Site-archief
Verwey en van Eeden
Dichters over dichters
.
Vandaag in de rubriek ‘dichters over dichters’ een sonnet van dichter Albert Verwey (1865-1937) over de schrijver en dichter Frederik van Eeden (1860 – 1932). Van Eeden heeft veel geschreven en maar een heel klein deel van zijn productie is poëzie (bijvoorbeeld de bundel ‘Aan mijn engelbewaarder en andere gedichten’ uit 1922).
In zijn ‘Verzamelde gedichten’ in 3 delen uit 1911 werd het ‘Sonnet’ opgenomen dat als ondertitel heeft ‘aan Frederik van Eeden’.
Ik haalde het uit de bundel ‘De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten’ samengesteld en ingeleid door Robert-Henk Zuidinga uit 1985.
.
Sonnet
.
aan Frederik van Eeden
.
Ik ben gestemd om een sonnet te maken,
Teêr-blauw als mij Japanse verzen lijken,
Zo vlak als water, dat geen rimpels strijken
Tot vloeiend matglas, waar zij d’oever raken.
.
Fijn porcelein met, voor verwende smaken,
Bleek-blauwe poppen die zo wijd uitwijken,
En zonder perspectief – de rijken kijken
Bij ‘t kopen, of de kleine barstjes kraken.
.
Zó is mijn stemming, bleek met wijde luchten,
’k Ben bang, dat zij zal breken onder te schrijven,
’k Schrijf fijne letters, in mijn teder duchten.:
.
Ik wil, dat ze ongebroken weg zal drijven
Zonder een lijn, als luchte wolken vluchten, –
Doch dit Sonnet zal voor U overblijven.
.
Het zingend hart
Gerard Reve
.
Hoewel hij door de meeste mensen eigenlijk alleen maar als schrijver van romans, brieven en verhalen is gekend, schreef Gerard Reve (1923 – 2006) ook gedichten. Sterker nog, zijn debuut in 1940 was met de dichtbundel ‘Terugkeer’ die hij in eigen beheer uitgaf in een oplage van 50 stuks. Overigens werd pas in de jaren ’80 van de vorige eeuw officieel dat dit zijn debuut was toen er een authentiek exemplaar werd gevonden. In 1993 werd in opdracht van Gerard Reve deze bundel in een oplage van 500 stuks herdrukt en door hem gesigneerd. Dat Reve ook gedichten schreef is ook weer niet zo vreemd, hij was van 1948 tot 1959 getrouwd met de dichter Hanny Michaelis.
Toch is het aantal gedichten van zijn hand klein, helemaal ten opzichte van al zijn prozawerk. Zo publiceerde hij in 1965 ‘Zes gedichten’, in 1979 ‘Een eigen huis’ (gedichten, toespraken en verhalen), in 1984 ‘Schoon schip’ (verhalen, gedichten en artikelen uit de periode 1945-1984, ‘Verzamelde gedichten’ uit 1987 en ‘Het zingend hart’ een uitgave uit 1973 en in 2003 opnieuw uitgegeven in De Grote Lijsters met 35 gedichten. Een klein oeuvre binnen zijn enorm grote oeuvre als schrijver.
In de bundel ‘Het zingend hart’ zijn gedichten opgenomen die Reve schreef in de jaren ’60 en ’70 met een gedicht ‘Kennis’ dat uit de jaren ’80 stamt en eerder verschenen in ‘Een eigen huis’ en ‘Het zingend hart’.
In de gedichten vele verwijzingen naar het Rooms Katholieke geloof waartoe Reve zich in 1966 bekeerde maar ook altijd die tegendraadse stem die hem als schrijver zo kenmerkte. Zoals in het gedicht ‘Gedicht voor mijn 47ste verjaardag’ uit 1970.
.
Gedicht voor mijn 47ste verjaardag
.
De dag zelf vreemd en grijs. De dag erna
zes zwanen zeilend tot de voetbrug
waar ik met gulle hand het feestgebak te water werp
dat niemand gisteren door zijn strot heeft kunnen krijgen
en dat de vogels evenmin begeren:
hun koninklijke halzen buigen niet,
terwijl het ongewone voedsel zinkt.
.
De grom uit de hond halen
Iduna Paalman
.
Iduna Paalman (1991) is een jonge dichter die naast poëzie ook proza en toneelteksten schrijft. In het najaar van 2019 debuteerde ze met de dichtbundel ‘De grom uit de hond halen‘. In de Volkskrant werd ze vervolgens uitgeroepen tot literair talent van het jaar. Haar werk werd onder meer gepubliceerd in De Gids, De Revisor, Het Liegend Konijn, Kluger Hans, NRC Handelsblad en op VPRO.nl. Iduna Paalman was actief bij De Nacht van de Poëzie, Lowlands, Geen Daden Maar Woorden en Dichters in de Prinsentuin.
Ze studeerde Duitse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Humboldt Universität in Berlijn, en voltooide de geschiedenismaster Duitslandstudies. Naast het schrijven werkt ze als presentator en docent.
In haar debuutbundel staat het gedicht ‘De waarheid’.
.
De waarheid
.
De waarheid is: ik ben je zwembroek vergeten
en een pak sap, mijn zakmes ook, ik heb
alleen een handdoek voor mezelf, de waarheid
is: ik sta bij een heel andere plas, bij een heel andere
man, eentje met een hond, eentje die het water zelf heeft uitgegraven
zo met zijn handen door al die lagen, de waarheid is: ik laat me dragen
.
er is een picknickkleed met grasmotief en een schoonmoeder plukt ergens een boeket
schenkt de wijn bij, zegt verder weinig, een gil van een kind dat
voor het eerst te water raakt, mijn leven heb ik daar gelaten
waar het mij onmisbaar heeft gemaakt
.
daar zit je, niets te drinken, zo nat, zo naakt
het brood een onafgeschoten kogel op de grond
geen hond die op ideeën komt.
.
Op het station
Dubbelgedicht
.
Vandaag een dubbelgedicht met als onderwerp; het station. Twee totaal verschillende dichters met elk een gedicht dat bij dit onderwerp past, in dit geval een treinstation en een metrostation. Allereerst Theun de Winter (1944) met het gedicht ‘In de hal van het Centraal Station’ uit de bundel ‘De gedichten’ uit 1972. Het gedicht verscheen ook in ‘Elf gedichten voor Piet Keizer’, in 1973 uitgegeven als hommage aan de grote Ajaxied, die dat jaar dertig jaar werd.
Het tweede gedicht is van Boelat Okoedzjava (1924 – 1998) en is getiteld ‘Liedje over de metro’. Okoedzjava is geboren in Georgië, schreef proza maar is vooral populair geworden in de Sovjet Unie als dichter en chansonnier met melancholieke en soms satirische liedjes over de oorlog, liefde, dood en eenzaamheid. Het gedicht komt uit ‘Spiegel van de Russische poëzie’ uit 2000.
.
In de hal van het Centraal Station
.
In de hal
van het Centraal Station
kon ik mij
met moeite een
volwassen handtekeningenjager
van het lijf
houden
die dacht dat ik
een van de Cats was
Mijn dochter heeft al
jullie platen
.
Persoonlijk werd ik
veel liever voor
een Beach Boy aangezien
in welke situatie
ik zou signeren
met Carl Wilson
.
Als Beach Boy had ik
geld genoeg om
mijn gebit
te laten behandelen
totdat een geringe
ruimte tussen
mijn twee voortanden
verkregen is –
een plastisch chirurg
en de kapper doen
de rest
.
Daar loopt Piet Keizer
zouden de mensen
denken.
.
Liedje over de metro
.
In mijn metro heb ik altijd volop ruimte,
vanaf de jaren dat ik duimde
blijkt ze immers als een lied te zijn
met ‘Rechts staan, links passeren’ als refrein.
.
De orde is heilig, is wel gedaan:
de reizigers die rechts staan – staan,
maar zij die gaan zijn steeds gehouden
te allen tijde links te houden.
.
Kind
Dubbel-gedicht
.
Opnieuw een Dubbel-gedicht en dit keer over het kind. De meeste gedichten over kinderen zijn, valt me op, nogal sentimenteel of juist vanuit het kind geschreven en daardoor spelend in de verleden tijd. In de twee gedichten die ik over het kind bij elkaar heb gezocht gaat het over het opgroeiende kind, in het gedicht ‘Toen ik een kleine jongen was’ van de dichter J.C. Noordstar uit de bundel ‘De zwanen en andere gedichten’ uit 1967 (2e druk), en over de innerlijke wereld van een kind in het gedicht ‘Kind’ van Gerrit Achterberg uit zijn ‘Verzamelde gedichten’ uit 1980 (mijn exemplaar).
De dichter J.C. Noordstar (1907 – 1987) is minder bekend dan Gerrit Achterberg. J.C. Noordstar was het pseudoniem van prof. dr. Arnold Jan Pieter Tammes. Hij debuteerde met ‘De zwanen en andere gedichten in 1930 waarna al snel de bundel ‘Het pierement’ verscheen (ook in 1930) dat hij samen schreef met Halbo C. Kool, N.E.M. Pareau en Herman Poort. Hierna schreef hij nog samen met N.E.M. Pareau de bundel ‘Argos en Arcadia’ (poëzie en proza) en daar bleef het bij voor wat betreft de bijdrage van Noordstar aan de literatuur.
.
Toen ik een kleine jongen was
.
Toen ik een kleine jongen was
ging ik ’s avonds liggen tussen de koude lakens.
Mijn bed was groot en wijd als de wereldzee,
daar lag ik lekker als een opgerolde slak.
Maar later werd mijn lichaam groter en harder,
en wanneer ik nu mijn benen strek
dan slaat mijn harde hoofd tegen de planken.
O, ja wanneer je groter wordt
stoot je je hoofd tegen de beddeplank.
.
Kind
.
Terwijl we het niet laten blijken
dat werelden in ons bezwijken,
kijkt het kind ons aan.
.
Hij weet er alles van
en vindt vanzelf een naam,
bewaard binnen zijn koninkrijken,
.
en vangt met ons het spelen aan
als zijnsgelijke.
.
Een gans heelal is eeuwig voor zolang.
.
Knekel
Maria van Daalen
.
De dichter/schrijver Maria van Daalen (1950) werd geboren als Maria Machelina de Rooij. Maria van Daalen ontplooit een groot aantal activiteiten in binnen- en buitenland. Ze was tijdschriftredacteur (De Revisor tot 1994), publiceert poëzie en proza in tal van literaire tijdschriften en ze treedt op bij vele poëzie-festivals en –manifestaties, onder andere in Canada en Zuid-Afrika. In 1989 debuteerde ze met de bundel ‘Raveslag’ waarmee ze voor de C. Buddingh’-prijs genomineerd werd.
Op haar website https://www.mariavandaalen.com/ vind je naast gebruikelijke elementen als een weblog en een biografie ook verrassende onderdelen, zoals een lijst van donateurs, een ‘rozenkrans’ (beide zijn inmiddels niet meer te bekijken) en een button ‘vodou’. Ze werkt namelijk al jaren aan een boek over vodou, het ‘Vodou-boek’, over de religie vodou op Haïti ‘als werkelijkheidsbeleving’.
Uit de verzamelbundel ‘Die eeuwige wind’ (een opdracht over de Wierde van Wierum, een kunstmatige heuvel bij het dorp Wierum in Friesland) uit 2010 het gedicht ‘Knekel’.
.
Knekel
.
hoofd dat mijn beenderas bevat voor later
spreek met een mond vol aarde van het leven
ik voel de zon en ja, ik blijf nog even
mijn ogen tranen maar ook dat is water
woorden bewogen door de wind – dat staat er
in elke beendervel volop geschreven –
vormen de liefste zin aan mij gegeven
zolang mijn schedelmond nog praat – ik schater
mij schuimend, bottend, brandend, stormend naar de
vier elementen die zich zingend mengen
met mij, de lichtste, aether, als hun hemel
die schedeldak mag vullen met gewemel
van wormen, rijmend kronkelend in strengen
ten slotte is mijn vruchtbaarheid mijn waarde
.
Tienminutengesprek
Esther Jansma
.
Dat dichters maar zelden alleen dichter zijn mag bekend zijn, van gedichten schrijven valt nu eenmaal niet te leven (een enkele uitzondering daargelaten uiteraard). Vaak schrijven ze naast poëzie ook proza, columns of korte verhalen, liedteksten of andere teksten. Er zijn er ook die naast hun dichterlijke leven nog een andere baan hebben zoals journalist, redacteur of directeur van een bibliotheek. Esther Jansma is wat dat betreft toch een beetje een vreemde eend in de bijt. Zij is naast dichter ook prozaschrijfster en archeologe!
Ze debuteerde in 1988 met de dichtbundel ‘ Stem onder mijn bed’ waarna nog verschillende dichtbundels volgde. Voor haar werk ontving ze onder andere de VSB Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs en de A. Roland Holst-penning. Uit haar bundel ‘ Voor altijd ergens’ uit 2015 koos ik in deze vakantieperiode voor het gedicht ‘ Tienminutengesprek’. Een grappig en schurend gedicht waarbij ik onwillekeurig moest denken aan de televisieserie de Luizenmoeder.
.
Tienminutengesprek
.
Nadat de onderwijskrachten met man en macht
op vrouwelijk zuchtend voorovergebogen begrip
simulerende wijze waren uitgewoed – en weet
dat daar woede bij zat, banieren grof rood door
het hoofd, intonaties die intenties uit koers rammen –
hadden de van schrik en noodlottige toekomsten
verstijfde tegenover de krachten op hun verzoek
aan knielage tafels neergekrompen in stoeltjes geklemde
zorgers voor hun zoon het volgende bereikt:
Een: wij gaan ons best doen omdat wij goed zijn.
Twee: over een maand weten wij of zijn leven
gaat lukken. Wij melden dat desgewenst schriftelijk.
Drie: dit is een productafspraak.
.
O, was ik maar de wereld uit
Else Lasker-Schüler
.
Alweer een dichter op verzoek en dit keer op speciaal verzoek van de Vlaamse dichter Evy Van Eynde, van wie ik afgelopen februari de bundel ‘Zal ik liefde noemen’ uitgaf via mijn uitgeverijtje van poëzie MUG books. Evy verzocht om een gedicht van Else Lasker-Schüler. De poëzie van Else Lasker-Schüler (1869 – 1945) is bewust irrationeel en werkt met associaties en aaneenrijgingen. De figuren die ze in haar proza ten tonele voert, zijn vaak vermomde mensen uit haar omgeving. Ze spint allegorische constellaties van sprookjesachtige situaties en laat een grote verscheidenheid aan emoties de revue passeren.
Nadat in 1912 haar tweede huwelijk strand begint het leven van Lasker-Schüler meer en meer onthecht te raken. Ze trok van het ene pension naar het andere, werd een bekend gezicht in het Café des Westens, leed vaak honger en begon bedelbrieven te schrijven. In een editie van Awater uit 2002 staat geschreven over deze periode:
Halverwege 1912 werd ze verliefd op een dichtbundel, ‘Morgue und andere Gedichte’. De dichter van dat boek was Gottfried Benn, een 26-jarige patholoog-anatoom die in een Berlijns armenziekenhuis werkzaam was. De ellende die hij daar onder ogen had gekregen deed hem in één week tijd een spookachtig mooie dichtbundel schrijven. ‘Lang voordat ik hem kende,’ schreef Lasker-Schüler, ‘was ik zijn lezeres; zijn dichtbundel ‘Morgue und andere Gedichte’ lag op mijn deken; gruwelijke kunstwonderen, doodsdromerij die contouren kreeg. Kwellingen sperren hun muil open en verstommen, kerkhoven wandelen de ziekenzalen binnen en schieten wortel voor de bedden van zware patiënten.’
En over de dichter schreef ze: ‘Dr. Benn is half tijger, half havik en staat in de kelder van zijn ziekenhuis lijken open te snijden. Hij is stug en stevig, zacht en teerhartig.’
Het gedicht ‘O, was ik maar de wereld uit’ schreef ze in een staat van verliefdheid voor Dr. Benn. De vertaling is van Menno Wigman.
.














