Site-archief

Het wordt ochtend in de stad

Willem Wilmink

.

Iedereen die in de stad woont, zoals ik, zal in het gedicht ‘Het wordt ochtend in de stad’ van Willem Wilmink dingen herkennen. Het langzaam opstarten van de stad, de eerste lampen die gaan branden, getoeter, kantoren met achter de ramen de schoonmakers voordat deze weer worden ingenomen door hordes kantoorbeambten, de geboorte van een nieuwe dag. Ik herken ze allemaal op één na.

Willem Wilmink (1936-2003) schrijft in de vijfde strofe ‘en ook hier zijn geen vogels meer te horen / behalve twee minuten op de vierde mei’. Ik herken de stilte op 4 mei zeker en het geluid van de vogels die de stilte verbreken maar ook op alle andere dagen hoor ik vogels. De stad leeft en niet alleen door de mensen die haar bewonen of werkzaam zijn in de kantoren en gebouwen van de stad. Ook vogels leven in de stad. Bij mij zeker, maar ik woon dan ook redelijk dichtbij een bos(je).

Het gedicht ‘Het wordt ochtend in de stad’ nam ik uit de bundel ‘De stad’ Een bloemlezing door C. Buddingh’ uit 1981. Oorspronkelijk verscheen het gedicht van Wilmink in de bundel ‘Voor een naakt iemand’ uit 1977. Het gedicht werd in 1972 door Herman van Veen op muziek gezet.

.

Het wordt ochtend in de stad

.

Licht gaat branden achter sommige gordijnen
hier en daar een mens op straat ietwat verwaaid
rokershoest weerklinkt alom lantarens kwijnen
als er hier een haan was had-ie al gekraaid.
.
Mensen overwegen om in bed te blijven
zien er toch maar weer vanaf uit goed fatsoen
en een oude man wordt wakker met een stijve
maar heeft niemand om een vluggertje mee te doen.
.
Ergens laat zich al de helse toeter horen
van een matineuze heer in het verkeer
achter grote gele vensters van kantoren
zijn de werksters met hun emmers in de weer.
.
En wie in zijn diepste nachtelijke dromen
is gezworen naar de bron van zijn bestaan
mag zo dadelijk weer op het matje komen
aangezien hij een vergissing heeft begaan.
.
Net als vroeger is er weer een dag geboren
maar de jaren van verwondering zijn voorbij
en ook zijn er hier geen vogels meer te horen
behalve twee minuten op de vierde mei.
.
Ach, het leven nam ons allen op de korrel
en de dood genaakt met klapperend gebit
wij verlangen naar het uur dat de eerste borrel
goed en wel weer achter onze kiezen zit.

.

De idioot in het bad

Vasalis

.

Zondag interviewde ik José van Zutphen tijdens het poëziepodium van DBDD in de aula van de begraafplaats Oud Eik en Duinen. Ik vroeg haar onder andere welke dichter ze graag eens zou ontmoeten (mocht een levende of een overleden dichter zijn). Ze antwoorde hierop dat ze graag Vasalis (1909-1998) zou willen ontmoeten. Ik begrijp dat heel goed. Ze vertelde erbij dat ze het gedicht ‘De idioot in het bad’ zo mooi vond.

Nu wil het geval dat ik afgelopen weekend in een kringloopwinkel de bundel ‘Met twee maten’ kocht. Samengesteld door Paul Rodenko en oorspronkelijk uitgegeven in 1956 (mijn exemplaar is een derde druk uit 1974) als een Bert Bakker Bloemlezing. De ondertitel van de bundel luidt: de kern van vijftig jaar Nederlandse poëzie geïsoleerd en experimenteel gesplitst. En laat het gedicht ‘De idioot in het bad’ nu in deze bundel staan.

Uiteraard heb ik eerst gekeken of ik het gedicht al eens geplaatst had op mijn blog en aanvankelijk dacht ik dat dat het geval was maar het blijkt dat ik slechts de laatste twee strofes heb opgenomen in dit bericht. Daarom alsnog het hele gedicht.

.

De idioot in het bad

.
Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
Haast dravend en vaak hakend in de mat,
Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
Gaat elke week de idioot naar ’t bad.
.
De damp die van het warme water slaat
Maakt hem geruster : witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.
.
De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.
.
Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.
.
Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.
.
En elke keer, dat hij uit ’t bad gehaald wordt,
En stevig met een handdoek drooggewreven
En in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.
.
En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

.

De Kift

Beguine

.

Afgelopen maand las ik in de krant een stuk over de mooiste Nederlandse popsongs aller tijden. Nu is dat uiteraard een arbitraire lijst, over smaak valt wel degelijk te kwisten, maar een interessante lijst is het zeker. Een nummer dat in de lijst staat (nummer 95 van de top 100) trok mijn aandacht. Het betreft hier het nummer ‘Beguine’ van het Nederlands muzikaal ensemble De Kift. En waarom zul je je afvragen? De Kift maakte dit nummer naar aanleiding van een gedicht van Giza Ritschl.

Gizella Ritschl (1869-1942) werd in Hongarije geboren en kwam in 1896 als circusartiest naar Nederland. Frederik van Eeden hielp haar bij de uitgave van haar eerste bundel ‘Verzen’  (1901) met gedichten die veel sporen vertoonden van haar Hongaarse afkomst en taal en literaire traditie. Zo zijn de 112 gedichten in die eerste bundel heel kort (veelal 6-regelig). Na haar debuut verschenen nog ‘Nieuwe verzen’ (1904), ‘Gedichten’ (1905), ‘Liederen’ (1907) en ‘Vrome Liederen’ (1914). In 1939 werd nog een bloemlezing van haar liefdesgedichten gepubliceerd (Ingeleid door Hendrik de Vries) en in 1942 verscheen, kort na haar overlijden in Den Haag de postume bundel ‘Zangen van droom, liefde en dood’. 

Het tekst van ‘Beguine’ is dus vrij naar het gedicht van Ritschl. In de Volkskrant staat bij het nummer ven De Kift: een prachtig miniatuurmelodrama  van een weemoedig, desolaat soort rumba. In huilend Zaans gezongen. Het koper weent troostend mee. Oordeel zelf.

De beguine is een muziekgenre uit Martinique, ontstaan in de 19e eeuw. Door de combinatie van de traditionele bélé-muziek met de polka, creëerden zwarte muzikanten in de hoofdstad Saint-Pierre de beguine. De beguine is verwant met de Jazz muziek uit New Orleans.

.

Beguine

.
Ik zing, ik drink, ik lach, ik dans
Terwijl mijn harte weent.
Mijn ogen schitteren in wilde glans
Terwijl mijn harte weent.
Verneem de zangen die ik zing,
En drink met mij de wijn.
Volmaakt mijn zelfbegoocheling,
Bedwelmend moet het zijn.
Ik zing, ik drink, ik lach, ik dans
Terwijl mijn harte weent.

.

Mijn ogen schitteren in wilde glans
Terwijl mijn harte weent.
Verneem de zangen die ik zing,
En drink met mij de wijn.
Volmaakt mijn zelfbegoocheling,
Bedwelmend moet het zijn.
Aan mij is er toch niets verbeurd,
Mijn ziel geniet en lacht!
Het ergste is nu toch gebeurd:
Mijn lief verliet mij vannacht.

.

 

Vervallen stad

Hagar Peeters

.

De regelmatige lezer van dit blog weet dat ik veel en vaak over Rotterdam en haar dichters schrijf. Niet vreemds aan, ik ben bij twee stichtingen actief (Poëziestichting Ongehoord! en De Zoek naar Schittering) gevestigd in Rotterdam en in 2014 was de eerste bundel die ik met MUGbooks op papier uitgaf ‘Wij dragen Rotterdam’ een initiatief van de Rotterdamse dichters Mark Boninsegna, Daniël Dee en Marco Martens. Daarnaast organiseer(de) ik jarenlang met poëziestichting Ongehoord! poëziepodia in Rotterdam.

Toch wil dat niet zeggen dat ik alleen maar over de havenstad en haar dichters schrijf, integendeel, vele dichters uit alle hoeken en gaten van Nederland (en daarbuiten) zijn mij lief. En wanneer er dichtbundels verschijnen met poëzie over een stad of regio dan besteed ik daar graag aandacht aan. Dus ook aan Amsterdam.

In 2001 verscheen bij 521 uitgevers de bundel ‘Amsterdam’ de stad in gedichten, ingeleid door Guus Luijters. Een aardige bundel met gedichten van dichters door de tijden heen die over Amsterdam hebben gedicht. Heel anders dan ‘Wij dragen Rotterdam’, daarin staan hedendaagse dichters die de stem en de poëzie van Rotterdam van nu vertegenwoordigen,

Desalniettemin valt er veel moois te lezen in deze bundel. Zoals het gedicht ‘Vervallen stad’ van Hagar Peeters (1972) uit haar bundel ‘Genoeg gedicht over de liefde vandaag’ uit 1999.

.

Vervallen stad

.

Zijn plichtsbesef fluistert hem in:

de plank ontbeert het brood vandaag.

Vraag het de knopjes. Maak hen tot kegels.

Sla uit blaadjes harde munt vandaag.

.

Hij, koopman op de Albert Cuyp

–  zijn vader was marktventer

zijn grootvader was het en zijn

overgrootvader & Co. evenzo.

Vele stambomen ver groeide het loof

onder hun handen vandaan –

hij weet als geen ander

.

van de uitheemse rot, mot en bergamot

waarin het Waterlooplein zijn

afdankertjes uithangt,

van de door naaldbossen omzoomde

terrasjesoase op het Nieuwmarktplein,

van het bloedmooi bloemenrood welken daarachter,

in het uitzicht van ieders raam.

.

Waakzaam

Maarten Inghels

.

Afgelopen weekend weer twee VSB poëzieprijsbundels  (De 100 beste gedichten voor de poëzieprijs) aan mijn collectie kunnen toevoegen; die van 2012 en 2018. In de editie van 2012 die door Kathleen Ferrier is samengesteld staan weer vele prachtige gedichten. Ik heb voor het gedicht ‘Waakzaam’ van Maarten Inghels (1988) gekozen uit de gelijknamige bundel uit 2011. Ik koos dit gedicht omdat het zo’n fraai liefdesgedicht is.

.

Waakzaam

.

De dichter moet immer waakzaam

blijven, vooral teder te zijn.

Elke dag voor haar uit de hemel willen vallen,

zorgen dat de jazz zijn spieren minder stram maakt.

.

Hij moet immer waakzaam

blijven, dat er genoeg verstrooiing

is voor ons hart, wij de dichter zijn verzen

nog kunnen prevelen in het oor van een vrouw.

.

Hij moet immer waakzaam

blijven, soms zwak te zijn.

Opdat de wind zal winnen van zijn gehoord, hem

zinnen influistert waarmee hij een lichaam

.

rond zijn vinger bouwt.

Waarna de dichter kan zeggen: o, omarm mij,

ik ben nog niet gauw voorbij.

.

Profiel van een generatie

Wim Gijsen

.

In een tweedehandsboekenwinkel kwam ik ‘Paradox, profiel van een generatie’ tegen. Een bloemlezing uit de poëzie van de Zestigers, samengesteld door Peter Berger. Een bundel uit 1964. Op zichzelf is dit al vreemd dat je een groep dichters bij elkaar zet onder de naam Zestigers terwijl het decennium nog maar 4 jaar op stoom is. W. Raaijmakers maakt er in ieder geval gehakt van in een artikel in Streven uit 1964/1965 (jaargang 18).

Op Wikipedia worden de Zestigers als volgt beschreven: Met de Zestigers wordt een literaire beweging in Nederland uit de jaren zestig aangeduid. Na de vrije opvattingen van de literaire beweging de Vijftigers, predikten zij een nieuw realisme. De belangrijkste vertegenwoordigers hadden zich geschaard rond het tijdschrift Gard Sivik en De Nieuwe Stijl en het Amsterdamse tijdschrift Barbarber.

Het gegeven dat we nog steeds over de Vijftigers praten en er nog steeds aandacht voor de denkbeelden is van deze generatie dichters, terwijl we eigenlijk vrijwel nooit (meer) iets horen over de Zestigers zegt iets over de samenhang en de richting van deze laatste groep. De vijftigers waren een duidelijke groep jonge dichters die zich afzetten tegen kunstopvattingen van hun voorgangers (met name de oorlogs- en vooroorlogse generatie dichters). De Zestigers zetten zich af tegen Vijftigers, met een neorealistische stroming, waarin de realiteit als vorm van kunst werd gepresenteerd. Zij waren fel gekant tegen de ‘verbale experimenteerkunst van de Vijftigers’. Beeldspraak en de persoonlijke gevoelens van de kunstenaar werden afgewezen. Verwant met het Amerikaanse popart zocht men zijn inspiratie in de werkelijkheid, en vond dit bijvoorbeeld in reclameteksten.

De vertegenwoordigers van deze stroming die destijds als literaire avant-garde beweging werd gezien, was in zijn tijd invloedrijk, maar is later juist bekritiseerd als geperverteerd door commercie.  Hoe dan ook is het lezen van ‘Paradox’ interessant. Ik ben het wel eens met W. Raaijmakers die in zijn artikel schrijft dat er een aantal zeer goede dichters in deze bundel zijn opgenomen (Hamelinck, Hazeu, Bernlef en Oosterhuis) maar dat er ook nogal wat dichters in zijn opgenomen die de waardering van Raaijmakers niet krijgen. Natuurlijk is dit, zoals Raaijmakers terecht stelt, een persoonlijke voorkeur, maar ik begrijp wel wat hij bedoelt.

Een naam die zeker tot de eerste groep behoort is Wim Gijsen (1933-1990). Ik kende hem eigenlijk als schrijver van Science Fictionromans maar hij was ook hoorspelacteur en dichter. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Ontmoeting, De Nieuwe Stem,  Bzzlletin en DW & B. In 1962 publiceerde Nijgh en Van Ditmar de bundel ‘Tot de tanden gewapend – Weerloos’ van Gijsen.

Uit deze bundel is een gedicht opgenomen in ‘Paradox’ getiteld ‘Ballade van de dodelijke regen’ waarin de voorliefde van Gijsen voor science fiction doorsijpelt.

.

Ballade van de dodelijke regen

.

nergens was ik sterk genoeg om tot de goden te bidden

maar ik zag de wereld nooit ouder dan vandaag,

een grijsaard die overal tekort schiet.

.

daar waren hele volkeren

liggende aan de gezaghebbende bronnen

onder bekoring der vooruitgang,

zij hoereerden op zeer wetenschappelijke wijze

en de felpijlige zonen

deze kinderen van ontucht

namen de wijk naar de ruimte.

van hun ouders

kregen zij niets mee dan een handvol erts

onherkenbaar – en bollen waarmee zij

de wereld van zichzelf konden bevrijden.

.

– desondanks – ieder volk had tovenaars

waarvan de oudsten zich in rimpels verscholen hielden

– onder hen heerste een groot gebrek aan haar –

en soms ontplofte een enkeling

in een stofwolk van duiven

(later als loos sprookje uitgegeven

deed hij zijn werk opnieuw en stierf niet meer)

.

Menhir in Mexico

Jan Bervoets

.

In 2009 nam Joris Lenstra afscheid van  Ongehoord Rotterdam, een poëziepodium waar hij sinds 2006 in de organisatie zit. In 2007 wordt in de centrale bibliotheek van Rotterdam het eerste podium georganiseerd. De mensen die Ongehoord Rotterdam organiseerden waren naast Joris Lenstra, Hein van de Assem, Ton Huizer, Yvonne Koenderman en Frida Winklaar. In 2010, na het afscheid van Joris neemt een nieuw bestuur het over van deze club. Hein en Yvonne blijven, Corina Kappen en ikzelf treden toe.

Door de jaren heen heeft het podium van poëziestichting Ongehoord! vele goede en bijzondere dichters op haar podium mogen begroeten. Een selectie: Daniel Vis, Roel Weerheim, (Marieke) Lucas Rijneveld, Frans Terken, Daniël Dee, Elfie Tromp, Lotte Dodion, Gijs ter Haar, Alja Spaan, Els de Groen, Demi Baltus, Myrte Leffring, Joz Knoop, Meliza de Vries, Evy Van Eynde, Kira Wuck, Jana Beranová, Lies Jo Vandenhende, A.C.G Vianen, Judith Herzberg en natuurlijk de ons ontvallen Rieneke Minderman, Derrel Niemeijer en Wim den Hertog.

Hoewel de podia in de bibliotheek van Rotterdam inmiddels tot het verleden behoren, organiseert poëziestichting Ongehoord! nog steeds de Ongehoord! Poëziewedstrijd (twee jaarlijks) en worden er incidenteel podia georganiseerd in Maassluis, Den Haag en Rotterdam.

Toen Joris Lenstra in 2009 afscheid nam van Ongehoord Rotterdam verscheen een klein bundeltje met gedichten van dichters die ooit het podium betraden. Een van die dichters was Jan Bervoets (1942). Bervoets publiceerde vanaf de jaren ’80 in onder andere Maatstaf, De Revisor en De Gids. Van zijn hand is het gedicht ‘menhir in mexico’ opgenomen in de bloemlezing van Poëziepodium Ongehoord Rotterdam uit 2009.

.

menhir in mexico

.

verschrikkelijk zoals dit weer is voorspeld

met een saffieren mes

zijn ingewanden blootgelegd

en alle gieren vreten aan de wolken

.

welke tornado wil hier nog aarden

als zelfs de huizen onhandelbaar blijken

en er dagelijks doden vallen

in een ritmiese kadans

.

zoveel natuurgeweld lijkt wel retories

de geldigheidsduur van een ademtocht

is zevenmaal verzekerd

men staat in de rij voor het product

.

slechts een oude galsteen blijft nog achter

en wijst de laatkomers de weg

.

Een kinderspiegel

Poëzie voor jongeren

.

Op de geweldige informatieve website DBNL.org lees ik een artikel uit het tijdschrift Tsjip/Letteren (tijdschrift voor literaire vorming van de stichting Promotie Literatuuronderwijs) uit jaargang 7 (1997). In totaal heeft dit tijdschrift 15 jaargangen bestaan tot en met 2005. In dit artikel van Kees Combat beschrijft de auteur ‘De 30 mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur’ van dichter en poëziekenner Remko Ekkers dat verscheen in 1992.

Deze bundel werd door Ekkers ‘onmiskenbaar een kleine canon van de Nederlandse poëzie, een gestaald kader van veel geciteerde en vaak gebloemleesde gedichten’ genoemd. De gedichten werden gekozen op basis van een enquête onder leraren met als enige vraag: ‘Als u het voor het zeggen had, welke gedichten zouden uw leerlingen dan eigenlijk uit het hoofd moeten kunnen opzeggen?’

De lijst bestaat uit 30 gedichten waarvan de meest recente uit eind jaren ’60 begin jaren ’70 zijn. Je zou zeggen dat de voorkeur van de docenten (uit hun jeugd) duidelijk naar voren komt en waarschijnlijk ook toen al (jaren ’90) niet echt meer aansloot bij de belevingswereld van jongeren die toen literatuuronderwijs genoten. Wat dat betreft sluiten de boeken van ‘Woorden temmen’ deel 1 en deel 2 vele malen beter aan bij waar jongeren mee bezig zijn en in geïnteresseerd zijn.

Desalniettemin levert het overzicht van Ekkers wel een mooie doorsnee op van bijzondere gedichten door de eeuwen heen. Opmerkelijk voor mij was het gedicht ‘Een kinderspiegel’ van Judith Herzberg (1934). Ik had het gedicht ooit wel gelezen in haar bundel ‘Beemdgras’ uit 1968 maar dat het op dit lijstje zou belanden had ik niet kunnen bevroeden. In de serie Meander Klassiekers beschrijft Inge Boulonois hoe dit gedicht nog altijd actueel is.

.

Een kinderspiegel

.

Als ik oud word neem ik blonde krullen
ik neem geen spataders, geen onderkin,
en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

.
Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik
en niemand gaat ooit liegen tegen mij.
Ik neem niet van die vieze vette
grijze pieken en ik ga zeker ook niet
stinken uit mijn mond.

.
Ik neem een hond, drie poezen en een geit
die binnen mag, dat is gezellig,
de keutels kunnen mij niet schelen.
De poezen mogen in mijn bed
de hond gaat op het kleedje.

.
Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen
niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.
Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is
de hele dag en ook de hele nacht
blijven wij als maar bij elkaar.
.

Niet nog een boek

Kees Winkler

.

Zoals de regelmatige lezer van dit blog wel weet ben ik van beroep bibliotheekdirecteur, maar mijn vak (waar ik voor geleerd heb) is bibliothecaris. Een mooi vak dat vrees ik helaas aan het uitsterven is. Er is (vooralsnog) geen opleiding meer voor het vak van bibliothecaris. Nu is dat ook niet zo heel vreemd, het vak is de laatste 20 jaar ingrijpend veranderd. Naast dat ik bibliothecaris ben, ben ik ook dichter.

Ik moest even slikken toen ik het gedicht ‘Toekomstbeeld’ van Kees Winkler las in de bundel ‘Niet nog een boek’ gedichten over boek, bibliotheek en lezer uit 2001. Dit was wel een confrontatie met mijzelf. Zou ik dit ook mee kunnen maken? Ook mijn bundel staat in mijn bibliotheek op de plank. Kom ook ik ooit in de categorie (bijna) vergeten dichters? Dat laatste is waarschijnlijk overigens. Het leeuwendeel van alle dichters treft dit lot en daar is ook niks mis mee. Poëzie is van alle tijden en elk tijdsgewricht kent haar eigen dichters. Het is slechts voor een enkeling gegeven dat zijn of haar poëzie de tand des tijds  doorstaat en dat, jaren nadat het tijdelijke is verruild voor het eeuwige, een dichter nog gelezen wordt.

Kees Winkler (1927-2004) was overigens zelf geen bibliothecaris maar dichter, bloemlezer en arts verbonden aan het Herseninstituut te Amsterdam. Met ondermeer Hans Vervoort en Rogier Proper richtte hij in 1970 de Stichting Propria Cures op, die sindsdien het gelijknamige (sinds 1890 verschijnende)  blad uitgeeft. Gedichten van zijn hand verschenen in onder andere De Tweede Ronde, Tirade, De Gids, Het Hollands Maandblad en Avenue.

.

Toekomstbeeld

.

De vergrijsde bibliothecaris
liet zijn blik weiden langs de planken
en hij pakte er een boekje uit
wat hij zelf geschreven had

.

Hoofdschuddend om zijn overmoed van vroeger
herkende hij zichzelf als een vergeten dichter
en hij wist dat dichters vergeten worden
als hun werk niet best is

.

Maar om in de herfst van zijn leven
te erkennen dat hij gefaald had
dat was teveel voor de grijze man
en hij zette het boek weer terug.

.

Vrouwen dichten anders

Chawwa Wijnberg

.

Toen Cox Habbema gevraagd werd om een dichtbundel samen te stellen met poëzie van vrouwen ging ze ‘alles wat Nederlandse dichteressen hebben geschreven opnieuw lezen’. Persoonlijk lijkt me dat ondoenlijk want er zijn er zoveel en ze hebben zoveel mooie bundels geschreven. Maar Habbema deed het om een antwoord te krijgen op de vraag: schrijven vrouwen anders?

Ze schrijft in haar voorwoord: “Van vele dichteressen had ik nooit gehoord, en van velen van wie ik hoorde, kon ik niets vinden. Ik heb genomen wat ik vond in dichtbundels en bloemlezingen, en ontdekte dat er niets mooiers is dan de verukkelijke willekeur van te mogen bundelen wat je mooi vindt.”

Toch vond ze ook een antwoord op haar vraag. Vrouwen dichten anders. Het is niet de door vrouwelijke dichters gehanteerde vorm die afwijkt van die van hun mannelijke collega’s, het is niet hoe ze spreken – het zit in wat ze zeggen en in de thema’s die ze aansnijden.

In deze bloemlezing staan vrijwel alle bekende namen uit de tijd dat deze bundel uitkwam (2000) maar ook verschillende namen die ik niet kende. Zoals de dichter Chawwa Wijnberg (1942-2019) was een Joodse dichter, columnist en beeldend kunstenaar. In januari van 2003 werd ze als eerste benoemd tot stadsdichter van Middelburg, waar ze vanaf het jaar 2000 woonde met haar partner Marianne Gossije.

Vanaf 1984 volgde zij een aantal jaren de poëzie-workshops van Elly de Waard. Van 1985 tot 1989 maakte zij deel uit van ‘De nieuwe wilden’, een groep vrouwelijke dichters die onder leiding van De Waard enige furore maakte. In 1988, 1995 en 1996 trad zij op tijdens de Nacht van de Poëzie te Utrecht. In deze bundel is het gedicht ‘Vaderdag’ opgenomen uit de bundel ‘Handboek voor de joodse kat’ uit 1993.

.

Vaderdag

.

andere kinderen hadden vaders, de liefste

bij ons was er de man van moeder

en dat schilderij

.

hun vader was de grootste, sterkste

de tijd beet gaten, zaagde poten

liet hem

in tegenwind en tijd vervallen

.

alleen de mijne

bleef onveranderd held

goed en in een gouden lijst

.

nagelaten hangt hij zonder knieën

niet van straf en niet van knuffelen

niet van voedde op

mijn vader, wijs ik de visite

.

zijn stierenek en boze ogen, zie je

dat zijn mijn oren; mijn moeder zei

men vond hem eigenwijs

.

alleen dat slecht geverfde doek

dag vader

jonger dan ik ben jij

.