Site-archief

Mood Indigo

Roger de Neef

.

Een nieuwe dichter ontdekken is altijd een feest voor mij. Hoe gaat dat? Ik lees of hoor ergens de naam van een dichter (of dat een persoon ook dichter is), ken die persoon of zijn naam niet en ga dan op onderzoek uit. Wikipedia is dan vaak een bron van informatie maar ook https://www.dbnl.org/ of, wanneer die bestaat, de website van die persoon.

Zo las ik pas in de bundel ‘En blauw zal alles zijn’ een gedicht van de dichter Roger de Neef. Voor mij een volslagen onbekende naam. Maar wat blijkt, deze Vlaams dichter (1941) blijkt al een aardig oeuvre bij elkaar geschreven te hebben. Sinds zijn debuut in 1967 met de bundel ‘Winterrunen’  heeft de Neef al met 13 dichtbundels gepubliceerd, de laatste in 2018 ‘Grondgebied’.

De Neef studeerde geschiedenis en pers- en communicatiewetenschappen aan de Vrije Universiteit te Brussel. Sinds 1972 werkzaam als journalist bij het agentschap Belga, als kunst-recensent en als redacteur van de literaire tijdschriften ‘Morgen’ en ‘Impuls’.

De Neef schrijft een sterk mythische poëzie die de rituele en archetypische dimensies van het bestaan poogt te doorgronden; vooral de plaats van het individu in de maatschappij en zijn afhankelijkheid van het verleden komen hierbij aan bod. Zijn poëzie maakt een hermetische indruk, mede door de vaak duistere beeldspraak en de elliptische of ongrammaticale zegging (Een ellips is een stijlfiguur waarbij een of meer woorden worden weggelaten). Zijn werk is door de jaren heen geëvolueerd naar een poëzie die maximale communicatie nastreeft. Hij is vooral ook bekend door zijn Jazz gedichten.

Zijn werk werd onder meer bekroond met de poëzieprijs van de gemeente Deurle (1972), de Arkprijs van het Vrije Woord (1978), de Jules van Campenhoutprijs (1986) en de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie (1986). Uit zijn laatste bundel ‘Grondgebied’ komt het gedicht ‘Mood Indigo’.

.

Mood Indigo

.

Ik geef je de kleur

van geboorte en droefheid.

.

Niet het blauw in de je hoofd

maar het bevroren blauw van de vlam

Het blauw van het uur blauw

’s ochtends net voor de ochtend.

.

Het blauw van vlak voor

en dat van na de zomer

Ondergedoken in rivieren het blauw

van overal onderweg naar je bloed.

.

Liefste, ik geef je de kleur

van geboorte en afscheid.

.

Het bittere blauw dat leeft

in het hart van het blauw,

en uitbreekt als koorts.

.

 

 

Joy Harjo

Dichter laureate

.

De dichter-laureaat van de Verenigde Staten ( een soort Dichter des Vaderlands) wordt jaarlijks benoemd door de Bibliothecaris van het Congress. De termijn van dichter-laureaat is een jaar, die duurt van september tot mei, in tegenstelling tot de Dichter des Vaderlands die voor twee (kalender) jaar wordt gekozen. De Amerikaanse dichter-laureaat geeft altijd een lezing in de Library of Congress en houdt zich vaak bezig met een gemeenschapsgericht poëzieproject met nationaal bereik.

De positie van Consultant in Poetry is in 1936 bedacht ​​door een filantroop genaamd Archer M. Huntington, die een leerstoel voor poëzie van de Engelse taal in de Library of Congress had. Het jaar daarop werd Joseph Auslander de eerste “Consultant in Poetry to the Library of Congress”. Hij bekleedde deze rol tot 1941, toen Archibald MacLeish, de toenmalige bibliothecaris van het Congres, een termijn van een jaar instelde voor deze functie. Pas in 1986 werd de titel veranderd in Poet Laureate Consultant in Poetry, of kortweg Poet Laureate (Dichter-laureaat). Deze functie is bij wet vastgelegd. In de Verenigde Staten is het niet ongebruikelijk dat iemand die deze positie een jaar bekleed, er een tweede termijn bij krijgt.

Aaanvankelijk lag de nadruk bij de positie van (toen nog Advisor in plaats van Consultant) meer op het ontwikkelen van de bibliotheekcollecties. Toen de functie overging in die van Consultant kwam de nadruk meer te liggen op het organiseren van lokale poëzielezingen, lezingen, conferenties en outreach-programma’s. Meer informatie over deze functie (verdeling man/vrouw, termijnen, vergoedingen, projecten en veel meer) kun je vinden op deze website https://www.loc.gov/programs/poetry-and-literature/poet-laureate/poet-laureate-history/

De huidige Consultant in Poetry to the Library of Congress is Joy Harjo (1951). Harjo (benoemd in juni 2019) is een Amerikaanse dichter, muzikant, toneelschrijver en auteur. Zij is de eerste Native American die deze eer toekomt. Ze is ook pas de tweede Poet Laureate Consultant in Poetry die drie termijnen vervult zodat ze haar grote dichter-laureaat-project  “Living Nations, Living Words” verder kan ontwikkelen en uitbreiden. In dit project brengt ze de verhalen en stemmen van de native americans (plat gezegd de inheemse Indiaanse bevolking) bij elkaar en plaats deze in een kaart van de Verenigde Staten.

Het gedicht ‘Perhaps the world ends here’ van Joy Harjo komt uit de bundel ‘The Woman Who Fell From the Sky’ uit 1994.

.

Perhaps the world ends here

.

The world begins at a kitchen table. No matter what, we must eat

to live.

.

The gifts of earth are brought and prepared, set on the table. So it

has been since creation, and it will go on.

.

We chase chickens or dogs away from it. Babies teethe at the

corners. They scrape their knees under it.

.

It is here that children are given instructions on what it means to

be human. We make men at it, we make women.

.

At this table we gossip, recall enemies and the ghosts of lovers.

.

Our dreams drink coffee with us as they put their arms around

our children. They laugh with us at our poor falling-down

selves and as we put ourselves back together once again at the

table.

.

This table has been a house in the rain, an umbrella in the sun.

.

Wars have begun and ended at this table. It is a place to hide in

the shadow of terror. A place to celebrate the terrible victory.

.

We have given birth on this table, and have prepared our parents

for burial here.

.

At this table we sing with joy, with sorrow. We pray of suffering

and remorse. We give thanks.

.

Perhaps the world will end at the kitchen table, while we are

laughing and crying, eating of the last sweet bite.

.

Groei

Remco Ekkers

.

Op de website van Remco Ekkers (1941) http://home.planet.nl/~ekker036/ blijkt dat hij niet alleen dichter en prozaïst is maar ook essayist en interviewer. Op zijn website zijn tal van interviews met dichters te lezen evenals veel nieuwe gedichten. Ekkers studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Groningen, doceerde letterkunde aan de Noordelijke Hogeschool en de Rijksuniversiteit Groningen. Vanaf 1999 werkt hij als deeltijdletterkundige. Hoewel hij in 1965 debuteerde in De Nieuw Clercke, een literair/satirisch maandblad dat verscheen van 1975 t/m 1977, publiceerde hij zijn eerste poëziebundel pas in 1979 getiteld ‘Buurman’.

Naast meer dan tien gedichtenbundels publiceerde Ekkers proza en kinderboeken. Daarnaast maakte hij deel uit van verschillende literaire vakjury’s op het gebied van poëzie en kinderliteratuur. Remco Ekkers publiceert op Tzum kritieken op proza en poëzie en gaf dertig jaar lang leiding aan een poëzie-leesclub in Groningen. Een zeer veelzijdig en literair man dus. In 1991 verscheen van hem de dichtbundel ‘Het gras vergeten’ en daarin staat het onderstaande gedicht ‘Groei’. Ik nam het gedicht over uit ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ het Nieuw Groot Verzenboek, samengesteld door Jozef Deleu.

.

Groei

.

Zoals de herinnering aan vorm

in mijn hand zich langzaam

aanpast aan je borst

groei ik weg van hoe je was

.

omdat we gemaakt zijn van tijd

en alleen kunnen vervallen

uiteenvallen, zoals het glas

in scherven, nooit terug

.

maar ik maak jou

zoals jij mij laat groeien

mijn hand zijn verlangen

geeft naar hoe je bent.

.

 

Sterfbed

Dubbel-gedicht

.

Nu er weer meer sterfgevallen zijn door Corona leek het me goed om hier op de een of andere manier middels poëzie bij stil te staan. Dat doe ik middels een dubbel-gedicht met als thema het sterfbed. Twee gedichten uit twee totaal verschillende tijdperken van twee totaal verschillende dichters.

De eerste dichter is Hélène Swarth (1859 – 1941). Zij was een van de Tachtiger en was tot op hoge leeftijd productief en in haar beste gedichten toont zij zich de evenknie van de andere vooraanstaande Tachtigers. Een criticus schreef over haar: “Door de zuiverheid van uitdrukking wist zij een volmaakte eenheid van vorm en inhoud te bereiken. Aan het liefdesverlangen paarden zich gevoelens van eenzaamheid en deze verdiepten haar zintuiglijke ontvankelijkheid zo, dat haar natuurpoëzie bij wijlen een kosmisch-religieuze beleving laat doorstralen.”

De tweede dichter is Eric Derluyn (1943). Deze Vlaamse dichter studeerde Germaanse filologie (studie van Germaanse talen) en debuteerde in 1969 met ‘De geliefde van Altena’ waarna verschillende dichtbundels volgden. Daarnaast verscheen veel van zijn werk in literaire tijdschriften tijdschriften en bloemlezingen.

Het gedicht ‘Bij moeders sterfbed’ van Hélène Swarth heb ik genomen uit de bundel ‘Morgenrood’ uit 1929, het gedicht ‘Sterfbed’ komt uit ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ uit 2015 maar verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Een reiziger, hij slaapt’ uit 2012.

.

Bij Moeder’s Sterfbed

.

Haar kille hand lag in mijn warme hand,
Als wilde ik mild wat gloed haar wedergeven
Van ’t mij geschonken leeddoorvlamde leven,
Dat vreugde en liefde en vrede en hoop verbrandt.
.
– ‘O Moeder! ‘k wil mijn leven u vergeven
– Een droef geschenk! – wijl, doodsangst-overmand,
Ge in zwarte schaduw van het Doodenland,
Hoe levensmoe, voor levens eind moet beven.
O Moeder! neem de troost aan van uw kind,
Dat aan Gods liefde zelf niet kan gelooven,
Maar, sterk van deernis, de echte woorden vindt.’
.
Gaf God mij kracht? – Zij kwam haar vrees te boven.
En ’t stervensuur, hoe smartvol, moet ik loven,
Wijl zij door mij zich voelde Godbemind.

.

Sterfbed

een anekdote

.

Nooit nog een mooie zondag; een zondag

met zoiets: op de kerselaar schitteren

bloesems; in hun schaduw gaat het gesprek

over niets; niets wordt aangereikt, niets uit-

.

gewisseld, niets dan hoog in de lucht een

kleine versleten wolk; uitgerafeld

passeert ze van één onzichtbare hand

in een andere onzichtbare hand.

.

Een zondag met niets. Over het dunne

laken schuift mijn moeder naar elkaar: haar

uitgerafelde handen; en van

.

levende naar dode hand, verschuift zij

dat niets, die kleine wolk van toen, dat nooit

meer. Ze zegt: en nooit nog zo’n zondag.

.

 

Dit

Munin Nederlander

.

Enige tijd geleden kreeg ik van mijn vrouw en dochter de bijzondere (dikke) poëziebundel ‘Dit’ cadeau van Munin Nederlander. Nu ging er bij mij geen belletje rinkelen en ik had dan ook geen idee wie deze Munin Nederlander was. Wat doe ik in zo’n geval, dan ga ik zoeken en graven en na enig speurwerk bleek Munin Nederlander het pseudoniem te zijn van Hugo Wormgoor (1941). Onder het pseudoniem Munin Nederlander bracht Wormgoor een groot aantal publicaties op zijn naam, waarin hij verborgen sleutels zoekt in oude esoterische teksten en legenden.

Hugo Wormgoor blijkt tekenleraar, amateur wiskundige ( hij bewees met hulp van bevriende mathematici, dat er ook een 37-hexagram bestaat blijkt uit een artikel in de Volkskrant) schrijver en spiritueel mens te zijn. En dus dichter onder de naam Munin Nederlander. In 1982 publiceerde uitgeverij Hilarion in Nijmegen de poëziebundel ‘Dit’ van hem met illustraties van zijn hand en Komposities voor piano en zangstem van Frans Smit en Jan Evert de Groot. Een lijvig werk van ruim 800 pagina’s.

Uit het voorwoord blijkt dat de gedichten zijn geschreven tussen 1976 en 1982 en ze zijn geordend in deelbundels (20 maar liefst). De bundel is in een oplage van 500 stuks gedrukt en ik blijk nummer 396 te hebben.

In mijn zoektocht naar de man achter de naam bleek al dat hij zich bezig hield met het niet alledaagse. Zo schreef hij voor ‘Bruisvat’ het artikel ‘Verhalen uit een ver verleden – Tolkien’s ‘In de Ban van de Ring’ waarin hij zijn visie geeft op het werk van Tolkien vanuit een antroposofische hoek. Ook andere publicaties blijken veelal vanuit de antroposofie geschreven te zijn. En ook in ‘Dit’ lees je zijn achtergrond terug.

Toch staan er ook gedichten in deze bundel die los van het gedachtengoed van Rudolf Steiner, zeker de moeite waard zijn van het lezen zoals het gedicht ‘Kinderstraat’ dat voor veel mensen herkenbaar zal zijn.

.

Kinderstraat

.

Dit is de kinderstraat

van dertig jaar geleden,

waaruit wij – hoe ook weer?-

verdwenen.

.

Ofschoon niet veel veranderde

op deze plaats

doet toch de aanblik zeer.

tijdens het wandelen

er doorheen

mousseert eertijds.

.

Ik ben verdwaald.

De weg is kwijt.

.

Dit is nog wel de straat

die zich in beelden

heeft bewaard,

maar op een nacht vervaagde

en herbouwd werd met

te hedendaagse stenen.

.

                                                                                 Afbeelding: De Muzen

Bijna vergeten dichter

Leyn Leijnse

.

Dichter, schilder en schrijver Leyn Leijnse (1941 – 2006) begon zijn werkend leven op de wilde vaart als ketelbinkie.  Eind jaren zestig was hij bureauredacteur bij Het Vrije Volk in Rotterdam. Hij maakte reizen naar Noord-Afrika en Nabije Oosten. In Israël werkte hij in een kibboets. In 1972 nam Leijnse (ook wel Leyn Leynse) deel aan Poetry International te Rotterdam, en ook in 1977 las hij op Poetry voor uit zijn werk. In 1974 richtte hij met de dichters Rien Vroegindeweij en Eddy Elsdijk de poëziewinkel “Woutertje Pieterse in Poëzie“op. Hij werkte mee aan literaire activiteiten van de Rotterdamse Kunststichting, Workshop Arbeidersliteratuur Rotterdam. Leijnse was ook vooral bekend als schrijver. Zo ontving hij de Anna Blaman Prijs in 1969 voor zijn roman ‘Afrika sterft’. In 1974 werd hem de Herman Gorter Prijs toegekend voor zijn dichtbundel ‘Antwerpen’. In In 1978 verbleef hij een half jaar in New York. De laatste 20 jaar werkte hij afwisselend in Parijs en Rotterdam.

In de bundel ‘Dichters bij de Bezige Bij 1944 – 1984’ is een gedicht zonder titel opgenomen dat verscheen in zijn bundel ‘Antwerpen’.

 

.

het was een NS-trip

de goedkoopste weg naar Highgate Cemetery

.

de eerste mei werd een trieste dag

het graf was niet mooi en het regende

.

we liepen terug

het vervoerspersoneel staakte

.

archiefvernietiging stond op een bakfiets

‘zijn jullie pelgrims? Swinburne?’, vroeg de berijder,

graaiend in zijn bagage boeken en kranten, ‘of

Chauser?

‘Marx’, zeiden wij, ‘en we zijn sijknat van de regen

.

hij nam ons mee om thee met melk te drinken

we doopten een suikerklontje dat nauwelijks

verkleurde

een stoet mensen spoelde de straat in en een olifant

waar een vrouw met rood haar en groene ogen opzat

.

kijk naar het stervende dier

de laatste keer, op een vliegend tapijt in de Tuilerieën,

speelt het orkest van travestieten Lady of Spain

de kinderen plassen in hun broek van het lachen

op zondagse pakken wordt ijs en bier gemorst

ze blazen op toeters en slaan met deksels op ronde

billen

.

op een dag in juni 1290 kwam hij hier

kijk hoe de natte, grijze circustent bezwijkt

kijk naar de stervende olifant

z’n slurf piept in de groene lucht

steeds meer boeken worden in het vuur geworpen

een jongleur beklimt het zinkende beest

en zwaait naar ons met z’n strooien hoed

.

het graf was niet mooi

het regende en iedereen staakte

.

                                                                                                                                                                         Foto: Marcel Edixhoven

L=A=N=G=U=A=G=E

Taaldichters

.

De ‘Language School of Poetry’ begon in de jaren zeventig als reactie op traditionele Amerikaanse poëzie.  In navolging van bewegingen als de ‘Black Mountain’ en ‘New York Schools’, was het de bedoeling van ‘The Language School of Poetry’ om de nadruk te leggen op de taal van het gedicht en om een ​​nieuwe manier te creëren voor de lezer om met het werk om te gaan. Taalpoëzie wordt ook geassocieerd met linkse politiek en was ook verbonden aan diverse literaire tijdschriften gepubliceerd in de jaren ’70, met inbegrip van ‘This’ en ‘L = A = N = G = U = A = G = E’.

Tussen februari 1978 en oktober 1981 werden dertien edities van het avant-gardistische poëzietijdschrift ‘L = A = N = G = U = A = G = E’ uitgegeven door Charles Bernstein en Bruce Andrews. Samen met het Canadese magazine ‘This‘ is dit de tijdschrift waarnaar vaak wordt verwezen als broedplaats voor de groep schrijvers die bekend werden als ‘The Language Poets’ of ‘de taaldichters’. Alle edities zijn gedigitaliseerd en te lezen op http://english.utah.edu/eclipse/projects/LANGUAGE/language.html

Belangrijke aspecten van taalpoëzie zijn onder meer het idee dat taal betekenis dicteert in plaats van andersom. Taalpoëzie probeert ook de lezer bij de tekst te betrekken, waarbij belang wordt gehecht aan de deelname van lezers aan de constructie van betekenis. Door poëtische taal te doorbreken, eist de dichter van de lezer dat hij een nieuwe manier vindt om de tekst te benaderen.

Een van de dichters die in ‘L = A = N = G = U = A = G = E’ heeft gepubliceerd is Robert Grenier (1941). Hij is één van de dichters die is verbonden is aan de ‘Language School of Poetry’ . Hij was medeoprichter (met Barrett Watten ) van het invloedrijke tijdschrift  ‘This’(1971–1974). ‘This’ was samen met ‘L = A = N = G = U = A = G = E’ een keerpunt in de geschiedenis van recente Amerikaanse poëzie en was een van de eerste samenwerkingsverbanden in druk van verschillende schrijvers, kunstenaars en dichters die nu worden aangeduid (of losjes genoemd) als de ‘Taaldichters’.

Greniers recente ‘boeken’ worden op verschillende manieren beschreven als folio’s van haiku-achtige inscripties of transcripties. Curtis Faville stelt dat Grenier “een nieuwe hybride vorm heeft voortgebracht – noch” poëzie “noch grafische kunst – die woorden (letters) behandelt als een letterlijke vorm visueel ontwerp, waarbij “leesbaarheid” aan de rand van ongerustheid zweeft “. Voor voorbeelden van zijn actuele poëzie kun je hier terecht: http://writing.upenn.edu/pennsound/x/Grenier.php

In ‘L = A = N = G = U = A = G = E’ verscheen destijds het volgende gedicht van Grenier.

.

Tegenwoordig maakt Robert Grenier vooral ‘Language Objects’ vier-kleurige tekening-gedichten. Hier een voorbeeld getiteld ‘Evening will come’.

.

 

Twee maal twee

H. Marsman

.

Waar ik op maandag een gedicht uit de bundel ‘1 x 1’ of ‘One Times One’ van E.E. Cummings, werd ik verrast door een gedicht in de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1941, van Hendrik Marsman (1899 – 1940) met de titel ‘Twee maal twee’ alsof het hier een vervolg op ‘1 x 1’ lijkt. Dit is natuurlijk helemaal niet het geval maar door de titel getriggerd las ik het gedicht en wat blijkt;  het gedicht van Marsman gaat over een sluimerend verlangen waaraan toe wordt gegeven. Wat dat verlangen is en in welke context dit gebeurd valt uit het gedicht goed op te maken. Kijk dat noem ik nog eens verrassend. Alle reden om het gedicht met jullie te delen.

.

Twee maal twee

.

Kaarsen staan naast ons bed.
het donker hangt om het onrustige woud
van de vlammen; maar in mijn armen houd
ik den jongen, die bed,
brood en gebeden met mij deelt.
.
boven mij, tegen den zolder, verdeelt
een waterpas spiegel de vage ruimte
der kamer met de kleine trillende vlammen
in twee bijna gelijke vertrekken;
ook boven mij lekken de vlammen,
ook boven mij houd ik den jongen
in mijn armen, die bed,
brood en gebeden met mij deelt.
.
hier, onder het deinen van mijn buik
voel ik het kloppende leven dat woelt in mijn schoot
en door mijn bezwijming dansen de vlammen bij honderdtallen
maar boven mij zie ik zijn rug zoo dreigend hangen
alsof hij loodrecht omlaag zal vallen;
en terwijl ik hiér mij verlies in vervoerende ondergangen,
zie ik dáar mijn ontuchtig-spiedend masker neerhangen
over zijn schouder – totdat ik de oogen sluit.
.
.

Zomergedichten

Dubbel-gedicht

.

Nu de zon weer schijnt in deze rare en ingewikkelde tijden vond ik het tijd om ook in mijn berichten wat vaker de zon te laten schijnen. Als hart onder de riem of gewoon als voorbode van betere tijden. Daarom vandaag een Dubbel-gedicht over de zon.

Het eerste gedicht ‘Zomer’ is van de dichter Jos De Haes (1920 – 1974) en komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986. De Haes was een Vlaams dichter, essayist en radiomaker. Hij debuteerde in de collectieve bundel ‘Aanhef’ in 1941 met ‘De diepe wortel’, publiceerde gedichten in ‘Podium (1943 – 1944) waar hij hoofdredacteur van was, in de ‘Poëziespiegel’ en in ‘Dietsche Warande & Belfort’ waarvoor hij in 1950 recensent werd en in 1960 redactielid. Na zijn dood verscheen zijn verzameld werk in 3 delen in 1974, 1986 en 2004.

Het tweede gedicht ‘Zonlicht’ is van dichter Rogi Wieg (1962 – 2015) en komt uit de bloemlezing ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ uit 2015. Rogi Wieg was schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant. Hij debuteerde in 1981 met de bundel ‘Cis-trans’. Hij was redacteur van de literaire bladen ‘Tirade’ en ‘Maatstaf’ en hij was tussen 1986 en 1999 als poëziecriticus verbonden aan ‘Het Parool’. Wieg kreeg onder andere het Charlotte Köhler Stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverblijf’. stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverdrijf’. 

.

Zomer

.

Stond op de plek een wagen

scheef in de grond ter ziele.

De zon stond hout te zagen.

Ik sliep tussen de wielen.

Ik sloeg de liefde gade

van kevers en van maden.

Tedere bakelieten

plezierden en verdrietten

elkaar met dunne vijlen,

met haken en met bijlen,

met tatertjes en sprieten

alaam van sodomieten.

.

Ik lag in hoge klaver,

de rode toppen blekten.

Ik lag in hoge klaver

met wijfjes van insecten.

.

Zonlicht

.

Veel grote mannen hadden wel

een gezin, een warm bord op

tafel, een balkon boven de zee.

Ben ik een groot man, sla dan

.

tenminste een spijker in mijn

werk die niet krom en roestig

verleden of toekomst uitbeeldt,

maar als spijker het oog

juist op de hoogte houdt

.

van wat het moet zien:

ik mis je zo, eeuwigheid,

dat ik haastig naar huis ga

uit het zonlicht om nog

.

tijd te hebben thuis te komen

uit het zonlicht.

Grootheid is het meervoud omarmen

van grammaticaal zeer ongelijke tijden.

.

 

Op reis

Dubbel-gedicht Menno Wigman en Hans Bouma

.

Vandaag in het Dubbel-gedicht twee dichters die nogal van elkaar verschillen (en daarom is het zo aardig om de twee met elkaar te verbinden middels een thematisch gedicht); Menno Wigman (1966 – 2018) en Hans Bouma (1941). Menno Wigman, de dichter, vertaler en bloemlezer bij wie de dood in zijn gedichten een prominente rol speelde en Hans Bouma, Nederlandse protestants-christelijke schrijver, dichter, spreker en dierenactivist.

Van Menno Wigman koos ik het gedicht ‘Herostratos’ uit zijn bundel ‘Slordig met geluk’ uit 2016 en van Hans Bouma koos ik het gedicht ‘Jericho’ uit zijn bundel ‘Op reis – om weer thuis te komen’ poëtisch dagboek uit 1998.

.

Jericho

.

Tienduizend jaar geschiedenis

deden we met gemak

in drie uur af –

.

waarbij we ook nog

een half uur

voor de lunch uittrokken.

.

Herostratos

.

Er tikken pissebedden in mijn hoofd.

Ze naaien mijn gedachten op.

Ik denk al dagen aan een daad, zo groot

zo hevig en dramatisch dat mijn naam

in alle kranten komt te staan.

.

Napoleon, las ik, was kleurenblind

en bloed was voor hem groen als gras.

En Nero, die bijziend was, hield het spel

in zijn arena bij door een smaragd.

.

Nu even stilstaan. Moet je horen: ik

ga straks de straat op, ik besta het, schiet

me leeg en verf de feeststad groen.

.

Nog voor het eind van het festijn

zal ik de grootste zoekterm zijn.

.