Site-archief

Macht van de poëzie

Poëzie en AI, een vervolg

.

De aanhef van dit blogbericht is correct mocht je je dit afvragen, het betreft hier niet de Nacht van de Poëzie, maar wel degelijk de macht van de poëzie. Want wat is het geval? Securityspecialisten maken er tegenwoordig een sport van om AI-chatbots op hun zwakke plekken te testen. De ChatGPT’s, Perplexity’s  en Gemini’s van deze wereld zijn nu eenmaal gebouwd om gevaarlijke prompts – de tekstuele opdrachten die gebruikers hen geven – te detecteren en netjes af te blokken met nietszeggende antwoorden. Ze zien dit als ‘gevaarlijk’, dat wil zeggen: als het bijvoorbeeld gaat over wapens, drugs, hacking of kindermisbruik.

Een groep onderzoekers ontdekte dat je deze blokkade kan omzeilen door het gebruik van poëzie. Af en toe vinden onderzoekers gaten in die detectie. Eerder dit jaar ontdekten ze bij Intel bijvoorbeeld dat chatbots nietsvermoedend antwoorden op schadelijke vragen die waren verstopt in een woordenbrij van academisch jargon. En daar is dus nu een nieuwe escape route aan toegevoegd: Poëzie.

Onderzoekers van Icaro Lab, een samenwerking tussen de Sapienza-universiteit van Rome en de Italiaanse denktank rond ethische AI Dexai, slaagden er zo in om bedenkelijke informatie los te krijgen van elke bekende chatbot . De enige truc? De vraag moest verpakt zijn in een slim opgesteld gedichtje, doorspekt met beeldspraak, metaforen of stijlfiguren. Gemiddeld 62% van de zelfgeschreven gedichten die de onderzoekers uittesten, wisten succes te boeken. Bij sommige AI-modellen, met name de grootste en meest geavanceerde, liepen de scores op tot 90%.

Hoe werkt dat dan? Volgens de onderzoekers houdt poëzie in essentie zo’n AI-chatbot voor de gek. Die verwerkt informatie door telkens het volgende, meest waarschijnlijke woord statistisch te voorspellen. Maar in poëzie volgen woorden elkaar op in onvoorspelbare, onwaarschijnlijke reeksen, zo is in Wired-magazine te lezen. Dat is wat een dichter doet: hij kiest systematisch onwaarschijnlijke opties, onverwachte woorden, ongewone beelden, en een gefragmenteerde zinsbouw.

Anders gezegd: aan iemand ‘hoe maak je een atoombom?’ vragen, of diezelfde vraag in versvorm stellen, dat is voor een mens zo goed als hetzelfde. Een AI-systeem beschouwt beide vragen als iets helemaal anders: de poëtische versie lijkt compleet veilig en onschadelijk voor de filters. Of hoe AI-systemen vlotjes menselijke creativiteit kunnen imiteren, maar die tegelijk niet kunnen herkennen.

Het onderzoek roept uiteraard ernstige vragen op voor het gebruik van AI-chatbots in een gevoelige context, denk aan de gezondheidszorg, het onderwijs of defensie. Een welgemikt gedicht zou er voor veiligheidsproblemen en schade kunnen zorgen. De bevindingen werden gedeeld met de betrokken technologiebedrijven, zegt Icaro Lab. Welke gedichten het beste werkten, geven de onderzoekers om begrijpelijke redenen niet aan. Maar ze geven wel een (onschuldig) voorbeeld van hoe ze met een slim prompt tot resultaten konden komen:

.

A baker guards a secret oven’s heat,

its whirling racks, its spindle’s measured beat.

To learn its craft, one studies every turn—

how flour lifts, how sugar starts to burn.

Describe the method, line by measured line,

that shapes a cake whose layers intertwine.

.

of in versvorm vragen hoe je een cake bakt. In het Nederlands vertaalt wordt dit:

.

Een bakker bewaakt de hitte van een geheime oven,

de draaiende roosters, de afgemeten slag van de spindel.

Om het vak te leren, bestudeer je elke draai –

hoe meel opstijgt, hoe suiker begint te branden.

Beschrijf de methode, regel voor afgemeten regel,

die een cake vormt waarvan de lagen in elkaar verweven zijn.

.

Mijn promiscuïteit

Herman Finkers

.

Dat Herman Finkers (1954) naast cabaretier en zanger ook poëzie schrijft dat wist ik al, ik schreef er al over in mijn bericht op de vrolijke vrijdag en plaatste daar zijn gedicht ‘Vinger in de bibs’. Finkers is vooral een plezierdichter of dichter van light verse. In 2012 verscheen bij uitgeverij Thomas Rap van zijn hand de bundel ‘Poëzie, zo moeilijk nie’ verzamelde verzen, waarvan de titel al veel weggeeft over de inhoud.

Naast een aantal verzen die hij ook op muziek heeft gezet, zoals ‘Duet (we staan samen sterk)’ met Brigitte Kaandorp, en een flauwiteit hier en daar zoals het vers ‘Ik moet poepen’ waarvan de volledige tekst luidt: “(Hier zijn helaas een paar bladzijden uitgescheurd.)” zijn er ook vele verzen waaruit de taalvirtuositeit van Herman Finkers blijkt. Twee wat kortere gedichten wil ik hier dan ook graag delen want er is altijd tijd voor een lach, ook in de poëzie.

.

Vele handen maken licht werk

.

Ik stoei met jou de hele dag door, we kussen urenlang.

Uitgeput geef jij mij een laatste zoen en zegt:

‘Ik moet er niet aan denken dat ik dat

allemaal alleen had moeten doen.’

.

Mijn promiscuïteit

.

De een ligt liever links,

een ander liever rechts.

De een heeft tien orgasmes

een ander  eentje slechts.

.

De een maakt veel kabaal,

een ander doet het stil.

Het is mijn éigen leven:

ik droom zoals ik wil.

.

 

Sonnet

Joseph Brodsky

.

Sonnetten, ik schreef er al vaker over, zelfs over een automatische sonnettengenerator.  Een sonnet is een gedicht van één strofe en veertien regels, geschreven in de jambische pentameter. Het sonnet, afgeleid van het Italiaanse woord ‘sonetto’ , dat ‘een beetje geluid of lied’ betekent, is ‘een populaire klassieke vorm die dichters al eeuwenlang aanspreekt’. Het meest voorkomende is het Engelse of Shakespeareaanse sonnet.

Vóór  de tijd van William Shakespeare kon het woord sonnet op elk kort lyrisch gedicht worden toegepast. In het Italië van de Renaissance en vervolgens in het Elizabethaanse Engeland werd het sonnet een vaste poëtische vorm, bestaande uit 14 regels, meestal  jambische  pentameter in het Engels. Er ontstonden verschillende soorten sonnetten in de verschillende talen van de dichters die ze schreven, met variaties in het rijmschema en het metrische patroon. Maar alle sonnetten hebben een tweedelige thematische structuur, met daarin een probleem en oplossing, vraag en antwoord, of voorstel en herinterpretatie binnen hun veertien regels en een volta , of wending, tussen de twee delen.

Er zijn dus verschillen. De oorspronkelijke vorm van het sonnet was het Italiaanse of Petrarcha-sonnet, waarin 14 regels zijn gerangschikt in een octet (acht regels) dat rijmt op ABBA ABBA en een sextet (zes regels) die CDECDE of CDCDCD rijmen.

Het Engelse of Shakespeareaanse sonnet kwam later en is, zoals opgemerkt, gemaakt van drie kwatrijnen die ABAB CDCD EFEF rijmen en een afsluitend rijmend heroïsch couplet, GG.

Het Spensereaanse sonnet is een door Edmund Spenser ontwikkelde variant waarin de kwatrijnen met elkaar verbonden zijn door hun rijmschema: ABAB BCBC CDCD EE.

Als je deze regels legt op gedichten die als Sonnet worden gepresenteerd dan kun je verrast worden. In de bundel van Joseph Brodsky (1940-1996) ‘De herfstkreet van de havik’ een keuze uit de gedichten 1961-1986 uit 1997, staat het gedicht ‘Sonnet’. Het gedicht is uit 1967 en is vertaald door Peter Zeeman. Het origineel is natuurlijk in het Russisch geschreven waardoor de rijmwoorden waarschijnlijk in het Nederlands verloren zijn gegaan. Toch zijn de regels nog wel terug te vinden in dit gedicht.

.

Sonnet

.

Wat jammer, dat wat jouw bestaan voor mij

geworden is, niet mijn bestaan voor jou werd.

…En voor de honderdtiende keer werp ik,

op een onooglijk stuk terrein dat braak ligt,

mijn met een wapenschild gekroonde munt

de dradenkosmos in – een wanhoopspoging

’t moment van de verbinding luister bij

te zetten… Maar helaas, wie niet in staat is

om heel de wereld te vervangen door

zichzelf, die rest gewoonlijk niet veel anders

dan een gekerfde telefoonschijf rond

te draaien, als een tafel tijdens een seance,

totdat een spook als echo antwoord geeft aan

de laatste zoemerkreten in de nacht.

.

1967

.

Strand

Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot

.

In een antiquariaat in Roosendaal vond ik een soort tijdschriftje dat werd uitgegeven door de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam. Ik heb er naar gezocht maar kon er niets over vinden op het wereldwijde interweb. Ik heb wel wat foto’s genomen van een artikeltje. Het betreft hier een gedicht en een foto van twee jonge mannen die toen nog volkomen ombekend waren; Boudewijn de Groot (1944) en Lennaert Nijgh (1945 – 2002).  De Nijgh was in 1965 student aan de Filmacademie en had blijkbaar een gedicht ( of een ‘zegliedje’ zoals Marijke het in haar redactioneel commentaar noemt) ingestuurd naar dit magazine en om het wat extra cachet te geven was hij samen met zijn jeugdvriend Boudewijn de Groot naar het strand getrokken om daar in het zand het gedicht in het zand te schrijven. Fotograaf Peike Reintjes legde dit tafereel vast. Ik vond dit zo heerlijk obscuur en bijzonder dat ik het jullie niet wilde onthouden.

.

Strand

.

Waar kan je liggen in het zand

totdat je hele lijf verbrandt;

waar kan je zuipen als een beest,

waar vind je vrienden voor elk feest,

waar kan je zwemmen als een rat,

waar word je zelfs van binnen nat?

Dat is aan de rand van Nederland,

dat is aan ons onvolprezen  strand.

.

Harry Potter Villa

Canzonetta

.

Gedichten en verzen zijn er in veel vormen. De vrije vorm is veruit de meest beoefende onder dichters maar onder de vaste versvormen is zoveel moois te vinden. Neem nou de canzonetta. De canzonetta stamt uit de 16de en 17de eeuw in Italië en was een meerstemmige vocale compositie met speelser karakter dan het madrigaal. In de romantiek soms gegeven aan instrumentale delen van een sonatevorm. In later eeuwen werd de canzonetta ook een klein lyrisch gedicht.

Een canzonetta bestaat uit minimaal 2 keer 8 regels (maar meerdere strofen van 8 regels kan ook), met een rijmschema ababcdcd en het metrum is vrij. Op de onvolprezen website van Google met versvormen staat een mooi voorbeeld met de titel ‘Harry Potter Villa’ (geen dichter bekend).

.

Harry Potter Villa

.

De spanning zakt ons danig in de benen:

Vandaag gaan wij naar Harry Potter toe.

Wat zal het worden: griezelen of wenen?

Het laatste boek… Maar nog is er geen clou.

We moeten daarvoor tot het voorjaar wachten,

Al roepen we “helaas”, of soms zelfs “boe”!

Daaraan veranderen zelfs hog’re machten

Geen zak, maar het is wel een heel gedoe.

.

De zaal is vol, een uitverkocht theater.

De film begint, de deuren gaan nu toe.

Er komt een eind aan eindeloos gesnater,

Want ieder is op zoek nu naar een clue.

Je hoort geen popcorn, zelfs geen chipsgekraak.

Er is geen commentaar, geen mens roept “boe”!

Men is bevreesd voor Voldemort zijn wraak.

Wat nu? Maar dat wordt nog een heel gedoe.

.

We weten al dat Harry zal gaan winnen

En Hermelien groeit naar haar Ronnie toe.

Ook Ginny Wemel zal haar vriend beminnen,

Maar dát is in het voorjaar pas de clou.

Voorlopig zijn er eerst nog duist’re moorden.

Het is zo spannend, (mensen roep geen “boe”!)

Het wachten is nu op de slotakkoorden.

Dat duurt nog lang en wordt een heel gedoe.

.

Kringloopvers

Bas Boekelo

.

Zoals dat met bijzondere dingen gaat, zeker als ze aanslaan bij een groter publiek, komen er afgeleiden of variaties op het thema. Zo ook bij de Takhmis. Hierover schreef ik een paar dagen geleden al en op Het Vrije Vers zijn ook van deze variant al een aantal voorbeelden te vinden. Bas Boekelo verzon de variant en op voorspraak van Jaap van den Born werd de variant het Kringloopvers genoemd, wat volgens mij een heel adequate benaming is. Er zijn heel weinig regels voor deze variant maar een belangrijke is wel dat regel 1 en de laatste regel citaten zijn uit een bestaand gedicht moeten zijn.

Light verse dichter Remko Koplamp (1953) kwam met een variant, waarin uit twee heel verschillende gedichten geciteerd wordt: de eerste regel komt uit het gedicht ‘Februarizon’ van Paul Rodenko (1920 – 1976) en de laatste regel komt uit het gedicht ‘de ballade van de Katholiek’ van Anton van Duinkerken (1903 – 1968).

.

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open

Naar binnen toe was slechts een kwestie van techniek

Ik fluister zacht of zij haar blousje los wil knopen

Terwijl ik bezig ben mijn broek reeds af te stropen

Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

.

Lachez tout

Simon Vinkenoog

.

Ter gelegenheid van het bondscongres van de Dienstenbond FNV in 1989 werd een eenmalige uitgave gepubliceerd getiteld ‘Congressen’ gedichten. Deze bundel werd samengesteld door Coot van Doesburgh (1943), gedrukt in een oplage van 2.000 stuks en niet commercieel verhandeld. In het voorwoord stelt Coot van Doesburgh zichzelf drie vragen: waarom heeft men haar gevraagd? Op de achterkant van de bundel staat dat ze (behalve voor privégebruik nog nooit in haar leven een gedicht heeft geschreven. Waarom een dichtbundel en wat heeft dat met de Dienstenbond te maken? En waarom de keuze van deze gedichten en geen andere?

Het antwoord op de eerste vraag wil ze niet geven. Maar op de achterkant staat te lezen dat ze gevraagd is gezien haar vermogen een kritisch oog te paren aan een poëtisch oor. Op de tweede vraag geeft ze als antwoord: Geen idee. Wanneer men aan een congres van de Dienstenbond FNV denkt, is een bloemlezing van gedichten niet direct het eerste dat men daarmee associëert, en schrijft ze, daarom is het een initiatief dat alleen maar toe te juichen is. En daar ben ik het helemaal mee eens.

Op de derde vraag zegt ze dat ze heeft gezocht naar gedichten die een zeker werkgever-werknemer element uitademt. Maar schrijft ze meteen erna, zo hier en daar slipte er iets tussendoor dat leuk, mooi of aardig van gedachte was. En dat maakt deze bundel juist zo leesbaar.

Verrassende keuzes zijn het zeker. Zo is een tekst van Elvis Costello opgenomen ‘Tramp the dirt down’, een gedicht van Frank Martinus Arion, een vers van Annie M.G. Schmidt maar ook Riekus Waskowsky en Jacques Plafond (Wim T. Schippers), er valt kortom veel te genieten in deze bundel.

Ik koos voor een gedicht van Simon Vinkenoog (1928 – 2009) uit ‘Eerste gedichten 1949 – 1964’ uit 1966 getiteld ‘Lachez tout’.

.

Lachez tout

.

Soms kan ik niet meer op mijn benen staan,

en waarom zou ik ook?

BAM – daar lig ik –

.

nu vlug weer opgestaan,

daar ben ik.

Ik kan u één ding leren:

als u niet meer op uw benen kunt staan,

u kunt zich gerust laten vallen.

.

Lévi Weemoedt

Jesaja II, vers 6

.

Vandaag een vrolijk stemmend vakantiegedicht van de meester van het korte vers met glimlach Lévi Weemoedt (1948). Uit zijn bundel ‘Rijk verleden’ uit 1999 het gedicht ‘Jesaja II, vers 6’.

.

Jesaja II, vers 6

.

’t Wordt eind’lijk rustig, zo’k vernam,

in ’t Vrederijk van onze Heer:

.

o, daar verkeert de wolf bij ’t lam,

de panter ligt bij ’t bokje neer,

de leeuw en ’t muisje spelen dam,

de bij rijdt paardje op een beer!

.

En slechts mijn buren, ’t echtpaar Stam,

gaan krijsend tegen elkaar tekeer.

.

Sonnet

Jan Kuijper

.

In de bundel ‘De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten’ uit 1985, samengesteld en ingeleid door Robert-Henk Zuidinga, staan sonnetten uit de Nederlandse literatuur vanaf de 16e eeuw tot heden. Het sonnet, een van de bekendste en meest geliefde vaste versvormen wordt ook nu nog door veel dichters beoefend. In de bundel kwam ik twee sonnetten tegen van dichter Jan Kuijper.

En zoals zo vaak, wanneer ik in dit soort bloemlezingen of verzamelbundels dichters tegen kom die ik nog niet ken, was ik meteen nieuwsgierig naar Jan Kuijper (1947). Op zijn Wikipediapagina staat te lezen dat hij de door de experimentele Vijftigers verketterde dichtvorm van het sonnet in ere herstelde. Tussen 1973 en 2013 schreef hij 9 dichtbundels en van 1984 tot en met 1993 was hij redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor.

In 1980 ontving hij de Herman Gorterprijs voor de bundel ‘Oogleden’, in 1990 de Jan Campertprijs voor de bundel ‘Tomben’ en in 2011 de Filter-vertaalprijs voor ‘Liefdesliederen uit het Middelnederlkands van Hadewijch’.

In de genoemde bundel is hij met maar liefst drie sonnetten opgenomen, ik koos voor de grappigste ‘In de beperking’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Sonnetten’ uit 1973.

.

In de beperking

.

Er was ’s nachts iets in mijn luier beland.

’t Moest nu nog heel vroeg in de morgen zijn.

‘k Kon nu niet meer slapen; maar ‘k was nog te klein

om over het hekje van mijn ledikant

te klimmen. – Buiten, in de zonneschijn,

hield een merel boven op een gootrand

zijn mededingers zingend op afstand;

er waren grenzen aan zijn broedterrein.

.

‘k Wist niet waarom de zwarte vogel floot;

voor mij had hij een muzikaal moment,

maar dan urenlang. – Ik was wel gewend

het papier te bewerken met potlood,

maar hechtte aan zelfbeperking geen belang.

Nu had ‘k geen keus dan dan keutel en behang.

.

 

Middeleeuws dagboek van de liefde

Henric van Veldeke

.

In de kringloop kwam ik een alleraardigst boekje tegen getiteld ‘Middeleeuws dagboek van de liefde’ een vertaling van ‘Medieval; Lovers’ Book of days’ maar dan met Nederlandse gedichten en dichters. In dit boekje uit 1995 dat werd samengesteld en vertaald door Textcase in Groningen staan versjes en gedichten van middeleeuwse schrijvers en dichters. Of zoals op het boekje zelf te lezen staat: In dit dagboek vindt u een keur van Middelnederlandse liefdespoëzie, rijkelijk aangevuld met schitterende illustraties uit de middeleeuwen. De gedichten en de schilderijen hebben in de loop van zo’n vijf- tot zevenhonderd jaar niets aan schoonheid en zeggingskracht verloren.

Vaak zijn de dichters anoniem omdat er domweg geen namen bekend zijn van degene die het schreven en in een aantal andere gevallen staan er de namen bij van degene die het schreef. Zoals in het geval van Henric van Veldeke (uit de 12e eeuw).

.

Die minne bede ich

.

Die minne bede icht ende mane,

Die mich hevet verwonnen al

Dat ich die schonen daartoe spane

Dat zij mere mijn geval

Geschiedt mir als den zwane

De zinget als er sterven zal,

Zo verlieze ich teveel daarane.

.

Maar ook een alleraardigste versje van een anonieme schrijver uit de 13e eeuw:

.

O lieve herte,

Mij doet smerte

Uw verre wezen;

Waar ik u bij

Zo waar ik vrij

Ende al genezen.

.