Site-archief
Vanmorgen werd ik opgebeld
Ester Naomi Perquin
.
Dichter Ester Naomi Perquin (1980) debuteerde in 2007 met de bundel ‘Servetten halfstok’. In 2017 werd ze voor twee jaar benoemd tot Dichter des Vaderlands. In 2018 werd de Herman de Coninckprijs aan haar toegekend en ze ontving voor haar bundels meerdere literaire prijzen. In 2019 schreef Perquin het Boekenweekgedicht ‘Moeder’. Uit haar bundel ‘Namens de ander’ uit 2009 komt het proza-achtige gedicht ‘Vanmorgen werd ik opgebeld’.
Vanmorgen werd ik opgebeld
.
Vanmorgen werd ik opgebeld door een mevrouw die wilde weten
of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.
Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
– kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen –
maar Richard heeft niemand mij gevraagd.
(Ondertussen ruist de stilte van twee kanten in een oor.)
Er is een ander leven vóór ik antwoord geef, volop mogelijkheden,
voor het zelfde geld had het materiaal waaruit ik besta
een andere vorm of naam. Wat als ik ja zou zeggen,
ja, ik ben het: Richard. Bent u dat moeder?
Wat is het lang geleden.
Zou ik door Richard te worden ook Richard zijn, inclusief lichaam,
ademhaling, geheimen, de manier waarop hij ’s ochtends vroeg
zijn veters strikt? Houdt hij bijvoorbeeld van pastinaak?
Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?
Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,
vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:
Richard? Ja hoor. Die is boven.
Laat niemand haar vertellen dat Richard is verdronken, dat hij is
verdwaald, ontvoerd, verongelukt. Was er niet ergens
een feestje, een man? Heb ik Richard niet alleen
gekend maar zelfs gekust, gesproken,
dronk hij wijn, lachten we samen?
Nu, precies nu is het nog mogelijk geen geluid te maken,
op te hangen of met zakjes te gaan kraken alsof we – helaas –
zijn ingesneeuwd, ik kan u niet verstaan.
Ik stel me haar voor, ze staat in een donkere kamer, kijkt vragend.
Maar ik dan? Waar haal ik op dit uur een Richard vandaan?
Mevrouw, de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen
dat ik Richard niet ben, nooit ben geweest
en niet herken, hoewel onze nummers
misschien weinig verschillen, onze levens
zijn gescheiden door een acht, een vier, een twee.
Er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal
maar wier moeders mij niet kennen, niet zullen bellen.
U verspilt uw tijd, ik besta slechts uit halve stemmen,
halve gezichten, geen Richard waardig, geen hond
heb ik ooit meer gebracht dan halfslachtige aanwezigheid.
(Er klinkt een vastbesloten stilte op de lijn.)
Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee
dat het iemand zal lukken.
Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.
.
Getrainde Marcus
Joost Reichenbach
.
Afgelopen zaterdag was ik aanwezig bij de avond van de Zuid Hollandse poëzie, een initiatief van provinciedichter Etwin Grootscholten, theater ’t Web en Verstegen Spices & Sauces. Maar liefst 14 stads- en dorpsdichters traden op aangevuld met een voordracht van de provinciedichter en de dichter des vaderlands Ester Naomi Perquin. Een groot aantal van de dichters kende ik al, een aantal nog niet. Onder de dichters die ik nog niet kende was de nieuwe stadsdichter van Gouda Joost Reichenbach.
Joost Reichenbach bracht dit jaar de bundel ‘Naakt op het dressoir’ uit, een bundel met grappige, sprankelende gedichten die soms tot denken aanzetten. Reichenbach (1967) sloot tijdens zijn studie Nederlands aan de universiteit van Amsterdam een pact met twee medestudenten Mattijs Diepraam en (de inmiddels overleden) Piet van der Weijden, een pact en deden een poging de schrijverswereld te bestormen met een nieuwe literaire stroming ‘De nieuwe platheid’. De stroming heeft echter naar zover ik kan beoordelen nooit enige voet aan de grond gekregen.
Desalniettemin is ‘Naakt op het dressoir’ Reichenbachs tweede bundel ( na ‘Niet lullen maar zoenen’) en die biedt toch wel een keur aan vermakelijke en mooie gedichten gedichten waaronder een aantal over Gouda. Ik koos echter voor een mooi gedichtje over Marcus, de ‘kleine man’ die vaker terugkeert in de bundel.
.
Getrainde Marcus
.
Marcus is getraind.
.
We doen een telefoon na.
Rinkelen dat het rinkelt.
Roepen “hallo, hallo”
in de hoor van lucht.
.
En dan houdt de kleine man
de rijstwafel die hij zit
te peuzelen
.
tegen zijn oor.
.
De taal is het voertuig van de geest
Driek van Wissen
.
In het eind van de jaren ’80, begin jaren ’90 van de vorige eeuw was voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943 – 2010) regelmatig te zien en te horen bij het radio- en televisieprogramma Binnenlandse zaken van de TROS. In de rubriek ‘Kritiek van Driek’ liet hij op onnavolgbare en creatief-humoristische wijze zien hoe bijzonder de Nederlandse taal is met de openingszin: De taal is het voertuig van de geest, maar ons Nederlands is wel een krakende wagen geworden. Waarna hij een onderdeel van de taal behandelde (bijvoorbeeld de trappen van vergelijking, de verbindings-s, maar ook werkwoorden als zoeken, vinden, plaatsen en zetten) en liet zien hoe ongelofelijk inconsequent onze taal eigenlijk is.
Ik herinner mij dat ik altijd uitkeek naar dit item, Driek met zijn semi voorname voorkomen (ik denk dat het de strik was), met zijn specifieke manier van praten en dictie deed mij altijd (glim) lachen om onze taal. Later toen hij dichter des vaderlands wilde worden heeft hij slim gebruik gemaakt van zijn populariteit uit die tijd. In januari 2005 werd hij tijdens ‘De avond van het gedicht’ gekozen tot Dichter des Vaderlands, als opvolger van Gerrit Komrij en de Dichter des Vaderlands ad interim Simon Vinkenoog. Zijn uitverkiezing werd voorafgegaan door een intensieve campagne, geleid door Jean Pierre Rawie, een goede vriend van van Wissen. Tijdens de campagne deelde Van Wissen balpennen uit met een gedicht erop.
In het dagelijks leven was Van Wissen van 1968 tot 2005 als docent Nederlands in Hoogezand. Hij beëindigde zijn loopbaan in het onderwijs toen hij Dichter des Vaderlands werd. Voor zijn gehele oeuvre op het gebied van het light verse kreeg de dichter in 1987 de Kees Stip Prijs van het tijdschrift De Tweede Ronde. Van Wissen publiceerde ook onder het pseudoniem Albert Zondervan, dat hij deelde met Jean Pierre Rawie. Van Wissen schreef meestal in sonnet- en snelsonnetvorm. Daarnaast bediende hij zich ook wel van dichtvormen als rondeel, limerick en ollekebolleke.
Uit zijn bundel ‘De badman heeft gelijk’ uit 1982 het gedicht ‘Anti-Fries.
.
Anti-Fries
.
Als Holland winters is getooid,
En wij van kou welhaast verrekken,
Blijkt Friesland dichtbevolkt met gekken,
Die ’s winters gekker zijn dan ooit.
De maffe koppen, strak gelooid,
Ontspannen plots in losser trekken
Terwijl zich rond de stuurse bekken
Een soortement van glimlach ontplooit.
In onverstaanbare gesprekken
Worden dan praatjes rondgestrooid,
Die ijdele verwachting wekken,
Totdat de goden, als het dooit,
De hoop der dwaze halzen nekken.
Nee, de elfstedentocht komt nooit!
.
Driek van Wissen
Voormalig dichter des vaderlands
.
In mijn boekenkast staat ‘De dikke Driek’. In 2000 toen ik het boek van Driek van Wissen (1943 – 2010) kocht heeft hij er nog iets ingeschreven voor mijn dochter. Dit was nog voor hij dichter des vaderlands werd. Driek was een meester in het spelen met taal en in light verse. Hier een mooi voorbeeld waaruit ook blijkt dat light verse niet alleen maar over luchtige onderwerpen gaat. Uit de bundel ‘Een loopje met de tijd’, uit 1993 het gedicht ‘Het arme beest’.
.
Het arme beest
.
In Serajevo stierf de laatste beer.
Zijn dierentuin was al een tijd gesloten,
Omdat zelfs daar voortdurend werd geschoten
En daarom kreeg hij ook geen eten meer.
Immers de Joegoslaven van weleer,
Door wie in strijd met oude landgenoten
Het eigen bloed geestdriftig wordt vergoten,
Schoten ook alle dierverzorgers neer.
Het is helaas een trieste anekdote
Die ik vandaag voor u op rijm citeer,
Maar zo’n bericht bewijst ook deze keer
Dat mensen zich gedragen als malloten:
Het grootste beest ter wereld heeft twee poten
En in zijn klauwen draagt het een geweer.
.
Foto: schilderij Frisia museum
Man gevonden geen wormen wel maden
Tsead Bruinja
.
De van oorsprong Friese dichter Tsead Bruinja (1974) debuteerde officieel in 2000 met de Friestalinge bundel ‘De wizers yn it read/ De wijzers in het rood’. Zijn eerste publicatie is echter al van 1998 ‘Vreemdgaan’ (uitgegeven in eigen beheer). In 1999 publiceerde hij met onder andere Daniël Dee ‘Startschot’, ook in eigen beheer uitgegeven. In 2001 en 2002 verschenen nog Friestalige bundels maar zijn Nederlandstalige debuut ‘Dat het zo hoorde’ werd gepubliceerd in 2003 en het jaar daarop genomineerd voor de Jo Peterspoëzieprijs. De laatste bundel van Bruinja vescheen in 2015 getiteld ‘Binnenwereld buitenwijk natuurlijke omstandigheden’.
Samen met Joke van Leeuwen, Erik Menkveld, Hagar Peeters en Ramsey Nasr was Bruinja genomineerd als volgende Dichter des Vaderlands voor de periode 2009-2013. Ramsey Nasr won die verkiezingen. Met het collectief ‘Gewassen’ (2001-2004), met onder anderen dichter Sieger MG en videokunstenaar Alan D. Joseph, won hij in 2002 het Hendrik de Vriesstipendium.
Uit zijn bundel ‘Overwoekerd’ uit 2010 het gedicht ‘man gevonden geen wormen wel maden’.
.
man gevonden geen wormen wel maden
.
vind je een lijk in een huis
kijk dan onder de deurmat
in de spleten van de vloer
in welke fase zijn de insecten
zijn het nog maden of zijn er al poppen?
eerst komen de maden en poppen van bromvliegen
bromvliegen kunnen binnen een uur eitjes leggen
ze ruiken een lijk over zestig kilometer afstand
er bestaat een bromvliegsoort waarbij de poppen op het lijk uitkomen
andere soorten maden kruipen van het lijk af
om enkele meters verderop te verpoppen
bij warm weer wordt een lijk binnen twee weken opgegeten door de maden
het eindigt met spektorren die eten droog vlees
museumkevers eten andere insecten
kleermotten eten haren en huid
het langste duurt het om huid en skelet te verteren
daartussenin zitten mijten
die de eieren van de vliegen opeten
met honderden tegelijk kruipen ze door je vlees
.
Foto: Tineke de Lange
Meer informatie: www.tseadbruinja.nl.
Triomf, triomf!
Hendrik Tollens
.
Hendrik Tollens (1780 – 1856) was de eerste echte dichter des vaderlands. Hij was er bij toen het moderne Nederland ontstond en hij dichtte erover. Tollens kreeg dan ook twee standbeelden: één in Rotterdam, waar hij in 1780 werd geboren, en één in Rijswijk, waar hij stierf in 1856. Toen hij jong was, maakte hij vertalingen en schreef hij herderszangen met overdadige sentimenten en een erotisch tintje, en ook strijdliederen voor opstandelingen.
En met name dat laatste werd niet altijd meteen herkend. In een interessant stuk van Machiel Jansen over het boek van Lotte Jensen met de titel ´Verzet tegen Napoleon´ op http://www.literairnederland.nl/verzet-tegen-napoleon-lotte-jensen/ blijkt dat Lotte Jensen in haar boek een gedicht van Tollens heel anders interpreteert dan bijvoorbeeld Komrij.
Gerrit Komrij gaf de dichter Tollens er nog van langs en vond dat zijn ’ lofdicht op de nieuwe tand van zijn zoon´ een ‘schoolvoorbeeld van slechte poëzie’ was. In haar boek komt Jensen met een heel andere kijk op dit gedicht voor de dag en weet overtuigend aan te tonen dat de tand hier als wapen wordt gebruikt. Het verzet tegen Napoleon blijkt een tand te hebben. Als je in dat licht de 5e en 6e strofe leest begrijp je hoe Tollens dit gedicht waarschijnlijk bedoeld heeft.
Oordeel zelf zou ik zeggen.
.
Op de eerste tand van mijn jongstgeboren zoontje
Triomf, triomf! Hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!
Laat dreunen nu de wanden!
Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht
De adem en het levenslicht,
Nu geeft zij ’t wichtje tanden.
Tromf, triomf! God dank er voor,
Want moeder zegt: de tand is door!
Nu lof en lied verheven!
Geluk nu, kind, met spel en zang!
Besteed het wel, bewaar het lang,
Wat u Gods gunst wil geven.
Bewaar het lang, besteed het wel:
Een goed gebruik is Gods bevel:
Laat u dat voorschrift leiden;
Hou, u ten nut en Hem ten dank,
De tandjes rein en ’t zieltje blank;
Zo knagen geen van beiden.
Groei op, groei op! Word groot en goed;
Win treflijk aan in kracht en moed
Om lot en leed te tergen;
En, wie u ’t eerloos hoofd moog’ biên,
Laat, jongen, laat uw tanden zien,
Waar eer en plicht het vergen.
Groei op, word braaf, bekroon zijn doel:
Laat vroeg uw ziel van diep gevoel
Voor recht en waarheid branden!
Belach der bozen wrok en wraak,
En neem altoos der braven zaak
Manmoedig op uw tanden.
Groei op, word vroom, word rijk aan deugd!
Laat nooit mijn oog, dat weent van vreugd,
Om u van weemoed krijten;
En geve u God tot aan de dood
Een eerlijk stukje daaglijks brood,
Waarop uw tandjes bijten!
.
Foto: A. Kramer, met dank aan http://www.gedichten.nl en http://www.literairnederland.nl
27 gedichten en geen lied
Ramsey Nasr
.
Hoewel hij Dichter des Vaderlands was en de tweede stadsdichter van Antwerpen, treed hij tegenwoordig vooral weer op als acteur van de Toneelgroep Amsterdam. Productie van zijn poëzie staat op een laag pitje. Hij is dan ook niet voor niets dichter, schrijver, essayist, acteur, regisseur en librettist (tekstschrijver van muzikale stukken). Toch blijft Nasr voor mij vooral dichter. Daarom uit zijn bundel ’27 gedichten en geen lied’ uit 2000, het gedicht ‘Wie weet mij eindelijk’.
.
Wie weet mij eindelijk
Wie weet mij eindelijk, welke dodentolk,
Te doen bedaren in gezworen haat.
Ik volg de vaderen om vroeg en laat
Mijn land te zien. Ik leef tegen een volk
dat zebrapaden aanlegt over wonden,
Dat boven onze botten steen op steen
Bewoont, dat leven wil voor zich alleen.
Leeft dan in angst. Ons bloed wordt niet geronnen.
Op hoeveel scherven vlees weerkeert het recht.
En opgeblazen domme wraak en gal
Is wat er rest, als hersenen gaan denken.
‘Men mag een mens een leven niet ontschenken.
Ik hoop dat ik geen bommen maken zal.’
.















