Site-archief
Grote broer
Esther Naomi Perquin
.
In de grote genderdiscussie van tegenwoordig vergeten we wel eens dat meisjesachtige jongens en jongensachtige meisjes van alle tijden zijn. Door de openheid van nu en de mogelijkheden om ook daadwerkelijk te kunnen transformeren is er nu een dimensie bij gekomen. En dan zijn er de jongens en meisjes die zich misschien wel eens even van de andere sekse voelen maar daar verder geen consequenties of vergaande gevoelens bij kennen.
Toen ik het gedicht ‘Grote broer’ las van Esther Naomi Perquin (1980) uit haar bundel ‘Namens de ander’ uit 2009 (waar ze de J.C. Bloempoëzieprijs 2011 mee won) moest ik hieraan denken. Vooral de laatste regel van dit gedicht is voor mij veelzeggend.
.
Grote broer
.
Geen vader of moeder om ons uit de bomen te halen
voor eten of slaap, de klimrijkste zomer in jaren.
.
Ik wilde geen staart, scheurde jurken aan flarden,
raakte met haren in takken verward – jij haalde
een schaar en ik werd een soldaat maar
het zwaard was zo zwaar en het schild
kreeg ik niet van de grond.
.
Je schreeuwde me hoger – ik klom dus en klom.
Warmte trok in de bomen, tot diep in de nacht
lag jij als een dier op de onderste tak.
.
Er konden geen leeuwen of moordenaars komen.
Ik hield, voor een meisje, uitstekend de wacht.
.
Lachez tout
Simon Vinkenoog
.
Ter gelegenheid van het bondscongres van de Dienstenbond FNV in 1989 werd een eenmalige uitgave gepubliceerd getiteld ‘Congressen’ gedichten. Deze bundel werd samengesteld door Coot van Doesburgh (1943), gedrukt in een oplage van 2.000 stuks en niet commercieel verhandeld. In het voorwoord stelt Coot van Doesburgh zichzelf drie vragen: waarom heeft men haar gevraagd? Op de achterkant van de bundel staat dat ze (behalve voor privégebruik nog nooit in haar leven een gedicht heeft geschreven. Waarom een dichtbundel en wat heeft dat met de Dienstenbond te maken? En waarom de keuze van deze gedichten en geen andere?
Het antwoord op de eerste vraag wil ze niet geven. Maar op de achterkant staat te lezen dat ze gevraagd is gezien haar vermogen een kritisch oog te paren aan een poëtisch oor. Op de tweede vraag geeft ze als antwoord: Geen idee. Wanneer men aan een congres van de Dienstenbond FNV denkt, is een bloemlezing van gedichten niet direct het eerste dat men daarmee associëert, en schrijft ze, daarom is het een initiatief dat alleen maar toe te juichen is. En daar ben ik het helemaal mee eens.
Op de derde vraag zegt ze dat ze heeft gezocht naar gedichten die een zeker werkgever-werknemer element uitademt. Maar schrijft ze meteen erna, zo hier en daar slipte er iets tussendoor dat leuk, mooi of aardig van gedachte was. En dat maakt deze bundel juist zo leesbaar.
Verrassende keuzes zijn het zeker. Zo is een tekst van Elvis Costello opgenomen ‘Tramp the dirt down’, een gedicht van Frank Martinus Arion, een vers van Annie M.G. Schmidt maar ook Riekus Waskowsky en Jacques Plafond (Wim T. Schippers), er valt kortom veel te genieten in deze bundel.
Ik koos voor een gedicht van Simon Vinkenoog (1928 – 2009) uit ‘Eerste gedichten 1949 – 1964’ uit 1966 getiteld ‘Lachez tout’.
.
Lachez tout
.
Soms kan ik niet meer op mijn benen staan,
en waarom zou ik ook?
BAM – daar lig ik –
.
nu vlug weer opgestaan,
daar ben ik.
Ik kan u één ding leren:
als u niet meer op uw benen kunt staan,
u kunt zich gerust laten vallen.
.
Meer hoef dan voet
Marjolijn van Heemstra
.
Je hebt dichters en je hebt alleskunners of -doeners. Marjolijn van Heemstra (1981) is er een uit de laatste categorie. Ze is naast dichter vooral theatermaker, schrijfster en journalist. Ze is al actief met publiceren sinds 2006 maar in 2009 kwam ze met een theatervoorstelling getiteld ‘Ondervlakte’ en in datzelfde jaar debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Als Mozes had doorgevraagd’ bij uitgeverij Thomas Rap.
In 2012 won ze met haar debuutbundel de Jo Peters Poëzieprijs. In 2014 kwam haar dichtbundel ‘Meer hoef dan voet’ uit (waaruit het onderstaande titelgedicht is genomen). Ze schrijft naast poëzie romans, columns, een opstel voor De Correspondent (waar ze correspondent ruimtevaart is wat bijzonder is daar ze godsdienstwetenschappen heeft gestudeerd) en gedichten van haar hand werden gepubliceerd in Das Mag en De revisor.
.
Meer hoef dan voet
.
De hond verspert mij het pad, stokstijf, zijn tong
een roerloze vis tussen zijn tanden, zijn grom
een ondergronds geluid, als door lagen korst
gedempt
.
en ik denk aan de man die zei: We weten niet
waarheen de dieren zijn die zich traag, in duizend,
duizend jaren, onttrokken aan het zicht.
We weten niet over welke rand ze tuimelden,
welke zee het laatste exemplaar verzwolg.
Hij noemde de kieuwslak met vijf platte windingen,
de schrikvogel die liever liep dan vloog,
de majorcahaas, het reuzenhert,
niemand weet met zekerheid in welk bos,
welk veld het reuzenhert verdween.
.
De hond blaft naar mijn sporen,
in de verte zwaait een riem, een mens
die in mij een naaste herkent
maar ik weet wat de hond weet:
er zijn dieren verdwenen
en mijn afdruk is meer hoef
dan voet.
.
Eddy’s verstrooiing
Anton Korteweg
.
Voor de rubriek dichters over dichters, kwam ik in de bundel ‘Ouderen zijn het gelukkigst’ uit 2009 van Anton Korteweg, het gedicht ‘Eddy’s verstrooiing’ tegen over de verstrooiing van de as van dichter Eddy van Vliet op 12 oktober 2002 in Watou in België.
Eduard Léon Juliaan (Eddy) van Vliet (1942 – 2002) was een Vlaams schrijver, dichter en advocaat. Regelmatig werd de poëzie van Eddy van Vliet als neoromantisch bestempeld of geplaatst in de literaire richting van de nieuwe romantiek. Neoromantiek is een synoniem van postromanticisme of laat romanticisme. Het is een langdurige beweging die begint aan het einde van de negentiende eeuw en het is een herleving van de romantiek in de kunst en de literatuur.
In 1971 won Eddy Van Vliet de Arkprijs van het Vrije Woord voor ‘Columbus Tevergeefs’. In 1975, mocht van Vliet de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen en in 1989 kreeg hij de Staatsprijs voor poëzie in België.
Anton Korteweg (1944) schreef het gedicht dus naar aanleiding van het verstrooien van de as van van Vliet in Watou, het kleine dorpje in West Vlaanderen, bijna op de grens met Frankrijk, waar tussen 1980 en 2008 de Poëziezomer Watou werd georganiseerd door Gwy Mandelinck – zelf een dichter – en zijn echtgenote Agnes Hondekyn. Het vormde al die jaren gedurende twee zomermaanden een unieke dialoog tussen internationale beeldende kunst en poëzie.
.
Eddy’s verstrooiing
(voor P.P.
‘Zoals een man pist, met de wind mee, zo
verstrooie men as.’
Chinese wijsheid
.
Maar andersom heeft ook wel wat: een zwarte,
gekromde regenjas met wapperende panden,
als boos tegen de storm optornend op een hoefpad
een man uitzaaiend, en daarachter wij,
.
een rijtje treurenden: wat mooie blonde vrouwen
met zonnebril, maar ook zwartharige zonder,
want Eddy was een te benijden echte
dichter geweest, steeds goed omringd, morsige
door drank – en dichtzucht aangetaste koppen en
hardlijvige vriendachtigen, – dat volk
woei de dichter toen in de gezichten.
.
We nipten daarna in De Hommelhof
zijn as van haar en huid, eigen en andermans,
en dachten bedremmeld die Eddy.
.
Ik was er trouwens niet bij
maar zie het weer duidelijk voor me.
.
grafmonument voor Eddy van Vliet in Watou
Kreek Daey Ouwens
Stille dag
.
Misschien komt het doordat ik als mede organisator van Dichter bij de dood op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag, wat meer bezig ben met de dood of in ieder geval meer in aanraking kom met de uitingen rond de dood, want het gedicht van vandaag heeft de dood als onderwerp.
Op zichzelf is dat opvallend want ik ben aan het lezen in de bundel ‘Wij zijn de menigte die moeder heet’ gedichten over moederschap, samengesteld door dichter Ester Naomi Perquin uit 2018. Dan zou je een gedicht over een moeder of het moederschap verwachten. Ik ook. Mijn moeder is bijna jarig en dan gaan je gedachten toch al snel in die richting. Tot ik het gedicht zonder titel van dichter Kreek Daey Ouwens tegen kwam in de bundel.
De naam van deze dichter kwam me vaag bekend voor dus ging ik op zoek. Kreek Daey Ouwens (1942) is een schrijver en dichter. Ze bracht haar jeugd door in de Limburgse mijnstreek. In haar werk roept ze op fragmentarische wijze beelden en gebeurtenissen op uit haar jeugd en haar latere leven. Ze debuteerde in 1991 met de verhalen- en gedichtenbundel ‘Stokkevingers’ waarna nog 8 bundels zouden verschijnen. In 2013 ontving Kreek Daey Ouwens de Leo Herberghs-poëzieprijs. Haar bundel ‘De achterkant’ uit 2009 werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2009-2010 en haar bundel ‘Guillaume’ uit 2020 voor de Herman de Coninckprijs 2021.
Kenmerkend voor haar werk zijn de vermenging van herinnering en verbeelding, de opbouw in fragmenten met veel witruimte en een sobere, slechts schijnbaar ‘naïeve’ stijl. Persoonlijke indrukken en observaties worden door weglating en intensivering herkenbaar voor de lezer. Verwondering en angst, verbondenheid en isolement, liefde, dood en rouw zijn terugkerende thema’s. Een aantal van deze thema’s zijn terug te vinden in het titelloze gedicht dat oorspronkelijk in de bundel ‘Oefening in alleen lopen’ uit 2017 verscheen.
.
Vandaag zetten moeders en grootmoeders een
vierde bord op de tafel. Ze leggen er behoed-
zaam een lepel naast. Bij de lepel ligt de
foto van een jongetje. Na het eten wast
onze moeder het lege bord af en zet het
terug in de kast.
.
Dit is een stille dag.
.
We zijn er!
Arjen Duinker
.
In 2009 verscheen bij Querido de dichtbundel ‘Buurtkinderen’ van Arjen Duinker (1956). Duinker studeerde psychologie en filosofie en debuteerde in 1980 in ‘Hollands Maandblad’. Duinker ontving voor zijn poëzie onder meer de VSB poëzieprijs, de Jan Campert-prijs en voor de bundel ‘Buurtkinderen’ de Awater Poëzieprijs.
Duinker publiceerde meer dan 10 dichtbundels en 1 roman. Uit de ruim 200 pagina’s gedichten die de bundel ‘Buurtkinderen’ telt koos ik een, bij de vakantie, toepasselijk gedicht getiteld ‘We zijn er!’ met als ondertitel voor Kim.
.
We zijn er!
voor Kim
De zomer wordt ’s zomers één, twee, drie…
De windmolen versnippert kleine wolken…
Een blik, en ik zag die als een groet…
Een blik, en ik zag die als een groet…
Zo mooi om de kiezels te bewonderen, zo mooi…
We zijn er!… Maar waar dan?… waar je wilt…
De handen zullen bloeiende namen vinden…
De insecten zullen schateren met de ogen…
.
Partijtje worstelen
Revolver
.
In een klein Vlaams dorpje onder de rook van Antwerpen kocht ik in een kringloopwinkel twee exemplaren van het tijdschrift ‘Revolver’. Ik kende het tijdschrift niet maar na enig speurwerk blijkt dit driemaandelijkse tijdschrift verschenen te zijn tussen 1968 en 2009. Verantwoordelijk uitgever was Gerd Segers en mijn exemplaren zijn uit 1994 en 1995. De prijs voor een jaarabonnement was toen 850 respectievelijk 900 Belgische Franc (zo’n 45 gulden voor 4 nummers) en daarvoor kreeg je wel waar voor je geld.
In Revolver 20/3 (1994) Poetry on the road, of Revolver gaat op reis naar Rotterdam (Poetry International). In dat nummer poëzie van Leo Vroman, Herman de Coninck, Lars Gustafsson, Jack Mapanje, Eva Gerlach, Leonard Nolens, Joachim Sartorius en Kazuko Shiraishi. In de oorspronkelijke taal (wanneer niet Nederlands) en in vertaling.
Ik koos voor een gedicht van dichter Jack Mapanje (1944) uit Malawi met het gedicht ‘Partrijtje worstelen’ in een vertaling van Daan Bronkhorst.
.
Partijtje worstelen
.
Dus zoon
de volgende keer als je
weer dier speelt op het zand,
speel geen hyena meegesleurd
door de leeuw, speel
liever de leeuw,
zonodig
sleur je hem mee
doe de hyena die
de leeuw heeft gedood
en als hij gromt
zeg hem dan dat het maar
een spel is – beestenspel
jullie zijn mensen en
de volgende keer is hij
sowieso aanvoerder
in kippenstelen
varkensbloedtappen
en zulk vermaak.
dit was het laatste
partijtje
worstelen!
.
Je werkt nu zelfstandig
Paul Bogaert
.
Ik zal niet beweren dat dichters alwetend zijn (dat zijn ze namelijk niet) maar soms lees ik een gedicht en dan twijfel ik, heel even. Lezend in de bundel ‘de Slalom soft’ uit 2009, van de Vlaamse dichter Paul Bogaert (1968) kwam ik het gedicht ‘Je werkt nu zelfstandig’ tegen. Het lijkt alsof verschillende regels regelracht verwijzen naar de huidige werksituatie van veel mensen die gedwongen thuis werken “wie lange tijd niets inzingt, zakt weg” en “Je profileert ondertussen door veel te bestellen”, dat laatste waarschijnlijk meer onbewust dan bewust. Uiteraard gaat dit gedicht over hoe je als mens en gebruiker van internet en computersystemen gevolgd wordt (en geleefd) maar met een schuin oog gaat dit gedicht over veel mensen in hun huidige situatie.
Paul Bogaert studeerde Germaanse filologie aan de universiteiten van Brussel en Leuven. Hij debuteerde in 1996 met de bundel ‘WELCOME HYGIENE’ waarvoor hij de Prijs voor Letterkunde Poëzie van de provincie Vlaams-Brabant 1997 kreeg. Hij schreef ook het gedichtendagessay 2008 (Verwondingen). Zijn eerste drie dichtbundels staan integraal op zijn website https://www.paulbogaert.be/gedichten/bundels/.
In oktober 2010 werd hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, de belangrijkste poëzieprijs van de Nederlanden. In 2011 kreeg Paul Bogaert de driejaarlijkse Vlaamse Cultuurprijs Poëzie voor zijn bundel ‘de Slalom soft’; de bundel waarmee hij ook de Herman de Coninckprijs won in 2010. Uit deze bundel dus het gedicht ‘Je werkt nu zelfstandig’.
.
Je werkt nu zelfstandig
.
Je werkt nu zelfstandig en uit eigen beweging
aan je gegevens en zodoende word je levenslang
met de database intiem,
door de input beroest en door scores gekust.
Je verbetert/bevestigt wat afwijkt
als dat wordt gevraagd.
Wie niets gelooft of
wie lange tijd niets inzingt,
zakt weg.
Je profileert ondertussen door veel te bestellen.
Je kunt jezelf onmogelijk als dood aanvinken.
Er is een persoonlijk invulveld voor twijfels.
.
Alles mag je worden
Erik Menkveld
.
Erik Menkveld (1959 – 2014) was dichter, romancier en criticus. Hij studeerde Nederlands aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na zijn studie werd hij redacteur van uitgeverij De Bezige Bij waar hij onder andere het poëziefonds beheerde. Van 1998 tot 2002 was hij organisator en programmamaker bij Poetry International in Rotterdam. Daarna was hij vooral actief als zelfstandig schrijver.
Van 2000 tot 2007 was hij redacteur van het literaire tijdschrift Tirade en in 2003 en 2012 was hij jurylid van de P.C. Hooftprijs, in 2003 ook van de VSB Poëzieprijs. Sinds 2009 was hij actief als poëzie-recensent voor de Volkskrant. In 2014 kwam aan zijn leven een veel te voortijdig einde toen hij stierf aan een hartstilstand.
In de bundel ‘Schapen nu!’ uit 2001 van Erik Menkveld staat een bijzonder gedicht. Het gedicht ‘Alles mag je worden’ is bijzonder in de zin dat, toen ik het las ik steeds dacht, en nu gaat hij in het gedicht zeggen dat je ook dichter kan worden (vooral na de tweede strofe) . Aan de ene kant voelde ik daarbij een zekere teleurstelling en aan de andere kant vond ik het juist ook wel goed dat hij de functie van dichter niet noemde. Het is hoe dan ook een mooi gedicht van een bijzondere dichter.
.
Alles mag je worden
.
Het springzaad knapt, de brempeulen
knallen open en jij ligt er in je wieg
als een popelend boontje bij.
.
Alles mag je worden van mij: zeeman,
boswachter, archeoloog. Of –
als je leven ingewikkeld loopt –
.
gesponsord ontdekker van aangroei
werende stoffen voor scheepsverf,
alleenstaand paddenstoelenfotograaf,
.
pacht- en beestenlijstenonderzoeker
van verdwenen Drentse keuterijen…
Behalve ongelukkig. Beloofd?
.
Heren zeventien
Simon Vinkenoog
.
In een geweldige tweedehands boekenwinkel kocht ik voor een klein bedrag de heerlijke kleine pocket ‘Heren zeventien’ proeve van waarneming van Simon Vinkenoog (1928 – 2009), gesigneerd door de dichter. Deze heruitgave van de bundel uit 1953, in de serie Poëziepockets van De Bezige Bij, uit 1987 is een kleine pocketuitgave (50 pagina’s) met een nawoord van R.A. Cornets de Groot.
.
Zoals discussies woedend sluiten
met het zichtbaar halfbegrijpen
van Denanders vooroordelen
.
die even overtuigend zijn
en inderdaad niet minder waar,
verwerpelijk, gevaarlijk,
ondoordacht behulpzaam,
.
als de waarden die wij eigen dachten
.
Zo gaat ook het leven dat de dag leidt
ons voorbij
.
Met dezelfde woede
(maar hoe schamel en hoe welbespraakt)
in de schoongewassen handen,
een hart verontwaardigd-zijn
en een gevoel van onderdrukt hartstochtelijk:
.
Wat deert het mij?
.














