Site-archief
Alst past
Victor Speeckaert
.
Ik verbaas me soms over dichtbundels die ik tegenkom in kringloopwinkels en op rommelmarkten. De staat waarin bundels zich bevinden die toch al heel oud zijn bijvoorbeeld. Zo kocht ik een klein bundeltje, je mag het eigenlijk niet eens een bundeltje noemen, het zijn 5 A4tjes met een slap kaftje aan elkaar geniet, met 9 gedichten daarin van de dichter Victor Speeckaert uit 1962 in een staat alsof het net vorige week gemaakt was.
Victor Speeckaert (1906-1988) was zijn leven lang werkzaam als ambtenaar op de administratie van de gemeente Gent. Daarnaast was hij archivaris der Fonteine (een Rederijkerskamer die stamt uit de 15e eeuw). Speeckaert debuteert in 1931 met de bundel ‘Najaarskleuren’ die nog door Marnix Gijsen in De Standaard wordt besproken. Zijn gedichten werden in 1970 bijeengebracht in de bundel ‘Verzamelde Gedichten’, een fraai uitgegeven boekje, met illustraties van Jos van den Abeele en Paul Mak en vier tekeningen van Herman Verbaere. De ‘Verzamelde Gedichten’ bevatten een herdruk van de cyclussen ‘Van Zomer en Najaar’ (1954/1955) en ‘De Rij der Maanden’ (1957) en verder twee reeksen van negen en acht stukken onder de respectievelijke titel ‘Alst Past’ en ‘Bi Apetite’, die samen het devies vormen van de rederijkerskamer ‘De Fonteine’, waarvan hij in 1931 bestuurslid en in 1941 archivaris was geworden.
Het bundeltje ‘Alst past’ heb ik dus nu in bezit. Uit dit kleine maar fijne bundeltje koos ik het gedicht ‘Aan de Sure’.
.
Aan de Sure
.
Er ruist een teder woord
Uit ranke wilgetwijgen
Die aan de Sûreboord
Naar ’t helder water nijgen,
Waarin hun spiegelbeeld,
Door ’t Stroomgeweld gebroken,
De Blaren kust en streelt
Om ’t woord door hen gesproken.
.
Dat woord ruist in mij mee,
In hart noch ziel te stelpen,
Als ’t ruisen van de zee
In parelmoeren schelpen,
Want aklles wat nog zin
En waarde schenkt aan ’t leven
Heeft aan dat woord “ik min”
Mij antwoord steeds gegeven.
.
Zij komt
Jacques Perk
.
Soms lees je een gedicht van lang geleden en dan kun je daar heel blij van worden. Het Nederlands van 100 jaar geleden is zo anders dan het moderne Nederlands. Als je kijkt naar het woordgebruik, de grammatica, en de zinsbouw valt er veel te genieten. Jacques Perk (1859 – 1881) leefde maar kort maar liet een aantal prachtige gedichten na, in 1882 postuum uitgegeven door Carel Vosmaer en Willem Kloos. De hierbij gepubliceerde inleiding van Kloos zou de geschiedenis ingaan als het manifest van de Beweging van Tachtig; daarbij had Kloos de volgorde van Perks gedichten niet gehandhaafd en er vele eigenmachtige veranderingen in aangebracht. Garmt Stuiveling verzorgde in 1941 een authentieke editie van de Mathildecyclus aan de hand van Perks handschriften. In 1957 gaf hij Perks ‘Verzamelde gedichten’ uit.
Mijn exemplaar uit 1962, is uitgegeven als Vlaamse Pocket in ‘Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ als herdruk van de ‘Verzamelde gedichten’ uit 1957. Uit deze bundel koos ik voor het gedicht ‘Zij komt’ terwijl we nu, aan het begin van de herfst zouden moeten spreken van ‘zij gaat’, de zomer als bedoeld in dit gedicht.
.
Zij komt
.
Jongens jongens jongens jongens
Kees van Kooten
.
Kees van Kooten (1941) droeg het gedicht ‘Jongens jongens jongens jongens’ in 2018 voor tijdens een aflevering van ‘De wereld draait door’. Bij de BNN/VARA. Omdat het verder nergens is terug te lezen wil ik het graag met jullie delen.
.
Jongens jongens jongens jongens
.
Jongens, jongens, jongens, jongens.
En één of twee meisjes achter wie wij aanfietsten.
Want wij durfden niet naast ze te rijden. Alleen hard erlangs terwijl, wij keken naar de neuzen van onze sandalen op de blokken van onze pedalen.
De volgende morgen kerfde je haar initialen in de bank waaronder een verboden knokboekje van Dick Bos werd doorgegeven en ik schreef 3 september negentienvierenvijftig rechts bovenaan mijn blaadje en keek lang naar buiten waar het leefde.
Drie jonge bladloze gemeenteboompjes aan een paal om hun hals. De strakke acht van een verschoten soldatenkoppelriem tegen het omwaaien.
Wij kregen Nederlands en lazen van geen wereld die ons leuk leek van geen land waar wij hadden willen wonen van geen jongen die wij wilden wezen.
Bleven wij nog lang alleen zo?
Jongens jongens jongens, en na een tijdje gewone meneren?
Liep er niemand door dit Letterland die de klasdeur kwam intrappen, de ramen los wou gooien en ons openbreken zou, zodat al die onvoldoende jongensboeken voorgoed in een doos naar zolder konden?
Toen is er één jongen op eigen houtje uit bladeren gegaan. Over zijn toeren kwam hij terug en liet ons lezen waar hij ze had zien staan: de woorden die wij zochten, de jongenszielsverwante zinnen die zeiden wat we waren en wat we wilden maar best begrepen dat niet kon: alle dagen feest en hand in hand, boven ons hele leven zweven.
Jongens jongens jongens, en altijd te weinig meisjes, maar die jongen teveel, bij de pickup, wilde jij wel zijn.
Als je er maar bij kon zijn en mee mocht wanneer ze een standbeeld gingen opwinden en de volgende morgen weer gewoon naar school, maar nu onkwetsbaar door een geheim.
Sedertdien werd Remco Campert doorgegeven onder banken waarop niets meer werd geschreven want eindelijk stond het ergens.
Jongens jongens jongens jongens op het eindexamenfeest in negentiennegenenvijftig.
Eentje had er een mes bij zich en het mooiste meisje bij wie het thuis was en dat Camperts verhaal van de Jongen met het Mes net zo geilgelovig als wij had gelezen, verklaarde zich bereid om met haar petticoat omhoog en haar benen wijd tegen de huiskamerdeur te gaan staan.
Vijf minuten wachtte ze, maar geen van de jongens durfde de schrijver na te leven en het mes te richten op het topje van de hardboard wigwam tussen haar benen.
En we gingen wel naar Parijs, maar met onze ouders.
Tien jaar later waren alle jongens getrouwd met meisjes van andere scholen en ze zijn overal gaan wonen en ze zijn in zaken gegaan en ze hebben elkander van alles aangedaan. Hun zonen mogen tegenwoordig Remco Campert lezen van hun scholen.
Vannacht sloop er nog zo’n vader zijn bed uit, pakte Liefdes Schijnbewegingen en las zich een stukje tot jongen. Toen kroop hij terug, zijn vrouw vroeg wat er was en hij zei: ‘ik had dorst schat, ben even wat wezen drinken van Remco Campert.’
‘Ik wist niet dat je nog wakker was,’ gaapte zij. ‘En wanneer wij nu die stomme Telegraaf opzeggen en De Volkskrant nemen, dan hebben wij hem elke donderdag en zaterdag’
.
Staart
Remco Ekkers
.
Dit jaar verscheen van dichter, essayist en prozaschrijver Remco Ekkers (1941) de dichtbundel ‘De secretarisvogel schrijft’. In deze bundel observeert en fantaseert Ekkers over dieren, vaak in relatie tot mensen. Zoals in het gedicht ‘Staart’.
.
Staart
.
Mijn moeder is vroeger een poes
geweest, denkt ze wel eens, ze wil
haar staart terug, een zachte lange
staart die door een gaatje in haar rok
of broek naar buiten komt en die ze
om haar middel kan slaan of laten
hangen om ermee te spelen en anderen
te plagen. Het lijkt me heerlijk, zegt ze
om op die staart te zitten, hem tussen
mijn tenen zachtjes te knijpen, sierlijk
over de grond te slepen, dingen te laten
doen waar ik me nu nog voor schaam.
.
Pier Paolo Pasolini
De as van Gramsci
.
Dat je nooit uitgeleerd bent in dit leven was me al heel lang duidelijk. Niet alleen veranderd de wereld in een rap tempo maar ook terugkijkend is er nog zoveel te leren, te weten en te ontdekken. Zo’n ontdekking is voor mij het feit dat de Italiaanse filmregisseur, schrijver en marxist Pier Paolo Pasolini (1922 -1975) die ik eigenlijk alleen kende van zijn films, ook dichter was. Sterker nog, van zijn poëzie is ook best het een en ander vertaald voor de Nederlandse markt.
In 1939 ging Pasolini studeren aan de universiteit van Bologna. Hij publiceerde zijn eerste gedichtenbundel ‘Poesia a Casarsa’ al op 19 jarige leeftijd in 1941. Tijdens de toen aan de gang zijnde Tweede Wereldoorlog werd hij in het leger opgenomen en raakte hij later in Duitse krijgsgevangenschap waaruit hij echter wist te ontvluchten. Na de oorlog werd hij lid van de Italiaanse Communistische Partij; het lidmaatschap werd hem echter een paar jaar later weer ontnomen toen hij er openlijk voor uitkwam homoseksueel te zijn.
Na zijn studies in Bologna kwam hij begin jaren vijftig definitief in Rome terecht, samen met zijn moeder. Zijn vader, een officier in het fascistische leger, was op dat moment al overleden. Zijn jongere broer was als partizaan tijdens de oorlog gesneuveld. Moeder en zoon woonden in een verpauperde buitenwijk van Rome, onderwerp van zijn spraakmakende novelle Ragazzi di vita (1955), en later van de film Accattone. Voor zijn novelle kreeg hij behalve literaire lof ook kritiek vanwege het obscene karakter van het betreffende werk. In de jaren ’50 schreef hij ‘poemetti’, vrij lange verhalend-didactische gedichten, meest in terzinen, die hij in 1957 bundelde. Nadat hij eind jaren vijftig al enige schreden had gezet op het gebied van de film, debuteerde hij 1961 met zijn eerste eigen, hierboven reeds vermelde, film Accattone.
Pasolini werd vooral bekend met zijn opmerkelijke film ‘Il Vangelo secondo Matteo’ (Het evangelie volgens Matteüs) uit 1964, die zelfs vanuit de Kerk werd geprezen. Vanuit zijn sociale bewogenheid groeide zijn kritiek op de gangbare christelijke opvattingen. Zijn films schiepen verwarring en waren omstreden, niet het minst vanwege bepaalde obsceniteiten. De bekendste uit zijn laatste jaren daarvan is Salò of de 120 dagen van Sodom uit 1975, naar de roman van de Markies de Sade in combinatie met de Republiek van Salò.
Pasolini was echter dus ook een begenadigd dichter en zijn poëzie heeft zeker een sociaal maatschappelijk tintje maar is daarnaast ook zeker zeer poëtisch. Een goed voorbeeld daarvan is het gedicht IV dat verscheen in de in 1989 door Meulenhof uitgegeven bundel ‘De as van Gramsci’ in een vertaling van Karel van Eerd. Gramsci was één van de stichters van de communistische partij in Italië in 1921. De as van Gramsci is bijgezet in een sobere tombe op de begraafplaats voor niet-katholieken in Rome, die rond 1800 vooral voor Duitsers was gesticht – ook de enige, in Rome geboren, onwettige zoon van Goethe ligt er – maar nadien vooral bekend gebleven als ‘Engelse begraafplaats’, omdat de graven van Keats en Shelley er zo veel pelgrims heenleiden.
.
IV
.
Het schokkende feit dat ik mezelf tegenspreek,
met en tegen jou ben; met jou van harte,
bij licht, tegen jij in de duistere onderbuik;
,
was ik verrader van de staat der vaderen
-indenken, een zweem van activiteit-
ik weet me eraan gehecht in de warmte
.
van instinct, esthetische bevlogenheid;
bekoord door een proletarisch leven
van voor jouw jaren, koester ik piëteit
.
voor de levenslust daarvan, voor zijn strijd van eeuwen
echter niet: voor zijn eerste wezen, voor
zijn bewustzijn niet; die de mens gegeven
.
oerkracht ging gerealiseerd teloor,
maar liet er de roes van heimwee achter,
een licht van poëzie, een ander woord
.
heb ik er niet voor dan liefde, waarachtig,
echter niet oprecht gemeend, abstract,
geen zeer-doend delen van gevoel en gedachte…
.
Arm zoals de armen, klamp ik me vast
net zoals zij aan hoop die vernedert,
net zoals zij lever ik alle dag
.
strijd voor het bestaan. Maar moge ik onterfd zijn,
moge troosteloos mijn situatie zijn,
bezitter ben ik: en van het meest verheffend
.
bezit dat burgerdom zich wenst, het eind
van alle staten. Maar, bezitter van de historie,
ben ik ook haar bezit; sta ik haar lichtende schijn:
.
maar welk nut heeft licht?
.














