Site-archief

Een vrij land

Hans Mirck

.

Op de radio hoor ik dat de grote blonde ophitser in Zwolle zijn zure plasje doet over een gemeentelijk besluit en onwillekeurig moet ik terug denken aan het afgelopen weekend. Toen las ik in de bundel ‘Dichter bij de dag’ Dagelijkse portie poëzie op Radio 1, het gedicht ‘Een vrij land’ van Hans Mirck (1970). In dit gedicht wordt de zogenaamde vrijheid (wat is vrijheid als ie maar voor een beperkt deel van de bevolking geldt?) bekritiseerd door de dichter.

Hans Mirck (docent Nederlands, vertaler, muzikant, dichter, ex-stadsdichter van Zutphen en Apeldoorn en schrijver) publiceerde verschillende dichtbundels. Zijn debuutbundel ‘Het geluk weet niets van mij’ uit 2002 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2003. Zijn bundel ‘Wegsleepregeling van kracht’ uit 2006 werd bekroond met de J.C. Bloemprijs 2007. Mirck is ruim tien jaar actief als schrijfdocent en redacteur, onder andere voor de popgroep BLØF. Ook was hij redacteur van het literaire tijdschrift Parmentier en voor uitgeverijen als Passage en Vassallucci.

.

Een vrij land

.

de dikke mensen kunnen  wij niet meer dragen

de arme mensen worden ons te duur

zij moeten het zelf maar betalen

het goede leven belonen wij

en onze dure dokters

Een rank die niet aan de wijnstok blijft,

kan geen vruchten dragen

Een verdorde wijnstok

wordt in het vuur gegooid en verbrand

focus is alles, laat de mensen maar hongerig zijn

en luisteren naar klassieke muziek

dat is vrijheid

vrij om te verdorren,

om woorden te mismaken

vettaks, bonus

om slechte films te maken

als je van klassieke muziek houdt

heb je ook recht op verkeersinformatie

.

Raban! Rabijst! Rabon!

C. Buddingh’

.

C. Buddingh’ (1918-1985) schreef ‘De blauwbilgorgel’ in oktober 1942 in sanatorium Zonnegloren in Soest. Het gedicht maakte hem destijds bekend bij jong en oud. Uit het boek ‘Ik ben de blauwbilgorgel’ van biograaf Wim Huijser blijkt dat de tijd in het sanatorium in Soest voor dichter, schrijver en vertaler C. Buddingh’ een ingrijpende periode was in zijn leven. Het machtigste wapen dat de patiënt Buddingh’ ter hand nam in het sanatorium waren boeken. Buddingh’ werd in en na de Tweede Wereldoorlog gedurende ruim vier jaar in sanatorium Zonnegloren in Soest verpleegd omdat hij aan tuberculose leed.

Na verschillende publicaties in de vooroorlogse literaire tijdschriften ‘Den Gulden Winckel’ en ‘Criterium’, debuteerde Buddingh’ met zijn bundel ‘Het geïrriteerde lied’ in 1941. Deze publicaties van surrealistische gedichten waren illegaal vanwege de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog . In 1944 verscheen er een klein boekje onder de toonbank, een reeks erotische kwatrijnen getiteld ‘Praeter gallum cantat’. Ook zijn vertalingen van vier gedichten van W.H. Auden werden clandestien uitgegeven.

Tijdens zijn verblijf in Zonnegloren schreef hij ‘de blauwbilgorgel’ (onderdeel van zijn ‘gorgelrijmen’ welke geïnspireerd was op de Engelse kinderroman ‘The Bluebillgurgle’ van E. Nesbit . Hij publiceerde de ‘gorgelrijmen’ in verschillende edities, waaronder ’10 gorgelrijmen’, een geïllustreerde bundel waarvan er in 1954 slechts tien exemplaren werden gedrukt. Op zoek naar dit gedicht kwam ik erachter dat ik het nog nooit gedeeld had op dit blog, wel naar verwezen en ook over het vervolg geschreven, maar als gedicht nooit geplaatst. Daar komt vandaag dus verandering in.

.

Ik ben de blauwbilgorgel

.

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!

.

Lupines

Seamus Heaney

Behalve heel veel Nederlandstalige dichtbundels en een groot aantal dichtbundels in het Engels (en een enkele in een andere taal) bezit ik ook verschillende vertaalde bundels van buitenlandse dichters. Een van die bundel pakte ik uit mijn boekenkast in de rubriek ‘Blind gepakt’. Het betreft hier de bundel ‘Elektrisch licht’ van de Ierse dichter, docent, vertaler en toneelschrijver Seamus Heaney (1939-2013) die in 1995 de Nobelprijs voor de literatuur ontving. De vertaling werd verzorgd door Hans Mirck en Peter Nijmeijer.

‘Elektrisch licht’ bevat de gedichten uit de bundel ‘Electric light’ uit 2001 en een selectie van gedichten uit ‘Het eerste koninkrijk’ dat in vertaling van Peter Nijmeijer in 1996 verscheen. Ik opende de bundel op een willekeurige pagina (de pagina’s zijn vreemd genoeg niet genummerd) en daar staat het gedicht ‘Lupines’.

.

Lupines

.

Ze stonden. En stonden nergens voor. Gewoon door te staan.

Te wachten. Niet voorhanden. Maar daar.

Zeker. Zeker en niet buigend.

Rozevingerige dageraad en marineblauwe nachtbloem.

.

Zaadpakjes om mee te beginnen, roze en azuur,

Licht filterend, kleine nerveuze belofte:

Lupinehalmen, erotica van de toekomst,

Lippenveeg van het blauw en diepe opbrengst van de aarde.

.

O pastellen torentjes, peulen en spitstoelopende stengels

Die op hun bodem stonden voor het verloop van onze hele zomer

En zelfs wanneer ze verbleekten nooit zouden stokken.

En niets hiervan ging ons begrip te boven.

.

Carpe Diem

Job Degenaar

.

Begin dit jaar verscheen bij een van mijn favoriete poëzie-uitgeverijen, uitgeverij P, de bundel ‘Zomerschaduw’ van Job Degenaar uit. Job Degenaar (1952) is dichter en vertaler en studeerde in 1983 af in de Neerlandistiek, hoofdrichting Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was tien jaar voorzitter van Writers in Prison Committee van PEN Nederland en is sinds 2017 voorzitter van PEN Emergency Fund.

In 1976 debuteerde Degenaar met de bundel ‘Bericht voor gelovigen’ en nu is er dan ‘Zomerschaduw’ zijn elfde uitgave met uitsluitend nieuwe gedichten. In deze bundel staat het licht centraal; maanlicht, zonlicht, schaduwen, schemerlicht, lentelicht, het komt allemaal langs in zijn poëzie. Of, zoals Tom Veys het beschrijft in zijn recensie van deze bundel op Meander: “Het licht merk je vaak tussen de verzen”. Maar zijn poëzie is ook luchtig, ernstig en serieus maar er zit ook humor in zijn gedichten zoals in het gedicht ‘Ans’.

.

Ans

.

Twintig en nog onbevlekt, wringt ze zich

amechtig van haar fiets, om voor Facebook

te poseren bij een schittermeer in Fryslân

.

Vijf likes maar liefst: van amechtige tante

Truus, bedlegerige ome Piet, zwijgzame

Cousin Koos, diens morbide zoontje Joost

en zelfs van halfzus Coby, die

doorgaans alles maar zozo vindt

.

Ans van ‘Begeleid’

wordt zéér in eigen kring benijd

.

Zoals je leest (schittermeer) komt ook hier het licht terug. De onderwerpen die Degenaar kiest zijn heel verschillend (honden, geluk, verzetsmonument, muziek etc.) en zijn stuk voor stuk heel goed leesbaar. Voor beginnende poëzielezers en voor de wat gevorderde poëzielezer is er genoeg te ontdekken in zijn poëzie. In het gedicht ‘Carpe Diem’ blijkt zijn opmerkingsgave, waar, ook meteen, het licht weer zijn plek vindt.

.

Carpe Diem

.

Op een overbelichte zondag

waarin gehaast verkeer voorbij stoof

zag ik waar geen huizen zijn

.

geen luchtige moeders hun jongen tonen

onder bruinomrand kastanjeblad

mager, kaal, gekromd, pokdalig

.

iets bewegen van papier-maché

met een rechteroog dat door celdeling

tot wenkbrauwhoogte was opgestuwd

.

Dit bouwsel, ooit een mens als ik

schuifelde door mijn zekerheden

voor het terugviel in zijn scootmobiel

.

 

Laatste liefde

F.I. Tjoettsjev

.

Vandaag met mijn ogen dicht een bundel uit mijn boekenkast gepakt en opp gevoel gezocht naar een dunne bundel (de dikke laten zich makkelijker pakken). Het is de bundel ‘Gedichten’ van de Russische dichter F.I. Tjoettsjev (1803-1873) uit het Russisch vertaald door Frans-Joseph van Agt uit 1988 en uitgegeven door stichting De Lantaarn. Het gedicht werd geschreven tussen 1852 en 1854.

Ik opende de bundel op pagina 19 en daar staat het gedicht ‘Laatste liefde’.

.

Laatste liefde

.

O hoe, nu reeds ons leven zwicht,

groeit liefdes’ tederheid en bekoren…

O gloei nu, gloei nu afscheidslicht

van laatste liefde en ochtendgloren.

.

De nacht heeft half al ingezet,

slechts ginds, in ’t Westen, blijft vuurgloed nog hangen,-

vertraag, levensavond, vertraag je tred,

betovering, duurt langer, langer.

.

Verkilt in aderen het bloed,

het hart blijft tederheid belijden…

Wat jij, o laatste liefde doet!

Je bent verrukking en wanhoop beide.

.

Nieuwe gedichten & Nieuwe gedichten het andere deel

Rainer Maria Rilke

.

Schreef ik eerder deze week over dichters met eeuwigheidswaarde (William Shakespeare) van wie er nog steeds nieuwe bundels worden herdrukt en her- en vertaald, nu wil ik aandacht geven aan nog zo’n dichter en wel Rainer Maria Rilke (1875-1926). Want ook van deze dichter is opnieuw werk uitgegeven door uitgeverij IJzer dit keer. En in tegenstelling tot de sonnetten van Shakespeare dit keer in een tweetalige uitgave getiteld ‘Nieuwe gedichten & Nieuwe gedichten het andere deel’ met als ondertitel Neue Gedichte & Der neuen Gedichte anderer Teil, in een vertaling van Gerard Kessels.

Deze twee bundels van Rilke worden gerekend tot twee van de belangrijkste werken in de Duitse literatuur van het begin van de 20ste eeuw. Vele dichters hebben zich laten inspireren door deze poëzie en hun lyrische schoonheid en diepgang wordt nog steeds ervaren door vele lezers. De vertaler Gerard Kessels (1951), opgegroeid met de Duitse en de klassieke talen, verbonden aan het Poëziecentrum Nederland, kwam vanaf 2010 in contact met Rilke. Vanaf 2018 vertaalt hij de poëzie van Rilke. Zo vertaalde hij eerder ‘Het getijdenboek’ (‘Das Stunden-Buch’ drie delen gepubliceerd in 1899-1903) en ‘Het boek der beelden’ (‘Das Buch der Bilder’vier delen gepubliceerd in 1902-1906).

De bundel wordt door de uitgeverij als volgt in de markt gezet: “Rilke gaf de dichtbundels het predicaat ‘nieuw’ en daarmee bedoelde hij vooral een vernieuwing ten opzichte van zijn eigen poëzie. Rilke wilde geen ‘gebeden’ meer zoals in Het getijdenboek en ook geen impressionistische schetsen van stemmingen zoals hier en daar nog in het Buch der Bilder. Nu richt hij zich tot de wereld van de dingen, aanvankelijk geïnspireerd door de beeldhouwer Rodin en later door de schilder Cézanne. Door middel van gevoelige zintuiglijke waarneming, het Schauen, probeert hij de essentie van ‘de dingen’ te doorgronden. Dingen die ervaringen dragen en uitlokken zet hij om in nieuwe poëtische taal, o.a. door middel van talloze vergelijkingen en metaforen. En ‘dingen’ vat hij breed op: de gedichten zijn geïnspireerd door (Bijbelse) geschiedenis, mythologie, schilderijen, mensen, steden, dieren en natuur.”

Uit deze nieuwe vertaling van deze werken nam ik het gedicht ‘De trap van de orangerie’ of zoals de Duitse titel luidt ‘Die Treppe der Orangerie’ uit 1906.

.

De trap van de orangerie

Versailles

.

Als koningen die enkel nog maar schrijden,

haast doelloos op den duur, om slechts van tijd

tot tijd zich in hun mantels eenzaamheid

te tonen aan de buigers aan weerszijden -:

.

zo stijgt, alleen tussen de balustraden

die buigen daar al van begin af aan,

de trap: gestadig en met Gods genade

en hemelwaarts om nergens heen te gaan –

.

alsof voor het gevolg er één bevel is:

terug te blijven, – zodat zij niet wagen,

en ook op afstand niet, te volgen – zelfs

de zware mantelsleep mag niemand dragen.

.

Die Treppe der Orangerie

Versailles
.
Wie Könige die schließlich nur noch schreiten

fast ohne Ziel, nur um von Zeit zu Zeit

sich den Verneigenden auf beiden Seiten

zu zeigen in des Mantels Einsamkeit -:

.
so steigt, allein zwischen den Balustraden,

die sich verneigen schon seit Anbeginn,

die Treppe: langsam und von Gottes Gnaden

und auf den Himmel zu und nirgends hin;

.
als ob sie allen Folgenden befahl

zurückzubleiben, – so dass sie nicht wagen

von ferne nachzugehen; nicht einmal

die schwere Schleppe durfte einer tragen.

.

Voor jou en jou alleen

Sonnet 121

.

Er zijn maar relatief weinig dichters die een eeuwigheidswaarde hebben, die ver na hun dood nog worden gelezen. William Shakespeare (1564-1616) is zeker één van hen en misschien wel de bekendste en beroemdste. Zo bekend en beroemd in ieder geval dat er weer een nieuwe uitgave is van zijn sonnetten. Waar in 1999 nog een Rainbow Pocket ‘Mijn liefde is een koorts’ verscheen met zijn sonnetten in het Engels en in een Nederlandse vertaling van Peter Verstegen, is er nu een nieuwe uitgave van alle 154 sonnetten vertaald door schrijver en acteur Frans van Deursen getiteld ‘Voor jou en jou alleen’ Shakespeare de sonnetten.

Toen hem werd gevraagd vijf van Shakespeares sonnetten voor te lezen tijdens een sonnettenmarathon, ging hij op zoek naar vertalingen die voor voordracht geschikt zijn, maar vond die niet. Dus ging hij zelf aan de slag als vertaler. Met respect voor vorm en inhoud van het origineel (dus met in achtneming van de regels van het sonnet wat betreft metrum en rijm) maakt hij de sonnetten toegankelijk voor iedereen.

De uitgever van ‘Voor jou en jou alleen’ spreekt in ronkende woorden van een fonkelnieuwe, frisse, brutale, verrassend begrijpelijke en heerlijk leesbare vertaling van deze beroemde liefdespoëzie. Of dit allemaal waar is laat ik graag aan de lezer over al ben ik geneigd een stuk mee te gaan in deze omschrijving. Hier een voorbeeld van sonnet 121.

.

121

.

Een mens kan beter fout zijn dan correct

want zelfs wie goed is krijgt met pek en veren

en moet, bang voor de indruk die hij wekt

ook nog de lol die ondeugd schenkt ontberen.

Hoe durft het overspelige sujet

mij te berispen om mijn stoeise bloed?

En waarom zondaars op mijn zaak gezet?

Wat zij als zonde zien noem ik juist goed!

Nee, ik ben die ik ben, en zij die ‘deugen’

verwarren mijn vergrijp met eigen kwaad.

Ben ik de waarheid en zijn zij de leugen?

Beoordeel mij niet naar hun ranse praat!

Tenzij u dit adagium aanvaardt:

de mensheid is tot op het bot ontaard.

.

Hotsnotgot

Gastblog van Marianne

.

Zoals ik al aangekondigd had schrijft Marianne van Poetry Affairs (en medemaker van MUGzine) af en toe een gastblog in mijn vakantie. Vandaag haar eerste proeve en meteen een hele fraaie.

Hotsnotgot

Wat doet de bidsprinkhaan in Nederland?
Die vraag stelt NRC in een artikel in NRC op 22 februari jl.
Wat blijkt? Nederland is een insectensoort rijker, een van vele nieuwkomers op de Limburgse heide. Nu ben ik niet bijzonder geïnteresseerd in bidsprinkhanen, maar mijn brein bleef er even haken omdat ik afgelopen week wat bladerde in de prachtige bundel ‘Ik herhaal je’ met de mooiste gedichten van de Zuid-Afrikaanse Ingrid Jonker (1933-1965), vertaald door Gerrit Komrij. Daar las ik onderstaand gedicht, waarin de hotsnotgot een rol speelt:

Madeliefies in Namakwaland

Waarom luister ons nog
na die antwoorde van die madeliefies
op die wind op die son
wat het geword van die kokkewietjies

Agter die geslote voorkop
waar miskien nog ’n takkie tuimel
van ’n verdrinkte lente
Agter my gesneuwelde woord
Agter ons verdeelde huis
Agter die hart gesluit teen homself
Agter draadheinings, kampe, lokasies
Agter die stilte waar onbekende tale
val soos klokke by ‘n begrafnis
Agter ons verskeurde land

sit die groen hotnotsgot van die veld
en ons hoor nog verdwaasd
klein blou Namakwaland-madeliefie
iets antwoord, iets glo, iets weet.

Madeliefjes in Nawakwaland

Waarom luisteren we nog
naar de antwoorden van de madeliefjes
op de wind en de zon
wat is er geworden van de koekoeksroep

Achter het gesloten voorhoofd
waar wie weet nog een takje zweeft
van een verdronken lente
Achter mijn gesneuvelde woord
Achter ons verdeelde huis
Achter het tegen zichzelf gesloten hart
Achter prikkeldraad, kampen, townships
Achter de stilte waarin onbekende talen
tuimelen als klokken bij een begrafenis
Achter ons verscheurde land

zit de groene bidsprinkhaan van het veld
en wij horen nog verdwaasd
klein blauw Namakwaland-madeliefje
iets antwoorden, iets geloven, iets weten

.

Dag 3

Adriaan Morriën

.

Vandaag een voorjaarsvakantiegedicht van dichter, essayist, vertaler en criticus Adriaan Morriën (1912 – 2002) getiteld ‘Opa’. Ik nam het gedicht uit het bundeltje ‘twintigste Nacht van de Poëzie’ uit 2000.

.

Opa

.

Als je al oud bent

wees het dan ook maar goed!

.

Je wist allang dat het afloopt;

nog niet in de wieg, of de box,

maar wel vroeg: toen je tante stierf

en je opa, die toch veel ouder was,

nog leefde, met een wandelstok.

Hij ging later dood.

.

’t Was niet zo erg, zei je moeder:

hij is toch heel oud geworden.

.

Dag 2

Joan Brossa

.

Van de Catalaanse dichter, toneelschrijver, beeldend kunstenaar en grafisch vormgever Joan Brossa (1919-1998) verscheen in De Tweede Ronde, jaargang 29 uit 2008 het gedicht ‘Nederlaag’ (‘Derrota’) in een vertaling van Helena Overkleeft en Peter Verstegen.

.

Nederlaag

.

Het roer
geeft richting aan het schip.
De berg is het puin van
een land op zijn kop; de gebouwen
liggen onder en hun fundering
steekt er bovenuit.
        In het puin
rust een begraven volk. Als je aandachtig
luistert komt er
vanbinnen uit de berg
een diepe en
gesmoorde stem die
vraagt, altijd maar
vraagt.
.
.