Site-archief

Ikaros

Mischa Andriessen

.

De nieuwste dichtbundel van dichter Mischa Andriessen (1970) is getiteld ‘Pieta’. Ik moest meteen denken aan het wereldberoemde beeldhouwwerk (1499) van Michelangelo de Pietà denken bij deze titel. Piëta (zoals het in het Nederlands geschreven wordt) of Pietà (Italiaans) betekent compassie of piëteit. In de recensie van Rob Schouten in het magazine van Trouw over deze bundel, schrijft hij: Mischa Andriessen wijdt zijn poëzie, ver van alle anekdotiek, aan emotionele diepte, gevoelens van liefde, rouw, verlangen, in bezwerende welluidende taal. Hij is geen dichter van afzonderlijke, afgeronde verzen maar een schepper van langdurige, soms episch aandoende gedichten, waarin hij eigen ervaringen spiegelt aan die uit de oude mythen, klassieke kunst (zoals de Piëta) en muziek.

Toen ik dit las moest ik even met mijn ogen knipperen. In een stuk over Mischa Andriessen op Poetry International lees ik namelijk: Andriessen heeft een voorkeur voor korte, schetsmatige gedichten in een heldere taal die soms op het spreektalige af is. Het gedicht Ikaros dat bij de recensie staat afgedrukt doet vermoeden dat de stijl van Andriessen (ten opzichte van de inderdaad korte gedichten op de website van Poetry International) is veranderd door de tijd.

‘Pieta’ is de zesde dichtbundel die Andriessen publiceert. Hij debuteerde in 2008 met de bundel ‘Uitzien met D’. Hij schrijft naast poëzie ook proza, teksten voor monografieën, artikelen over Jazz voor verschillende media en is hij redacteur van het tijdschrift Terras.  Zijn werk werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs, de J.C. Bloempoëzieprijs, het Charlotte Koehlerstipendium, de Awater-poëzieprijs en de Jan Campert-prijs.

.

Ikaros

.

Nu ik ineens kijk zoals jij begrijp ik de wereld

Niet meer en heb ik haar eindelijk leren waarderen

Het is alsof je mijn hoofd en hart verwisseld hebt

En op slag alles een raadsel een kloppend raadsel is

Niet eerder heb ik zo intiem en intens liefgehad

Niet eerder het idee dat zo van mij gehouden werd

.

Ik ben dankbaar dat ik daarmee alleen ophoud te bestaan

Heb het belangrijkste wat er te leren is geleerd opgaan

In de overgave de vurig hunkerende ogen van de ander

je dijen gestriemd je borsten hangen mooier kun je niet zijn

Dat je mij ook zo kunt zien is een gave je leert me kijken

Openbaart me de schuinte van je kuiten de lichte moedervlek

.

Rechts op je kaak ik hoor je ademhalen als ik onder in je ga

Er zit geen woord bij dat ik versta maar ik begrijp je

Je vraagt me niet bang te zijn dat de tijd verstrijkt

Maakt ons moment alleen maar waardevoller en jij

Zult altijd de mooiste zijn zelfs als ik word verblind

Door een licht dermate fel dat ik direct mijn dood herken daarin

.

Mijn mond is moe

Surinaamse poëzie

.

Mijn dochter was in Suriname en ze nam ‘Wortoe d’e tan abra’ (woorden die overblijven) bloemlezing uit de Surinaamse poëzie vanaf 1957, uitgegeven door het Bureau Volkslectuur in 1970 voor mij mee. Mijn exemplaar is uit 1979 en het betreft een 4e uitgebreide druk (waarmee er totaal 16.500 stuks gedrukt zijn). De bloemlezing is samengesteld door Shrinivási (1926-2019). Hij was een Surinaams dichter, wiens burgerlijke naam luidt Martinus Haridat Lutchman. Zijn pseudoniem betekent: edele bewoner van Suriname. Hij geldt als een van de grootste dichters die Suriname ooit heeft voortgebracht en is misschien wel de belangrijkste Nederlandstalige dichter van Suriname.

De bloemlezing bevat poëzie van bekende namen (Edgar Cairo, R. Dobru, Thea Doelwijt, Michael Arnoldus Slory en Shrinivási zelf) maar ook tal van (mij) onbekende dichters. Eén van die onbekende namen voor mij was Zamani. Lezend in de bundel bleef ik bij een gedicht van deze dichter ‘hangen’ met als titel ‘Mijn mond is moe’. Op zoek naar wie deze Zamani was werd ik verrast, het blijkt hier om niemand minder dan Astrid Roemer (1947) te gaan. In 1970 debuteerde zij met de dichtbundel ‘Sasa: mijn actuele zijn’ onder dat pseudoniem.

Jaren geleden vroeg ik Astrid Roemer om een lezing over haar werk te geven bij mij in de bibliotheek. Omdat ze, net als ik, in Den Haag woonde haalde ik haar op van huis. De avond was een succes en ik heb daar heel mooie herinneringen aan. Niet verassend dus dat ik hier graag het gedicht ‘Mijn mond is moe’ plaats uit deze bloemlezing.

.

mijn mond is moe

.

moe is mijn mond

van spreken

zinvolle woorden om

anderen te bereiken

mijn mond is moe

van pogen

pogen hen weer te begrijpen

neen

ze willen niet kussen

die lippen van mij zijn

moe

voor anderen zinvol

te zijn

.

De natuur, een tweeluik

Stella Bergsma

.

Rond Oud en Nieuw was ik in Groningen in het Forum, de nieuwe bibliotheek/theater/museum/horeca/etc. in de binnenstad naast de Martinitoren. Omdat het niet regende, wat in die maanden ( december / januari) een bijzonderheid was, ging ik naar het dak. Op het dak heb je een mooi uitzicht over de hele stad.

Daarna ging ik, zoals altijd wanneer ik in een bibliotheek ben, op zoek naar de poëzieafdeling. Nu weet ik dat die daar uitstekend is, maar liefst vier kasten vol poëziebundels met in de directe nabijheid een fijn bankje, waar ik ging zitten lezen.

Ik las daar onder andere in de bundel ‘Meesterwerk voor de prullenbak’ van Stella Bergsma (1970). Ik herinner me nog goed dat ik het gedicht ‘De natuur, een tweeluik’ las en meteen moest denken aan wat ik even daarvoor had gedaan. Precies wat ze in dit gedicht beschrijft. En hoewel ik met de roltrappen naar boven was gegaan en het gebouw net geen 10 verdiepingen telt, gaat dit gedicht helemaal op voor de situatie daar. Ik maakte van dit voorval een aantekening en vergat die vervolgens. Totdat ik hem afgelopen week weer tegen kwam. Daarom hier dit gedicht.

.

De natuur, een tweeluik

.

I

Ik heb uitzicht nooit begrepen

met een glazen lift ga je tien verdiepingen

om het zelfde te zien als op de grond

wat een mooi uitzicht verzuchten de mensen

ze kijken naar waar ze vandaan kwamen

maar dan van een afstand

waarom doet men zo duur over afstand.

.

II

Krekels lopen elkaar voortdurend te bellen

maar niemand neemt op

en vogels zingen absoluut niet

ze krassen steeds hetzelfde riedeltje

schril door je kater.

.

 

Winterdag

Russisch Oekraïnse dichter

.

Toen ik in de bundel ‘Spiegel van de Russische poëzie’ het gedicht ‘Winterdag’ van Yunna Morits las was ik benieuwd naar wat haar achytergrond was (ik kende haar niet). Yunna Petrovna Morits ( Moritz ) (1937) is een In Oekraïne geboren dichter, poëzievertaler en activist.  Ze ontving de Andrej Sacharovprijs voor burgerlijke moed van de schrijver . Ze werd geboren uit joodse ouders, geëvacueerd uit Kiev met de nazi-opmars. Morits studeerde aan het Gorky Literair Instituut in Moskou. In de jaren vijftig ging ze studeren in Moskou , waar ze kort van de universiteit werd gestuurd vanwege de kritische houding van haar gedichten en de vervreemding van het Sovjetsysteem . Haar gedicht was een eerbetoon aan Titian Tabidze , een Georgische dichter die in 1937 door Stalin werd geëxecuteerd.

Beïnvloed door Marina Tsvetaeva, publiceerde ze “Talk of Happiness” (1957), ‘Cape of Desire’ (1961), ‘The Vine’ (1970) en ‘With a Course Thread’ (1974). Daarnaast publiceerde ze ook vertalingen van werk van de joodse dichter M. Toif.

Ze is stichtend lid van verschillende liberale organisaties van artistieke intelligentia, waaronder de Russische afdeling van International PEN . Ze is lid van het Russische Uitvoerend Comité van de PEN en de mensenrechtencommissie ervan. Ze heeft verschillende prestigieuze prijzen ontvangen, waaronder de Andrei Sacharovprijs voor burgerlijke moed van de schrijver .

Wanneer je dit allemaal leest zou je verwachten dat ze zeer kritisch is naar het regime in Rusland en de oorlog die de Russen zijn begonnen tegen Oekraïne (waar ze geboren is). Wat schetst echter mijn verbazing,  na 2014 werd Morits een voorstander van de Russische bezetting van Donbass en de Krim. Sommige van haar recente poëzie brengt anti-Oekraïense en antiwesterse gevoelens over en scheldt ze over de waargenomen anti-Russische campagne door het Westen.

In haar eerdere werk is daar gelukkig niets van te lezen en blijkt dat ze wel degelijk een goede dichter is, maar wel een die een verkeerde afslag heeft gemaakt. Uit ‘De spiegel van de Russische poëzie’ uit 2000 komt het gedicht ‘Winterdag’.

 

.

Winterdag

.

Al wat ik zie vanuit mijn raam –

De grandioze wereldorde –

Zal in mijn dikste schrift niet gaan,

Laat zich ternauwernood verwoorden.

.

Het bos is van kristal, het meer,

De ribes en de rechte hagen.

De bleke zon is in de weer

De januaridag te schragen.

.

De weg bukt onder sneeuwgewicht,

Zwart glanzen losse ravenveren,

Maar verder is het klaar en licht

Van kwetteren en kwinkeleren.

.

De ster die weinig anders doet

Dan licht te werpen op mijn leven

Praat met me op gelijke voet

En staat haar schijnsel weg te geven.

.

Misschien bestaat geluk daarin,

Misschien is dit het magistrale,

Dat niemand deze dag nadien

Letter voor letter kan herhalen.

.

Hamlet

Willem M. Roggeman

.

De Vlaamse dichter, schrijver, essayist Willem M. Roggeman (1935) mag dan niet zo bekend zijn in Nederland, in België is hij een grote dichter. Roggeman studeerde aan het Koninklijk Atheneum te Etterbeek waar hij de dichter Erik Van Ruysbeek als leraar Nederlands had. Hij studeerde economische wetenschappen aan de Rijksuniversiteit te Gent waar hij bevriend werd met Paul Snoek. Van jongs af aan kwam hij dus in aanraking met dichters en poëzie.

Vanaf 1959 tot 1981 was hij journalist op de culturele redactie van Het Laatste Nieuws. Hij publiceerde er artikelen over literatuur, beeldende kunst en jazz. Van 1981 tot 1993 was hij adjunct-directeur en waarnemend directeur van het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond te Amsterdam, waarvoor hij tentoonstellingen van belangrijke Vlaamse kunstenaars en literaire avonden met Vlaamse en Nederlandse auteurs organiseerde. Van 1982 tot 1989 was voorzitter van het Louis Paul Boon Genootschap en sinds 2006 opnieuw.

Hij was lid van de redacties van de literaire tijdschriften Diagram (1963-1964), Kentering (1966-1976), De Vlaamse Gids (1970-1992), Argus (1978-1981), Atlantis (2001-2002) en Boelvaar poef (vanaf 2006). Hij droeg voor op allerlei internationale poëziefestivals, zijn werk werd vertaald in vele talen, componisten hebben muziek geschreven bij zijn gedichten en kunstschilders hebben zijn verzen in beeld gebracht. Roggeman is kortom, niet de eerste de beste dichter.

In 1958 debuteerde Roggeman met de bundel ‘Rhapsody in blue’ waarna nog tientallen bundels zouden volgen. Zijn laatste dichtbundel verscheen in 2022 en is getiteld ‘Bewegend portret’. In 1972 verscheen een overzicht van zijn werk ‘Gedichten ’57 ’70’ en in die bundel staat het gedicht ‘Hamlet’.

.

Hamlet

.

Ik besta
dit betekent
ik leef, ik adem
ik heb pijn.

.

Ik besta
dit betekent
ik lees, ik schrijf,
ik eet
wanneer ik iets te eten heb.

.

Ik besta
dit betekent
ik denk na,
ik vraag mij af
of ik besta.

.

 

Heeft de tijd je niets te leren?

Willem van Iependaal

.

De verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten Generaal zijn bijna daar. Woensdag 22 november mogen we weer van ons democratisch recht gebruik maken door onze keuze, middels een rode pen, kenbaar te maken. In de krant van afgelopen zaterdag las ik een column van Kustaw Bessems over de verkiezingen en dan met name het stuk over de 26 jarige klimaatactiviste Hannah Prins waarin ze droomt van een links kabinet (want voor klimaatidealen moet je nou eenmaal niet bij de rechtse partijen zijn) vond ik bijzonder om te lezen.

Dat komt omdat ik pas geleden nog zat te lezen in de bundel ‘Liederen van de zelfkant’ van de Rotterdamse dichter Willem van Iependaal (1891-1970) pseudoniem van Willem van der Kulk. In die bundel staat het gedicht ‘Heeft de tijd je niets te leren?’ en dat raakt aan de strekking van de column van Bessems. Hij schrijft in zijn column over de aanvallen van Volt, D66 en SP op Groenlink/PvdA lijstrekker Frans Timmermans. ” Zo gaat het vaker aan progressieve zijde: zuiverheid boven resultaat en herverdeling  van een schrale oogst”. En over hoeveel moeite linkse partijen hebben om hun boodschap over te brengen. Linkse partijen die, uit hun partijprogramma’s blijkt, het beste van alle partijen voorhebben met mensen die in armoede leven. Als voorbeeld geeft hij de arme vrouw die in het SBS-debat woedend werd op Timmermans, ook al was hij van de aanwezige lijstrekkers degene die haar situatie wilde verbeteren.

Willem van Iependaals gedicht ‘Heeft de tijd je niets te leren?’ blijkt, ondanks dat het uit 1937 stamt (uit zijn bundel ‘De vink op de waslijn’) , verrassend actueel. Ik las op de achterflap van deze bundel: ‘Hij demonstreerde in vele verzenbundels en op vele planken, vanwaar hij kogelde met rijpe tomaten, zoals zijn pennevruchten met recht mogen heten. (De raap en de tomaat zijn beelden die bij deze ex-kwekersknecht-die-dichter-werd heel goed passen.). Weten we ook gelijk waar de tomaat van de SP vandaan komt.

.

Heeft de tijd je niets te leren?

.

Heeft de tijd je niets te leren,

Kerel, sta je in beraad

Of je ’t lot wel kan fourneren

Als de trekking tegenstaat?!

Ach, je houvast staat te kraken

En de Aard barst uit haar voeg…

Durf je oude sleur verzaken?

Heeft je hart nog fut genoeg?

.

Heeft de tijd je niets te leren?

Ja, je foetert en je laakt

En ik weet wel, dat begeren

Je verlammend heeft geraakt!

Kameraad, kom tot bezinnen!

Maak een vuist en breek je baan!

Zie! Een wereld is te winnen!

Kan je hart nog roffels slaan?

.

Heeft de tijd je niets te leren?

Maat, wat dunkt je van verzet?

Of wil jij de Houzeeërs keren

met je Zondagsblad in bed?

Op! Je sakkeren en zeuren

Over spijt en ongena’…

Ken je plaats in het gebeuren:

Kerel, maak een vuist en sla!!

.

Niet nog een boek

Kees Winkler

.

Zoals de regelmatige lezer van dit blog wel weet ben ik van beroep bibliotheekdirecteur, maar mijn vak (waar ik voor geleerd heb) is bibliothecaris. Een mooi vak dat vrees ik helaas aan het uitsterven is. Er is (vooralsnog) geen opleiding meer voor het vak van bibliothecaris. Nu is dat ook niet zo heel vreemd, het vak is de laatste 20 jaar ingrijpend veranderd. Naast dat ik bibliothecaris ben, ben ik ook dichter.

Ik moest even slikken toen ik het gedicht ‘Toekomstbeeld’ van Kees Winkler las in de bundel ‘Niet nog een boek’ gedichten over boek, bibliotheek en lezer uit 2001. Dit was wel een confrontatie met mijzelf. Zou ik dit ook mee kunnen maken? Ook mijn bundel staat in mijn bibliotheek op de plank. Kom ook ik ooit in de categorie (bijna) vergeten dichters? Dat laatste is waarschijnlijk overigens. Het leeuwendeel van alle dichters treft dit lot en daar is ook niks mis mee. Poëzie is van alle tijden en elk tijdsgewricht kent haar eigen dichters. Het is slechts voor een enkeling gegeven dat zijn of haar poëzie de tand des tijds  doorstaat en dat, jaren nadat het tijdelijke is verruild voor het eeuwige, een dichter nog gelezen wordt.

Kees Winkler (1927-2004) was overigens zelf geen bibliothecaris maar dichter, bloemlezer en arts verbonden aan het Herseninstituut te Amsterdam. Met ondermeer Hans Vervoort en Rogier Proper richtte hij in 1970 de Stichting Propria Cures op, die sindsdien het gelijknamige (sinds 1890 verschijnende)  blad uitgeeft. Gedichten van zijn hand verschenen in onder andere De Tweede Ronde, Tirade, De Gids, Het Hollands Maandblad en Avenue.

.

Toekomstbeeld

.

De vergrijsde bibliothecaris
liet zijn blik weiden langs de planken
en hij pakte er een boekje uit
wat hij zelf geschreven had

.

Hoofdschuddend om zijn overmoed van vroeger
herkende hij zichzelf als een vergeten dichter
en hij wist dat dichters vergeten worden
als hun werk niet best is

.

Maar om in de herfst van zijn leven
te erkennen dat hij gefaald had
dat was teveel voor de grijze man
en hij zette het boek weer terug.

.

Groots in het klein

Internationale invloeden in MUG

.

Iets kleins kan iets groots in zich hebben, een gedachte, een idee, ongeacht de vorm of omvang is groot niet altijd beter of mooier dan klein. Dat bewijst de nieuwe editie van MUGzine ‘Zwart-witte herfst’. En wanneer je denkt aan het kleine in de poëzie dan kom je al snel terecht bij de tanka, een kort Japans gedicht. De tanka is een lyrisch gedicht, bestaande uit vijf regels met doorgaans 5-7-5-7-7 lettergrepen, zonder bedoeld rijm of vastgestelde maat. Deze dichtvorm is gebruikt door Jan Lauwereyns (1969) in zijn bijdragen voor MUGzine #19 die nu uit is op papier en op mugzines.nl

De tanka’s met intrigerende titels als ‘Spinnenvamp’, ‘Donsdekendildo’ en ‘Pijnboomschaamhaar’ zijn allemaal nog niet gepubliceerd en verschijnen in de nieuwe roman die de Vlaamse dichter, werkzaam en woonachtig in Japan, Jan Lauwereyns aan het schrijven is.

Maar er is veel meer te genieten in de nieuwe MUG #19. Poëzie van Hava Güveli (1980) met Turks-Nederlandse wortels, Jasmijn Lobik (1997) die het afgelopen jaar twee poëziewedstrijden won en Micha Hamel (1970) van wie dit jaar de bundel ‘is daar iemand’ verscheen.

Het artwork wordt dit keer verzorgd door de Italiaanse Valentina Cozzi (op Instagram @a.mlcl ) met bijzondere collages. Natuurlijk een voorwoord over de zwart-witte herfst van onze redactie filosoof  Marianne en een nieuwe Luule. De grafische vormgeving is, zoals altijd, verzorgd door BRRT.graphic.design.

Elk nieuw exemplaar van MUGzine in het jaar (5x) via de post ontvangen? Word dan donateur. Lees hier hoe je dat doet.

Van Micha Hamel uit zijn nieuwe dichtbundel ‘is daar iemand’ waarin hij het leven beschrijft in een psychiatrische kliniek waar hij in 2009 belandt, een gedicht.

.

daar heb je die vrouw weer

ze is aan mij toevertrouwd

dus ik moet mijn best doen

.

ze oogt toeschietelijk vandaag

ze glimlacht en ze heeft vanmorgen een krultang ontmoet

ze knoopt haar doktersjas open

en vist een gerookte makreel uit haar binnenzak

.

deze is voor jou

hij is jouw gids en jouw alles

jouw paradigma en jouw bronzen makker

.

ik weet niet hoe het verder moet

.

help eerst jezelf voordat je iemand anders helpt

.

dát

.

Een mistige dag in Rotterdam

Cornelis Bastiaan Vaandrager

.

Van een oud collega kreeg ik een paar boekjes want anders zouden ze bij het oud papier eindigen. Een van de boekjes is de Dichters Omnibus, 8ste bloemlezing uit 1962. Ik schreef al eerder over deze omnibussen zoals hier, hier, hier, hier, hierhier, en hier.

In  1954 verscheen de eerste editie van de Dichters Omnibus. Een bloemlezing uitgegeven door ESSO Nederland N.V., onder haar relaties als nieuwjaarsgeschenk verspreid. Kom daar maar eens om bij multinationals van vandaag. Er verschenen achttien edities van en ik bezit alle edities op 1 na, de eerste editie. De gemiddelde oplage lag tussen de 15.000 en 20.000 stuks.

De opeenvolgende edities van deze bloemlezing werden samengesteld door uit- en vormgever A.A.M. Stols (van 1954 t/m 1963) en daarna door Ad den Besten (vanaf 1964 tot het laatste, achttiende deel, dat in december 1971 verscheen). Zowel Stols als Den Besten wisselden gedichten van bekende dichters af met werk van jong of nieuw talent.  De ‘jonge’ dichters ontvingen voor hun bijdrage in 1970 vijftig gulden, wat destijds een riante vergoeding was voor een bijdrage aan een bloemlezing.

Zoals gezegd kreeg ik de 8ste bloemlezing in handen (ik heb deze editie al maar mijn exemplaar ziet er wat gehavender uit, dus wordt vervangen). Lezend bleef ik hangen bij een gedicht van Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) getiteld ‘A foggy day in Rotterdam’. Een typisch Vaandrager gedicht.

.

A foggy day in Rotterdam

.

Je kent het wel: een middag wachten

tot het gaat misten. Wachten

tot het donker wordt. Of avond wordt. Hij

(ik heb het over hem) kijkt,

ziet lege bussen

die koppig starten, de stad in – op zoek naar meer mist?

.

Stemmen van mensen. Oproer? Bijval?

Hij herkent ze, de stemmen . De mensen

kent hij niet – nooit gekend.

.

Je kent het wel: pijnlijk nauwkeurig

kan hij je zeggen (maar hij doet het niet):

‘Nu gaat de telefoon’

En dan gaat de telefoon. De angst

dit aan te voelen. En de angst (nog groter)

zich na tien, elf juiste voorspellingen te vergissen.

.

De mist is binnen.

Reeds zijn de radiatoren verkild.

Hij trekt zijn benen op. Wacht.

Het wordt donker. Of avond.

Hij trekt huiverend een haar uit zijn pols.

.

Het zomernummer

MUGzine # 18

.

In de zomer nemen wij van MUGzine altijd even wat tijd voor onszelf maar zeker ook voor onze lezers. Een klein beetje later dan we gepland hadden (vakantie periode) komt komende week nummer 18 uit.

Als je het Nederlandse dichterslandschap bekijkt zou je zonder enige overdrijving Rotterdam als hoofdstad van dit landschap kunnen benoemen. Al jaren heeft Rotterdam een stadsdichter van niveau (een paar van hen, Anne Vegter en Ester Naomi Perquin, werden benoemd tot dichter des vaderlands), het grootste poëziefestival van ons land, Poetry International, is in Rotterdam sinds 1970, er is een Poetry Circle 010 en er zijn door de stad heen verschillende poëziepodia en festivals. Maar ook poëzie stichtingen als De zoek naar schittering ( o.a. bruggedichten), de Poëziebus, stichting Het Park en poëziestichting Ongehoord! alsmede poëzietijdschrift Awater hebben hun roots in Rotterdam. En vergeet burgemeester Aboutaleb niet die dichtbundels samenstelde.

Daarom dit keer een nummer met louter Rotterdamse dichters ( 6 maar liefs) én een illustrator/kunstenaar uit Limburg. Hester Knibbe, Hans Wap, Daniël Dee, Myrte Leffring, Amber Rahantoknam en Peter Swanborn zorgden voor de poëtische bijdragen en kunstenaar Andries Hoogenraad is verantwoordelijk voor de illustraties. Natuurlijk een voorwoord van onze redactiefilosoof Marianne, een gloednieuwe Luule en de vormgeving is als altijd van Bart van BRRT.Graphic.Design.

MUGzine heeft een aantal nieuwe ideeën en verrassingen in petto en we zullen die in de loop van het najaar bekend gaan maken. Maar eerst dus het zomernummer van 2023. Donateur worden en een jaar lang elke editie op papier via de post ontvangen? Ga dan naar onze website en ontvang meteen een eerste cadeautje.

Om je alvast een voorproefje te geven hier een gedicht van Hester Knibbe dat niet in de nieuwe MUG staat getiteld ‘café-restaurant ‘la Rotonde” uit De Tweede Ronde, jaargang 12 uit 1991.

.

café-restaurant ‘la Rotonde’

.

de deur is dicht en dood, de oo’s
zijn weggevaagd uit het ‘Rotonde’
een stoel vervangt de zonnewijzer
.
ze wijst de tijd aan op het pleister
en past oneindig in dit ronde
verslijten en versleten worden
.
– stilaan raakt alles uitgehongerd
.
behalve dan de vrouwen wat terzijde,
zij scheppen thuis het eten op de borden
.
en of ze eeuwig zijn, vergeten wonder,
vertellen ze elkaar de nieuwste roddels
op deze foto – onderdeel van een seconde
.
.