijm, voordracht, post modernistische elementen, taalgebruik, gebruik van andere talen, lengte en ga zo nog maar even door. Ik schreef er afgelopen week al over.

Oude poëzie is moeilijk te lezen omdat ze in ouderwetse taal geschreven is. Het werk van de Tachtigers is prachtig, maar het is niet altijd eenvoudig te lezen, tenminste in eerste instantie, totdat je er een heleboel van gelezen hebt, je er meer begrip voor en van krijgt en er warm voor loopt.

Nieuwe poëzie is moeilijk te lezen omdat poëzie zogenaamd lastig en obscuur is. Ik heb me altijd afgevraagd waarom dat zo was. Zelfs Remco Campert, bijvoorbeeld, die misschien wel de meest leesbare en toegankelijke beroemde literaire dichter van de vorige eeuw is (ik sluit hierbij de liedschrijvers uit), schrijft op die beknopte manier. Ik las ergens op een site over literatuur iemand die schreef dat Dickens maar door bleef gaan omdat hij per woord betaald werd. Het lijkt er vaak op dat moderne dichters betaald worden naar een omgekeerde verhouding tot het aantal woorden dat ze gebruiken (zeker als je de vele Instagramdichters bekijkt die natuurlijk beperkt worden door het medium waarop zij hun poëzie publiceren) maar het tegenovergestelde is ook waar; veel dichtbundels van nu staan vol behoorlijk lange prozaïsche gedichten. Gedichten waarbij het onderscheid tussen vrij korte verhalen en gedichten nauwelijks meer te maken is.

Terug naar Taylor. Dichters proberen altijd de ervaring van transcendentie vast te leggen, en één manier om dat te bereiken is door iets nieuws en onverwachts te doen. Zo is het ook met muziek. Net als bij muziek werkt innovatie soms bij poëzie. Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky geldt als één van de meest revolutionaire werken van de 20ste eeuw. Het klinkt vernieuwend en, vergeleken met oudere muziek, moeilijk te volgen, maar het klinkt op zichzelf al goed. Sommige andere moderne muziek klinkt echter gewoon… modern. Ik denk dat er tegenwoordig (eigenlijk al zo’n honderd jaar) veel druk op componisten ligt om ofwel poppy te klinken, ofwel innovatief, “poëtisch” in de zin van veel informatie overbrengen met weinig melodieën.

Maar goed, terug naar de literatuur. Sommige proza ​​is zo innovatief en experimenteel dat het moeilijk te volgen is. Poëzie is een ander verhaal. Dat komt waarschijnlijk doordat poëzie streeft naar die ongrijpbare ‘ervaring van transcendentie’ het boven jezelf uitstijgen of het overstijgen van de dagelijkse realiteit. Wanneer dichters dat nastreven en dit doen in de traditie van het hier en nu, en dus gebruik makend van alle mogelijkheden die de dichter ter beschikking staan om moderne poëzie te schrijven, dan kun je spreken van moderne poëzie. En is dat moeilijker of makkelijker te lezen dan oude poëzie? Ik denk dat dat vooral te maken heeft met je eigen kader. Lees of heb je veel oude poëzie gelezen dan is moderne poëzie misschien niet altijd (makkelijk) te volgen. Ben je opgegroeid met moderne poëzie dan is het doorvoelen en begrijpen van oude poëzie waarschijnlijk minder makkelijk. In beide gevallen is interesse in poëzie in algemene zin een goed uitgangspunt tot begrip én daarna genieten van wat dichters uit alle tijden te bieden hebben.

Om dit betoog te beëindigen wil ik hier twee voorbeelden van oude en moderne poëzie delen. Mag jezelf bepalen wat je het meest aanspreekt en waarom. Het eerste gedicht is van de dichter J. Slauerhoff (1898-1936) getiteld ‘Voorwereldlijk landschap’ uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ (1973) en werd voor het eerst gepubliceerd in 1923. Het tweede gedicht is van Maxime Garcia Diaz (1993) zonder titel uit haar bundel ‘Het is warm in de hivemind‘ uit 2021, dus 74 jaar later gepubliceerd.

.

Voorwereldlijk landschap

Door ’t slikmeer breken smalle steenkoollagen
Als zwart ijs, bovenop met asch beslagen.
Het glanst op versche breuken en verbrokkelt snel.
Verre springbronnen sissen hoog en fel,
Het dieptegas welt op, dampbellen bersten.
Een mastodont, verdwaald van ’t grondig land,
Plonst door een zware laan moerascypressen,
Zakt af in ’t dras, opstekend slurf en tanden:
Twee spitse blaren bij een kronkelende plant.
Zaagtandige bekken gapen uit het drab.
Over schubstammen beent een monsterkrab.
Boomvarens groeien sterk op lage randen.
De zon staat groot en vaag, een ronde damp, te branden.
.
*
ive trough this w/ me

meisje
w/ the most cake

het aangekoekte kwaad tussen onze tenen
in de kromming van onze oorschelpen

de reiniging dient zich aan
we hebben een aard en we traceren
haar contouren
live through this w/ me, meisje

eetstoornisgrapjes schotelpupillen
het moment dat je geest boven het bed
zweeft, naar beneden kijkt & geil wordt
van zijn lelijkheid, jouw
jonge bloeiende cinema
het etteren van de zweren
op je hersenen, de wratten op je tong
smijt je lichaam tegen een muur en ontdek
hoe je botten breken, op welke plekken,
en vooral: wanneer

(…)

Jenny schrijft
you should limit the number of times
you act gaainst your own nature. it is interesting
to test your capabilities for a while,
but too much will cause damage.

achter de horizon wacht het uitsterven
voor nu lijkt rotten op bloeien, ruikt
bijna hetzelfde
voor nu heb ik geen honger meer
ik heb de hele middag in een bushokje
gezeten (neorexisch koninkrijk)
met euroshopper & amnesia haze
en een amerikaanse tiener
opgekruld in een hoekje als een
suburban spook, zielige zieke ideeën
& een meisje (girl of the geist)
that promised to live through this
with me

Structureel geweld

Gerard Reve

.

Dat Gerard Reve (1923-2006) niet alleen wereldberoemd in Nederland is door de roman ‘De Avonden’ mag de regelmatige lezer van dit blog wel bekend zijn. Overigens een leuk feitje; in het voormalig museum Meermanno Westrenianum, tegenwoordig het museum van het boek in Den Haag, is een zaal helemaal gewijd aan deze roman. In een groot aantal vitrines zijn van elke druk van de roman een exemplaar te zien, in totaal maar liefst 70 drukken. Nog een weetje; Er is drie keer een 4de druk gemaakt, twee keer een 59ste en twee keer een 61ste. En de 47ste druk ontbreekt, heb je die in huis kun je contact opnemen met het museum, ze zouden hem graag toevoegen.

Maar dit blog is gewijd aan poëzie, dus terug naar Reve als dichter. Schreef ik al eerder over het reisbrievenboek ‘Nader tot U‘ uit 1966, ‘Het zingend hart‘ uit 1973 en ‘Verzamelde gedichten’ uit 1987, vandaag wil ik het nogmaals over zijn bundel ‘Zingend hart’ hebben. In deze bundel weer veel gedichten die over het geloof gaan of daar mee te maken hebben. Zusters, heiligen en God, ze worden allemaal meegenomen in de gedichten van Reve. Maar er is ook voor hen die niets met het geloof te maken (willen) hebben veel te genieten. Zo is er een gedicht gewijd aan kunstbroeder Carmiggelt, de Boekenweek in 1973 en een gedicht voor zijn 47ste verjaardag. En het gedicht ‘Structureel geweld’. En dat wil ik hier graag met jullie delen.

.

Structureel geweld

.

Terwijl hij zijn 14de flesje pils uit de krat trekt

en met de wipper, zonder kijken, kreunend openduwt

-zoals de orang oetan, zonder zijn blik van het publiek te

wenden,

een pinda tussen zijn duim en dierenvinger knappend pelt-

klaagt Hugo R. luid tot mij voort:

‘Mijn lijn wordt afgetapt. Al maanden.’

‘Je wàt wordt afgetapt?’

‘Mijn telefoon. Ik wordt afgeluisterd: het klikt.’

‘Ongehoord,’ zeg ik, terwijl ik denk:

‘Wat valt er bij jou af te luisteren?’

.

Protocol

Willem Thies

.

Dichter Willem Thies (1973) debuteerde in 2006 met de dichtbundel ‘Toendra’. Hij kreeg hiervoor de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. In 2008 verscheen ‘Na de vlakte’ en deze bundel werd in 2009 genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Gedichten van Thies verschenen in verschillende bloemlezingen en in verschillende literaire tijdschriften als Passionate, De Tweede Ronde, De Brakke Hond, Krakatau, en Hollands Maandblad.

Thies stond op verschillende podia zoals Winternachten (2007), Stukafest (2014) en De nacht van de poëzie (2018). Naast poëzie schrijft hij poëzierecensies voor de recensiewebsite Poëzierapport, onderdeel van literair weblog De Contrabas.

In 2024 verscheen zijn vooralsnog laatste bundel ‘Wachtend op instructies’. Rob Schouten schrijft in zijn recensie op Trouw.nl over deze bundel: “Thies is een dichter die zich er niet makkelijk van af maakt. Hij zoekt essenties op, wil raadsels ophelderen, mysteries ontsluieren. Het bijzondere is echter dat zijn gedichten, die die pogingen weerspiegelen, helder zijn, objectief haast; ‘onpersoonlijk’ is bij hem geen scheldwoord maar een aanbeveling.”

Uit de bundel koos ik het gedicht ‘* Protocol’ dat wat mij betreft mooi aansluit bij wat Schouten ‘mysteries ontsluieren’ noemt.

.

* Protocol

.

Engelen hebben geen taal, niet werkelijk, ze spreken

volgens een communicatieprotocol.

De mens – een dier dat wil

en speelt

en eet en drinkt en weerstand voelt

en weigert en neigt –

.

Engelen hebben geen taal. Satellieten tollen

rond de wereld tot

een vleugel afbreekt of vlam vat.

.

– de mens wordt bewogen door het verlangen hitte

en ijzige kou te vermijden, een weldadige plek

te vinden en daar te blijven.

.

De mantel

Annemarie Estor.

 

Ik kreeg van Annemarie Estor een uitnodiging voor de presentatie van haar nieuwe verhalende gedicht ‘Het overschot’ dat 18 mei aanstaande verschijnt bij uitgeverij Wereldbibliotheek. De presentatie is bij filosofisch huis Het Zoekend Hert, in Antwerpen. Tijdens de presentatie zal filosoof Bart Loos en auteur Annelies Verbeke met Annemarie Estor dieper ingaan op dit nieuwe werk. Reserveren kan bij Het Zoekend Hert. Dit zijn altijd hele leuke en zeer informatieve bijeenkomsten. Helaas kan ik niet aanwezig zijn maar ik kan hier wel een gedicht van Annemarie Estor met jullie delen.

Annemarie Estor (1973) is dichter en essayist. Zij woont en werkt afwisselend in Antwerpen (België) en Aragon (Spanje) en ze is in mei van dit jaar vijftien jaar auteur. Ze debuteerde in 2010 met de dichtbundel ‘Vuurdoorn me’ en sindsdien verschenen verschillende boeken en gedichten van haar hand in een aantal gevallen samen met andere dichters en illustratoren als Lies Van Gasse, Joke van Leeuwen en Piet Gerbrandy.

In 2018 verscheen ‘Niemandslandnacht’ een crime poem en daaruit komt het gedicht ‘De mantel’.

.

De mantel

.

Ik zit in mijn kamer
en draag de mantel van de dood.

Hij is nog warm van jouw lichaam.
Hij ruikt.
Naar je zorgen.
Naar je zwerftochten.
Naar je orgasmes.
Naar je willen-weten.

En je bent er niet.

Straks,
als ook ik ben verdwenen,
ruikt hij waarschijnlijk naar mij.
Naar mijn lafheid.
Naar mijn gemakzucht.
Naar mijn nagellak
en mijn pannenkoeken met honing.

Ach, mantel, wade
voor de aftocht uit dit ademruim,
waar van alles nog af moet,
en onder zo veel voorwaarden.

Ach, mantel, voorhang
voor die ongekende ruimtetijd
waar de rook uit elkaar spat tot slordige tulpen,
waar de wijn door kelders trekt in purperen wolkenformaties,
waar de liefde wit als napalm je geslacht in brand steekt
om nooit meer weg te ebben.

Ik zit tussen muren van beton
die de mens uitlachen
om zijn zoeken naar betekenis.

Daarom vraag ik u,
bot van onze schedels,
os frontale, bot aan het front,
krommend Jupiter-brein,
buig u over ons
als het dak van het Pantheon.

Verander de bedompte bedstee van ons brein
in portalen vol bochtige pilaren en dartele gewelven
waar wij elkaar oneindig op de monden kussen,
tot het dondert in het oudste sterrenstelsel
dat zich aan ons voordoet als een blauwe kikker
slapend onder een blauwe mantel in een koude nacht.

.

Oudervergadering

Armand van Assche

.
Opnieuw ben ik op een dichter gestuit die ik nog niet kende. In dit geval was dit de Vlaamse dichter Armand van Assche (1940-1990). Van Assche studeerde Germaanse filologie en toegepaste psychologie aan de KU Leuven, waar hij ook promoveerde en wetenschappelijk medewerker werd (literatuurdidactiek en receptie-esthetica). Hij gaf ook lange tijd les op een middelbare school in Sint-Niklaas. Van Assche was poëzierecensent bij verschillende literaire tijdschriften (Ons Erfdeel, Poëziekrant, Vlaanderen en DWB).

Hij debuteerde in 1973 met de bundel ‘De chemie van de dauw’. In deze bundel richt zijn poëzie zich onder meer op de relatie van mens en technologie. De bundel werd bekroond met de zesde poëzieprijs van de stad Tielt.

Ander dichtbundels van hem zijn ‘Even boven het evenwicht’ (1978), ‘Cel’ (1981) en ‘Voorgevoel’ (1992). Van Assche schreef ook gedichten voor kinderen: ‘De zee is een orkest’ (1978) en ‘Haartjes op mijn arm’ (1984), die in 2002 samen werden gebracht in ‘Soms kietelt het’.

Uit zijn debuutbundel komt het gedicht ‘Oudervergadering’.

.

Oudervergadering

 

Uw dochter, oogappel en doorn in het oog,
is een zes waard,
goede middelmaat, geen moeilijkheden,
niet actief, niet passief,
zij kan het halen.

Terwijl haar deugd en ontembare
leergierigheid wordt opgehemeld,
zie ik u wakker liggen
als zij om twee uur ’s nachts
de sleutel omdraait;
uw sleutel op de toekomst.

Overigens, geen klachten.
Op een school, met faam,
met beproefde bakvorm
(de creativiteit van de folder)
staat uw dochter onder de hoede
én de vakkennis van
een wiskundige, een fysicus,
een bioloog, een taalkundige…
Al is het een puzzel, mevrouw,
iedere leerkracht legt
zijn stukje naadloos.
Zij wordt bedrijfsklaar
en desnoods met handleiding afgeleverd.

Slaap dus op beide oren.

.

Nacht van de poëzie

Kasper Peters

.

Gisteravond en vannacht was ik op de 41ste Nacht van de Poëzie in Utrecht. Ik zal daar later deze week iets meer over schrijven. Vorig jaar was de eerste keer dat ik er was en ik vond het geweldig. Elk jaar wordt van de deelnemende dichters een gedicht opgenomen in een bundeltje dat elke bezoeker krijgt uitgereikt. In 2022 (editie 39) was de titel ‘de huizen zijn nog donker en de dromen nog niet af’. Een regel uit een gedicht van Joke van Leeuwen.

In dat bundeltje staat ook een gedicht van Kasper Peters (1973). Ooit stond ik al eens samen met deze voormalige stadsdichter van Groningen op een podium in Hoogeveen (zonder dat ik me daar overigens bewust van was) en schreef ik al eens een stuk op dit blog over hem naar aanleiding van zijn bundel ‘Kapitein in hangmat’ uit 2022. Uit datzelfde jaar dus uit de Nacht van de Poëziebundel zijn gedicht ‘Lucht op tenen’.

.

Lucht op tenen

.

een jongen eet voor zijn deur

een hap lucht als een toetje

.

lucht eet je zonder lepel

op je tenen in een rondje

.

kleine happen vullen zijn buik

met de smaak van de avond

.

hij lijkt op een ballon

zachtjes verend op zijn tenen

.

een happer van lucht

leeft licht na het eten

.

Bij een portret van W.H. Auden

J. Bernlef

.

In de categorie dichters over dichters vandaag een gedicht dat J. Bernlef (1937-2012), schrijver, dichter en vertaler, schreef over de Brits-Amerikaanse dichter, essayist en literatuurcriticus W.H. Auden (1907-1973). Eigenlijk gaat het gedicht over een portret van W.H. Auden.  Bernlef heeft in dit gedicht beschreven wat hij zag in het portret (waarschijnlijk een schilderij gezien de beschrijving) op zijn geheel eigen manier.

Het gedicht ‘Bij een portret van W.H. Auden’ verscheen in zijn bundel ‘Stilleven’ uit 1979.

.

Bij een portret van W.H Auden

.

Steeds verder drong het landschap

tot je door, ondergronds werkende lagen

dreven splinters en scherven

dwars door je schedel omhoog

zodat je haren te berge

en bij de herinnering braken

achter je dichtgemoffelde ogen

de geharnaste vlag, de gerafelde rat

.

Nu ligt ook jouw gezicht

als een verkreukelde prop

in verkavelde velden

je bent er niet meer maar

toch ontkomt niemand je blik

wordt iedereen bang

en sindsdien met de helm op geboren

een slot op de mond

een prop in zijn oren en

jouw tong in zijn wang.

.

Schilderij: Dawn Hurton

Herman de Coninck

Twee gedichten voor Hans Lodeizen

.

Het is alweer enige tijd geleden dat ik een gedicht van één van mijn meest favoriete dichters aller tijden, Herman de Coninck (1944-1997) hier op dit blog deelde. In ‘De gedichten’ uit 1998, is een gedicht opgenomen bij de verspreidde gedichten, dat komt uit  ‘Ruimten’ jaargang 4 nummer 13/14 uit 1965. In dit literair magazine verscheen het gedicht van de Coninck getiteld ‘twee gedichten voor hans lodeizen’.

Dit magazine met nieuwe realistische poëzie verscheen tussen 1961 en 1973. Ruimten werd opgezet met de bedoeling de lezer kennis te laten maken met de literaire producten van de allerjongste generatie, studenten aan de universiteiten van Gent, Brussel, Leuven en aan de hogeschool van Antwerpen.

En, zoals de redactie het in 1961 in het eerste nummer in het voorwoord schreef: ” de redaksie houdt zich geen vast (politiek) programma voor ogen, wat aan de gemiddelde lezer van vlaamse tijdschriften hoogst ongeloofwaardig en ongebruikelijk zal voorkomen. wij zullen echter met genoegen alle politieke kwesties, die in ons laag landje zoveel geesten tot op zo verafgelegen gebieden blijken geboeid te houden, naar het andere einde van de wereld wensen bij onze literaire bezigheden. dit betekent helemaal niet dat wij ons buiten het aktuele tijdsgebeuren plaatsen om ons op te sluiten in een ivoren toren.”

Het gedicht van Herman de Coninck is geschreven voor mededichter Hans Lodeizen (1924-1950), waarmee hij zich in goed gezelschap begeeft. Andere dichters die gedichten over Lodeizen schreven waren Simon Vinkenoog (1928-2009) en  Heere Heeresma (1932-2011). Het gedicht van Herman de Coninck bestaat uit twee gedichten.

.

Twee gedichten voor Hans Lodeizen

.

1.

.

voor ik zal sterven wil ik

alle mensen toelachen zei hij

en ging op reis naar alle mensen

en lachte en lachte

.

maar onderweg stierf hij

van verdriet.

.

2.

.

sterven is mooi dacht hij

kijk maar naar de zon

en ze stierven lang samen

tot het water van de nacht

hen overspoelde hij deinde uit

zo wijd als hij maar wezen wilde

en werd het water

waarin hij verdronken was.

.

Stof

Redbad Fokkema

.

Lezend in de bundel ‘Je bent mijn liefste woord’ Gedichten voor bijzondere momenten uit 2015 en samengesteld door Anne Vegter, kwam ik een gedicht tegen van een mij volledig onbekende dichter. Deze dichter Redbad (Ludger Klazes) Fokkema (1938-2000) was naast dichter, literatuurhistoricus en docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. Daar promoveerde hij in 1973 op de poëzie van Gerrit Achterberg met ‘Varianten bij Achterberg’. In 1979 schreef hij over de Vijftigers de studie ‘Het komplot der Vijftigers’. In 1999 stelde hij de bundel ‘Aan De Mond Van Al Die Rivieren’ samen, een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945.

In 1980 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Elke dag is de eerste’ waarna het tien jaar duurde voordat hij met een opvolger kwam getiteld ‘Het doek van de dag’ (1990). Thema’s in de poëzie van Fokkema zijn tijd en eeuwigheid, taal en verbeelding en het eigen verleden. Voor de poëziecriticus die Fokkema was, was poëzie een vorm van communicatie waarbij vorm en inhoud beide een centrale rol spelen. Wie dit communicatieproces wil doorgronden, dient zijn aandacht te vestigen op de manier waarop de taal in een bepaald gedicht gestructureerd is. Goede poëzie koppelt een oorspronkelijke thematische inhoud aan een ingenieuze en verzorgde poëtische vormgeving.

Het is bij deze twee bundels gebleven. De bundels werden niet in grote oplages gedrukt dus Fokkema heeft nooit een groot publiek gekend. De weinige aandacht die er was voor de bundels was wel positief. Niet dat ik alle dichters uit het Nederlands taalgebied ken, verre van, maar het maakte me wel duidelijk waarom ik de naam van Fokkema als dichter niet kende. In ‘Je bent mijn liefste woord’ is het gedicht ‘Stof’ opgenomen uit de bundel ‘Het doek van de dag’.

.

Stof

.

Als ik van je dood mag gaan

leg mij dan weg en zeg: het

is zo niets. Strijk de plooien

glad, en laat in godsnaam

bloemen na die niet bestaan.

.

Water

De vrouw die van Picasso bleef houden

.

In de bundel ‘De vrouw die van Picasso bleef houden’ uit 2020, beschrijft de Engelse dichter Julia Blackburn in een vertaling van Paul van der Lecq, de geschiedenis van het Franse model Marie-Thérèse Walter, de muze van Pablo Picasso. Zij was zeventien toen ze Picasso (1881-1973) ontmoette, Picasso was zesenveertig en getrouwd. In tweeënveertig gedichten brengt Julia Blackburn (1948) de stem van Marie-Thérèse tot leven om zo het verhaal te vertellen over haar relatie met Picasso.

Van 1927 tot 1935 was ze de muze van Picasso en zij was de inspiratie van Picasso voor talloze kunstwerken en sculpturen. Ze hebben samen een dochter uit die relatie. In 1936 kreeg Picasso een nieuwe geliefde Dora Maar, maar hij bleef Marie-Thérèse en hun dochter Maya zien en schilderen. Na Picasso’s dood vond Walter het moeilijk om zonder hem verder te leven. Op 20 oktober 1977, vier jaar na de dood van Picasso, pleegde ze zelfmoord.

De gedichten van Julia Blackburn hebben Picasso’s liefde voor de vrouw die misschien wel zijn belangrijkste minnares was als basis, maar zoeken vooral een verklaring voor Marie-Thérèses verliefdheid op de man die haar leven volledig zou domineren. De tweeënveertig gedichten in de bundel hebben eenvoudige korte titels en zijn allemaal voorzien van een illustratie van kunstenaar Jeffrey Fisher (1952). Ik koos voor het gedicht ‘Water’ omdat in dat gedicht de ‘grote kunstenaar’ Picasso wordt teruggebracht tot een mens van vlees en bloed.

.

Water

.

Ik kon goed zwemmen

maar hij

kon helemaal niet zwemmen.

.

Ik zag hem eens

tot aan zijn schouders

in zee staan,

en zich met een trage crawlslag

lopend voortbewegen,

met een ingespannen

en in zichzelf gekeerde blik.

.