Site-archief
Bloemkool in de bonus
Daniel Vis
.
Dichter en schrijver Daniel Vis (1988) stond al in 2014 op het podium van poëziestichting Ongehoord!, vlak na het verschijnen van zijn debuutbundel ‘Crowdsurfen op laag water’, de bundel waar hij als dichter mee debuteerde. In 2018 werd deze bundel gevolgd door ‘Insect Redux’ en in 2020 kwam de bundel ‘Het weefsel’ uit. Zijn laatste wapenfeit is een roman ‘Een woelend lichaam’ die in 2022 verscheen.
Daniel won het NK Poetry Slam, werd genomineerd voor de J.C. Bloem-prijs en ontving de Frans Vogel Poëzieprijs. Zijn werk verscheen onder meer in Tirade en Het Liegend Konijn, en werd vertaald in het Frans, Spaans, Pools, Baskisch en Portugees. Hij treedt op in binnen- en buitenland.
Lezend in zijn debuutbundel kwam ik het gedicht ‘De bloemkool in de bonus’ tegen. In dit gedicht klinkt zoveel menselijk leed dat het, voor mij in ieder geval, heel grappig aandoet. In een artikel van de taalunie uit 2014 zegt Daniel hierover: “Er wordt vaak om mijn gedichten gelachen maar ik stop er nooit expres een grap in” en “Wat er staat betekent wat er staat. Er is me wel eens oppervlakkigheid verweten. Maar de betekenis zit bij mij niet in metaforen, hij zit onder de tekst.’ Daarom komt de woordkeus nauw, zegt hij. ‘Mijn gedichten moeten zijn als foto’s of filmscènes, de woorden moeten precies het beeld oproepen dat ik wil weergeven.”
.
De bloemkool in de bonus
.
tussen ons in wordt de bloemkool
langzaam koud.
we kijken ernaar.
.
‘er komt geen stoom meer af,’ zegt ze.
.
ik houd m’n hand erboven:
lauw.
.
in de metalen kromming van de pan
lijken onze gezichten vervormd.
.
de geur van bloemkool
wordt als ongezellig ervaren.
.
kook het nooit als je huis te koop staat.
.
we hebben bij de kringloop rummikub gekocht,
ieder een euro ingelegd.
.
het doosje stinkt.
de steentjes zitten in een oude washand.
de washand stinkt.
.
Waakzaam
Maarten Inghels
.
Afgelopen weekend weer twee VSB poëzieprijsbundels (De 100 beste gedichten voor de poëzieprijs) aan mijn collectie kunnen toevoegen; die van 2012 en 2018. In de editie van 2012 die door Kathleen Ferrier is samengesteld staan weer vele prachtige gedichten. Ik heb voor het gedicht ‘Waakzaam’ van Maarten Inghels (1988) gekozen uit de gelijknamige bundel uit 2011. Ik koos dit gedicht omdat het zo’n fraai liefdesgedicht is.
.
Waakzaam
.
De dichter moet immer waakzaam
blijven, vooral teder te zijn.
Elke dag voor haar uit de hemel willen vallen,
zorgen dat de jazz zijn spieren minder stram maakt.
.
Hij moet immer waakzaam
blijven, dat er genoeg verstrooiing
is voor ons hart, wij de dichter zijn verzen
nog kunnen prevelen in het oor van een vrouw.
.
Hij moet immer waakzaam
blijven, soms zwak te zijn.
Opdat de wind zal winnen van zijn gehoord, hem
zinnen influistert waarmee hij een lichaam
.
rond zijn vinger bouwt.
Waarna de dichter kan zeggen: o, omarm mij,
ik ben nog niet gauw voorbij.
.
Amsterdamned
Ester Naomi Perquin
.
Soms zijn gedichten op het eerste oog gewoon een gedicht; met een onderwerp en een persoon in een situatie. Niets bijzonders. Totdat het gedicht raakt aan een gezamenlijke ervaring, dan gaan er ineens andere dingen meespelen. In het gedicht ‘Amsterdamned’ van Esther Naomi Perquin (1980) uit haar bundel ‘Meervoudig afwezig’ uit 2017 is er echter sprake van niet één laag, geen twee lagen maar meerdere lagen.
Allereerst is er de gedeelde ervaring, de film ‘Amsterdamned’ van Dick Maas uit 1988, die veel van ons, die al wat ouder zijn, gezien en meegemaakt hebben. De hype die rond de film hing mocht er zijn destijds. Een tweede laag is het gegeven dat het onderwerp een persoon (vader) zijn 15 seconds of fame beleeft in deze film. Hoeveel mensen zouden er niet jaloers zijn op deze vader, in een kaskraker op het grote witte doek te zien zijn, al is het maar als figurant. Dan is er nog een laag namelijk dat haar vader is overleden voordat de film in première ging, haar moeder die extra informatie geeft en een inkijkje in hoe het eraan toegaat op zo’n set (geleende kleren, geleende fiets, het keer op keer overdoen van iets dat slechts heel zijdelings de film zou halen).
En een persoonlijke observatie; de voormalig stadsdichter van Rotterdam die een gedicht schrijft met de titel ‘Amsterdamned’, iets dat vele Rotterdammers denk ik regelmatig zo aanvoelen als ze aan de hoofdstad denken. Een gedicht kortom dat op het eerste gezicht een beschrijving lijkt van een situatie ergens in het verleden, maar waar na nauwkeuriger lezing zoveel meer inzit.
.
Amsterdamned
.
Ik zag de film waarin mijn vader heeft gefigureerd: één shot
waarin hij langsloopt en niets doet – nou ja, hij steekt,
een herenfiets aan de hand, de gracht over
en kijkt even naar een eend.
.
Die fiets was niet van hem, weet ik.
Het jasje dat hij draagt geleend.
.
Mijn moeder is erbij geweest. Hij moest, zegt ze, zes keer oversteken
voor het hem lukte te lijken op wat elke regisseur graag ziet:
een doodgewone man met een doodgewone fiets.
.
Hij haalde het einde van de zomer, mijn zevende verjaardag en
bijgevolg ook de première niet. Ik zag hem twintig jaar daarna:
moordenaar die door de grachten snijdt en vrouwen grijpt
en dan, naast de klopjacht, een flits van dat gezicht.
.
Een man met een fiets die de gracht oversteekt.
De eend, zag ik, is er nog uitgeknipt.
.
Gedichtencabine
Maarten Inghels
.
Afgelopen week was ik voor mijn werk in Eindhoven bij de Dutch Design Week. Naast heel erg veel mooi, praktisch, vernieuwend en interessant design in werkelijk alle vromen kwam ik daar ook de Poem Booth tegen, of in goed Nederlands de Gedichtencabine. De Poem Booth is ontwikkeld door studio VOUW (Mingus Vogel en Justus Bruns) en werkt met AI (Kunstmatige Intelligentie). De gedichten zijn op maat afgestemd door de Vlaamse multidisciplinair kunstenaar, dichter en schrijver Maarten Inghels (1988).
Het werkt heel eenvoudig. Je gaat voor de cabine staan en je ziet jezelf in de cabine. Voor de cabine is een zuil met een rode knop. Deze druk je in en vervolgens maakt de gedichtencabine een gedicht op maat, op basis van jouw foto. Uiteraard heb ik dit gedaan. Mijn foto kun je hieronder bekijken met het gedicht. Waar ik echter achter kwam na wat onderzoek op Internet, is dat alle gedichten die gemaakt worden met de Gedichtencabine tijdens de Dutch Design Week ook op een website verschijnen. Als je weet wanneer je foto is genomen kun je dus scrollen naar de datum en het tijdstip en voila! Dan heb je je gedicht ook in het Nederlands! De gedichten die je op het scherm van de Gedichtencabine ziet zijn namelijk allemaal in het Engels.
Dat laatste heb ik dus gedaan en op 27 oktober om 12.58 verschijnt inderdaad ‘mijn gedicht’. Als je de Engelse versie voor jezelf vertaald (of de eerste zin) heb je het snel gevonden. Hieronder zie je de foto die ik nam van de Gedichtencabine met mijn gedicht en daarboven de Nederlandse vertaling. Over de inhoud en de kwaliteit van deze ‘gadget’ kun je twisten maar dat zal ik hier niet doen. Het feit dat er mensen zijn die hiermee aan de slag zijn gegaan kan ik alleen maar waarderen.
.
Vrouwen dichten anders
Chawwa Wijnberg
.
Toen Cox Habbema gevraagd werd om een dichtbundel samen te stellen met poëzie van vrouwen ging ze ‘alles wat Nederlandse dichteressen hebben geschreven opnieuw lezen’. Persoonlijk lijkt me dat ondoenlijk want er zijn er zoveel en ze hebben zoveel mooie bundels geschreven. Maar Habbema deed het om een antwoord te krijgen op de vraag: schrijven vrouwen anders?
Ze schrijft in haar voorwoord: “Van vele dichteressen had ik nooit gehoord, en van velen van wie ik hoorde, kon ik niets vinden. Ik heb genomen wat ik vond in dichtbundels en bloemlezingen, en ontdekte dat er niets mooiers is dan de verukkelijke willekeur van te mogen bundelen wat je mooi vindt.”
Toch vond ze ook een antwoord op haar vraag. Vrouwen dichten anders. Het is niet de door vrouwelijke dichters gehanteerde vorm die afwijkt van die van hun mannelijke collega’s, het is niet hoe ze spreken – het zit in wat ze zeggen en in de thema’s die ze aansnijden.
In deze bloemlezing staan vrijwel alle bekende namen uit de tijd dat deze bundel uitkwam (2000) maar ook verschillende namen die ik niet kende. Zoals de dichter Chawwa Wijnberg (1942-2019) was een Joodse dichter, columnist en beeldend kunstenaar. In januari van 2003 werd ze als eerste benoemd tot stadsdichter van Middelburg, waar ze vanaf het jaar 2000 woonde met haar partner Marianne Gossije.
Vanaf 1984 volgde zij een aantal jaren de poëzie-workshops van Elly de Waard. Van 1985 tot 1989 maakte zij deel uit van ‘De nieuwe wilden’, een groep vrouwelijke dichters die onder leiding van De Waard enige furore maakte. In 1988, 1995 en 1996 trad zij op tijdens de Nacht van de Poëzie te Utrecht. In deze bundel is het gedicht ‘Vaderdag’ opgenomen uit de bundel ‘Handboek voor de joodse kat’ uit 1993.
.
Vaderdag
.
andere kinderen hadden vaders, de liefste
bij ons was er de man van moeder
en dat schilderij
.
hun vader was de grootste, sterkste
de tijd beet gaten, zaagde poten
liet hem
in tegenwind en tijd vervallen
.
alleen de mijne
bleef onveranderd held
goed en in een gouden lijst
.
nagelaten hangt hij zonder knieën
niet van straf en niet van knuffelen
niet van voedde op
mijn vader, wijs ik de visite
.
zijn stierenek en boze ogen, zie je
dat zijn mijn oren; mijn moeder zei
men vond hem eigenwijs
.
alleen dat slecht geverfde doek
dag vader
jonger dan ik ben jij
.
Rouw is een lichaam
Marc Reugebrink
.
De in Nederland geboren maar al jaren in Gent woonachtige dichter, essayist en schrijver Marc Reugebrink (1960) debuteerde in 1988 met de dichtbundel ‘Komgrond’ waarvoor hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs ontving. Voor zijn debuut won Reugebrink in 1987 voor een aantal van zijn gedichten het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen. Na zijn debuut verschenen nog enkele bibliofiele uitgaves en in 1991 verscheen zijn tweede en laatste dichtbundel ‘Wade’. In de jaren hierna schreef hij nog poëzierecensies voor onder andere Nieuwsblad van het Noorden en de Groene Amsterdammer.
Ook maakte hij van 1990 tot 1993 deel uit van de redactie van literair tijdschrift, De XXIe Eeuw, een vervolg op het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift De Held, van 1994 tot 1999 van het algemeen cultureel tijdschrift De Gids en van 2001 tot 2008 van het onafhankelijke Vlaamse literaire tijdschrift Yang. Vanaf 1995 schrijft Reugenbrink vooral romans.
Uit zijn tweede en laatste bundel ‘Wade’ uit 1991 nam ik het gedicht ‘Rouw is een lichaam’.
.
Rouw is een lichaam
.
Rouw is een lichaam, liefje.
Het is je hand op tafel
met gespreide vingers op de tast,
het is het onzichtbare hart
in de ondenkbare ruimte
.
die zich vult met jou. Mooi
ben je, haast onwerelds en nabij
met gespreide vingers tastend
naar het hart en naar de pijn.
.
Er is geen ander zijn, geen
ander wezen dan wat blijft
en steeds opnieuw begint,
.
aan deze tafel zit in onweerlegbaar,
onbarmhartig tegenlicht, en zo
.
volstrekt alleen gelaten is.
.
Dag twee
Vakantiegedicht
.
Vandaag een gedicht van de Vlaamse dichter Shari van Goethem (1988) getiteld ‘wat aan haar voorafging. Het gedicht komt uit haar bundel ‘Tere stengels’ uit 2019.
.
wat aan haar voorafging
.
de avond waarop we nog van niemand waren
staken we onze natte neuzen in het zand
ook de dagen daarna was ons snot nog korrelig
maar het voelde niet meer zoals toen we huilden
omdat ademen moeizaam ging. we huilden
.
omdat we net als iedereen van iemand
wilden zijn. dachten dat een naam
daarbij zou helpen dus verzonnen we er één
in ander zand. we raadden naar het aantal
vreemden waar de zee reeds overheen schreef
.
we wachtten tot ze bij ons hetzelfde deed
dan waren we net als iedereen, we lachten
en huilden dan weer omdat ademen nog steeds heel
moeizaam ging en bleef, omdat we wisten
.
dat ademen nooit meer zo onschuldig zou kunnen
als die keer
.
Tuig
Lumpentum
.
De laatste tijd gaat het in de media nogal eens over tuig. (Voetbal-) hooligans, straatbendes, drugs-gerelateerde ontploffingen, trollen op Twitter die Jan en alleman bedreigen en ga zo maar door. De Duitse dichter, schrijver en literair criticus Heinrich Heine (1797-1856), geboren als Harry Heine (geen geintje!) schreef er een treffend gedicht over. Heine behoorde tot de stroming van de Romantiek. Hij maakte vele ironische en spitsvondige gedichten die ook tegenwoordig nog mensen aanspreken.
Het gedicht met de veelzeggende titel ‘Tuig’ of ‘Lumpentum’ in het Duits komt uit de bundel ‘Romanzero’ en wel uit het tweede boek ‘Lamentaties en Lazarus’. Het gedicht is vertaald door Marko Fondse en ik nam het uit de bundel ‘Denk ik aan Duitsland in de nacht’ uit 1988.
.
Tuig
.
De rijkelui krijg je pas plat,
Als je ze plat weet op te vrijen –
Het geld is plat, mijn kleine schat,
En eist ook platte vleierijen.
.
Zwaai gul het wierookvat met lof
Naar ieder goddelijk gouden kalf;
Kruip en aanbid in slijk en stof.
Maar áls je looft, doe het dan níet half.
.
Hoog is van ’t jaar de prijs van ’t brood.
Maar ’t schoonste van de woordenschat
Ligt nog op straat – bezing desnoods
Maecenas’ hond en vreet je zat!
.
Lumpentum
.
De wereld van het vers
Vogelvrij
.
In 1985 verscheen bij Athenaeum – Polak het boek ‘De wereld van het vers’ over het werk van Ida Gerhardt van Marie (M.H.) van der Zeyde. Van der Zeyde heeft Nederlands gestudeerd en promoveerde op Hadewych. Uit de tekst op de achterflap blijkt dat er niemand is die Ida Gerhardt en haar werk beter heeft gekend dan van der Zeyde. In de nalatenschap van de schrijfster (van der Zeyde) werd een afgerond hoofdstuk over ‘De Adelaarsvarens’ uit 1988 aangetroffen en dat hoofdstuk is in de editie van 1992 die ik bezit, opgenomen.
In dit boek is een vrijwel volledige beschrijving van de verzen, de poëzie en het dichterschap van Ida Gerhardt (1905-1997) opgenomen en dat is precies de vraag die de schrijfster van het boek bezig houdt. Een interessant en ook intrigerend boek. Over de bundel ‘De Slechtvalk’ uit 1966 is uiteraard ook een hoofdstuk opgenomen. Hierin worden enkele gedichten beschreven waaronder het gedicht ‘Vogelvrij’.
Van der Zeyde schrijft hierover: “Het eigenaardige ‘Vogelvrij’ staat min of meer op zichzelf, het lijkt anekdotisch (waarschijnlijk ‘waar gebeurd’), en erg mooi is het niet. Maar wanneer ik het goed zie, betekent het meer dan het zo oppervlakkig schijnt. Het zijn niet alleen die dorpskinderen, sterk, bot agressief, die een eenling die anders is ‘schelden en achtervolgen’. De burgerlijke wereld doet niet anders. En zelf in de literaire ‘wereld’ openbaart zich dezelfde tendens. Maar eigenlijk is het ook niet de slotstrofe, die ik in het vers het opmerkelijkst vind; het is de regel ‘en sloeg de kluiten van mijn jas’. Daar zit alles in, de grofheid van de bejegening, de droefheid daarover en ook de verachting. En het mengsel van bitterheid en nuchtere berusting, waarmee de dichter overgaat tot de orde van de dag. Een onopzettelijk en bijzonder sprekend klein zelfportret.”
.
Vogelvrij
.
Kinderen van een prachtig ras
– ik kwam hun noordelijk dorp voorbij –
scholden en achtervolgden mij
en één smeet raak met een pol gras.
.
En toen ik hen ontkomen was
zat ik tussen een wilgenrij,
een oude vrouw in de maand mei
en sloeg de kluiten van mijn jas.
.
Kinderen zijn oprecht en wreed:
zij zagen mij de dichter aan
en deden frank, wat meer discreet
de wereld dagelijks heeft gedaan.
.













