Site-archief

Het dondert en bliksemt niet

René Huigen

.

Dichter, vertaler, essayist en schrijver René  Huigen (1962)  maakte oorspronkelijk deel uit van de Maximalen, maar verliet deze groep al snel. Hij concentreert zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft. Huigen doceerde in de jaren negentig van de 20e eeuw aan de Schrijversvakschool ’t Colofon in Amsterdam. In 1999 doceerde hij poëzie aan de Universiteit van Michigan. René Huigen debuteerde met de bundel ‘Paleis der ingewanden’ in 1989. De bundel ‘Geen muziek & geen mysterie’ uit 2003 werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

In ‘In Liefde Bloeyende’ De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten’, nam Gerrit Komrij het gedicht ‘Het dondert en bliksemt niet’. Komrij noemt het een gedicht dat brutaal en ook wel geestig is van een dichter die laat zien dat hij donders goed weet waar de klepel hangt in de moderne poëzie. En;l De dichter is de magische schepper van zijn eigen wereld. Hij vraagt de lezers alleen maar of ze bereid nzijn in de ban van het gedicht te blijven, of ze het gedicht zolang het duurt niet willen verlaten. Dat laatste zeker niet lijkt me.

.

Het dondert en bliksemt niet

.

Mooi weer spelend wordt als donderslag

bij heldere hemel zonneklaar

dat tegen die achtergrond

 

het decor als foto

op het golfkarton van

een spiegelgladde zee is geplakt

 

Dat het niet dondert en bliksemt

hoe beelden aarde maken, hoe

de snavel van een vogel met zijn veren

kortgesloten wordt, of hoe

wat woord is tot stof verwordt

 

Zolang de suggestie zich ontlaadt

in wat tegelijkertijd wordt opgewekt,

als een zichzelf bedruipende kaars

in de vorm van een hondje

dat het eigen kaarsvet oplikt

.

3 PAK

Gershwin Bonevacia

.

Ter gelegenheid van de Boekenweek voor jongeren komt de CPNB elk jaar met een uitgave speciaal gericht op jongeren. En dan vooral om het leesplezier van jongeren aan te wakkeren. In 2022 was dit de uitgave ‘3PAK’ met verhalen van Daan Heerma van Voss en Chinouk Thijssen en gedichte van Gershwin Bonevacia.

Bonevacia schrijft op zijn website: “Gershwin Bonevacia is dichter, schrijver en performer. Van maart 2019 tot januari 2022 was Gershwin stadsdichter van Amsterdam, en schreef hij maandelijks een gedicht in Het Parool. Zijn poëziedebuut ‘Ik heb een fiets gekocht’ gaf hij in 2017 in eigen beheer uit en maakte hij eigenhandig tot underground classic door er meer dan 6000 exemplaren van te verkopen.” In 2021 verscheen van hem de bundel ‘Toen ik klein was, was ik niet bang’ en in 2022 was hij de eerste dichter die gevraagd werd voor ‘3PAK’.

Een van de gedichten in deze bundeling van poëzie en verhalen is getiteld ‘Veertien’.

.

Veertien

.

jongens hebben voetbal, een bank in het park

stunten op een BMX

en basketballen op het plein tot middernacht

meisjes hebben schaamte

.

op een dag

als we groot zijn

en zelf kunnen denken

zullen we moedige vrouwen zijn

met een gezin, een baan en zwaartekracht

we zullen zitten in een bus

en het gewicht van onze nieuwe vormen

naar de randen van open plekken duwen

.

we zullen veertienjarige meisjes zien voor wat ze zijn

omdat wij hen zijn geweest

ze zullen voor ons zitten

lachend om onze schoenen

meisjes met vleugels

terwijl in onze ooghoeken

de jongens elkaar uitdagen

om hoger en hoger te springen

.

Strand

Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot

.

In een antiquariaat in Roosendaal vond ik een soort tijdschriftje dat werd uitgegeven door de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam. Ik heb er naar gezocht maar kon er niets over vinden op het wereldwijde interweb. Ik heb wel wat foto’s genomen van een artikeltje. Het betreft hier een gedicht en een foto van twee jonge mannen die toen nog volkomen ombekend waren; Boudewijn de Groot (1944) en Lennaert Nijgh (1945 – 2002).  De Nijgh was in 1965 student aan de Filmacademie en had blijkbaar een gedicht ( of een ‘zegliedje’ zoals Marijke het in haar redactioneel commentaar noemt) ingestuurd naar dit magazine en om het wat extra cachet te geven was hij samen met zijn jeugdvriend Boudewijn de Groot naar het strand getrokken om daar in het zand het gedicht in het zand te schrijven. Fotograaf Peike Reintjes legde dit tafereel vast. Ik vond dit zo heerlijk obscuur en bijzonder dat ik het jullie niet wilde onthouden.

.

Strand

.

Waar kan je liggen in het zand

totdat je hele lijf verbrandt;

waar kan je zuipen als een beest,

waar vind je vrienden voor elk feest,

waar kan je zwemmen als een rat,

waar word je zelfs van binnen nat?

Dat is aan de rand van Nederland,

dat is aan ons onvolprezen  strand.

.

De stad

Reinold Kuipers

.

Poëzie kan overal over gaan. Van de hemel en de hel tot een krop jonge sla of een vaas. Toch zijn er onderwerpen die relatief vaker behandeld worden in gedichten. Als je kijkt naar de bloemlezingen die er zijn (en dat zijn er heel veel) dan valt op dat er een paar onderwerpen favoriet zijn: de liefde, de dood, het dichten, beesten en familie. Met de bundels over deze onderwerpen kun je al een aardige boekenkast vullen.

Een ander favoriet onderwerp is de stad. De stad in het algemeen en steden in het bijzonder. Wie kent niet gedichten als ‘De Dapperstraat’  van J.C. Bloem, ‘Passage’ van Gerrit Achterberg of ‘Rotterdam’  van Jan Prins. En dit zijn de bekende gedichten over de grote steden. Er zijn er natuurlijk zoveel meer, gedichten over steden als Veere (Wim Hussem), Delfzijl ( Gerrit Krol), Groningen (A. Marja) en Utrecht (Alain Teister). Er is zelfs een bundel met alleen maar gedichten over de stad Rotterdam Wij dragen Rotterdam in 2014 als eerste bundel door MUGbooks uitgegeven op papier. En dit zijn alleen nog maar voorbeelden van gedichten over Nederlandse steden.

In 1981 werd in opdracht van de Erven Thomas Rap de bloemlezing ‘ De stad’  uitgegeven, samengesteld door C. Buddingh’. In deze bundel louter gedichten over steden en de stad in het algemeen. In deze bundel zijn 44 gedichten opgenomen van dichters die leefden van eind 19e eeuw tot eind 20ste eeuw. Ik koos voor een gedicht van een dichter die ik niet kende Reinold Kuipers (1914-2005). Kuipers was dichter, drukker, copywriter en uitgever. Kuipers was samen met echtgenote Tine van Buul, van 1960 tot 1979 directeur van uitgeverij Querido. Kuipers debuteerde met de bundel ‘ Koud vuur’  in 1939 en schreef in totaal vijf dichtbundels, de laatste verscheen in 1990 ‘ Gerezen wit’. In ‘ De stad’  is hij opgenomen met het gedicht ‘ Stad bij avond’.

.

Stad bij avond

.

Men noemt het stad. Het is een visioen

van natte asfaltstraten en plantsoen

en een gevangenis voor wie het wagen,

te breken met hun wetten van fatsoen.

.

Men noemt het stad en doet er daags zijn plicht

en met een nette lach op zijn gezicht

spant ieder er zijn listen en zijn lagen.

En als men tijd heeft schrijft men een gedicht.

.

Jij weet wat wij niet weten en andersom

Henk van der Waal

.

Nog regelmatig stuit ik op dichters die ik niet ken. Aan de ene kant verwonder ik me daarover, ik schrijf al 15 jaar over poëzie en lees dagelijks poëzie, en aan de andere kant zijn er ook zoveel dichters. Een dichter die ik niet kende is Henk van der Waal. In ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ het Nieuw Groot Verzenboek, samengesteld door Jozef Deleu uit (in mijn geval) 2015 lees ik het gedicht ‘Jij weet wat wij niet weten en andersom…’ van zijn hand.

Henk van der Waal (1960) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Universiteit van Parijs. In 1995 verscheen zijn debuutbundel ‘De windsels van de sfinx’, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs ontving. Hierna volgden nog enkele dichtbundels. Zijn gedichten verschenen in de literaire tijdschriften Optima, De Revisor en Parmentier. Hij vertaalde werk van onder andere Julia Kristeva, Maurice Blanchot en Paul Auster. Van der Waal schrijft ook proza en essays.

Het gedicht ‘Jij weet wat wij niet weten en andersom…’ komt uit zijn bundel ‘Schuldsanering’ uit 2000. Rob Erkelens schreef in 2001 in De Groene Amsterdammer over deze bundel: “Henk van der Waal schrijft opvallende poëzie doordat hij heel bewust aandacht besteedt aan het typografische uiterlijk van zijn gedichten. De lengte van de regels kiest hij zodanig dat het gedicht een geometrische vorm krijgt.” Dit is ook het geval met het gedicht ‘Jij weet wat wij nieten en andersom…’.

.geometrische vorm, typografische uiterlijk, gedicht, gedichten, dichter, poëzie, poëziebundel, gedichtenbundel, dichtbundel, 

Jij weet wat wij niet weten en andersom…

.

Jij weet wat wij niet weten en andersom,

dat is het geluk dat ons scheidt: de

fascinatie – en onbedaarlijk kus

ik je handen, want ze wijzen

zonder te wijzen, vol

als ze zijn van wat

voor ons al jaren

achter de streep

verdwenen is,

.

maar wat mateloos en zonder weerga nog door

jouw gebaren stroomt en manifest is in de

ondeugd van je ogen, die wij verwonden

met een beschaamde glimlach om onze

mond, omdat wij jouw vervoering

hebben verloochend en haar

pas achteraf, als alles

afgelopen is, weer

smaken mogen.

.

 

Afscheid

Peter Coret

De Tweede Ronde, tijdschrift voor literatuur (editie Winter 1986) bestaat grotendeels uit vertalingen (uit het Latijn) en is toch gewijd aan de Nederlandse literatuur. Er is een heel hoofdstuk met moderne Nederlandse poëzie waar bijdragen van o.a. Leo Vroman, Frans Kuipers, Nico Slothouwer en Peter Coret zijn opgenomen. Peter Coret  (1954-2014) was schrijver van poëzie, proza, columns en theaterteksten. Coret (pseudoniem van Cees van der Pluijm) studeerde van 1975 tot 1988 Nederlandse taal- en letterkunde en Algemene Literatuurwetenschap aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Zijn werk was soms ernstig en soms speels, hij schreef teksten voor Robert Long, Jules de Corte en Drs. P. maar hij publiceerde ook  light verse in De Tweede Ronde. Van 1994 tot 2013 was hij columnist voor de Gay Krant. Van Peter Coret koos ik het gedicht ‘Afscheid’ uit De Tweede Ronde Winter 1986 omdat het zo’n prachtig schrijnend en verdrietige gedicht is.

.

Afscheid

.

Ik had vannacht mijn moeder aan de lijn

En iemand zei: ‘er zal een auto komen’

’t Was niet mijn moeder echter die ik hoorde

.

Toen klonk een zacht gekraak, er stoorde

Iets of iemand de verbinding;

zelfs geen hijgen

Was daarna nog te horen – enkel zwijgen

.

‘k Heb nooit meer van mijn moeder iets vernomen

En nooit meer zal ik dromen zonder pijn

.

Elvis

Wim Brands

.

Dichter, journalist en presentator Wim Brands (1959-2016) overleed alweer 6 jaar geleden. Nu het boekenprogramma ‘Brommer op zee’ gaat stoppen (alweer een boekenprogramma dat het niet haalt) moet ik toch weer terug denken aan het VPRO tv-programma Boeken en het radioprogramma Brands met Boeken. Brands debuteerde op negentienjarige leeftijd in Hollands Maandblad. Hij was als verslaggever werkzaam bij het Leidsch Dagblad en schreef verhalen voor Vrij Nederland.

Vanaf 2010 was hij verbonden aan de Schrijversvakschool Amsterdam als docent poëzie en voordracht en in september 2012 verzorgde hij, na Marcel Möring en Pieter Steinz, voor Donner in Rotterdam het boekenprogramma Brands in Donner.

In 2010 verscheen zijn dichtbundel ‘Neem me mee, zei de hond’. Jurre van den Berg schreef in zijn recensie op Tzum in 2010 over de gedichten in ‘Neem me mee zei de hond’: “Uit de gedichten spreekt permanente interesse in de onbekende Ander. Wie zijn de voorbijgangers in mijn wereld? In het verloop van de bundel levert dit steeds grimmiger gedichten op, waar ondanks de reekstitel ‘Dood, afwezige’ de dood nooit ver weg is, en de wereld blijft bevreemden.” Dat laatste is zeker van toepassing op het bevreemdende gedicht ‘Hoe Elvis de abstractie in de popmuziek introduceerde’.

.

Hoe Elvis de abstractie in de popmuziek introduceerde

.

Een song van hem is een rivier door

een middelgrote Amerikaanse stad

met meeuwen erboven

.

die duiken naar wat bijna nooit

voedsel is – en niet aan

het zicht onttrokken

.

door stenen kades zoals

de Thames en de Seine.

Dat zijn geen rivieren.

.

Water dat ’s nachts tegen

eenzamen praat

.

en tijdens vakanties van de fabriek

verliefden schimmig weerspiegelt;

.

beelden die onder de oppervlakte

niet bestaan.

.

Hij wrijft hun neuzen door het leed…

Ed Leeflang

.

In de bundel ‘Op Pennewips plek’ van Ed Leeflang uit 1982 lees ik het gedicht ‘Hij wrijft hun neuzen door het leed …’ en meteen doet de tekst mij aan het hier en nu denken.  In dit bundeltje worden een groot aantal situaties op school empathisch en met fijn gekozen woorden belicht. Opvallend vind ik dat de situatie waarin we ons nu bevinden helemaal niet zo veel verschilt van de situatie begin jaren ’80. Ook toen was er het milieu, de natuur, oorlog waar we mee werden geconfronteerd.

Ed Leeflang beschrijft in ‘Hij wrijft hun neuzen door het leed…’ hoe een leerkracht, tegen beter weten in soms, leerlingen probeert bij te brengen hoe het leven er in het echt uitziet. Vooral de laatste twee zinnen vind ik van een grote schoonheid.

Ed Leeflang (1929-2008) was vrijwel zijn hele leven docent Nederlands in Amsterdam, Leiden, Den Haag en Zierikzee. Hij debuteerde op latere leeftijd (50) in 1979 als dichter met de poëziebundel ‘De Hazen’ waarvoor hij de Jan Campertprijs in 1980 ontving. Vanwege zijn realistische schrijfwijze en een melancholisch verlangen naar verloren zuiverheid wordt zijn poëzie in de literaire kritiek wel aangeduid als romantisch realisme of neoromantiek.

.

Hij wrijft hun neuzen door het leed…

.

Hij wrijft hun neuzen door het leed

als om ze zindelijk te maken; zeehonden,

kerncentrales, besmette schelvis die je eet,

legers waaraan we meebetalen.

Ze worden nu al moe van het volwassen

en het bewuste mondig zijn, ontzien hun

goeroe wel, maar thuis kijken ze

naar alles wat het scherm te bieden heeft

aan rechts, verrots en zondig zijn.

Wie tot het heil veroordeeld is

komt pas op adem in de hel.

.

Vluchtstofgoud, een recensie

Dien L. de Boer

.

Na haar poëziedebuut in 2014 ‘niet het moment maar het nagonzen’ verscheen in 2022 de nieuwe bundel van Dien L. de Boer (1957) bij uitgeverij Palmslag getiteld ‘Vluchtstofgoud’. Toen Dien L. de Boer vanuit Amsterdam verhuisde naar Friesland, werd bij haar het idee geboren om een poëziepodium te creëren. Dat werd Dichter op de Deel in Exmorra. Vanaf 2008 hebben dichters uit vele windstreken hun stem laten horen, zowel gevestigde als aanstormende talenten. Dien L. de Boer programmeert, organiseert, en presenteert dit podium.
Haar nieuwe bundel bestaat uit 5 hoofdstukken die haar leven volgen vanuit haar jeugdjaren, plekken waar ze gewoond heeft, naar Amsterdam, familie en vervolgens Friesland waar ze zich heeft gevestigd en is geworteld. Een reis van het platteland naar de grote stad en weer terug naar het platteland.

De poëzie van de Boer is verfijnd, persoonlijk en biedt ons een kijkje in haar innerlijke wereld. Van haar jeugd waarin de traditionele rollen in het gezin waar ze opgroeide vastgeroest zaten, het niet gezien worden ‘ver achter de komma haast verwaarloosbaar’, maar ook de man/vrouw verhoudingen ‘iedere stap die wij meisjes zetten / voor een beeldscherm kan leiden / tot een sneer’ en opnieuw een moeder die haar niet ziet ‘op de schaal / van haar stem praat mijn moeder / met meer gewicht over de jongens’.

En wanneer ook haar broers zich gaan verzetten tegen de ‘getrimde slapen van mijn vader’ met hun sliertharen, volgt het gedicht ‘ondertussen’ dat een volgend hoofdstuk inleid. In dit gedicht neemt ze afscheid van haar kinderjaren en de plek waar ze opgroeit.

.

ondertussen

.

van het kleine perron tussen de akkers

werd ik opgepikt door een rode dieselboemel

die mij naar een intercity bracht

.

huizen bekeek ik van hun rommelige

achterkant, randwijken strekten hun bakstenen

tenen uit naar bedrijfsterreinen – ik doezelde

.

op de aandrijving, hoorde ondertussen

de noordelijke tongval veranderen in hollands

zag slootjes snakken naar adem, reed tussen

.

de passagiers met ieder een andere bestemming

als vanzelf de geur binnen van een stedelijke

stationshandel, stapte uit naar het onbekende

.

Hoeveel jongeren die gaan studeren in de grote steden of werk gaan zoeken daar hebben deze reis wel niet gemaakt. In dit gedicht is een ervaring beschreven die voor heel veel mensen herkenbaar is denk ik. In het hoofdstuk ‘volgende huizen’ reist de dichter naar Berlijn waar ze zichzelf vindt in een totaal andere omgeving, ‘ik ontdekte, leefde ’s nachts / voor het eerst te midden van miljoenen / de huurkazerne omsloot meisjesogen / misschien konden in mij onbekenden / hier bloeien’. Maar ook daar is een omslagpunt. In het gedicht ‘zwart is tijdloos’ wordt dat heel indringend beschreven.

Uiteindelijk belandt de dichter in de hoofdstad. In het gelijknamige hoofdstuk beschrijft de Boer de opwinding van het wonen in die grote stad maar komen ook de twijfels, de irritaties, het ergeren aan ‘feesten op andere etages, het telefoongepraat / in de achtertuin’ en ‘het bonkend / de trap op stormen van buren naast mijn bed / de machines van doe-het-zelforkesten’.

Na het hoofstuk ‘hoofdstad’ volgt ‘nachtelijk netwerk’ waarin persoonlijke relaties aan bod komen en waarin de vereniging met de familie aan bod komt, de moeder van negentig, het kranteneiland van haar vader en de dichter die een persoonlijke veerdienst onderhoud met ‘hen in wie ik uiteenval / in een kleine of grote betekenis’.

Tot slot is er de terugkeer naar de plaats waar ze afscheid van had genomen in het hoofdstuk ‘friesland’. In het gedicht ‘vleugelvlug’ beschrijft ze aan de hand van de vlucht die zwakuwen maken haar eigen reis: ‘het is een tocht geweest van duizenden kilometers / waarna de vleugelvlugge zwaluwen hier aankomen’ en ook ‘wij zijn teruggevonden’ in de laatste strofe.

Maar ook terug in Friesland blijft de dichter kritisch, nu niet op haar afkomst, haar jeugd en familie maar op hoe er omgegaan wordt met het land en de natuur, in het gedicht ‘friesland’ heel mooi beschreven in de eerste strofe: waar de wind altijd werkt / en de voorraad vogels zowat / is teruggebracht tot meeuwen / zwalkend boven de mestdrap / van geïnjecteerde landerijen’.

‘Vluchtstofgoud’ heb ik met veel plezier gelezen, de reis die de dichter maakt en waarin ze je meeneemt in haar gedichten verrast en boeit, je voelt in de gedichten de strijd die de dichter voert, de opluchting, de frustratie, de blijdschap en de vooruitgang die ze in haar ontwikkeling boekt. ‘Vluchtstofgoud’ is een prachtig ego document dat door veel mensen herkenbaar zal zijn. Haar taal is uitnodigend, het ontbreken van hoofdletters of punten heeft me geen enkel moment in de weg gezeten. Deze bundel heeft me nieuwsgierig gemaakt naar haar debuut uit 2014.

.

Stadsdichters

Harry Zevenbergen

.

Op de zeer interessante website Neerlandistiek.nl lees ik in een artikel van Anke Martens over stadsdichters. Anke deed voor haar  bachelorscriptie aan de Radboud Universiteit onderzoek naar wat het stadsdichterschap nou precies inhoud. Ze onderzocht de ontwikkelingen van het stadsdichterschap tussen 2005 en 2020 in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen. Natuurlijk zijn er veel meer stadsdichters (en gemeente-, dorps-, wijk-, provincie- en gemeentedichters maar ik begrijp dat ze zich heeft beperkt tot deze grote steden. Waarbij Den Haag heel pijnlijk ontbreekt.

Opvallend was dat de genoemde steden rond 2005 voor het eerst een stadsdichter benoemden waarbij er echter ook grote verschillen zijn. Zo ligt bijvoorbeeld niet vast door welke instantie het stadsdichterschap gefaciliteerd wordt. In de meeste gevallen speelt de gemeente een rol, maar of de gemeente de stadsdichter ook daadwerkelijk zelf aanstelt varieert. Vaak worden er bij de benoeming of het ondersteunen van stadsdichters organisaties die zich met literatuur bezig houden of bibliotheken gevraagd een rol te spelen. Ik ken zelfs een voorbeeld waar de stadsdichter vanuit een samenwerking van een kerk met een sociaalmaatschappelijke organisatie werd geïnitieerd.

Dan zijn er verschillen in de financiering, de bedragen die stadsdichters krijgen, het aantal aan te leveren gedichten, hoe en door wie de stadsdichter wordt benoemd en wat voor soort dichters er gevraagd worden (of verkozen). Een korte conclusie van Anke: “Zoals wel is gebleken, wordt het stadsdichterschap op veel verschillende manieren vormgegeven. Ook de ideeën over de inhoud van het ambt verschillen. Het stadsdichterschap is dus geen vastomlijnd fenomeen, maar kan in allerlei gedaantes gerealiseerd worden. Het is dan ook niet gek dat zich nog steeds nieuwe ontwikkelingen voordoen.”

Wat je er ook van vindt, het stadsdichterschap is in Nederland inmiddels aardig geworteld. Steeds meer steden en gemeenten gaan over tot het benoemen van een stadsdichter of gemeentedichter. Op deze manier worden mensen op een laagdrempelige manier geconfronteerd met poëzie (net als met bijvoorbeeld straatpoëzie) waardoor de belangstelling voor poëzie en (misschien zelfs) het lezen van poëzie wordt bevorderd. En daar mogen we alleen maar blij mee zijn.

Zelf mag ik aanstaande woensdag voor de 4e keer alweer juryvoorzitter zijn bij de verkiezing van de stadsdichter van Maassluis, terwijl in mijn woonplaats nog steeds geen stadsdichter actief is. De enige en meteen laatste stadsdichter van Den Haag (2007-2009) was Harry Zevenbergen (1964-2022) en sindsdien is het stil. Als enige van de grote steden heeft Den Haag het al die tijd zonder moeten doen. Daarom en omdat Harry een goede bekende dichter was hier een stadsgedicht van zijn hand getiteld ‘De was moet schoon’.

.

De was moet schoon
.
kleurrijk aroma in de wasmand
mijn terugblik op een week
zweet, eten, deo en jouw resten
gevangen in textiel en ik weet
.
precies waar, wanneer en waarom
voor de deur wordt het leven
in tien minuten geknipt en geschoren
het is zomer in de Boekhorststraat
.
terwijl wit en bont zich mengt
worstelen fietsen met de autostroom
westwaarts het centrum in en verder
oostwaarts lonkt de Schilderswijk
.
wanneer ik klungel met de machine
staan er altijd mensen klaar om me
te helpen het duurt een paar weken
voor ik door heb wie er werkt
.
Achmed vertelt van de broek in vijf
die eruit kwam met slechts één pijp
Harry vult aan dat de andere
terug werd gevonden in machine vier
.
van buiten roept Ria: “Ben je nieuw hier?”
en dat ik ze niet moet geloven
maar dat van die broek is echt waar
het is zomer in de Boekhorststraat

.