Site-archief

Valentijnsdag

Méér dan een gedicht

.

Vandaag is het Valentijnsdag en eerlijk gezegd heb ik daar vrij weinig mee. Het is alweer zo’n ‘feestdag’ die overgewaaid vanaf de overkant van de grote plas. Een commercieel marketinggedrocht. Dacht ik. Want vanmorgen heb ik de achtergrond van Valentijnsdag eens opgezocht. Op de website van het Meertens Instituut vond ik de uitleg. Het komt uit Engeland. Ontstaan rond het jaar 1400. Waarom dit uitgerekend op 14 februari was, de dag waarop de rooms-katholiek kerk de heilige Valentijn vereerde is niet meer te achterhalen. Je zou kunnen denken dat er iets in het leven van deze Valentijn (of Valentijns, want er waren meer heiligen met die naam) geweest moet zijn waardoor hij wat met verliefdheid had. Maar dat is niet zo. Het verband is echt volkomen willekeurig.

Ook lees ik op de website: “Wat deden ze in Engeland op Valentijnsdag? Jongeren op het platteland trokken lootjes om uit te maken wie die dag met wie mocht gaan. Er werd gezegd dat nogal wat van die paartjes later trouwden. Aan het hof en bij de adel stuurden ze elkaar liefdesgedichtjes en cadeautjes. Die gewoonte werd in de loop van de tijd door andere mensen overgenomen. Dat gebeurde vanaf zo 1850 ook in Amerika. Krachtig gestimuleerd door fabrikanten als Hallmark werd daar het sturen van speciale Valentijnsbriefkaarten enorm populair. Niet eens alleen door mensen die verliefd waren, maar door iedereen die het leuk vond om te laten blijken dat hij of zij op iemand gesteld was – anoniem of niet.”

Hoe het ook zij (vanmorgen las ik een column van dichter/schrijver Maud Vanhauwaert met nog een andere uitleg) inmiddels heb ik wat van mijn cynische houding ten opzichte van Valentijnsdag laten varen. Tenslotte is elke dag waarop mensen elkaar de liefde betuigen – anoniem of niet-  er een van aandacht voor de ander en daar kan je, wat mij betreft, nooit tegen zijn. Dus verras je geliefde eens met een gedicht. Dat mag van jezelf zijn maar ook een bestaand gedicht. Daarom ook vandaag een liefdesgedicht als voorbeeld. Niet dat ik Valentijnsdag nodig heb om liefdespoëzie hier te delen, integendeel, maar ach voor all you lovers out there..

Ik heb gekozen voor de dichter Pierre Kemp (1886-1967), die naar verluid een geheime muze had, met het gedicht ‘Méér dan een gedicht’. Het gedicht komt uit ‘Verzameld werk’ uit 1976.

.

Méér dan een gedicht

.

Hij had haar lichaam nagekeken

en grondig onderzocht.

Bij de wisseling van blozen en bleken

zag hij niets, wat niet mocht.

Hij hield haar het onderste boven

centraal in het zonnelicht.

Toen moest hij het wel geloven:

zij was toch méér dan een gedicht.

.

Bibliotheekleven

Pierre Kemp

.

In 2017 verscheen de bundel ‘Het regent in de trompetten’ de mooiste gedichten van Pierre Kemp (1886-1967). Wiel Kusters en Ingrid Wijk maakten een keuze uit het werk van Kemp en zij kozen voor een thematische ordening van de gedichten. Er zijn gedichten opgenomen over het verlangen, de vrouw, licht en kleuren, klank en muziek, planten en dieren, nacht en dromen, stad en land, ouderdom en dood, maar ook over kind zijn op latere leeftijd.

Pierre Kemp (1886–1967) werkte jarenlang als schilder, voordat hij in 1914 zijn eerste gedichten publiceerde in de bundel ‘Het wondere lied’. Hij brak pas echt goed met de bundel ‘Stabielen en passanten’ (1934) toen hij al bijna vijftig was. Kemp publiceerde vervolgens nog ruim tien bundels, in sommige speelden kleur en verf een belangrijke rol zoals ‘Engelse verfdoos’ (1956), ‘Vijf families en één poederblauw’ (1958). Hij ontving voor zijn werk de Constantijn Huygensprijs 1956 en in 1959 werd hem de P.C. Hooftprijs uitgereikt. Twee jaar voor zijn dood verscheen zijn laatste bundel, ‘Perzische suite’ (1965). Zijn Verzameld werk (drie delen) verscheen in 1976.

En in 2017 werd zijn poëzie dus opnieuw gebundeld. In deze verzamelbundel staat het gedicht ‘Bibliotheekleven’. En aangezien ik mijn leven heb gewijd aan de bibliotheek (inmiddels al meer dan 40 jaar werk in in bibliotheken) mag het geen verrassing zijn dat ik juist voor dit gedicht koos om hier met jullie te delen.

.

Bibliotheekleven

.

Zo nu en dan leg ik die prinses op haar rug.

Zij kijkt mij daar dankbaar voor aan

en zegt: doe mij nu niet meer te vlug

weer blijven staan.

.

Ik weet het en al bent u niet van vlees en doek,

u staat toch in mijn adelsboek.

.

Weet je dus werkelijk wie ik ben?

.

Of ik niet alle prinsessen op de erwten ken.

.

 

Hugo Ball

Dodendans 1916
.
Ik schreef al vaker over Dadaïstische dichters als Jean Arp en Hugo Ball.
Vlak voordat Hugo Ball (1886-1927) in Zürich het dadaïstische Cabaret Voltaire opent, verschijnt het gedicht ‘Totentanz 1916’ in het links-revolutionair blad Der Revoluzzer, jaargang 2 nummer 1 in 1916. Het gedicht wordt dan ook (toen al) verspreid middels postkaarten. In het Nederlands luidt de titel ‘Dodendans 1916’ en het werd opgenomen in de bundel ‘De 100 beste gedichten van de eerste wereldoorlog‘ samengesteld door Geert Buelens en van een inleiding voorzien door Tom Lanoye. Het gedicht werd vertaald door Ton Naaijkens.
.
Dodendans 1916
.
Zo sterven we, zo sterven we,
we sterven alle dagen,
het is ook zo leuk om te sterven.
’s Morgens nog in slaap of droom,
’s middags al heen.
’s Avonds recht het diepste graf in.
.
De veldslag is onze hoerenkast.
Van bloed is onze zon.
Dood is ons teken en onze leus.
Kind en vrouw verlaten we-
wat kan ons het schelen.
Als men maar op ons
vertrouwen kan.
.
Zo moorden we, zo moorden we,
we moorden alle dagen.
Onze kameraden in de dodendans.
Broeder richt je toch op voor me,
broeder, je borst!
Jij, broeder, die vallen en sterven moet.
.
We morren niet, we knorren niet,
we zwijgen alle dagen.
Tot ons heupbeen uit de kom schiet.
Hard is onze legerstee,
droog ons brood.
Bloedig en bezoedeld Onze Lieve Heer.
.
We zeggen dank, we zeggen dank,
Meneer De Keizer, voor je genade,
want jij koos ons uit om te sterven.
Slaap nu maar, slaap zacht en stil,
tot jou opwekt
ons arme lichaam, door gras bedekt.

,

 

Poëzie op de begraafplaats

Dichter bij de dood op 1 november!

.

In tegenstelling tot alle voorgaande jaren zal Dichter bij de Dood dit jaar niet plaatsvinden op Allerzielen (2 november) maar een dag eerder op 1 november (Allerheiligen). Helaas ging een bijeenkomst op de begraafplaats Oud Eik en Duinen dit jaar voor. Maar niet getreurd, op vrijdagavond vanaf 18.45 zal een keur aan dichters en troubadours van zich laten horen. Tussen 18.45 en 21.00 is het mogelijk langs een route met fakkels over de begraafplaats te lopen waar een aantal dichters staan die hun gedicht over donker en licht ten gehore zal brengen.

Ik zal daar ook aanwezig zijn en mijn gedicht voordragen. Andere dichters zijn bijvoorbeeld Karen de Boer en Simon Mulder. Ook dit jaar wordt er een bundeltje gemaakt van de gedichten van de dichters die meedoen. Dit bundeltjes wordt gratis uitgereikt aan bezoekers van Dichter bij de Dood 2024.

Zoals elk jaar wordt de dichters gevraagd een graf te ‘adopteren’ van een bekende schrijver, dichter of kunstenaar. Dit jaar koos ik voor Wilhelm Josephus van Zeggelen (1811-1879) mede eigenaar van de Haagse drukkerij gebr. Giunta d’Albani, en die daarnaast ook de dichtkunst beoefende. Van Zeggelen was een van de bekendste leden van het (Haagse) letterkundig genootschap ‘Oefening kweekt kennis’. Hij was vooral populair door zijn humoristische verhalende gedichten. Voorbeelden zijn ‘Pieter Spa’s reize naar Londen’ ter gelegenheid van het kroningsfeest van koningin Victoria (1838) en ‘Lach en luim’ (1846) en ‘Vrolijke schetsen’ (1851).

Begraafplaats Oud Eik en Duinen is gelegen aan de Laan van Eik en Duinen 40 in Den Haag. Let op: vanaf 18.00 uur is het betaald parkeren bij de begraafplaats.

Uit ‘De dichtwerken’ uit 1886 het gedicht ‘Vrijheid’ van van Zeggelen.

.

Vrijheid

.

Een leus, die alles aangrijpt en bezielt,
Een levensboom, waarvoor het mensdom knielt,
Een ster, die voorlicht naar een heilig Oosten,
Een wekstem om gebreidelden te troosten.
.
Een wapenschild voor leugen en bedrog,
Een krijgsbanier beklad met adderspog,
Een droom, die spreekt door valse visioenen,
Een struik, die wel verbruint, maar niet kan groenen.
.
Een loflied op een serafijnen wijs,
Een leidsvrouw naar een geurig paradijs,
Een toverwoord, dat geestkracht doet ontwellen,
Een morgenstraal, om ’t volle licht te spellen.
.
Een lokaas, dat het zwak gemoed verleidt,
Een woestaardskreet, die angst en wee verspreidt,
Een schaterlach van listige sirenen,
Een zwijmeldrank tot doven of verstenen.
.
O vrijheid, manna, – dat ons laaft en voedt,
Wat klinkt gij schoon, wat is uw voorsmaak zoet!
Helaas, is ooit een woord misbruikt in ’t leven,
Wie heeft als gij de teug van lief en leed gegeven!

.

Op je rug of op je buik

Hans Arp

.

Ik heb op dit blog al een paar keer over de Frans Duitse schilder, beeldhouwer en dichter Hans Arp (1886-1966) geschreven. Naar aanleiding van een tentoonstelling, in een blog over een Dada bundel en in een blog over de Dada dichters Hugo Bal en Hans Arp. Dit keer had ik een dichtbundel van Arp in handen met de titel ‘Onze dagelijkse droom’ gedichten uit 1986 gekozen, vertaald en voorzien van een nawoord door Peter Nijmeijer (1947-2016) en Laurens Vancrevel (1941).

Ik kende Hans Arp vooral van zijn visuele poëzie en van zijn gedichten die ik las in het Kunstmuseum in Den Haag maar nu dus voor het eerst een gedicht uit deze bundel getiteld ‘Op je rug of op je buik’.

.

Op je rug of op je buik

.

De dag is soms plat.

Wat je ook doet

je slaagt er niet in om op te staan.

Er is geen ruimte om op te staan.

Je wordt gedwongen om plat te blijven liggen

op je rug of op je buik

plat als een blaadje papier

van een schrijfblok.

.

Swift en Dickinson

Familiebanden

.

In een NRC magazine van vorige maand lees ik een stuk over Taylor Swift, de zangeres uit Amerika met miljoenen fans en volgers (de zogenaamde Swifties). In maart van dit jaar maakte zij bekend dat ze verre familie is van de 19e-eeuwse dichter Emily Dickinson (1830-1886). Beide blijken af te stammen van dezelfde 17e-eeuwse Engelse immigrant in Connecticut. Dat ze dit weet komt door ancestry.com waar je de genealogie van je familie kan laten uitzoeken. Leuk feitje maar veel meer is het niet. Zou je denken.

Maar Taylor Swift haar album ‘Evermore’ verscheen precies op de geboortedag van Dickinson (10 december). Een andere link is dat haar nieuwste album ‘The Tortured Poets Department’ (opnieuw een verwijzing naar poëzie) op de 200ste geboortedag van dichter Lord Byron (1788-1824) verscheen, namelijk op 22 januari van dit jaar. Overigens zijn er geen andere verwijzingen in de teksten van Swift naar beide dichters. Wel naar Patti Smith (1946) en Dylan Thomas (1914-1953) overigens.

Voor de songtekst van het gelijknamige nummer op het album van Taylor Swift kun je deze link aanklikken. Voor hier plaats ik liever een gedicht van Emily Dickinson dat misschien wel een beetje slaat op het voorgaande ‘I’m Nobody! Who are you?’ uit ‘The Poems of Emily Dickinson’ uit 1955. In een commentaar op dit gedicht op Internet las ik: “Dickinsons willekeurige gebruik van hoofdletters in haar werk roept vragen op, maar de praktijk komt in dit korte gedicht goed tot zijn recht. ‘I’m Nobody! Who are you?’ schreef ze. De verteller is misschien niemand, maar ze maakt van zichzelf iemand met die hoofdletter N. Dit is een gedicht over bekendheid en de publieke belangstelling. Misschien is het een toepasselijke mantra voor de social media-onthouders van vandaag die liever genieten van de luxe van anonimiteit, net zoals Dickinson deed.”

Als je dat afzet tegenover hoe Taylor Swift omgaat met haar bekendheid en haar gebruik van social media dan is duidelijk dat er naast de overeenkomst (familieband) ook hele grote verschillen zijn.

.

I’m Nobody! Who are you?

.

I’m Nobody! Who are you?
Are you – Nobody – too?
Then there’s a pair of us!
Don’t tell! they’d advertise – you know!

.

How dreary – to be – Somebody!
How public – like a Frog –
To tell one’s name – the livelong June –
To an admiring Bog!

.

The Prince

Fernando Pessoa

.

Van mijn partner in MUGzine Marianne kreeg ik de bundel ‘Lisbon Poets’ uit 2015, een tweetalige en geïllustreerde editie voor eenieder die de Engelse taal machtig is en in (de Portugese) poëzie geïnteresseerd is. De dichters in deze bundel werden geboren of woonden in Lissabon. Internationaal de bekendste dichters Fernando Pessoa (1888-1935)  en Luís de Camões (1524/1525-1580) worden in deze bundel aangevuld met drie, in het Portugese taalgebied beroemde dichters Cesário Verde (1855-1886), Florbela Espanca (1894-1930) en Mário de Sá-Carneiro (1890-1916). Opvallend vind ik dat alle drie de dichters leefden aan het einde van de 19e en het begin van de 20ste eeuw. Alsof er na deze dichters geen dichters meer van enige betekenis meer zijn opgestaan.

In de bundel dus drie dichters die jong stierven en daardoor een zekere cultstatus hebben bereikt in Portugal. Cesario stierf aan tuberculose, Espanca en de Sá-Carneiro pleegden zelfmoord. Wat veel lezers waarschijnlijk niet weten (ik ook niet) was dat Pessoa 10 jaar van zijn vormende jaren in Zuid-Afrika woonde. De titel van een gedicht uit 1926 dat is opgenomen in de bundel hoefde dan ook niet vertaald te worden want die luidt ‘Lisbon Revisited’.

Uit de bundel koos ik (toch weer) voor een gedicht van Pessoa. Ik hou gewoon van zijn poëzie. Het gedicht dat ik koos is getiteld ‘O Infante’ of zoals de Engelse titel is ‘The Prince’. Het komt uit zijn bundel ‘Mensagem’ (Message), de enige bundel die onder zijn eigen naam werd gepubliceerd. Pessoa maakte veelvuldig gebruik van heteroniemen, fictieve schrijverspersoonlijkheden met elk een eigen ‘ik’, in totaal meer dan 20. ‘Mensagem’ werd in 1934 voor het eerst gepubliceerd, dus een jaar voor zijn overlijden. Voor de volledigheid en voor de liefhebber heb ik het gedicht ‘O Infante’ zowel in de Engelse vertaling als in het Portugees overgenomen.

.

The Prince

.

God desires it, mankind dreams it, a work is born.

God desires the earth to be as one,

that the sea should unite, no longer separate,

and you he favoured to unveil the foam.

.

The whiteness edged all, from isle to continent,

flowing swiftly from pole to pole.

All of a sudden, the whole earth, uncovered,

emerged, round, from depths of blue.

.

He who blessed you made Portuguese.

Of the sea and us through you He gave us a sign.

The Sea accomplished, The Empire dissolved.

Oh lord, Portugal awaits, still to be furfilled!

.

O Infante

.

Deus quer, o homem sonha, a obra nasce.

Deus quis que a terra fosse toda uma,

Que o mar unisse, já não separasse.

Sagrou-te, e foste desvendando a espuma.

 

E a orla branca foi de ilha em continente,

Clareou, correndo, até ao fim do mundo,

E viu-se a terra inteira, de repente,

Surgir, redonda, do azul profundo.

 

Quem te sagrou criou-te português.

Do mar e nós em ti nos deu sinal.

Cumpriu-se o Mar, e o Império se desfez.

Senhor, falta cumprir-se Portugal!

.

Version 1.0.0

 

Gedichten op bankjes

Gedichten op vreemde plekken

.

In 2010 begon ik de rubriek ‘Gedichten op vreemde plekken’ omdat ik een afbeelding tegen kwam van een gedicht in een toilet. Ik vond dat toen zo bijzonder maar ook grappig dat ik op zoek ging naar plekken waar je niet meteen een gedicht verwacht. En dat waren er nogal wat! In 2013 bereikte ik deel 100 van deze rubriek, waarna ik gestopt ben met tellen. Als je nu de rubriek in zijn geheel wil lezen ben je denk ik een dag bezig.

Ik denk dat ik eigenlijk alle vreemde plekken wel een keer heb behandeld (al weet je dat natuurlijk nooit, mocht je een echt bijzondere plek tegenkomen mail me deze dan), en daarom ben ik op Instagram een account begonnen met foto’s van lezers @meerovergedichten en later ook nog @struikeloverpoezie.

Als ik zo terugkijk krijg ik het idee dat vooral bankjes in de openbare ruimte populair zijn om gedichten op te plaatsen. Ik heb even een kleine steekproef gedaan en ben eens gaan zoeken op gedichten / poëzie op bankjes. Je weet niet wat je dan allemaal tegenkomt. In Ekeren, Amersfoort, Schalkwijk, Waspik, Purmerend, Berg en Dal, Halle-Zoersel, Amsterdam, Melle,  Denderleeuw, Apeldoorn, Delft, Leeuwarden en Nijmegen staan bankjes met gedichten of dichtregels, en zo kan ik nog wel even door gaan.

Uiteraard vind ik het een bijzonder goed idee om de buitenruimte op te fleuren of aan te kleden met openbare bankjes waarop je ook nog eens van poëzie kan genieten. Een charmant voorbeeld van zo’n bankje kwam ik een paar jaar geleden tegen in Belper (Peak district in Engeland). Slechts een regel was er in gekrast. Het bankje maakte deel uit van het Belper poëziepad. De regel luidt:

 

“I think that I shall never see

a poem lovely as a tree”

.

De regel komt uit het gedicht ‘Trees’ van Joyce Kilmer (1886-1918) uit ‘Poetry 2’, no. 5 (1915). Het volledige gedicht kun je hier lezen.

.

Trees

.

I think that I shall never see
A poem lovely as a tree.
A tree whose hungry mouth is prest
Against the earth’s sweet flowing breast;
A tree that looks at God all day,
And lifts her leafy arms to pray;
A tree that may in Summer wear
A nest of robins in her hair;
Upon whose bosom snow has lain;
Who intimately lives with rain.
Poems are made by fools like me,
But only God can make a tree.
.

Troost

Hoop

.

Vorige week schreef ik over een gedicht waarin de dichter zich verzet tegen de waanzin van haat en oorlog. Vandaag wil ik daar een gedicht van hoop aan toevoegen. Een gedicht over de hoop op een betere tijd dat ik al eens in de oorspronkelijke taal op dit blog deelde. Het betreft hier het gedicht “Hope” is the thing with feathers van Emily Dickinson (1830-1886). En hoewel dit gedicht uit 1861 stamt, is de boodschap nog steeds even krachtig en actueel.

Het gedicht nam ik uit de bundel ‘Zo heel je mij’ samengesteld door Isa Hoes uit 2020. Het origineel komt uit ‘Verzamelde gedichten’ vertaald en becommentarieerd door Peter Verstegen uit 2018.

.

‘Hoop’ is het ding met veren

.

‘Hoop’ is het ding met veren –

Dat in de ziel neerstrijkt –

Het lied zonder de woorden zingt –

En ’t zingen – nooit meer staakt –

.

En ’t zoetst –  klinkt – in de stijve Bries –

En zwaar moet zijn de storm –

Die ’t Vogeltje beschaamde dat

Zo velen heeft verwarmd –

.

Ik hoorde het in ’t kilste zand –

En op de vreemdste Zee –

Toch vroeg het – nooit – in ’t Bangste uur,

Een kruimeltje – van mij.

.

Dag zeven

Vakantiegedicht

.

Op de zevende dag een gedicht van schrijver, dichter Louis Couperus (1863-1923) getiteld ‘Maar ’t allerzoetst…’ uit de bundel ‘Orchideeën’ uit 1886.

.

Maar ’t allerzoetst …

.

Mijn kunst is als een fijn-geslepen kelk
Van klaar kristal, waarin een purpren wijn
Als vol robijnen fonkelt …. Zie, wanneer
Mijn lippen, laafziek, licht de rand van ’t glas
Beroeren, koost de smaak mij als een kus …
Nog zoeter dan zijn smaak is mij de aroom
Des wijns, wen ze, als de geur dier rode bloem,
Aan ’t glas ontwelt, en mij bezwijmlen wil …
Maar ’t allerzoetst is mij die beker, zo
Daar, siddrend, drupplen lichts in trillen … Dan
Beroer ik niet mijn glas, en staar het toe,
En smacht het tegen, en geniet, geniet
Meer in mijn wensen, dan voldoening ’t nooit
Verlangensmoê gemoed ooit geven zou …
.
Zo is mijn kunst, wanneer ik, zwakke, schep,
Een ander in zijn schepping nageniet,
Of, scheppingloos, in onmacht me vermijmer ….

.