Site-archief

Lamia Makaddam

Vrijetijdsgedichten

.

De in Tunesië geboren dichter, vertaler. journalist en tolk Lamia Makaddam (1971) ken ik sinds kort. In eerste instantie via Facebook, later via haar bijdrage aan ‘De eerste bloemlezing van de Nederlandse poëzie’ die werd samengesteld door Tsjead Bruinja en daarna persoonlijk toen ze kwam voordragen in onze gezamenlijke woonplaats bij Loft in het kader van de poëziemiddagen die de organisatie van Dichter bij de dood organiseert. Die laatste bijeenkomst was bijzonder omdat ze mij daar vroeg of ik haar gedichten in het Nederlands wilde voordragen nadat ze ze eerst zelf in het Arabisch voordroeg. Lamia studeerde Arabische taal en letterkunde. Ze publiceerde vijf dichtbundels in het Arabisch en won in 2000 de El Hizjra Literatuurprijs. Haar werk werd vertaald in het Frans, Koerdisch en Engels. In 2020 verscheen haar eerste bundel in Nederland, vertaald door Abdelkader Benali, getiteld ‘Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf’.

Alle reden dus om haar bundel ‘Vrijetijdsgedichten’ aan te schaffen die begin dit jaar werd gepubliceerd door uitgeverij Jurgen Maas en vertaald werd door Djûke Poppinga. De bundel is fraai vormgegeven met op het omslag een foto van de schrijvende hand van Lamia. En de titel van haar eerste Nederlandse dichtbundel is eigenlijk ook op deze tweede bundel van toepassing. Want dat is wat deze bundel doet, de dichter vinden in elk woord dat ze schrijft. Haar poëzie is heel persoonlijk en is geschreven vanuit haar verleden, haar heden en haar toekomst.

Opvallend aan de gedichten is dat je bij een eerste doorbladeren van de bundel niet meteen denkt aan een dichtbundel. De gedichten zijn zonder titel, ze beslaan soms twee pagina’s en zijn als tekstblokken opgeschreven (met uitzondering van een paar gedichten die qua vorm wel meer lijken op wat wij herkennen als gedicht). Nu weet ik dat steeds meer dichters de vorm loslaten en meer proza-achtige gedichten schrijven. Maar Lamia weet hier toch nog een extra dimensie aan te geven.

De gedichten zijn een mengeling van herinneringen, ervaringen, dromen, wensen en verwachtingen en spelen zich vrijwel allemaal af in de directe omgeving van de dichter, haar woning en haar gezin. Maar er zijn ook de herinneringen aan haar ouderlijk huis, haar vader en moeder, haar geliefde en haar land van herkomst. Lamia richt zich in haar gedichten steeds direct tot de lezer waardoor ze een zekere intimiteit weet te scheppen die je niet vaak vindt bij dichters.

Als er al een thema leidend is in deze bundel dan is het denk ik alles wat met kijken, zien, ogen (en hun tranen) en de zintuigelijke visuele waarneming te maken heeft. In vrijwel elk gedicht wordt er al dan niet subtiel naar verwezen, komt het zijdelings aan de orde of is het het onderwerp. Het kijken, het zien, het afnemen van het zicht (tot aan een glazen oog toe). het wordt allemaal beschreven. De poëzie van Lamia is sowieso heel zintuigelijk, ook het voelen, het proeven, ruiken en het luisteren komen terug in haar poëzie.

De poëzie van Lamia is een wonderbaarlijke mix van het bovengenoemde gecombineerd met bespiegelingen en gedachten over de persoon van de dichter, boeken en de liefde. In het gedicht op pagina 18 komt dit allemaal bijeen.

.

Ik was nog een klein meisje, toen een van hen mijn hand pakte en in

zijn broek stak.

Die hand is nooit meer teruggekomen.

Ik schreef poëzie, maar kreeg hem niet terug.

Ik plantte bomen, maar kreeg haar niet terug.

Ik heb haar zelfs niet gevonden toen ik mijn tranen droogde.

Maar vandaag heb ik haar terug gevonden.

Ik hief mijn hand op en zwaaide naar het kleine gezichtje dat tegen de

ruit van de schoolbus was gedrukt

die wegreed.

In de regen en de mist

zag ik mijn hand, levend, ademen,

klein, zoals ik haar had achtergelaten.

 

Ik heb deze bundel met heel veel plezier in één keer uitgelezen. De poëzie van Lamia pakt je vast en neemt je mee. Wat mij betreft een echte aanrader.

.

 

Het literaire tijdschrift

Creatief schrijven

.

Ik krijg zo nu en dan de vraag van dichters hoe ze verder kunnen komen met hun poëzie. En met verder komen bedoelen ze dan bekender worden bij een groter publiek. Aan de ene kant liggen er genoeg kansen in het digitale domein. Er zijn vele social media groepen waar poëzieliefhebbers en dichters elkaar ontmoeten en waar ze hun poëzie kunnen delen en publiceren. Zelf ben ik meer dan 15 jaar geleden begonnen met dit blog om bekendheid te geven aan het feit dat ik mijn debuutbundel ‘Zichtbaar alleen’ had gepubliceerd (vandaar de naam van dit blog). Op Facebook zijn vele groepen actief, op Instagram zijn heel veel beginnende dichters actief (lees hierhier en hier mijn columns op de site van Meander over Instagram en poëzie) en via vlogs, blogs en podcasts liggen er ook genoeg mogelijkheden.

Toch bemerk ik ook dat dichters het liefst hun poëzie op papier terug kunnen lezen. Dat is bijvoorbeeld één van de redenen dat MUGzine, het mini-poëziemagazine dat ik samen met Poetry Affairs, BRRT-Graphic.Design en een onafhankelijke redactie uitgeef, ook op papier verschijnt (evenals digitaaloverigens) Gelukkig zijn er in Nederland en Vlaanderen heel wat literaire- en poëzietijdschriften en -magazines die werk opnemen van schrijvers en dichters en dit publiceren (op papier en digitaal).

Een mooi overzicht van al die tijdschriften en magazines vind je op de website van Creatief schrijven. Hier vind je Nederlandse en Vlaamse tijdschriften en links naar hun websites. Ik mag graag deze websites bezoeken maar ook zeker de verschillende tijdschriften en magazines lezen. Dat kan in grote bibliotheken, de Hendrik Conscience Bibliotheek in Antwerpen en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag gewoon gratis.

Kluger Hans is een goed voorbeelbeeld van een literair tijdschrift. In Kluger Hans #43 staat een gedicht van Elsbet De Pauw (1998). Zij schrijft poëzie, essays en proza. Ze behaalde een master in de Vergelijkende Moderne Letterkunde aan Universiteit Gent en werkt mee aan Pardon!, een zine over intersectioneel feminisme. Haar verscheen o.a. in De Internet Gids, Deus Ex Machina, De Reactor en de Volkskrant.

.

ze sterft in negen aanblikken
of dat hoopte je toch want in deze stad is ze springlevend als gasolie en altijd nabij
je probeert haar te vinden in eender welke gedaante – een magere jongen,
een oude krommerd in trainingsvest, een dertiger met hetzelfde haar
en iedere vergissing krast, haar mond vormt het centrum van de wereld
dat is niet goed, zegt iemand
zo moet je het niet doen

.

maar wanneer het zwijgen zich in haar lippen heeft vastgebeten is het ook in de wereld, ook bij jou koud
dat is niet goed, zeg je tegen jezelf
en je bent bang, omdat je overal in bent gaan leven en nergens meer lijkt uit te kruipen

.

kleine oogjes hebben zich in je gezicht vastgeprikt, zonder masker lijk je op een molletje
‘s avonds woel je door de tunnels onder de grond, voltrek je in je eentje een ondergrondse rouwstoet
door de stad voor alles wat is doodgegaan

.

De stad

Reinold Kuipers

.

Poëzie kan overal over gaan. Van de hemel en de hel tot een krop jonge sla of een vaas. Toch zijn er onderwerpen die relatief vaker behandeld worden in gedichten. Als je kijkt naar de bloemlezingen die er zijn (en dat zijn er heel veel) dan valt op dat er een paar onderwerpen favoriet zijn: de liefde, de dood, het dichten, beesten en familie. Met de bundels over deze onderwerpen kun je al een aardige boekenkast vullen.

Een ander favoriet onderwerp is de stad. De stad in het algemeen en steden in het bijzonder. Wie kent niet gedichten als ‘De Dapperstraat’  van J.C. Bloem, ‘Passage’ van Gerrit Achterberg of ‘Rotterdam’  van Jan Prins. En dit zijn de bekende gedichten over de grote steden. Er zijn er natuurlijk zoveel meer, gedichten over steden als Veere (Wim Hussem), Delfzijl ( Gerrit Krol), Groningen (A. Marja) en Utrecht (Alain Teister). Er is zelfs een bundel met alleen maar gedichten over de stad Rotterdam Wij dragen Rotterdam in 2014 als eerste bundel door MUGbooks uitgegeven op papier. En dit zijn alleen nog maar voorbeelden van gedichten over Nederlandse steden.

In 1981 werd in opdracht van de Erven Thomas Rap de bloemlezing ‘ De stad’  uitgegeven, samengesteld door C. Buddingh’. In deze bundel louter gedichten over steden en de stad in het algemeen. In deze bundel zijn 44 gedichten opgenomen van dichters die leefden van eind 19e eeuw tot eind 20ste eeuw. Ik koos voor een gedicht van een dichter die ik niet kende Reinold Kuipers (1914-2005). Kuipers was dichter, drukker, copywriter en uitgever. Kuipers was samen met echtgenote Tine van Buul, van 1960 tot 1979 directeur van uitgeverij Querido. Kuipers debuteerde met de bundel ‘ Koud vuur’  in 1939 en schreef in totaal vijf dichtbundels, de laatste verscheen in 1990 ‘ Gerezen wit’. In ‘ De stad’  is hij opgenomen met het gedicht ‘ Stad bij avond’.

.

Stad bij avond

.

Men noemt het stad. Het is een visioen

van natte asfaltstraten en plantsoen

en een gevangenis voor wie het wagen,

te breken met hun wetten van fatsoen.

.

Men noemt het stad en doet er daags zijn plicht

en met een nette lach op zijn gezicht

spant ieder er zijn listen en zijn lagen.

En als men tijd heeft schrijft men een gedicht.

.

De dingen

Hans Arp

.

In het Kunstmuseum (het voormalige Gemeentemuseum) in Den Haag is een kleine tentoonstelling gewijd aan Hans (Jean) Arp (1886-1966). Arp was een Duits-Frans beeldhouwer, schilder en dichter. Hij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de moderne kunst en was een van de voormannen van de dada-beweging. Ook was Arp actief als sieraadontwerper.

Taal vormt een essentieel onderdeel van de artistieke praktijk van Hans Arp, voor hem was alles poëzie. Arp wordt wel gezien als voorloper van de concrete poëzie (een moderne poëzievorm waarin gevoelens of gedachten niet op de gewone talige wijze worden uitgedrukt, maar door een bijzondere klank- of grafische vorm te creëren). Arp produceerde enkele van de eerste voorbeelden van gedichten waarbij de rangschikking van de tekst even belangrijk was als de betekenis van de woorden.

Hans Arp was drietalig (hij sprak Frans, Dyuits en Elzassisch, een variant op de Hoog Duitse taal). Hij negeerde de elementaire interpunctieregels en gebruikte vaak kleine letters, wat vooral lastig is in het Duits (zo worden alle zelfstandige naamwoorden in het Duits met een hoofdletter geschreven).

In 1965 schreef Arp het gedicht ‘De dingen / Die Dinge / The things’. In het kunstmuseum zijn verschillende gedichten van Arp te lezen in meerdere talen. Ook zijn een aantal beelden van hem te bekijken.

.

De dingen

die we levenloze dingen noemen

zijn helemaal niet levenloos.

Vaak wrijven ze zich

voldaan in de handen

en lachen ze

in hun vuistje

omdat ze het geluk hebben

geen mens te zijn

.

Die Dinge

die wir leblose Dingen nennen

sind gar nicht leblos.

Oft reiben sie

Sich vergnügt die Hände

und lachen sich eins

ins Fäustchen

dass sie das Glück haben

keine Menschen zu sein

.

The things

we call lifeless

are not lifeless at all.

They often rub

their hands wit glee

and laugh up

their sleeves

for joy at

not being human

.

 

 

 

Spel met de tijd

Allerzielen

.

Vandaag is het Allerzielen, de dag dat de overledenen worden herdacht. Dat kan heel particulier maar het kan tegenwoordig ook steeds meer op begraafplaatsen die juist op deze dag iets extra’s organiseren voor nabestaanden. Zo is er vanavond op begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag een avond, georganiseerd door Dichter bij de dood,  met dichters die langs een route op de begraafplaats staan en daar hun gedicht over de doden voordragen aan bezoekers.

Aan het einde van de route bij het verlaten van de begraafplaats krijgt elke bezoekers een gratis bundeltje met de gedichten van de deelnemende dichters. Dichter bij de dood wordt dit jaar alweer voor de 7e maal georganiseerd en is een bijzondere gebeurtenis. De boodschap van de organisatie is dat de dood is niet iets is om weg te stoppen of te verzwijgen maar juist om over de dood en rouw te praten en stil bij te staan bij het verlies. Iedereen heeft wel overleden dierbaren waaraan op deze avond gedacht kan worden.

Normaal gesproken zou ik vanavond ook deelnemen als dichter (en medeorganisator) maar helaas kan ik door omstandigheden niet. In de bundel staat wel een gedicht van mijn hand ‘Spel met de tijd’.

.

Spel met de tijd

 .

Hoe zal het morgen zijn

wanneer later nu begint?

Zal elke nieuwe dag zich

opdringen, tijd aan geduld

.

knagen. Hoe zal men terugkijken

op dagen die voorbijgleden, de

uren als speelbal van verlangen,

langzaam schurend en traag

.

vertrekkend van de grond die

verstrooid werd. Laat later daarom

nu beginnen, laten we de dood

in de ogen kijken. Wegstaren.

.

Hij wrijft hun neuzen door het leed…

Ed Leeflang

.

In de bundel ‘Op Pennewips plek’ van Ed Leeflang uit 1982 lees ik het gedicht ‘Hij wrijft hun neuzen door het leed …’ en meteen doet de tekst mij aan het hier en nu denken.  In dit bundeltje worden een groot aantal situaties op school empathisch en met fijn gekozen woorden belicht. Opvallend vind ik dat de situatie waarin we ons nu bevinden helemaal niet zo veel verschilt van de situatie begin jaren ’80. Ook toen was er het milieu, de natuur, oorlog waar we mee werden geconfronteerd.

Ed Leeflang beschrijft in ‘Hij wrijft hun neuzen door het leed…’ hoe een leerkracht, tegen beter weten in soms, leerlingen probeert bij te brengen hoe het leven er in het echt uitziet. Vooral de laatste twee zinnen vind ik van een grote schoonheid.

Ed Leeflang (1929-2008) was vrijwel zijn hele leven docent Nederlands in Amsterdam, Leiden, Den Haag en Zierikzee. Hij debuteerde op latere leeftijd (50) in 1979 als dichter met de poëziebundel ‘De Hazen’ waarvoor hij de Jan Campertprijs in 1980 ontving. Vanwege zijn realistische schrijfwijze en een melancholisch verlangen naar verloren zuiverheid wordt zijn poëzie in de literaire kritiek wel aangeduid als romantisch realisme of neoromantiek.

.

Hij wrijft hun neuzen door het leed…

.

Hij wrijft hun neuzen door het leed

als om ze zindelijk te maken; zeehonden,

kerncentrales, besmette schelvis die je eet,

legers waaraan we meebetalen.

Ze worden nu al moe van het volwassen

en het bewuste mondig zijn, ontzien hun

goeroe wel, maar thuis kijken ze

naar alles wat het scherm te bieden heeft

aan rechts, verrots en zondig zijn.

Wie tot het heil veroordeeld is

komt pas op adem in de hel.

.

Poëzie met Allerzielen

Dichter bij de dood

 

Ook dit jaar is er op Allerzielen (2 november) weer een Dichter bij de dood op begraafplaats Oud Eik en Duinen aan de Laan van Eik en Duinen 40 in Den Haag. Met Allerzielen worden de overledenen herdacht en op de begraafplaats Oud Eik en Duinen gebeurt dit alweer voor het 7e jaar met dichters die voordragen uit eigen werk. Dichter bij de dood vraagt elk jaar een aantal dichters om een troostend gedicht te schrijven over de dood en om stil te staan bij een bekende schrijver/kunstenaar/econoom/componist die begraven ligt op de begraafplaats.

Op Allerzielen, wanneer de avond valt is er een route uitgezet op de begraafplaats met fakkels en langs deze route staan de dichters opgesteld onder een verlichte paraplu met een lampje. Bezoekers kunnen bij de dichters aansluiten en deze vertelt dan kort iets over der persoon aan wie de dichter zich heeft verbonden, en draagt zijn gedicht voor.

Zo lopen de bezoekers  langs de 12 dichters  en aan het einde van de route ontvangt men gratis een bundel met de gedichten die zijn voorgedragen. De ambiance, de omgeving en de poëzie dragen allemaal bij aan de bijzondere beleving van deze dag. De boodschap van de organisatie is dat de dood is niet iets is om weg te stoppen of te verzwijgen maar juist om over de dood en rouw te praten en stil bij te staan bij het verlies. Iedereen heeft wel overleden dierbaren waaraan op deze avond gedacht kan worden.

De dichters van dienst zijn op 2 november: Liesbeth de Blécourt, Aurora Guds, Mila Braat, Max Douw, Renske Visser, Eelco van der Waals, Bart en of Cornelis, Selma Kaijen Broekman, Gertjan Kaijen, Dian van Faasen, Muriel Kasmin, Marjon van der Vegt en Wouter van Heiningen. Dichter bij de dood wordt mede mogelijk gemaakt door Begraafplaats Oud Eik en Duinen, Monuta en Cultuurschakel.

Uit de Dichter bij de doodbundel ‘Tot stilte gemaand’ van 2021 het gedicht van wil ik het gedicht van de dit jaar overleden dichter Ton Houtman hier delen getiteld ‘Wissen’.

 

Wissen

 

Scrol de namen langs

zie je nummer staan

mini foto en je achternaam

 

Tik op het telefoonschermpje

hoor de kiestoon tergend langzaam

overgaan

 

Je stem zegt ik ben er niet

laat uw naam of boodschap achter

 

Ik roep “ik mis je”

mis je al maanden

weet ook dat je me niet meer terug gaat bellen,

nooit meer

 

Ga je nummer niet wissen

je antwoordapparaat

je overleden stem

kan ik voorlopig niet missen

 

Binnenhof

Aad Nuis

.

Aad Nuis (1933-2007) was politicoloog, literatuurcriticus, bestuurder, journalist, columnist, essayist, publicist, politicus (D66) en dichter. Reden voor mij om tijdens ‘Dichter bij de dood’ op begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag, op 2 november aanstaande tijdens Allerzielen, deze dichter (die op de begraafplaats begraven ligt) te kiezen als dichter om iets over te vertellen en een gedicht van hem voor te dragen (naast een gedicht van mij over de dood).

Nuis was redacteur van het literaire tijdschrift Tirade. Hij schreef in Propria Cures, Hollands Weekblad, Tirade, Haagse Post, Ons Erfdeel en de Volkskrant. In 1963 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Wisselend weer’ die hij opdroeg aan Renate Rubinstein met wie hij van 1956 – 1963 getrouwd was.

Uit de bundel ‘Het land der letteren’ Nederland door schrijvers & dichters in kaart gebracht, uit 1982 komt het gedicht ‘Binnenhof’ waar Nuis dicht over zijn werk als politicus in de Tweede Kamer (waar hij volksvertegenwoordiger was van 1981-1982).

.

Binnenhof

.

Het stille hart van wervelwinden
in dit glas water, Nederland,
waar ik mij steeds terug moet vinden
naast dagtoerist en demonstrant.
.
Bestaat dit echt of zijn wij spoken,
figuren dansend hand in hand,
gedurig in koud vuur ontstoken
door woorden van dor zand?
.
Ga maar bij dichter, boeren kijken:
hun taal, hun grond, vast in de hand.
Hier blijft de werkelijkheid ontwijken –
net naast de rand.
.
Toch zoemt en trilt het hier van krachten,
huist hier het hart (meer dan ’t verstand)
van wat ik grijnzend hoog blijf achten:
mijn land.

.

Stadsdichters

Harry Zevenbergen

.

Op de zeer interessante website Neerlandistiek.nl lees ik in een artikel van Anke Martens over stadsdichters. Anke deed voor haar  bachelorscriptie aan de Radboud Universiteit onderzoek naar wat het stadsdichterschap nou precies inhoud. Ze onderzocht de ontwikkelingen van het stadsdichterschap tussen 2005 en 2020 in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen. Natuurlijk zijn er veel meer stadsdichters (en gemeente-, dorps-, wijk-, provincie- en gemeentedichters maar ik begrijp dat ze zich heeft beperkt tot deze grote steden. Waarbij Den Haag heel pijnlijk ontbreekt.

Opvallend was dat de genoemde steden rond 2005 voor het eerst een stadsdichter benoemden waarbij er echter ook grote verschillen zijn. Zo ligt bijvoorbeeld niet vast door welke instantie het stadsdichterschap gefaciliteerd wordt. In de meeste gevallen speelt de gemeente een rol, maar of de gemeente de stadsdichter ook daadwerkelijk zelf aanstelt varieert. Vaak worden er bij de benoeming of het ondersteunen van stadsdichters organisaties die zich met literatuur bezig houden of bibliotheken gevraagd een rol te spelen. Ik ken zelfs een voorbeeld waar de stadsdichter vanuit een samenwerking van een kerk met een sociaalmaatschappelijke organisatie werd geïnitieerd.

Dan zijn er verschillen in de financiering, de bedragen die stadsdichters krijgen, het aantal aan te leveren gedichten, hoe en door wie de stadsdichter wordt benoemd en wat voor soort dichters er gevraagd worden (of verkozen). Een korte conclusie van Anke: “Zoals wel is gebleken, wordt het stadsdichterschap op veel verschillende manieren vormgegeven. Ook de ideeën over de inhoud van het ambt verschillen. Het stadsdichterschap is dus geen vastomlijnd fenomeen, maar kan in allerlei gedaantes gerealiseerd worden. Het is dan ook niet gek dat zich nog steeds nieuwe ontwikkelingen voordoen.”

Wat je er ook van vindt, het stadsdichterschap is in Nederland inmiddels aardig geworteld. Steeds meer steden en gemeenten gaan over tot het benoemen van een stadsdichter of gemeentedichter. Op deze manier worden mensen op een laagdrempelige manier geconfronteerd met poëzie (net als met bijvoorbeeld straatpoëzie) waardoor de belangstelling voor poëzie en (misschien zelfs) het lezen van poëzie wordt bevorderd. En daar mogen we alleen maar blij mee zijn.

Zelf mag ik aanstaande woensdag voor de 4e keer alweer juryvoorzitter zijn bij de verkiezing van de stadsdichter van Maassluis, terwijl in mijn woonplaats nog steeds geen stadsdichter actief is. De enige en meteen laatste stadsdichter van Den Haag (2007-2009) was Harry Zevenbergen (1964-2022) en sindsdien is het stil. Als enige van de grote steden heeft Den Haag het al die tijd zonder moeten doen. Daarom en omdat Harry een goede bekende dichter was hier een stadsgedicht van zijn hand getiteld ‘De was moet schoon’.

.

De was moet schoon
.
kleurrijk aroma in de wasmand
mijn terugblik op een week
zweet, eten, deo en jouw resten
gevangen in textiel en ik weet
.
precies waar, wanneer en waarom
voor de deur wordt het leven
in tien minuten geknipt en geschoren
het is zomer in de Boekhorststraat
.
terwijl wit en bont zich mengt
worstelen fietsen met de autostroom
westwaarts het centrum in en verder
oostwaarts lonkt de Schilderswijk
.
wanneer ik klungel met de machine
staan er altijd mensen klaar om me
te helpen het duurt een paar weken
voor ik door heb wie er werkt
.
Achmed vertelt van de broek in vijf
die eruit kwam met slechts één pijp
Harry vult aan dat de andere
terug werd gevonden in machine vier
.
van buiten roept Ria: “Ben je nieuw hier?”
en dat ik ze niet moet geloven
maar dat van die broek is echt waar
het is zomer in de Boekhorststraat

.

Meisjes van 40

Jolies Heij

.

Dichter en performer Jolies Heij (1964) ken ik al vele jaren. Regelmatig kwam en kom ik haar tegen op podia en andere poëzie-evenementen, zo was ze deelnemend dichter aan de Poëziebustoer van 2019. Jolies studeerde Duitse Taal- en letterkunde in Utrecht en Freiburg im Breisgau in Duitsland. Vanaf 1999 is ze actief als (slam) dichter en sinds 2008 doet ze mee aan diverse slampoetrywedstrijden in Nederland en Duitsland. Ze was winnares van Slam by the Sea, ze deed mee bij Kargadoorslam, U-slam, iPoetry, Slamersfoort, in Delft, Zeist en Vlissingen. Ze won de tweede prijs bij ‘Het woord in de wijk’, een schrijfwedstrijd over de Utrechtse wijk Zuilen.

Ze treed zoals gezegd regelmatig op bij allerlei podia in het land en haar werk werd gepubliceerd bij onder andere Meander, De Contrabas en Pomgedichten. Haar stem klinkt amusant, versneld en bewust articulerend. Ze is serieus en grappig, gebruikt daadkrachtige beelden, schuwt provocaties niet en neemt totaal geen blad voor haar mond. En elke keer als ik haar hoor of zie optreden denk ik: Ik moet eens over Jolies schrijven.

Op 2 juli jongstleden, op de dag van de roos, droegen we beide voor in het Westbroekpark in Den Haag (samen met nog enkele dichters). Opnieuw werd ik gegrepen door haar puntige en ironische poëzie. Ik kocht haar debuutbundel ‘Lolita zei…’ waar ze in 2016 mee ‘debuteerde’ en uit die bundel koos ik het gedicht ‘Meisjes van 40’ waar alles in zit wat me zo inneemt voor Jolies.

.

Meisjes van 40

.

ze raadt korte rokjes aan

ook al staan

haar benen als zuilen

haar spijkerhakkentiktakken

menig gat in de grond

bezaaid met handkussen

.

talloze gulle minnaars

heeft ze achter zich gelaten

.

maar niemand bezat het paspoort

niemand die koning mocht heten

of de bolster strelen

dit territorium ligt braak

nooit door laarzen aangestampt

of door pummels bemest

.

ze doet maar alsof

ze ergens tussen het hangende vel

een onderkomen heeft bewaard

voor koeriers

voor avonturiers

ook rovers

zijn niet te versmaden

.

daarom schikt zij haar lichaam

voordat het verlepte rozen braakt

en kobolds op doorzakpaarden

te gebocheld en afgedankt

.

er schuilt een zekere lijdzaamheid

in dit volharden

.

niemand ziet

hoe zij aaiend het hart

onder de riem draagt

.

meisjes van 40

zijn niks wijzer

hooguit wat aftandser

en zitten beter in hun harnas

.