Site-archief
Klimaatdichters
Yanni Ratajczyk
.
Enige tijd geleden schreef ik al over de klimaatdichters https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/07/28/klimaatdichters/een groep dichters en woordkunstenaars die het klimaat aan het hart gaat, die het manifest onderschrijven https://www.klimaatdichters.org/in-woord en waar ik me inmiddels ook bij heb aangesloten. Van de klimaatdichters verscheen pas geleden de bloemlezing ‘Zwemlessen voor later’ klimaatpoëzie. Elke maand wordt er op de website een gedicht van de maand gekozen en deze maand is dat het gedicht ‘3 280 840 ft’ van de jonge Vlaamse dichter Yanni Ratajczyk.
Yanni Ratajczyk (1994) is filosoof, dichter en liefhebber van absurde humor. Hij studeerde in Antwerpen en Leuven en is (poëzie)redacteur bij Deus Ex Machina. Na een liftreis van vier maanden is hij te vinden op diverse literaire evenementen waar hij graag de muren tussen tekst, performance en publiek sloopt.
.
3 280 840 ft
.
die duizend kilometers tussen ons
laat deze nog weerklinken, weergaloos
ik wantrouw afstand wanneer ze onecht lijkt
zoals ik beducht ben voor gedempt geluid
van ruzies tussen boekenkasten
ben je zover gekomen om de zomer te zien
vergaan tot stof, is dit nu zo vraag je je af
ik heb een scherm zeg ik, ik zal het gebruiken
om de wereld te ontkleden, desnoods zet ik
zwermen vogels in
ze brengen eilanden in kaart, ze laten zien
hoe we stilaan dichterbij drijven
zonder voluit te beseffen
deze verte is geen verte meer
niet langer tussen ons
.
Nog
Roland Jooris
.
Opnieuw kom ik een , mij, onbekende dichter tegen. Dit keer in de bundel ‘De 100 beste gedichten’ gekozen door Francine Houben van de VSB Poëzieprijs 2017. Het betreft hier de Vlaamse dichter en publicist Roland Jooris (1936). Jooris debuteerde in 1956 met de bundel ‘Gitaar’ die hij in eigen beheer uitgaf. In 1958 volgde ‘Bluebird’. Beide bundels zijn voorbeelden van experimentele dichtkunst. Jooris nam later afstand van deze poëzie want in de bundel ‘Gedichten 1958 – 78 uit 1978 staat geen enkel gedicht uit een van deze bundels. Na deze experimentele bundels ontwikkeld Jooris zich meer als romantisch realistisch dichter. In zijn bundels ‘Het museum van de zomer’ (1974) en ‘Akker’ uit 1982 komt dit goed naar voren.
In 1976 kreeg Jooris de tweejaarlijkse prijs voor poëzie van De Vlaamse Gids en in 1979 de Jan Campertprijs voor de bundel ‘Gedichten 1958 – 78’. Ook ontving hij in 1981 de Prijs van de Vlaamse Provincies.
Uit de bundel ‘Bladgrond’ uit 2016 komt het gedicht dat in de ‘100 beste gedichten’ is opgenomen.
.
Nog
.
Nabij
toch weer elders
.
Hij raapt op
wat niet gevonden
kan worden
.
Hij hoort iets
wat opspringt uit beduimeld
geblader, uit gefluister
een toets die zich afvraagt
waarom
.
Hij tast naar
een gestommel van
onmondig beramen, hij brengt
het ter sprake
.
Het doorwoelt zich
.
Denk maar aan iets blauws
Film gebaseerd op een gedicht
.
Het gedicht ‘denk maar aan iets blauws’ van Martijn den Ouden uit de bundel ‘De beloofde dinsdag’ uit 2013 was bedoeld als een ode aan de kleur blauw. De kleur blauw creëert een vorm van rust in de zinnen. Het gedicht gaat over het bieden van troost, met blauw als troostende kleur.
In de film ‘Denk maar aan iets blauws’ – die in zijn totaliteit gebaseerd werd op het gedicht – combineert regisseur Jerry de Mars deze geruststellende woorden met een nieuwe, visuele laag. De beelden van architectuur, het Griekse landschap en de verloren geliefde laten de personages uit het gedicht tot leven komen; in scènes die zich afwisselen tussen een droomwereld en de werkelijkheid.
‘Denk maar aan iets blauws’ zo stellen de makers, voert je mee in een zee van rustgevende woorden, maar laat je door de beelden ook meevoelen met de heftige emoties van het personage. Zes minuten lang voelen, horen en vooral genieten.
Op de website van Cinetree https://cinetree.nl/korte-films/denk-maar-aan-iets-blauws kun je deze korte film bekijken en het gedicht kun je hieronder lezen.
.
denk maar aan iets blauws, aan een zwembad met aan de rand rustende vrouwen in
blauwe badpakken die met blauwe rietjes van blauwe cocktails drinken en boeken
lezen met een blauwe kaft en soms kijken ze even op naar de hemel om zich er van
te vergewissen of het uitspansel nog helder en strak is, of er niet ergens een wolkje
drijft, en nee, de lucht is kraakhelder, hemelsblauw, en de vrouwen leggen hun
boeken op hun benen, met de blauwe kaft naar boven, bekijken hun blauwgelakte
nagels, nemen een slok met het blauwe rietje van hun blauwe cocktails, lichten het
boek van hun benen en lezen voort terwijl in het zwembad de zusters zwemmen,
geruisloos zwemmen, licht en soepel door het frisse water, je hoort ze ademhalen, of
het water kolken, de rimpels over rimpels glijden en behalve de kleur van hun
lichamen is alles blauw, denk aan iets blauws, aan de sportwagen van suikeroom
sander, loaded, snel, kleurenblind, verkerend in de veronderstelling dat hij in een
groene triumph spitfire rondrijdt, laat hem in de waan en denk aan de glanzende
blauwe lak en de koningsblauwe leren handschoenen van zijn vrouw, de zonnebril
met het blauwe montuur en de blauwe rook van haar sigaret, elegant hoe zij rookt,
de woest jong en strak in het vel kronkelende stoot, soms rustig, extreem beheerst,
moederlijk, volwassen, het zijden sjaaltje om het hoofd, met afgemeten kracht onder
de kin gestrikt, rook, drink vermouth bianco en kijk uit van de zonovergoten villa met
de kobalt geschilderde muren en kozijnen, de platgeslagen toren op de rots, uit over
de kalme, gladde, zomersblauwe zee en sta op, laat lauw water over de polsen
stromen, adem rustig, leg een koude theelepel op de tong, denk aan iets blauws;
ballonnen, grote dromerige ogen, bruiloften, luchtkastelen
.
Uit het oog
Miguel Declercq
.
Met enige regelmaat ontdek ik nieuwe dichters. Vaak zijn het Vlaamse dichters en ook nu betreft het een Vlaamse dichter namelijk Miguel Declercq (1976). Voor hij in 1997 debuteerde met de dichtbundel ‘Person@ges’, een sonnettenkrans waarmee hij de Hugues C. Pernath-prijs won, publiceerde hij al gedichten in allerlei literaire tijdschriften. Magazines van gefotokopieerde blaadjes (iets waar ik veel respect voor heb, zo laat je als dichter blijken dat je je niet te goed voelt om gelezen te worden) tot Deus Ex Machina , Yang, De Revisor en Parmentier.
De sonnettenkrans in ‘Person@ges’ is een bijzonder werk. Deze sonnettenkrans bestaat uit veertien regelmatig rijmende gedichten waarvan de slotregel de begin regel van het volgende gedicht is en het laatste vers van nummer veertien hetzelfde is als het eerste vers van het eerste sonnet; die veertien beginregels samen vormen dan het vijftiende zogenaamde ‘meestersonnet’.
In het 2000 wordt Miguel Declercq in ‘Dietsche Warande & Belfort’ samen met Paul Bogaert, Paul Demets, Jan Lauwereyns, Johan de Boose en Peter Holvoet-Hanssen gepresenteerd als behorend tot de kopgroep van de jonge Vlaamse dichters. In 2001 wordt zijn frivole bundel ‘Zomerzot/Somersault‘ gepubliceerd waarna het maar liefst 11 jaar duurt voordat er weer een bundel van Declercq verschijnt; ‘Boven water’ in 2012.
Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Uit het oog’.
.
Uit het oog
.
om op te warmen
maar enkel aan de oppervlakte.
Lief bekje
Hoe ik klonk
.
Poëzie is er voor alle gemoedstoestanden. Of je nu blij, verrast, verdrietig, depressief, uitgelaten, verward, twijfelachtig, uitzinnig, verliefd, rouwend, in afwachting, triest, onzeker of juist heel zeker, ontheemd, ongeremd, geaard, in bloei, stervende of in blijde verwachting bent, poëzie past bij elke stemming. Het is alleen vaak een kwestie van het juiste gedicht bij de juiste stemming vinden.
Toen ik het gedicht ‘Hoe ik klonk’ van Hagar Peeters (1972) uit de bundel ‘Loper van licht’ uit 2008 las wist ik precies bij welke stemming dit gedicht hoorde. En omdat het zo’n heerlijk positief en vrolijk gedicht is hier ‘Hoe ik klonk’.
.
Hoe ik klonk
.
Je hebt een lief bekje
vooral als het getuit is
kust met de lucht
en wuft gewauwel laat klinken.
.
Tussen je tanden
je kolderieke tongetje
het opstandig snaveltje
dat guitig huigje van je.
.
Al dat gestamel en gebazel,
ik krijg er maar geen genoeg van.
Betere onzin vind ik niet in boeken.
Daar bezinkt het jij zingt het weer los.
.
Kom nog even naast me liggen
en doe dat nog eens, dat van je lippen.
Meer heb ik helemaal niet nodig.
.
Neem mijn verzen in acht
Osip Mandelstam
.
In de heerlijke dikke pil ‘Iedereen dichter’ poëzie is een manier van leven, van Ivo van Strijtem uit 2018 is een hoofdstuk gewijd aan de Russische dichters. Twee van deze Russische dichters zijn Anna Achmatova (1889-1966) en Osip Mandelstam (1891-1938). Osip Emilievich (Joseph Khatskelevich) Mandelstam was een dichter en essayist en stamde uit een geslacht van Poolse joden.
In 1917, het jaar van de Russische revolutie, schreef Mandelstam een gedicht waarvan de eerste regels over Anna Achmatova gaan. Het is, zoals van Strijtem treffend stelt, een gedicht tussen onschuld en pijn en zit vol prachtige poëtische beelden. In haar memoires schrijft Achmatova over dit gedicht dat de eerste vier regels gaat over hen beide, zij had koorts en nam haar temperatuur op. Achmatova en Mandelstam waren collega dichters, zeer goede vrienden en ze bekommerden zich om elkaar.
Het gedicht is genomen uit de bundel ‘Neem mijn verzen in acht’ uit 2010 van Osip Mandelstam, samengesteld door Yolande Bloemen en Peter Zeeman in een vertaling van Nina Targan Mouravi.
.
Zing de krekelklok een liedje,
ritsel beverig de koorts,
ruist de kachel droog, dan weet je:
rode zijde staat in brand.
.
Hebben muizen deze schrale
levensbodem aangeknaagd,
’t is de dochter, ’t is de zwaluw
die mijn schuit heeft losgemaakt.
.
Murmelt op het dak de regen-
zwarte zijde staat in brand.
Maar de vogelkers zal horen
uit de diepste zee: vergeef.
.
Want de dood is maar onschuldig,
en je kan er niets aan doen
dat je hart nog altijd nagloeit
van de nachtegalenkoorts.
.
Auto
Willem van Toorn
.
In 1960 debuteerde dichter, romanschrijver en vertaler Willem van Toorn (1935) met de dichtbundel ‘Terug in het dorp’ (in 1959 was zijn formele debuut met de novelle ‘De explosie’). Inmiddels zijn we vele publicaties (waaronder 13 dichtbundels) verder maar was zijn laatste dichtbundel inmiddels alweer uit 2009 (‘De hofreis’). De poëzie van Willem van Toorn dreigt zo wat in de vergetelheid te raken terwijl het zo’n bijzonder dichter is. Zijn gedichten zijn doortrokken van een liefdevolle ironie waarbij het thema (on)zekerheid centraal staat. In het gedicht ‘Auto’ uit de bundel ‘Landschap voor een dode meneer’ uit 1968 staat het gedicht ‘Auto’ waarin de auto bijna menselijke eigenschappen krijgt toebedeeld door Willem van Toorn.
.
Auto
.
De auto scheidt wegen af
uit zijn achtereind, talloze meters
landschap verteerd tot verleden
verbruikt asfalt, uitlaatgas.
.
Meedogenloos, achter glas,
zien wij de kijkende levens
van boeren met zondags gesteven
gebaren, van koeien, van gras-
.
groene graasdorpen één
tel lang bestaan en dan bijt de
snelheid hen tot op het been
kaal en zij glijden als lijken
bleek van het netvlies. Luid
braakt de uitlaat hen uit.
.
Het glas breekt….
Bijna vergeten dichters
.
Ik heb veel oude dichtbundels in bezit en een groot deel daarvan zijn verzamelbundels of bloemlezingen. Het aardige van deze bundels is dat er dichters in zijn opgenomen waar je nooit meer iets van leest of hoort, terwijl er ook onder deze (bijna) vergeten dichters heel fijne dichters zitten. Zo lees ik in ‘De stem van de dichter’ samengesteld door Antal Sivirski en uitgegeven door J.B. Wolters Groningen in 1962 . In deze bloemlezing van poëzie en proza geschikt om voor te dragen (in het voorwoord neemt Sivirsky de lezer mee over het doel van het voordragen (anderen te laten genieten van een kunstwerk), de klank, de waarde van het voordragen en de keuze van de kunstwerken) staan behalve gedichten ook een aantal prozastukken. Ik beperk mezelf dan tot de gedichten van veel bekende dichters maar af en toe zit er een dichter tussen die ik niet ken. Zoals de dichter Dezsö Kosztolányi.
Kosztolányi (1885-1936) was een Hongaars dichter, schrijver, vertaler en journalist. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hongaarse literatoren van de 20e eeuw. Hij was vooral estheet en individualist, zijn werk laat een toenemende verdieping zien. In de communistische periode gold hij als burgerlijk en conservatief, maar ook toen werd hij erkend als voorbeeldig stilist.
In 1907 debuteerde hij en vanaf 1908 was hij actief voor het pas opgerichte, later leidende, Hongaarse letterkundige blad Nyugat, waarin van zijn hand een studie over Rilke verscheen. Hij kreeg vooral bekendheid door zijn in 1910 verschenen gedichtencyclus ‘A szegény kisgyermek panaszai’ (Klaagzang van een arm klein kind). In 1913 publiceerde hij de anthologie ‘Modern költők’ (Moderne dichters). Kosztolányi schreef makkelijk en snel, naast 12 bundels gedichten publiceerde hij veel krantenartikelen en korte verhalen. Hij was tevens belangrijk als literair vertaler. Hij vertaalde werk van Shakespeare, Rilke, Goethe, Verlaine en Rimbaud, maar ook ‘Alice in Wonderland’.
Van zijn hand is in ‘De stem van de dichter’ het gedicht ‘het glas breekt….’ opgenomen dar eerder in ‘De Muze kent geen Babel’ (Wereldpoëzie in vertaling) verscheen in 1959.
.
Het glas breekt….
.
Het glas breekt
En de tand valt uit.
.
Het kleed scheurt
En het oog verzwakt.
.
Sleutel en knoop gaan te loor
En de lust vergaat.
.
De kaars brandt op
En het bloed wordt traag.
.
De lamp stort neer
En het hart staat stil.
.
Wee mij en u
Wee onzer.
.















