Site-archief
Bescheidenheid
Michaël Slory
.
Pas geleden las ik in een column op Meander dat verzamelbundels eigenlijk slecht zijn voor de poëzie, het zijn makkelijk in elkaar gezette boekwerkjes, meestal rond een thema en de lezer krijgt steeds één gedicht van een dichter te lezen die vaak ook nog eens uit de context is gehaald van de bundel waarin dit gedicht oorspronkelijk werd gepubliceerd. En grotendeels was ik het met de schrijver eens. Het maakt lui want omdat er geen context is (behalve de gelijke gemene deler van een thema) is het heel makkelijk om er browsend en grasduinend van te consumeren.
Nu is dat iets dat volgens mij veel poëzieliefhebbers doen (ik wel in ieder geval) juist ook omdat je, door dit te doen soms dichters en gedichten tegen komt die je niet kent of waar je ergens in de verte wel van hebt gehoord, en ook nog eens een halve mening over hebt maar waarschijnlijk nooit echt iets van hebt gelezen. En als ik dan zo’n gedicht lees word ik nieuwsgierig en ga ik op zoek naar die bundel of meer werk van zo’n dichter.
Op die manier kunnen bloemlezingen en themabundels wel degelijk ook het plezier in het lezen van poëzie en het genieten van het werk van nieuwe dichters bevorderen. Ik schrijf dit omdat ik in een kringloopwinkel het kleine maar redelijk dikke bundeltje ‘Licht’ Het museum van de poëzie, 125 dichters uit meer dan vijftig landen kocht. Deze bundel uitgegeven door Amnesty International en samengesteld door Daan Bronkhorst bevat vele gedichten van dichters die ik nog niet ken. Maar ook van dichters die ik wel ken van naam of waar ik weleens iets van gelezen heb maar waar ik dan toch weer nieuwsgierig naar word.
Zo’n dichter is Michaël Slory. Michaël Arnoldus Slory (1935 – 2018) was een Surinaams dichter. Hij geldt als een van de belangrijkste dichters in het Sranan. Hij heeft daarnaast gepubliceerd in het Nederlands, Spaans en Engels. Michaël Slory is een van de meest gelauwerde dichters van Suriname.
Het gedicht in deze bundel van Slory verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Torent een man hoog met zijn poëzie’ uit 2012 en is getiteld ‘Bescheidenheid siert de mens’. Toen ik dit gedicht las deed het me heel erg aan de huidige tijd denken.
.
Bescheidenheid siert de mens
.
Vind je niet
dat jouw eigen maaksels
jouw handen al na één dag
zijn ontgroeid?
.
Vind je niet?
.
Vind je niet
dat ergens
zonder jou
iets anders broeit?
.
Vind je niet?
.
Oude handen
Edward van de Vendel
.
Afgelopen zaterdag was er bij de Taalstaat op radio 1 bij Frits Spits een Vlaamse psychiater Jan Raes (gelijk de oud wielrenner) in het programma. Hij was daar om te praten over een Vlaams initiatief ‘Het lezerscollectief’ https://lezerscollectief.be/ . In het kort is het lezerscollectief: samen verhalen en gedichten lezen, daarmee mensen verbinden en hen sterker en weerbaarder maken. Dat is de filosofie van Het Lezerscollectief, een netwerk van leesbegeleiders in Vlaanderen, dat leesbijeenkomsten organiseert voor mensen die moeilijk toegang hebben tot literatuur, onder meer gevangenen, mensen met psychische problemen en mensen in armoede.
Psychiater Jan Raes was in de Taalstaat om hierover te praten en als voorbeeld van een gelaagd stuk tekst (want dat leest men, gelaagde teksten zodat elke deelnemer er persoonlijke problemen of trauma’s aan kan verbinden) las Raes het gedicht ‘Oude handen’ van Edward van de Vendel voor. Nu zei zijn naam me niet meteen iets dus ik ben eens gaan zoeken en wat blijkt? Edward van de Vendel (1964) is een zeer gevierd schrijver en vertaler van kinder- en jeugdboeken. Hij ontving voor zijn werk talloze prijzen en onderscheidingen en zijn werk is vertaald in het Duits, Spaans, Frans, Italiaans, Noors, Deens, Chinees, Portugees en Georgisch. Maar hij schrijft ook poëzie voor volwassenen.
Het gedicht dat in de radiouitzending werd voorgelezen komt uit de bundel ‘Aanhalingstekens’ uit 2000. Het gedicht ‘Oude handen’ gaat over gestorven ouders die alleen in de herinnering aanwezig zijn.
.
Oude handen
.
Als ik oud ben wil ik oude handen
die, als op de reliëfkaart
van een basisschool
hun gebergte, hun rivieren tonen. – Verre landen
waar ik in kan wonen.
Ervaren aderen,
vingers met verhalen.
Handen
die ergens waren;
op schouders, om een hart,
in andere handen.
Aan relings, zwaaiend,
aaiend langs de wanden
van een huis ver van hun huis.
Handen wil ik
vol geschiedenis
en aardrijkskunde:
Reizigers, na vele avonturen
veilig thuis.
.
Stenen voor het begin
Fleur Bourgonje
.
De Nederlandse schrijfster en dichter Fleur Bourgonje werd geboren in 1946 in Achterveld. In 1968 vertrok ze naar Parijs, eind 1970 naar Zuid-Amerika. Ze woonde tijdens de regeringsperiode van Salvador Allende in Chili, daarna in Argentinië, tot ook daar een militaire staatsgreep een eind aan haar verblijf maakte. Eind 1976 vestigde ze zich in Venezuela. Gedurende deze jaren bereisde ze heel Midden-en Zuid-Amerika.
Bourgogne schrijft naast romans en gedichten ook lyrische en hoorspelen. Haar werk werd o.a. vertaald in het Duits, Engels, Frans, Italiaans, Spaans, Servisch en Bosnisch en voor haar literaire werk ontving ze meerdere nominaties en prijzen.
Ze noemt zichzelf een buitenstaander die het liefst mensen en gebeurtenissen observeert. Als vanuit een vogelvlucht overzicht houden en de betrekkelijkheid der dingen inzien. Haar leven noemt ze een biografie: “De werkelijkheid blijft hetzelfde, maar hoe ik deze ervaar verandert. Daardoor zijn mijn herinneringen altijd gekleurd.”
In 1987 verscheen bij uitgeverij Meulenhoff de bundel ‘Stenen voor het begin’ haar poëziedebuut. Rogi Wieg schreef in een recensie over deze bundel: De toon van dit werk is goed, gedreven, maar veel gedichten blijven vaag en lijken slechts een aanzet. Poezie met veel licht, stenen, tijd en ruimte. Goede regels, maar de essentie blijft onduidelijk: ‘Woorden alleen, niet/het verhaal;/niet de bomen,/wel het bos.’
Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Het huis’.
.
Het huis
.
De plant is over het balkon gegroeid,
de kale stam rust op de rand.
Zwaar van venijn
buigt haar bloem
naar de straat,
waar ik sta, vandaag.
.
Hoe kan een cactus voortbestaan,
bloeien in niets,
in leegte
na de vlucht.
.
Waarom overleeft een plant
wat in mij is doodgegaan.
.
Sterk en vreemd
Charles Bukowski
Zonder dat ik hier naar op zoek was kwam ik op de website https://www.poeticous.com/ terecht.
Zwart Wit poëzie
Sabi so
.
Op 8 juli jongsleden schreef ik een stuk over meningen en poëzie https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/07/08/met-meningen-schrijf-je-geen-goed-gedicht/ . De strekking van dit stuk was dat ik vind (en ik niet alleen bleek) dat goede poëzie op zichzelf moet staan en niet bepaald moet worden door meningen of de achtergrond van de dichter. Dat sluit echter niet uit dat de achtergrond van een dichter een rol kan spelen in zijn of haar poëzie (voorbeelden genoeg). Activistische poëzie kan heel bijzonder en heel goed zijn.
In 1987 werd door ‘Sabi So’ de Delftse Zwarte Vrouwen Belangen Organisatie, de bundel ‘Zwart Wit poëzie’ uitgegeven. Deze bundel werd door de gemeente Delft mogelijk gemaakt destijds. Op zichzelf een mooi initiatief maar wat ik vreemd vind is dat ik lees in de inleiding:
“Aan deze bundel hebben 21 zwarte en witte vrouwen meegewerkt. Deze literaire bundel heeft niet de pretentie één te zijn waar niets op of aan te merken zou zijn. Een groep enthousiaste vrouwen, allen amateurs heeft de lay out verzorgd, de redaktie op zich genomen en de omslag ontworpen. de rest heeft de drukker gedaan.”
Maar dan: De groep witte vrouwen heeft uit haar inzendingen een selektie gemaakt waarbij een bepaalde puntenwaardering gegeven werd aan de gedichten. De groep van zwarte vrouwen heeft geen selektie gemaakt. Aan de vrouwen is gevraagd enkele van haar gedichten, die ze zelf mooi vinden en voor haar heel veel betekenen op te sturen.”
Ik vind het vreemd dat er hier een onderscheid gemaakt is. Zelfs als er al een reden was om onderscheid te maken (wat me vreemd lijkt) is het dan nodig dit ook te benoemen in een inleiding. Hiermee lijkt me juist dat er een onderscheid wordt gecreëerd, terwijl de reden dat deze bundel is uitgegeven er een is om juist aan te geven dat poëzie, zwart of wit, hetzelfde is waarbij er maar één criterium is om onderscheid te maken: vind je het mooie of goede poëzie of niet (onafhankelijk van wie het geschreven heeft).
Uit deze bundel heb ik gekozen voor een gedicht van Jacqueline (verder geen informatie bekend) in een vertaling uit het Spaans van ‘Lagunas del tiempo’.
.
Meren des tijds
.
Wat gebeurt als je niet meer daar bent
en op nieuwe paden loopt
andere ideeën en gewoontes
zo oud onmetelijk, onbevattelijk
zo diep
dat
wat er was
ontastbaar wit wordt
transparant, amorf water en niets meer
noch de vijand wie de haat zich nog herinnert
wie jou ontworteld heeft
toen je in de berg geloofde
.
Er blijven alleen mijn herinneringen over
meer van oneindig water
gevuld met glanzende kleur of, donker?
verblindend als de gekte
een verleden te hebben
.
En ik blijf daar
met dat verleden in mijn ingewanden.
De enige vrouw
Bertalicia Peralta
.
De Panamese journaliste, schrijfster en dichter Bertalicia Peralta (1939 volgens de bundel, 1940 volgens andere bronnen) schrijft vaak over de positie van de vrouw, onder andere in essays maar ook in haar poëzie. Als schrijver specialiseert ze zich in poëzie en korte verhalen en publiceert in tijdschriften, bloemlezingen en literaire supplementen in Amerika en Europa. Haar werk is vertaald in het Engels, Frans, Italiaans en Portugees. Ze is winnaar van verschillende literaire prijzen, waaronder een eervolle vermelding in de wedstrijd Ricardo Miró.
In de bundel ‘Zo’n gelukkige dag, dichters voor Amnesty International’ uit 2005, samengesteld door Daan Bronkhorst, staat het gedicht ‘De enige vrouw’ van haar hand in een vertaling van Koosje Verhaar.
.
De enige vrouw
.
De enige vrouw die kan bestaan
is zij die weet dat nu de zon over haar leven gaat schijnen
.
zij die geen tranen stort maar pijltjes uitstrooit
om haar territorium af te bakenen
.
zij die geen verzoeken doet
zij die haar mening geeft en haar hoofd optilt en met haar
lichaam zwaait
en die teder is zonder schaamte en hard zonder haat
.
zij die het alfabet van onderworpenheid heeft verleerd
en rechtop loopt
.
zij die de eenzaamheid niet vreest omdat zij alleen is
geweest
zij die de grote kreten van geweld voorbij laat gaan
.
en dat alles doet met gratie
zij die zich bevrijdt te midden van liefde
zij die bemint
.
de enige vrouw die de enige kan zijn
is zij die gepijnigd en zuiver voor zichzelf besluit
om uit haar voorgeschiedenis te stappen
.
Ophelia
Jan Vercammen
.
De Vlaamse dichter en jeugdboekenschrijver Jan Vercammen (1906 – 1984) is zo’n dichter die redelijk snel uit het collectief geheugen van mensen aan het verdwijnen is. In Nederland was zijn dichterschap al weinig bekend maar ook in Vlaanderen nemen nieuwe namen zijn plaats in, in het literaire landschap. Daarom past zijn dichterschap prima in de categorie (bijna) vergeten dichters.
Jan Vercammens dichtdebuut was de bundel ‘Eksode‘, uit 1929. Vanaf zijn ‘De parelvisscher‘ uit 1946 wordt zijn werk religieus-humanistisch genoemd, met de liefde en de dood als belangrijke thema’s, daarvoor had zijn poëzie eerder een katholiek karakter. Zijn werk werd vertaald in het Frans, Duits, Italiaans, Spaans en Russisch, meerdere gedichten werden op muziek gezet. Daarnaast schreef hij ook jeugdverhalen en kinderpoëzie.
Jan Vercammen was redactiesecretaris van ‘De Tijdstroom’ (1931-1935), redacteur van ‘De Gemeenschap’ (1935-1941) en ‘De Schakel’ (1936-1940). Hij was lid van de Raad van Beheer van de Kultuurraad voor Vlaanderen (1959-1976), erevoorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen en lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.
Uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1976 het gedicht ‘Ophelia’, (de geliefde van Hamlet die verdronk) uit Hamlet van Shakespeare.
.
Ophelia
.
Ophelia, wit licht diep in het water
en de verukkelijke wonde van uw mond.
Uw duistre woorden werden dierbaar later
wanneer ik plotseling hun zin verstond.
.
Gij ziet het licht niet, want uw open ogen
zijn afgesloten met de schaduw van de dood,
o duisternis in hun verzonken bogen.
Ik was het leven dat gij duizelig ontvloodt.
.
De tijd beweegt zich traag als vinnen
van zilvervissen en ontstellend bloot.
Ophelia, nog moet ik u beminnen,
wit licht, verlokking tot de dood.
.
Dichter van de maand Maart
J. Slauerhoff
.
Als dichter van de maand maart heb ik gekozen voor J. Slauerhoff (1898-1936). Slauerhoff is bekend als schrijver en dichter en publiceerde in zijn relatief korte leven toch heel wat verhalen, romans en poëzie. Ook vertaalde hij proza uit het Spaans en Portugees. Tijdens zijn leven was hij al bekend en geroemd maar ook na zijn dood bleef de belangstelling voor zijn werk. Tot op de dag van vandaag wordt zijn werk heruitgegeven en vertaald.
Uit de ‘Verzamelde gedichten’ in twee delen uit 1973 (negende druk) het gedicht het gedicht ‘Woninglooze’ met de beroemde eerste zin.
.
Woninglooze
.
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.
.
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.
.
Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.
.

















Spiegel van de Surinaamse Poëzie
6 dec
Geplaatst door woutervanheiningen
Michaël Slory
.
De Surinaamse dichter Michaël Slory (1935) geldt als één van de belangrijkste dichters in het Sranan. Het Sranan is ontstaan als taal van de uit Afrika aangevoerde slaven op de plantages tijdens de Nederlandse koloniale overheersing. Het draagt de sporen van Engels, Nederlands, Spaans, Portugees en West-Afrikaanse talen. Deze herkomst is te vergelijken met die van andere gecreoliseerde talen in het Caraïbisch gebied, zoals het Papiaments. Slory studeerde Spaans in Nederland en begon zijn carriëre als dichter met de publicatie van drie bundels met overwegend politieke poëzie. Aan het einde van de jaren zestig keerde hij terug naar Suriname waar hij vanaf 1970 nog uitsluitend in het Sranang schrijft. In de jaren tachtig stapt hij vervolgens weer over naar het Nederlands en Spaans. Slory heeft altijd de sociale en politieke actualiteit poëtisch van commentaar voorzien, niet alleen van Suriname maar ook van Zuid Amerika en Vietnam (1970). Naast poëzie voor volwassenen schreef hij ook verzen voor kinderen en proza. Zijn laatste poëziebundel dateert van 2012 (Torent een man hoog met zijn poëzie).
In 1995 kwam bij Meulenhoff Boekerij de vuistdikke bundel ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie, van de oude liedkusnt tot de jonge dichters’ uit waarin Slory uiteraard goed vertegenwoordigd is. Uit deze bundel hier het gedicht in vier delen ‘Nachtregen van Michaël Slory.
.
Nachtregen (I)
.
En in de koude regen
het harteleed
dat klaagt.
.
Straatstenen, schaduwen
luisteren niet
waar de nacht woedt,
verloren.
.
Nachtregen (II)
.
In de koude wind
vleermuizenscherts
na regen.
.
De sapotille
is reeds aangevreten
en valt daarna.
.
Nachtregen (III)
.
(kikkers)
.
De koperen blazers
wachten op het orkest.
Maar
het valt niet in.
.
Zelfs de sterren
hebben hun stemrecht
verloren.
.
Nachtregen (IV)
.
(hond)
.
Waf!
Alleen
een diep geblaf.
Van bijten
komt er niets.
.
De regen
houdt hem
ervan af.
Waf!
.
Dit delen:
Geplaatst in Dichtbundels, Dichter in verzet, Favoriete dichters
5 reacties
Tags: 1970, 1995, dichter, dichter in verzet, Engels, favoriete dichter, gedicht, gedichten, jaren tachtig, jaren zestig, kinderverzen, Meulenhoff Boekerij, Michaël Slory, Nachtregen, Nederlands, Papiaments, poëtisch commentaar, poëzie, politiek, Portugees, proza, sociale actualiteit, Spaans, Spiegel van de Surinaamse poëzie, Sranan, surinaams, Surinaams dichter, Surinaamse poëzie, Surinaamse taal, Suriname, Torent een man hoog met zijn poëzie, van de oude liedkunst tot de jonge dichters, verzen, vier delen, Vietnam, West-Afrikaanse talen, Zuid Amerika