Site-archief

Dichter op verzoek

Zondagen in April

.

Ik weet dat er veel lezers van dit blog zijn met duidelijke voorkeuren als het gaat om dichters. De een houdt van de wat oudere gedichten van de Vijftigers, de ander van Tsjechische en Russische dichters, weer een ander van Ierse dichters, weer anderen van Vlaamse dichters als Herman de Coninck en Hugo Claus en er zijn er die liever dichters van nu lezen. Zoals jullie weten maak ik geen onderscheid ( ik hou van een heel breed spectrum aan dichters al heb ook ik mijn voorkeuren) en daarom wil ik jullie vragen om namen van dichters waar ik er dan telkens één van uitkies om op de zondagen in april iets over te schrijven en een gedicht van te plaatsen. Heb je daarnaast nog een voorkeur voor een gedicht van die specifieke dichter dan zal ik proberen dat erbij te plaatsen. Voorwaarde is wel dat ik dat gedicht dan niet eerder al geplaatst heb.

Dus kom maar op met de suggesties. De laatste dichters op verzoek waren: Ida Gerhardt, Miguel Santos en Antoinette Sisto maar zoals gezegd ook buitenlandse dichters mogen genoemd worden. Vandaag plaats ik hier een gedicht van een dichter die ik tot een van mijn favorieten reken namelijk Jules Deelder. Uit de bundel ‘Moderne gedichten’ uit 1979 het gedicht ‘Orpheus Descending’.

.

Orpheus Descending

.

Als hij zijn hand te luisteren legt

op de warme buizen in haar buik,

hoort hij de trein al komen.

.

Een doffe donder in de diepte dat

aanzwelt tot geraas.

.

En het moment is dáár

.

Als het felverlichte voertuig uit

het zwarte gat gespoten komt,

en hij zichzelve ziet.

.

Gekleed in teder lila achter één

der duizend ramen.

.

‘Mind the doors please! Mind the

doors!’

.

 

Banaliteit van de liefde

Peter Goossens

.

Al enige tijd ligt de nieuwste bundel van de Vlaamse dichter Peter Goossens getiteld ‘Banaliteit van de liefde’ bovenop mijn stapeltje van nog te lezen dichtbundels. Afgelopen week had ik wat tijd om het te lezen en na ‘Als’ uit 2017 dat ook al de liefde al thema had (driehoeksverhouding) nu een bundel over de liefde in algemene zin. De achterflap vermeldt dat het hier empathische poëzie betreft en als men hier mee bedoeld dat de dichter zich weet in te leven in het leven en de gevoelens van de ander dan klopt dat denk ik wel, al had ik hier en daar het gevoel dat ik meer las over de dichter zelf dan over ‘de ander’. In het ene gedicht is de verteller heel duidelijk aanwezig (Schuinsmarcheerders) in een ander gedicht richt hij zich letterlijk tot de ander (De eeuwige minnaar) maar in alle gedichten gaat het over de relatie van de ene mens tot de andere en is de liefde in al haar facetten het thema.

In zes hoofdstukjes (totaal 28 gedichten) zijn de vaak wat langere gedichten ingedeeld. Vaak zijn het de minder aangename kanten van de liefde die Peter beschrijft (verlaten zijn, ontrouw, onvermogen lief te hebben) maar de inhoud is als steeds bij Peter interessant en nieuwsgierig makend. Soms is een gedicht vertederend en dan ineens heel recht voor zijn raap. Peter gebruikt grote woorden in zijn poëzie waardoor ik soms moeite heb met de geloofwaardigheid maar ik herinner mij dat ook in zijn eerdere werk dit het geval was en dat, tijdens een voordracht (hij stond eind december op het podium van Ongehoord!) dat (kleine) bezwaar helemaal wegvalt.

Ik heb voor het gedicht ‘Het klinkt als klatergoud in vallend water’ gekozen, juist omdat de titel en de inhoud van dit gedicht op gespannen voet lijken te staan. En omdat het in het begin een ongemakkelijk gevoel teweeg brengt (#metoo?) totdat je verder leest.

.

Het klinkt als klatergoud in vallend water

.

Ik weet nog de eerste klets op je billen,

wat een nieuwe ervaring.

Hoe je dan een prooi werd.

.

MIJN PROOI

.

Ik weet nog hoe mij lippen zich krulden,

hoe ik geduldig wachtte

voor de tweede klets

.

KLETS

.

Ik weet nog hoe je lichaam zich kromde

en een lange zuchtige kreun zich tussen je lippen ontsnapte.

Hoe je billen zich aan mij toonden

en je met iets meer ongeduld wachtte,

.

KLETS

.

Declamatorium

Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie

.

In 1979 publiceerde Standaard Uitgeverij het ‘Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie’ bijeengebracht door Teresa Van Marcke. Nu heb ik het woord declamatorium even opgezocht (dat het een afgeleidde is van declamatie was me duidelijk) en het betekent “Een dichtstuk dat bij de voordracht wordt begeleid en afgewisseld door muziek of zang” of ook wel “voordracht”. Hoe dat precies zit (het is tenslotte een geschreven bundel) blijkt uit het voorwoord. Daarin schrijft Teresa Van Marcke: “Voor dit werk ging de keuze in de eerste plaats naar het gedicht, geschikt om voor te dragen. Te hermetische poëzie werd vermeden”.

De bundel bevat een reeks aan gevestigde namen maar ook een reeks nieuwe namen (let wel: gevestigde of nieuwe namen in 1979!). “Dichters die de gevoeligheden van deze tijd en vooral van de jonge mens van nu, trachten te verwoorden”. In een aantal thema’s zoals ‘Bezinning/vragen’, ‘Vreugde/liefde/innigheid’, ‘Ontgoocheling/angst/pijn’, ‘aanklacht/eis/strijd’, ‘Reportage/verhaal’ en ‘Humor/ironie’, worden ruim 400 gedichten en dichters gepresenteerd. Zoals gezegd bekende namen (hoewel volgens het voorwoord een aantal Nederlandse dichters verstek liet gaan) maar dus ook onbekende en nieuwe dichters. Zo kan een dichter als Herman de Coninck naast een (voor mij onbekende) dichter als Albert de Longie staan en Halbo C. Kool naast Hendrik Marsman.

Ik heb uit het hoofdstuk ‘Aanklacht/eis/strijd’ gekozen voor het openingsgedicht van Paul de Bolle. Van deze dichter heb ik verder geen informatie gevonden en dit gedicht had wat mij betreft ook in het hoofdstuk ‘Humor/ironie’ kunnen staan.

.

Wanneer ik een soldaat zal zijn

dan grif ik gedichten in de kolf

van mijn geweer

en de man die dan zeggen zal

schiet

die sla ik met mijn gedichten

dood

.

Kanneelgebed

Don Beukes

.

Het mooie van social media (naast heel veel minder aangename kanten) is dat je met de hele wereld in verbinding staat of kan staan. Zo kreeg ik via Facebook (the groep Poetry Club) contact met de Zuid Afrikaanse dichter Don Beukes. Don Beukes werd geboren in Kaapstad en studeerde Engels, geografie en psychologie voordat hij docent werd in Zuid Afrika en in Groot Brittannië. Inmiddels is hij gepensioneerd en in 2016 werd zijn eerste poëziebundel gepubliceerd ‘The Salamander Chronicles’ waarin thema’s als onderdrukking, pesten, politiek, globalisme, seksisme, misbruik, geboorte, dood, vluchtelingen en racisme aan de orde komen.

Zijn tweede boek ‘Icarus Rising – Volume One’ is een verzameling Ekphrastic-poëzie ( Ekphrastic-gedichten richten zich op kunstwerken, meestal schilderijen, foto’s of standbeelden) waarbij de meeste gedichten gebaseerd zijn op originele kunstwerken en in nauwe samenwerking met kunstenaars uit Zuid-Afrika, Amerika en het Verenigd Koninkrijk zijn geschreven.

Zijn Zuid-Afrikaanse publicatie-debuut van veertien exclusieve gedichten verscheen in augustus 2018 met drie andere prominente Zuid Afrikaanse auteurs (Bevan Boggenpoel, Leroy Abrahams en Selwyn Milborrow) in een unieke bloemlezing ‘In Pursuit of Poetic Perfection’, die na publicatie meteen op nummer 1 terecht kwam op de lijst van ‘Afrikaanse Literatuur’ op Amazon Kindle. Zijn poëzie is gepubliceerd in tal van literaire tijdschriften en tijdschriften in de VS, Canada, India, Bangladesh en de Filippijnen, evenals in verschillende bloemlezingen. Sommige van zijn gedichten zijn ook in het Albanees vertaald en in het Afrikaans en het Farsi.

Hij is van plan zijn publiciteitssucces te gebruiken om op een dag zijn eigen stichting in Zuid-Afrika te vestigen om de leesvaardigheid op scholen te verbeteren en om een ​​leescultuur in verarmde gemeenschappen te bevorderen. Don heeft ook een blog waarop je veel meer kunt lezen: https://donbeukes.wordpress.com

Van Don ontving ik een prachtig gedicht met getiteld ‘Kanneelgebed’ of in zijn eigen vertaling in het Engels ‘Cinnamon prayer’.

.

Kanneelgebed

.

As ek net jou spesery geure elke dag

kan aantrek, weet ek my siel sal weer

aansterk, maar jou daaglikse onsigbare

stem laat my weer jou soete woorde

verken – Geen meer goeiemôre soentjies

van my Godgegewe noentjies, geen meer

trane van blydskap soos ek saam lag met

my kosbare skat, terwyl ek gereed maak vir

markdag elke Maandag en heuningbloeisel

soene jou kant toe blaas.

.

Mense knik nog nou en dan medelyend

my kant toe, selfs ons nommer een

mededinger, wat soms ons robynrooi

waatlemoen effens proe – Kan jy glo hy

lok nou andere my kant toe?

Ek glimlag maar net gedwee terwyl ek

eerbiedig proe aan jou hemelsoet kanneeltee-

Gemeng met liefdevolle smeltende

herinneringe – Net die aromatiese

teenwoordigheid van jou verbied

my om onophoudelik te rou

vir jou.

.

Ek dra nog steeds die hemp wat jy in

Mauritius gekoop het, selfs al is die blou

nou verflou – Elke kledingstuk aanraking

teen my dorre woestynvel laat my

glimlaggend altyd wonder – Is ek nog

steeds jou kanneel koning?

.

Ek is omring deur jou – Elke spesery en

kruiedrankie herinner my aan jou – Die

kanneelgevulde plooie in my hand brandersvir jou,

Soms verbeel ek my ek gewaar jou oorkant my,

maar dan voel ek soos ’n jong verliefde gek en

fluister dan saggies my daaglikse

kanneelgebed…

.

Cinnamon Prayer

.

If I could wear your spicy

essence each and every day

I know I will not go astray

but only your daily echo illuminates

your fading halo – No more early

morning kisses from my heaven sent

missus, no more tears of joy just

to hear you say hey, as I leave

for market day, blowing your

honey blossom kisses my way.

.

People still nod sympathetically to

me, even our rival stall enemy –

can you believe he reluctantly

offered me his best ruby red watermelon?

I just proudly smile, honouring your

memory whilst sipping your favourite

cinnamon tea – infused with

loving melting reverie – Only the

aromatic presence of you prevents

my ginger grieving; my daily solitude.

.

I still wear the clothes you

mended, however much faded – each

brush of cloth against my parched skin

always gets me asking – Am I still your

cinnamon king?

.

I am surrounded by you – each spice

and herb reminds me of you – The cinnamon

filled crevices in my hands burn for you

I sometimes think I glimpse you over

there but then I just recite my daily

cinnamon prayer…

.

Wil je meer van Don Beukes lezen ga dan naar http://ourpoetryarchive.blogspot.com/2018/02/don-beukes.html 

.

 

Andere woorden

Hans Andreus

.

Als laatste bijdrage aan de week van de Vijftigers vandaag de dichter Hans Andreus. In de prachtige bundel ‘Nieuwe griffels schone leien’ uit 1954 heeft Paul Rodenko gedichten bijeengebracht ‘van Gorter tot Lucebert, van Gezelle tot Hugo Claus. Deze bloemlezing uit de poëzie der avantgarde werd door Rodenko ook voorzien van een inleiding. Deze bundel was destijds enorm populair getuige de aantallen waarin de eerste vier drukken verschenen, namelijk 37.500 stuks. Mijn exemplaar is uit 1957 (vierde druk) van 10.000 exemplaren. Hoeveel er in totaal van gedrukt en verkocht zijn durf ik niet te zeggen maar dit soort aantallen worden heden ten dage nog maar zelden gehaald.

Deze titel verscheen in de Ooievaars reeks en H. Berserik tekende de omslag illustratie. Uiteraard staan er een aantal gedichten van Hans Andreus in deze bundel (net als alle andere Vijftigers). Het gedicht ‘omdat je niet grieks bent…’ verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De taal der dieren’ uit 1953.

.

Omdat je niet grieks bent…
.

Omdat je niet grieks bent
kunnen je ogen delfisch orakelen
hoor ik bucolische muziek
een heel hoge mondharmonica in plaats van een fluit

maar meer dan dit

men moet zo zonder gestalte zijn
om lief te kunnen hebben
zo niemand en zo bewoond door leven
duizendpootleven en halfgodbestaan
dat men kan zeggen jij met een klank van glazen bekkens

bloemkoopmannen hebben droevige gezichten
zij hebben haren van kuilgras
en ogen van magere aarde
maar zij hebben hun bossen rozen als waaiers ontvouwd
en je naam van je heupen gelezen

ik heb een dag lang de dood op handen gedragen
ik heb een dag lang de kou van alaska betast
ik heb een nacht lang een jong dier zien doodgaan
ik heb een nacht lang je ogen gezien blinkend met een
blijdschap als water

ik weet allang niet meer wie je was
een vogelroep
of de komeet van halley
of
het eiland sicilië
maar ik leefde zo dood als kamers in spiegels
luister ik rinkel als bellen

de lichtrode weerschijn van onder je borsten
begrijp ik niet
de vertraagde val van je heupen door de ruimte
begrijp ik niet
je mond en je ogen zijn onherkenbaar
maar ik bespeel je en jij noemt mij
de bank van monto carlo

men wijst mij aan ik ben in de maan de kinderen roepen
mij maanman na
maar ik vaardig proclamaties uit
in een koninklijk meervoud

wij

zijn

de spiegels

der zon

.

Nachtelijk gesprek

Paul Rodenko

.

Paul Rodenko ken ik vooral als samensteller en bloemlezer van allerlei bundels zoals ‘Voorbij de laatste stad’,  ‘De muze viert feest’ en ‘Nieuwe griffels, schone leien’. Paul Rodenko (1920-1976) was echter veel meer, hij was dichter, criticus, essayist en vertaler. In de oorlog werkte hij mee aan de illegale tijdschriften Maecenas en Parade der Profeten. Zijn debuut als dichter maakte Rodenko in 1947 met zijn vertaling van Dvenatsat (De twaalf) van de Rus A. Blok (de vader van Rodenko was een Rus).

Door zijn essays en bloemlezingen over de experimentele poëzie in Nederland, ontstond een klimaat waarin de vernieuwende Beweging van de Vijftigers in de Nederlandse poëzie in steeds bredere kring werd geaccepteerd. Rodenko, die meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs doorbracht, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighield, was zich al voor het optreden van de Vijftigers bewust van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de literatuur. Een goed voorbeeld is zijn gedicht ‘Bommen’ dat ik mop dit blog plaatste op 15 juli 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/07/15/bommen/.

Uit de bundel ‘Orensnijder tulpensnijder’ Verzamelde gedichten uit 1975 het gedicht ‘Nachtelijk gesprek’.

.

Nachtelijk gesprek

.

We zitten moe als padden zo gedwee

in onze transparante tent

de nacht rondom is een immense zee

de woorden onze mond ontwend

zijn trage jonken op het tijloos water

.

Geen uurwerk tikt er in de nacht

geen tafel lacht

je onbeweeglijke gezicht

is van een wonderlijke naaktheid

.

Hoe lang reeds is de zin geronnen

van ons gesprek in deze tent

komt er dan nooit een end

de laatste spin heeft stil mijn tong bestegen

en is verveeld zijn grauwe web begonnen

.

Je stem heeft zich nu eindeloos verlengd

ik zie de voet slechts van een rijzig woord

je vissenmond kruipt langzaam naar mij toe

.

en wordt heel groot en onbegrijpelijk rond

.

Een vergeefs gedicht

Remco Campert

.

Een van de Vijftigers die vrijwel iedereen kent, als het niet van zijn poëzie is dan wel van zijn proza, is dichter, schrijver, columnist Remco Campert (1929). Deze éminence grise van de Nederlandse poëzie is nog steeds actief al liet hij vorig jaar weten te stoppen met schrijven. Inmiddels weten we dat hij gewoon is blijven corresponderen met zijn goede vriend Kees van Kooten en dat deze correspondentie geboekstaafd is in het boekje ‘Aanelkaar’ over het leven, de liefde en de dood.

Remco Campert heeft een enorme bibliografie en heeft vrijwel alle literaire prijzen gewonnen die er te winnen zijn. Maar ook hij is ooit gedebuteerd en dat deed hij in 1950 met de poëziebundel ‘Ten lessons with Timmothy’. In 1952 verscheen al zijn vierde bundel ‘Een standbeeld opwinden’ en in die bundel staat het gedicht ‘Een vergeefs gedicht’.

.

Een vergeefs gedicht

.

Zoals je loopt,

door de kamer uit het bed

naar de tafel met de kam

zal geen regel ooit lopen.

.

Zoals je praat,

met je tanden in mijn mond

en je oren om mijn tong,

zal geen pen ooit praten.

.

Zoals je zwijgt,

met je bloed in mijn rug

door je ogen in mijn hals

zal geen poëzie ooit zwijgen.

.

Wij zijn

Simon Vinkenoog

.

In een week waarin de Vijftigers centraal staan mag dichter en performer Simon Vinkenoog (1928 – 2009) natuurlijk niet ontbreken. Vinkenoog die alleen al in de jaren ’50 maar liefst elf poëziebundels publiceerde. Op 21-jarige leeftijd begon hij het Nederlandse literaire blad Blurb. De titel verklaarde hij als volgt: Wij geloven niet meer in het vinden van scabreuze woorden in nog niet bestaande woordenboeken en wij hebben dus gekozen: blurb. Waarvan één betekenis gebrabbel is. Over zijn uitgangspunten schreef hij: Onze mogelijkheden zijn nog ongelimiteerd, al moeten wij ons verdedigen tegen uiterst links en uiterst rechts en nochtans het gevaarlijke midden mijden”. In de periode 1950-1951 verschenen van dit blad acht (gestencilde) nummers, in kleine oplage. Tot nummer 4 gaf Vinkenoog het tijdschrift vanuit Parijs als eenmanspublicatie uit. Daarna werkten andere experimentele schrijvers mee, zoals Hans Andreus, Armando, Hugo Claus, Jan Hanlo, W.F. Hermans en Lucebert. Ook publiceerde het blad poëzie van de jong gestorven Hans Lodeizen. Op 1 juni 1951 verscheen het achtste en laatste nummer met de woorden: Laten we het mooi houden, er vooral geen literatuur van makenwaarmee Vinkenoog al liet blijken in de traditie van de latere Vijftigers te passen. Samen met Braak luidde Blurb het tijdperk van de Vijftigers in. In 1951 publiceerde Vinkenoog de roemruchte bloemlezing ‘Atonaal’, die geldt als het eerste publieke manifest van de Vijftigers, die zich atonale dichters noemden.

Uit de bundel ‘Onder eigen dak’ uit 1957 het gedicht ‘Wij zijn’.

.

Wij zijn

.

Als de vlugge voetstap van de halsmisdaad,

als het bitterzoete wachten, als de pijn van alleenzijn;

.

zonder reden. Radeloos en reddeloos,

beterwetend, alleswetend, nietswetend.

.

Woorden blijven in de handen steken,

speeksel verjaart in de mond,

klein vergif en rood verraad.

.

Nu zal het avondmaal smaken als gal,

en de kleine bruine minderheden in ons bloed

zullen vechten om vrijheid,

en de daad wordt verdaagd, en het woord wordt verdacht.

.

Nu zal het bloed blijven steken

en de hartklop wordt onhoorbaar.

.

Nu eindigt dit leven, nu nadert het leven,

hier staan wij naakt,

hier staan wij waar.

.

Wij-materie

Sybren Polet

.

Van alle dichters uit de beweging van de Vijftigers ken ik Sybren Polet het minst goed. Sybren Polet (1924 – 2015) was het pseudoniem van schrijver, dichter Sybe Minnema. Polet volgde een opleiding tot leraar in Zwolle. In 1946 debuteerde hij onder zijn eigen naam met de dichtbundel ‘Genesis’. Als Sybren Polet debuteerde hij in 1949 in het literaire tijdschrift Podium, waarvan hij van 1952 tot 1965 redacteur zou zijn. De stad Amsterdam speelt er een centrale rol in zijn werk en de personages, aangeduid als Mr. Iks, Mr. X, en dergelijke, veranderen continu van gedaante. Polet schreef ook toneelstukken en kinderboeken en stelde bloemlezingen samen van poëzie en sciencefiction. Ook vertaalde hij Zweedse poëzie naar het Nederlands  Voor zijn werk ontving Polet verschillende belangrijke literaire prijzen zoals de Jan Campert-prijs voor zijn dichtbundel ‘Geboortestad’ in 1959, de Herman Gorterprijs voor zijn dichtbundel ‘Persoon/onpersoon’ in 1972 en de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre in 2003.

In 1961 verscheen van hem de dichtbundel ‘Konkrete poëzie’ en uit die bundel komt het gedicht ‘Wij-materie’ waarin het experimentele karakter van de Vijftigerspoëzie heel goed tot uitdrukking komt..

.

Wij-materie

.

Ik zeg. Zeg niets. Niets zeg ik dan: Wij. Het splijt
dikwijls maar is, immers heeft een soort. gewicht
van 34.3, atoomnummer 2 : 2 protenen (jij
en ik), 2 neutronen (?) en een heel kleine neutrino.
Onder het uitzenden van een λ-deeltje
ontwikkelen wij een zo sterke erotiese warmte
—gelijk aan zes volledige echtparen in hun eerste graad
van kennismaking—dat wij materiemystici oplossen
in licht. Neutraal is de witheid
die niets omringt, niets is, niets
wil.
Geen astrofysikus zweeft voorbij. Geen supersoniese engel
ruist. –Geen adem, geen adat, geen Adam.

.

 

Foto

Paul Snoek

.

Paul Snoek was het pseudoniem van Edmond André Coralie Schietekat (1933 – 1981) Snoek was een van de bekendste dichters en prozaschrijvers van België. Hij was tevens kunstschilder. Zijn pseudoniem is afkomstig van de naam van zijn moeder Paula Snoeck. Hoewel zijn werk moeilijk bij één stroming is in te delen of moeilijk onder één noemer te vatten valt wordt hij gerekend tot één van de dichters van de Vijftigers. Begonnen als romantisch dichter, evolueerde hij naar meer agressieve en cynische geschriften. Op het laatste werd hij een gelaten, pessimistisch dichter, in overeenstemming met zijn manisch-depressieve buien.

In de bundel ‘Archipel’ uit 1954 het gedicht ‘Foto’.

.

Foto

.

Verwarde mensen met een onweer in het haar

en niet het hart vol zwarte klippen

dragen in hun witte handen wit zand

van het strand naar de zee.

.

Aan de horizon waait een steamer

in alle windstreken uiteen

en in mijn hart

wordt een lippenrose schelp gebroken

pas aangespoeld.

.