Site-archief

De dichter vertelt

Colette

.

Afgelopen zaterdag was ik in, wat misschien wel mijn meest favoriete antiquariaat in Den Haag is, Colette & Co. in de Reinkenstraat. Ik kom er al jaren zo nu en dan want de hoeveelheid boeken die in de loop der jaren het pand zijn ingedragen nemen bijna alle vloeroppervlak in. Stapels en stapels aan boeken over alle onderwerpen denkbaar. Voor hele fijne kleine prijsjes. Ik kom er regelmatig maar niet heel vaak want elke keer loop ik er tegen aan dat ik er zo hebberig van word. En mijn huis heeft ook maar beperkte ruimte. Mijn poëziecollectie nadert de 17 meter boekenkastruimte en mijn huis groeit niet mee.

Toch kon ik het niet laten en heb ik een paar dichtbundeltjes gekocht. Twee keer een ‘Literair paspoort’ uitgegeven ter gelegenheid van het gelijknamige poëziefestival in Den Haag en Wassenaar in 2002 en 2004, een bundel ‘Dichter aan huis’ uitgegeven door de gelijknamige stichting die dit festival jarenlang organiseerde in wijken in Den Haag en, misschien wel de leukste maar zeker de oudste bundeling poëzie ‘De dichter vertelt’.

Deze bundel, samengesteld door dichter Gabriël Smit (1910-1981) als uitgave van K.R.O. Schoolradio Publicatie no. 105 in 1957, is een heerlijk ouderwetse bundeling van dichters die hun wortels hebben in de katholieke poëzie (Michel van der Plas, Jan Engelman, Anton van Wilderode, Anton van Duinkerken), de christelijke poëzie (Martinus Nijhoff, Guillaume van der Graft) maar ook naast een aantal wat meer moderne dichters als Jan Hanlo, Harriet Laurey, Paul van Ostayen en M. Vasalis, een aantal klassieke dichters als P.C. Boutens, Aart van der Leeuw en J.C. Bloem. Een klein overzicht van beroemde en bekende dichters uit eind 19e en begin 20ste eeuw.

Opmerkelijk is dat er maar twee vrouwelijke dichters zijn opgenomen en dat alle dichters inmiddels reeds enige of langere tijd zijn overleden terwijl ten tijde van publicatie slechts drie dichters waren overleden (P.C. Bouitens, M. Nijhoff, Aart van der Leeuw en Paul van Ostayen. Op de omslag de samensteller (met in de hand een sigaret) in een typisch jaren vijftig interieur omringd door geïnteresseerden jongelui. In het voorwoord schrijft hij: “de meeste mensen en ook nog veel jonge mensen vinden dichten en dichters eigenlijk wel een beetje raar. Er is sport er is film, er worden voortdurend mooiere en grotere auto’s gemaakt, straks worden we met een raket naar de maan geschoten.” Wat dat betreft is er niets veranderd behalve dan dat de verleidingen anders en diverser zijn geworden en dat tegenwoordig zelfs commerciële ruimtevluchten worden georganiseerd.

Een aantal bekende gedichten zijn opgenomen maar ook iets minder bekende gedichten zoals het onderstaande gedicht van Bertus Aafjes uit ‘Gedichten’, een bundel met sonnetten uit 1947, getiteld ‘De laatste brief’.

.

De laatste brief

.

De wereld scheen vol lichtere geluiden

En een soldaat sliep op zijn overjas.

Hij droomde lachend dat het vrede was

Omdat er in zijn droom een klok ging luiden.

.

Er viel een vogel die geen vogel was

Niet ver van hem tusschen de warme kruiden,

En hij werd niet meer wakker want het gras

Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.

.

Het regende en woei. Toen herbegon

Achter de grijze lijn der horizon

Het bulderen – goedmoedig – der kanonnen.

.

Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef,

Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef:

Liefste, de oorlog is nog niet begonnen.

.

 

Ik zie je nog altijd liggen

Herman de Coninck

.

Voor de nieuwe MUGzine zijn we in het kader van het nieuwe onderdeel ‘Muggenbeet’ op zoek naar gekruide uitspraken over dichters en poëzie maar ook naar mooie zinnen. En dat mogen zinnen zijn uit een gedicht maar juist ook uit proza, toneelwerken, desnoods managementboeken zolang ze maar poëtisch zijn. Voorwaarde is dat ze in het Nederlands zijn of vertaald naar het Nederlands. Dus mocht je een suggestie hebben laat deze dan achter in een reactie op dit bericht.

Uiteraard houden wij onze ogen ook open voor mooie zinnen. En lezend in de vuistdikke bundel ‘Ik ben genoemd meisje en vrouw’ 500 gedichten over de vrouw uit de Nederlandstalige letterkunde uit 1980, samengesteld door Christine D’haen. kwam ik bij het gedicht ‘Ik zie je nog altijd liggen’ van één van mijn favoriete dichters aller tijden Herman de Coninck (1944-1997) uit. De laatste strofe van dit gedicht dat oorspronkelijk verscheen in ‘Zolang er sneeuw ligt’ uit 1978, is zo’n zin die blijft hangen en die in al haar poëtische schoonheid een mooi voorbeeld is van wat we bedoelen.

.

Ik zie je nog altijd liggen

.

ik zie je nog altijd liggen, je vingers

smal en paars als asperges,

deze hele bleke stille vorm van jezelf-zijn

die je altijd wel had,

een streepje gestold bloed uit je mond:

niks-zeggen was ook vroeger jouw manier

van gekwetst-zijn, ik denk: sluit nu maar

je ogen, kom, ik zal je helpen –

.

dit is al wat ik nog kan doen:

dit niet-meer-weten-wat-zeggen

en het zeggen.

.

4 mei

Jaap Zijlstra

.

Vandaag is het 4 mei, de dag dat we in Nederland de doden herdenken. De doden uit de tweede wereldoorlog en de doden die na de oorlog in conflictgebieden vielen. Er is zelfs een initiatief om ook alle doden te herdenken die nu nog in conflictgebieden vallen te herdenken overal ter wereld. Ik vind dat een mooi initiatief omdat het een accent toevoegt aan de dodenherdenking. Het doet niets af aan de twee minuten stilte om 20.00 uur op 4 mei ter herdenking aan hen die vielen, het verrijkt deze herdenking én ik denk dat door dit soort initiatieven (waar je ook het herdenken van Nederlanders in conflicten na de tweede wereldoorlog onder mag scharen) juist bijdraagt aan het in leven houden van deze mooie traditie.

Toch wil ik vandaag een gedicht plaatsen dat juist een directe relatie heeft met 4 mei 1945. Het is het gedicht ‘4 mei’ van Jaap Zijlstra (1934) en ik nam het uit de bundel ‘De mooiste gedichten over verzet en bevrijding’, verzameld door Sipke van der Land uit 1994.

.

4 mei

.

De oorlog is al jarenlang voorbij.

Men zegt het, maar het is niet waar.

Ik zie ze nog, gebonden aan elkaar

gaan naar hun graf. De duinenrij

ligt in de zon, de wind streelt door hun haar.

.

Voorover liggen. het is niet voorbij.

Wachten met het gezicht op de grond.

Roepen tot God met een gesloten mond.

Mijn God, mijn God, ontferm U over mij.

.

Nog klopt hun bloed tegen het witte zand.

Nog zoekt hun hart de verre overkant.

Ik hoor de schoten. het is niet voorbij.

.

 

Bijtgraag

Max Temmerman

.

Vandaag voor mijn boekenkast gaan staan (één van de vier met poëzie) en daar, met de ogen gesloten een bundel uit gepakt. Dit keer is dat het lijvige ‘Nieuw Groot Verzenboek’ 600 gedichten over leven, liefde en dood uit 2015, samengesteld door Jozef Deleu (1937).

Opnieuw dit boek op een willekeurige pagina opengeslagen en daar op pagina 378 staat het gedicht ‘Bijtgraag’ van Max Temmerman, uit de bundel ‘Vaderland’ uit 2011.

Max Temmerman (1975) debuteerde met deze bundel, welke hem meteen in 2012 een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs opleverde. In 2013 verscheen de succesvolle opvolger ‘Bijna een Amerika’ waarvoor hij de Herman de Coninck Publieksprijs kreeg en werd genomineerd voor de Jo Peeters Poëzieprijs 2014 en de J.C. Bloemprijs 2015. Zijn laatste dichtbundel is alweer van 2019 getiteld ‘Huishoudkunde’.

Max Temmerman schrijft gedichten voor de Eenzame Uitvaart te Antwerpen, een initiatief (ook in Nederland bekend) waarbij een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen wordt voorgedragen.

.

Bijtgraag

.

Er is een klare lijn die jou omspant.

Van de achterkant van je hoofd

over het profiel van je ogen

van je vingers de onderkant en

langs de rug van je hand.

Via de regelmaat van die handen

bovenop je armen die omarmen

tot aan je benen die spreiden en verdwijnen.

.

Als een draaiende as figureert je hals. Hij loopt over in je rug,

verkent je schouders en mondt uit in je borst.

.

Je lippen, je tanden en de optelsom van je volle mond,

je buik, van het zachte en je buik, van het harde.

.

En overal je huid van warmte en geur.

Daar eindigt alles: hoe je ruikt naar wat seizoenen voorspellen.

Van wat ’s winters trilt boven donker water

tot het stoffige en broeiende van withete zomers.

.

Ik stel voor: laten we beginnen bij het begin en laten we het daar

dan ook bij houden. Laten we met de rede van onze jaren duidelijk maken

waar het op staat. Hier komt geen einde aan. Wij zijn niet van gisteren

en we doen dit al langer dan vandaag. We hebben geen vergelijk

en als we in elkaar bijten dan doen we dat rakelings en schaamteloos

en zo gulzig als onze honger dat vraagt.

.

 

 

Hugo Ball

Dodendans 1916
.
Ik schreef al vaker over Dadaïstische dichters als Jean Arp en Hugo Ball.
Vlak voordat Hugo Ball (1886-1927) in Zürich het dadaïstische Cabaret Voltaire opent, verschijnt het gedicht ‘Totentanz 1916’ in het links-revolutionair blad Der Revoluzzer, jaargang 2 nummer 1 in 1916. Het gedicht wordt dan ook (toen al) verspreid middels postkaarten. In het Nederlands luidt de titel ‘Dodendans 1916’ en het werd opgenomen in de bundel ‘De 100 beste gedichten van de eerste wereldoorlog‘ samengesteld door Geert Buelens en van een inleiding voorzien door Tom Lanoye. Het gedicht werd vertaald door Ton Naaijkens.
.
Dodendans 1916
.
Zo sterven we, zo sterven we,
we sterven alle dagen,
het is ook zo leuk om te sterven.
’s Morgens nog in slaap of droom,
’s middags al heen.
’s Avonds recht het diepste graf in.
.
De veldslag is onze hoerenkast.
Van bloed is onze zon.
Dood is ons teken en onze leus.
Kind en vrouw verlaten we-
wat kan ons het schelen.
Als men maar op ons
vertrouwen kan.
.
Zo moorden we, zo moorden we,
we moorden alle dagen.
Onze kameraden in de dodendans.
Broeder richt je toch op voor me,
broeder, je borst!
Jij, broeder, die vallen en sterven moet.
.
We morren niet, we knorren niet,
we zwijgen alle dagen.
Tot ons heupbeen uit de kom schiet.
Hard is onze legerstee,
droog ons brood.
Bloedig en bezoedeld Onze Lieve Heer.
.
We zeggen dank, we zeggen dank,
Meneer De Keizer, voor je genade,
want jij koos ons uit om te sterven.
Slaap nu maar, slaap zacht en stil,
tot jou opwekt
ons arme lichaam, door gras bedekt.

,

 

De wakker liggende vrouw

Gabriela Mistral

.

In de nieuwe bundel ‘Breuk in de horizon’ die dit jaar werd gepubliceerd, een bloemlezing over verzet, samengesteld door Antjie Krog, is een gedicht van Gabriela Mistral opgenomen getiteld ‘De wakker liggende vrouw’. Een bijzonder gedicht geschreven vanuit het perspectief van een tot slaaf gemaakte vrouw.

Gabriela Mistral (1889-1957) is het pseudoniem van de Chileens dichter, diplomaat en hoogleraar Lucila Godoy Alcayaga. Mistral was de eerste Latijns-Amerikaanse persoon die de Nobelprijs voor Literatuur ontving, in 1945. In 1914 won zij de eerste prijs in het nationale literatuurconcours Juegos Florales (Bloemenspelen) in Santiago, voor ‘Sonetos de la Muerte’ (Sonnetten van de dood). Sindsdien gebruikte zij voor bijna al haar geschriften het pseudoniem Gabriela Mistral, als eerbetoon aan twee van haar favoriete dichters, de Italiaanse Gabriele D’Annunzio (1863-1938) en en de Franse Frédéric Mistral (1830-1914). Haar werk werd in vele talen vertaald onder andere naar het Engels door Langston Hughes.

Het gedicht ‘De wakker liggende vrouw’ verscheen als ‘La desvelada’ of Madwoman in ‘The Locas mujeres poems of Gabriela Mistral uit 2008. Het gedicht werd voor ‘Breuk in de horizon’ vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu.

.

De wakker liggende vrouw

.

Zodra het donker dichter wordt

en alles wat rechtop staat gaat liggen,1914

en dat wat ligt verrijst,

hoor ik hem de trap op komen.

Het geeft niets dat niemand hem hoort

en alleen ik het opmerk.

Waarom zou een andere slavin

het in haar slapeloosheid moeten horen!

.

In één ademtocht van mij komt hij naar boven

en sidderend wacht ik op zijn komst

– waanzinnige waterval waarvan het lot is

nu eens omlaag dan weer omhoog te gaan

en dwaze, verhitte doornstruik

die tegen mijn deur klappert-

.

Ik sta niet op, ik open mijn ogen niet,

en ik volg zijn complete gestalte.

Heel even, als zielen in het vagevuur,

hebben we ’s nachts een wapenstilstand;

maar nu hoor ik dat hij weer terugtrekt

omlaaggaat als eeuwige eb en vloed.

.

Beeld: Helena Frank

Edward Lear

De uil en de snoezepoes

.

In 1978 verscheen bij Prisma de pocket ‘Babbels en krabbels van Edward Lear’, een keuze uit de nonsens-poëzie van de ‘Hofdichter van de Onzin’. Edward Lear (1812-1888) was een Engels illustrator, dichter en schrijver. Samen met Lewis Carroll, wordt hij beschouwd als een van de grote meesters van Victoriaanse nonsens literatuur. Zijn talrijke limericks en de gedichten zoals ‘The Owl and the Pussycat’ zijn klassiekers in dit genre.

In 1846 publiceerde hij onder het pseudoniem ‘Derry Down Derry’ zijn bekendste werk ‘A Book of Nonsense’. In 1865 publiceerde hij zijn eerste onzinverhaal ‘The History of the Seven Families of the Lake Pipple-Popple. Twee jaar later volgde zijn onzingedicht, het lied ” The Owl and the Pussycat’. In december 1871 werden onder de titel ‘More Nonsense’ nog meer onzingedichten gepubliceerd.

In ‘Babbels en krabbels van Edward Lear’ is een keuze uit zijn gehele oeuvre gemaakt door Wim Tigges die ook de gedichten vertaalde (op het gedicht ‘Het verhaal van 4 kinderen op reis rond de wereld’ na dat door C. Buddingh’ werd vertaald). De pocket is voorzien van vele tekeningen die Lear maakte. Ik koos uit de bundel het gedicht dat Lear zo beroemd maakte ‘The Owl and the Pussycat’ maar niet in de vertaling van Tigges maar in een vertaling van Ans Bouter die ik op Internet vond.

.

De uil en de snoezepoes

.
De Uil nam de Snoezepoes mee naar zee
In een erwtengroenkleurige boot
Een doosje met krenten, een tas vol met centen
Bij Snoezepoes op haar schoot
De Uil zong zacht in de sterrennacht
En bespeelde zijn gitaar
O Snoezepoesje, o Poesje, mijn schat
Je bent mooi met je prachtige haar
Je haar, je haar
Je bent mooi met je prachtige haar
.
En de Poes zei parmant: je bent elegant
Wat klink je toch lief als je zingt
Ik trouw graag zo’n zanger, toe aarzel niet langer
Maar wat dóet ‘r dan dienst als ring
Een maand ging teloor, ze zeilden maar door
Naar het land waar laurieren staan
Daar lag bij een struik, een big op zijn buik
Met een snuit met een ringetje d’r aan
D’r aan, d’r aan
Met een snuit met een ringetje d’r aan
.
Zeg, Big, ik mag hopen, wil jij ‘m verkopen
Je ring? En de Big zei geen nee
Nou gelijk dan maar doen en dan bij de Kalkoen
Gaan we trouwen, hij heeft toch corvee
Diner met pastei en peertjes erbij
In hun poot elk een vorkachtig mes
En hand in hand werd gedanst in het zand
Bij ’t licht van de maan, een succes
Succes, succes
Bij t licht van de maan, een succes

.

Watou

Bernard Dewulf

.

In de kringloopwinkel kocht ik ‘Poëziezomer Watou 2004’ verzamelde gedichten, samengesteld door Gwy Mandelinck. Een wat wonderlijke bundeling gedichten want in plaats van de gedichten in de bundel te hebben gedrukt, zijn er deels gedrukte gedichten maar het grootste deel is losbladig en erin geplakt (wat de bundel niet altijd ten goede komt). Daarbij zijn de geplakte gedichten soms op glad papier en andere juist weer niet. En omdat de bundel al oud is zijn er, natuurlijk, ook gedichten losgelaten.

Van een enkele dichter zijn twee gedichten opgenomen (Rutger Kopland), bij een gedicht van K. Michel zijn de laatste regels in pen toegevoegd, en alsof dat nog niet genoeg is zitten er los twee gedichten in die ook al geplakt in de bundel zitten. Een heerlijke chaos kortom maar met prachtige gedichten van bijvoorbeeld Jan Lauwereyns, Mark Insingel, Mark Boog, Peter Verhelst, Miriam Van hee, Serge van Duijnhoven en Hugo Claus.

Ik koos voor het gedicht ‘Boswachter’ van Bernard Dewulf (1960-2021) dat werd genomen uit de bundel ‘Waar de egel gaat’ uit 1995 die bekroond werd met de Debuutprijs. Bernard Dewulf was dichter, essayist, toneelauteur en columnist.

.

Boswachter

.

Hij is even terug van weggeweest.

Nu is nu en dan. Toch moet hij morgen

naar het bos, zijn hoofd ligt

nog vol hout. Een stapel zorgen

in een begroeide geest.

.

Bij zijn bijl, op een sprei

zoekt hij bomen in de kamer.

.

En te voorschijn in wit schort,

uit een deur in het lover

komt een zoon, een jager

die hem aan tafel vraagt.

Hij knikt en komt binnenkort.

.

Vrouw in de ruit

Ingrid de Kok

.

De Zuid Afrikaanse dichter Ingrid de Kok (1951) is niet zo bekend in Nederland. Naast auteur en dichter is ze verbonden aan de Universiteit van Kaapstad  als universitair hoofddocent extramurale studies. Ze is vooral bekend als de schrijfster van het gedicht ‘woman and children first‘, een gedicht over vrouwen en kinderen die als eerste gewond raken, maar altijd als laatste worden verzorgd. Daarnaast is ze lid van PEN International,  een wereldwijde vereniging van schrijvers, opgericht in Londen in 1921 om vriendschap en intellectuele samenwerking tussen schrijvers overal te bevorderen, met autonome International PEN-centra in meer dan 100 landen.

Ze debuteerde in 1988 met de bundel ‘Familiar Ground’ en tussen 1977 en 2006 werden de gedichten van De Kok gepubliceerd in talloze Zuid-Afrikaanse literaire tijdschriften, waaronder Upstream , Sesame , Staffrider , Contrast , New Contrast , New Coin en Carapace . Af en toe verschenen er ook gedichten, vertaald in het Afrikaans , in verschillende Zuid-Afrikaanse Afrikaanse kranten.  In 2005 was ze als dichter te gast op het 36ste Poetry International festival in Rotterdam. Op de website van Poetry International zijn een aantal van haar gedichten vertaald door Robert Dorsman te lezen.

In de nieuwe bundel ‘Breuk in de horizon’ een bloemlezing over verzet, samengesteld door Antjie Krog, is een gedicht van haar opgenomen getiteld ‘Vrouw in de ruit’. Naast dit gedicht zijn er gedichten opgenomen van onder andere Alfred Schaffer, Koleka Putuma, Adrienne Rich, Yehouda Amichai, Nathan Trantraal, Wislawa Szymborska, Remco Campert, Lieke Marsman, Adam Zagajewski, Derek Walcott, Ingrid Jonker en Radna Fabias. Het gedicht ‘Vrouw in de ruit’ verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Seasonal Fires’ selected poems  uit 2006. De vertaling is van Anneke Brassinga.

.

Vrouw in de ruit

.

Ik ben niet de vrouw in de trein

die je hand tussen haar benen schuift

en dan uit het raam kijkt.

.

Ik ben niet de vrouw met het henna haar

op straat in de stad, die geen woord zegt

maar wenkt, je mee wenkt.

.

Evenmin ben ik de vrouw in de ruit

die kijkt naar jou die naar haar kijkt

en de ruit raakt beslagen.

.

Noch ben ik de vrouw die bij jou ligt

terwijl jij de namen roept van voorbije liefdes

zoals je ook deze roepen zult.

.

Noch ben ik de vrouw in het donker

wier stilte de meteoor is

aan de hemel van jouw gepraat.

.

Die vrouw:

voorovergebogen, jou biedend haar geslacht

als een bol knoflook, zonder te vragen;

die ene zonder vingerafdrukken,

zich verschuilend in de talisman van jouwbescherming

die ene, omstuwd door fotografen

afdrukkend haar lenige lach, haar huid:

die vrouw.

.

Ik sta aan de kant en bezie haar,

vlam, weduwmaagd, op je brandstapel.

Acrobaat vallend in een vangnet van as,

in de vlammen druipt van haar mond de was,

haar wenkbrauwen schilferen af,

uit haar geslacht laten piepkleine spiegeltjes los.

.

Jouw vrouw, nichtje, zus, tweeling.

Jij wilt dat ze brandt, veraf, stemmeloos.

Ik wil redden, en uitrukken, haar tong.

.

Victorieplein

Ischa Meijer 

.

Ik schreef al eerder over schrijver, journalist, interviewer, televisiepresentator, toneelschrijver en filmacteur Ischa Meijer (1943 – 1995) , over zijn dichterschap naar aanleiding van een blogbericht over de bundel ‘Kinderen’ meer dan 100 gedichten over hun wondere wereld, samengesteld door Willem Wilmink. Nu kwam ik in een andere bundel  ‘Amsterdam, de stad in gedichten’ uit 2001 een ander gedicht van hem tegen getiteld ‘Victorieplein’ dat Meijer schreef in 1972.

.

Victorieplein

.

Soms loop ik ’s nachts naar het Victorieplein,
Als kind heb ik daar namelijk gewoond.
Aan vaders hand zijn zoon te zijn,
Op moeders schoot te zijn beloond.
.
Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,
De vrieskou in mijn jas laat dringen,
Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,
Terwijl ik roerloos in de deurpost sta
.
Om thuis te komen. En zo simpel is de gang
Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:
Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang
.
Naar iemand die nooit kon bestaan:
Een jongetje dat alles goed zou maken –
De tijd die stilstond en hem liet begaan.

.