Site-archief
Dag 10
Ruth van Rossum
.
Dag 10 en vandaag een dichter die ik nog niet kende, Ruth van Rossum (1960). Zij bracht haar eerste levensjaren door in Japan. In 2006 verscheen haar debuutbundel ‘Eilandranden’. Ze treedt op met haar gedichten en is dichter voor De Eenzame Uitvaarten in Den Haag. In 2012 verscheen haar bundel ‘Sakasegawa’ en daaruit nam ik het gedicht ‘Welke wierde
.
Welke wierde
.
Ik was met twee mannen op de wierde.
De een zong: als je hier ligt in dit gras
weet je hoe de aarde smaakt. Je hoort
om ons heen de bomen onophoudelijk
bewegen in de wind. De luchten zijn
nooit hetzelfde maar altijd ver en leeg.
Ook de ander zong. Kijk rond, er is zo
veel voor ons, we kunnen overal naar
toe. Er zijn lauwe avonden die je kunt
voelen aan je huid, er zijn nachten van
luisteren naar wild groeien. met beiden
sliep ik. De een vertrok, de ander bleef.
.
Bij gebrek aan piano
Paul Cox
.
Eerlijk gezegd had ik van de Vlaamse dichter Paul Cox (1946) nog nooit gehoord. Tot ik in Brugge een bundeltje van hem tegenkwam in een boekenwinkel. Deze bundel ‘Bij gebrek aan piano’ uit 2014 is voor zover ik het heb kunnen terugvinden zijn 6e bundel. Hij debuteerde in 2003 met de bundel ‘Niemand kon dit weten’ bij het Poëziecentrum Gent. Hierna verschenen nog ‘De morgen van het paard’ (2005), ‘Genade met wijnvlek’ (2007), ‘Herinneringen aan morgen’ (2010) en ‘Ik zweeg daarover’ (2012). Na de bundel ‘Bij gebrek aan piano’ heb ik verder geen publicaties van zijn hand kunnen ontdekken.
Op jonge leeftijd behaalde hij de poëzieprijs van de stad Genk, maar later wilde hij om principiële redenen niet meer aan wedstrijden deelnemen. Door zijn argwaan voor traditionele uitgeverijen heeft hij vele jaren zijn gedichten vooral tentoon gesteld, gedecoreerd met eenvoudige aquarelvlekken of pentekeningen. Wel trad hij onder meer op in het gezelschap van Herman De Coninck, Miriam Van hee en Gerrit Kouwenaar. Later haalde vrienden hem over om toch zijn poëzie te publiceren en daar kwamen dus 6 bundels van. Naast dichter is Cox kunstenaar, net als zijn vader was en zijn broers Marc en Manu zijn.
De Bundel ‘Bij gebrek aan piano’ is van tekeningen voorzien door broer Marc die ook voor de omslagtekening en het ontwerp zorgde. Ik koos uit deze bundel het gedicht ‘Winters’ omdat de eerste strofe zo mooi aansluit bij deze winter.
.
Winters
.
Omdat het ook deze winter
winter hoort te zijn
hoewel het maar niet sneeuwen wil
of vriezen
.
denk ik terug aan voorgaande winters
waarin we samen
sneeuwmannen maakten,
met sleden door de lege gladde straten
slierden,
.
met gebreide wanten en rode neuzen
kinderen leken
tegen een wit decor
dat toen nog winters was
met steeds meer en dikker vlokken
.
tot er uiteindelijk niets meer zichtbaar was,
geen boom, geen huis, geen lucht,
niets meer
dan wat we dachten.
.
Novem
Anne Provoost
.
De poëzieclubkeuze van poëzietijdschrift Awater is deze winter de bundel ‘Decem’ van de Vlaamse dichter, romancier, essayist en korte verhalen schrijver Anne Provoost (1964). Provoost is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en van PEN International. Zij won met haar werk de Gouden Uil, de LIBRIS Woutertje Pieterseprijs, twee keer een Zilveren Griffel en twee keer de Gouden Zoen. Haar roman ‘Vallen’ werd verfilmd. Voor ‘In de zon kijken’ kreeg ze driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap, dat is de voormalige Staatsprijs voor Literatuur.
In tegenstelling tot veel romanciers die beginnen als dichter debuteerde Provoost als schrijver van een jeugdboek met de titel ‘Mijn tante is een grindewal’ (1990), In 2022 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Krop’. In oktober 2024 verscheen haar dichtbundel ‘Decem’, ongelegenheidsgedichten voor asielverstrekkers, die dus als poëzieclubkeuze verstuurd is aan alle abonnees van Awater die een abonnement hebben inclusief de keuzebundel.. Haar werk is in twintig talen vertaald.
In ‘Decem’ krijgt de lezer het verhaal van een fictieve jongeman die per boot zijn thuisland ontvlucht, op de Middellandse Zee zijn vrouw en ongeboren kind verliest en zich daarna moet verdedigen tegenover een asielverstrekker. Anne Provoost begon aan de bundel na de verkiezingen in Nederland, waar de verruwing van de taal in het asieldebat haar raakte. “Als ik luisterde naar wat er gezegd werd, dan borrelden die gedichten op. Taal heeft belang. Men had het over een ‘tsunami, een toestroom, een overrompeling’ en ik dacht: het gaat hier wel nog altijd over mensen.” Uit de bundel koos ik het gedicht ‘novem’.
.
novem
de aanvaarding
De getroffene probeert aan de pijn te
ontsnappen door erin mee te gaan
*
ik hoorde god grommen
ik hield me muisstil
mijn zenuwen ratelden seismisch
maar dat nieuws zal vandaag niet ver reizen
praten was voor het uiterste geval
op een andere datum op een andere plaats
want ik had een accent als een stotter
dus ik wachtte tot het woei
en het woei uit de tijd inderdaad
en er klonk hoog gekraai
in het klokkengeluid van alle godsdiensten samen
en ze raakte me aan
zoals de kapper je nek scheert
ze was niet veranderd
ze was zoals toen luisterklaar
ze vroeg naar ons thuisland van vrienden die langskomen
ze had blauwwitte tanden
ze leerde me mijn eeuwige geheugenkind kennen
eerst droeg ze het op haar arm
daarna moest het lopen
ik dacht aan haar dus dacht ik ook aan hem
Koo was zijn naam
de humeurige aap
geen man maar een trein
die hoopte medailles en lof te krijgen voor zijn begerige belangstelling
voor meteorologische voorspellingen
hij bad volgens het boek
hij brandde een lamp op het water
en hield de tocht uit zijn mond als hij praatte
het is de woorden niet waard
mijn vingers gingen over de aren
waarom deed ik zoiets reddeloos als bidden voor een vrouw die me
laadde en stilstaan in waanzin
in tijden met niemand nog thuis zoals het miljoen reizigers met slechts één koffer
geen kat met een rat in de maag als verloning
voor alles waren we gewaarschuwd
voor de druk op de heup, voor de gal in de strijd
want wie wil er nog kijken naar aandacht die pijn doet als hij de
aandacht kan eisen met fluiten en krijsen
dus ik vatte het plan op om nooit meer de wateren waarin ik wilde
vissen te storen
maar ik voelde dus dat iemand me net niet had geraakt
tenzij met haar haren
totaal onverhoeds
het kon ook een man zijn
bijvoorbeeld mijn vader
.
Smalltalk
Sven Cooremans
.
Bladerend in Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, kom ik gedichten tegen van de Vlaamse dichter Sven Cooremans (1970).
Sven Cooremans studeerde filosofie in Leuven en klinische psychologie in Brussel en werkt momenteel aan een doctoraatsonderzoek. Hij debuteerde in 2003 met de dichtbundel ‘Myeline’. Zijn verhalen en gedichten verschenen in diverse literaire tijdschriften als De Brakke Hond, DW&B, Yang, Deus Ex Machina en Gierik & NVT en werden in meerdere bloemlezingen opgenomen, onder andere 21 dichters voor de 21e eeuw, Hotel New Flandres en De 100 beste gedichten van de VSB Poëzieprijs 2015. In 2014 won hij met het gedicht ‘Sisyphus’ de tweede prijs in de Turing Gedichtenwedstrijd. Bij PEN Vlaanderen was hij meerdere jaren als bestuurslid verantwoordelijk voor het Writers in Prison Committee en hij was redactielid van Gierik & NVT.
Zijn laatste bundel ‘In rivieren zal ik altijd een gisteren zien’ uit 2023 volgt Cooremans de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) tot in de diepe hellecirkel van de Tweede Wereldoorlog. In Het Liegende Konijn staan gedichten uit zijn bundel ‘Het is dat of stoppen met zingen’ uit 2013. Een van deze gedichten is getiteld ‘Smalltalk’. Voor sommige mensen een gruwel, voor andere smeerolie tot een gesprek.
.
Smalltalk
.
de zee hier blauw noemen
.
en over de stenen vloer van stoelen
en schaaldieren het geschuifel opmerken
.
van de woorden de getijden
.
alleen maar om in deze volle kamer
te kunnen blijven
.
bijvoorbeeld dat alles tegenwoordig
kan worden weggewerkt
.
neem nu die rimpels rond je mond: vul een glas
met ijskoud water en noem de zee
.
hier blijvend blauw
.
Kleren
F.L. Bastet
.
De enige keer dat ik aandacht besteedde aan dichter F.L. Bastet op dit blog, was toen ik een dubbelgedicht plaatste over begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat doet dichter, archeoloog, literator, biograaf, schrijver en essayist Frédéric Louis Bastet (1926-2008) geen eer aan en vandaar vandaag opnieuw aandacht voor deze P.C. Hooft-prijs winnaar (in 2005 voor zijn essayistische oeuvre).
Bastet studeerde klassieke talen en archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1958 promoveerde hij er tot doctor in de Letteren. Van 1966 tot 1976 was hij hoogleraar klassieke archeologie aan de universiteit Leiden. Na zijn professoraat werd Bastet conservator van de klassieke afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden.
Naast zijn wetenschappelijk werk schreef Frédéric Bastet biografieën, biografische romans, fictie, essay- en dichtbundels. In 1959 debuteerde Bastet met de roman ‘De aardbeving’ en een jaar later, in 1960, als dichter, met de bundel ‘Gedichten’. Als dichter publiceerde hij vooral in de jaren ’60 en ’80 bundels. Zijn laatste poëzie werd in 2005 gepubliceerd onder de titel ‘Twee gedichten’.
In 1980 verscheen ‘Catacomben’ Een keuze uit de gedichten. Uit deze bundel nam ik het fraaie gedicht ‘Kleren’.
.
Kleren
.
Ik hield van je kleren,
ordeloos over de stoel.
Als wij verzadigd waren
trok je ze langzaam aan:
.
medeplichtigen.
.
Ze moesten je immers behoeden
tegen de kou van de wereld,
tegen de vreemde handen
van wie niet weten konden
met hoeveel liefde
– zo was het toch wel –
met hoeveel liefde ik ’s nachts
in het stroombed en de eeuwige vlakte
je warmte had toegedekt.
.
1 januari 2025
Toyo Shibata
.
Ik wil al mijn lezers vanaf deze plaats een heel mooi, gelukkig, poëtisch en gezond nieuwjaar toewensen. Blijf elke dag poëzie lezen en dan komt het vast goed dit jaar. Mijn nieuwjaargedicht komt van een Japanse dichter.
Waar ik eerder al schreef over de bijzondere (wegens de leeftijd waarop ze debuteerde namelijk 98 jaar) Japanse dichter Toyo Shibata (1911-2013), en daar een Engelstalig gedicht bij plaatste, wil ik vandaag graag een gedicht in een Nederlandse vertaling van haar plaatsen. In de bundel ‘Geef de moed niet op’ gedichten van een 100-jarige, staan haar gedichten in een vertaling van Luc Van Haute.
Ze werd 101 jaar oud en heeft nog veel van haar succes meegemaakt. Over haar fans zei ze: ‘Er bloeide een bloem uit een eeuwenoude boom, en dat allemaal dankzij jouw steun. Nu heb ik een souvenir om mee te nemen naar het hiernamaals, waar ik over kan opscheppen tegen mijn man en mijn moeder.’ Het gedicht dat ik koos uit deze bundel is getiteld ‘Nieuwjaarskaart’ . Vandaag, op deze eerste dag van het nieuwe jaar daarom dit gedicht.
.
Nieuwjaarskaart
.
Iedere eerste dag van het jaar
denk ik terug
aan je vader
en hoe hij mompelde
‘Zo te zien
maakt hij het goed
Nou, mooi zo’
En intussen las en herlas hij
jouw nieuwjaarskaart
.
Als jullie elkaar zagen
maakten jullie ruzie
Maar weet mijn zoon
dat je vader altijd aan je dacht
.
Stadsontwikkeling
Daan de Ligt
.
De Haagse dichter Daan de Ligt (1953-2016) begon op relatief late leeftijd te schrijven, hij maakte in zijn gedichten gebruik van vaste versvormen als de sonnet. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag gaf hij in eigen beheer de bundel ‘Vijftig’ uit, waarin ook een aantal Haagse stadsgezichten was opgenomen. Deze stadsgezichten maakten zo’n indruk op de redactie van de Haagsche Courant (later AD Haagsche Courant), dat De Ligt gevraagd werd om als stadsdichter voor de krant nog vijfentwintig stadsgezichten te schrijven. Dit werden er tussen 2003 en 2010 uiteindelijk 250.
Veel van deze gedichten spelen zich dan ook af in Den Haag. In 2009 verscheen zijn bundel ‘Oude nozem’ zijn vijfde dichtbundel (er zouden er nog drie volgen). De poëzie is het best te definiëren als light verse maar in ‘Oude nozems’ wilde De Ligt zijn andere wat meer serieuze kant belichten. Bladerend in de bundel stuitte ik op het gedicht ‘Stadsontwikkeling’ dat eigenlijk nog steeds, of alweer, heel actueel is. Met de grote vraag naar huizen worden allerlei stukjes grond in de stad die braak liggen of die nog wat natuur bevatten, opgeofferd aan deze vraag.
.
Stadsontwikkeling
.
dit is een prachtig bos, haast ongerept
met vogels, vlinders en volwassen bomen
de schoonheid naar een eeuwenoud recept
hier kunnen minstens vijftig villa’s komen
dat duingebied, de onschuld niet verloren
nog rusteloos, zoals het altijd was
met stuivend zand en vrolijk wuivend gras
de ideale bouwplaats voor kantoren
dat landgoed, nog zo groen, verstild en puur
met rozentuin en perken vol margrieten
een lustoord waar de stadsmens kan genieten
ik denk aan hoge flats (te koop, te huur)
natuur is wreed, de sterksten zullen groeien
ik vegeteer op staal, beton en steen
en woeker mij door al het leven heen
als alles is gestorven, zal ik bloeien
.
Theo Thijssenprijs 2024
Edward van de Vendel
.
Deze maand kreeg Edward van de Vendel (1964) de Theo Thijssenprijs 2024, met als ik het juryrapport mag geloven en waarom zou ik dat niet doen, unanieme stem. De Theo Thijssenprijs is een Nederlandse literatuurprijs die wordt toegekend aan een schrijver van oorspronkelijk Nederlandstalige jeugd- of kinderliteratuur.
In 1996 debuteerde Van de Vendel met de dichtbundel ‘Betrap me’ waarna hij een bewerking schreef van de Gysbrecht van Aemstel, gevolgd door de jongerenroman ‘De dagen van bluegrassliefde’. Van de Vendel schrijft ook toneel, non-fictie en liedteksten en teksten voor prentenboeken. Een all round schrijver en dichter kortom.
Zijn werk is onder andere vertaald in het Duits, Spaans, Frans, Italiaans, Noors, Deens, Chinees, Portugees en Georgisch. Zijn prijzenkast is inmiddels zo lang (met onder andere meerdere Zilveren Griffels en Gouden Zoenen en twee nominaties voor de Hans Christian Andersen Award) dat je je afvraagt waarom hij de Theo Thijssenprijs niet eerder heeft gekregen. Dit jaar kreeg hij eerder al de Gouden Poëziemedaille voor de dichtbundel ‘Gelukkig en blij’.
Het juryrapport stelt: Van de Vendel verstaat de kunst van het kijken. Het bijzondere ligt namelijk voor het oprapen, als je het maar wilt zien. Daarmee staat hij in de traditie van dichters als Jan Hanlo of K. Schippers. Ook de taal van Van de Vendel straalt vaak die voor-het-eerst-heid uit, met nieuwe woorden, originele beelden en fonkelende dialogen.
In het bundeltje dat werd uitgereikt tijdens de uitreiking van de Theo Thijssenprijs en waar ik van Marianne (van MUGzine) een exemplaar kreeg, staat, in het dankwoord van Van de Vendel (uiteraard zou ik bijna zeggen) ook een gedicht. Het gedicht is getiteld ‘Wat je moet doen als je moeder huilt’ en komt uit de bundel ‘Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt’ uit 2019.
.
Wat je moet doen als je moeder huilt
.
Ga
naast haar zitten,
tegen haar aan geschoven:
je armen van onder tot boven
dicht op die van haar.
Laat het praten maar aan vaders over,
aan vriendinnen en aan zussen,
en je hoeft de tranen ook niet
van haar slapen af te kussen,
je hoeft niets te begrijpen,
niets te vragen.
Je hoeft haar alleen maar te schragen –
schragen, dat betekent dus steunen,
met je lichaam dus.
Als ze voelt dat ze eventjes op je mag leunen
spoelt er een beetje gedoe
uit haar hoofd.
Hoe?
Dat doet er niet toe.
Iets met draagkrachtverschuiving
en onverwachte aandachtshydrauliek,
Maar de precieze mechaniek
maakt jou en je moeder natuurlijk
niets uit:
je zit huid aan huid
en je merkt
na een fijne, zachte tijd
dat het werkt.
Mama giet eindelijk
geen verdriet meer op de dingen
en buiten begint de zon
Griekse liedjes te zingen.
.
Overspelig Nederlands
Breyten Breytenbach
.
Afgelopen zondag 24 november is de Zuid-Afrikaanse dichter, schilder, schrijver en anti-apartheidsactivist Breyten Breytenbach (1939-2024) overleden in zijn woonplaats Parijs. Hij woonde in Parijs sinds 1960. Nadat hij in 1958 Fine Arts ging studeren werd hij zich ook steeds bewuster van de Apartheid in Zuid-Afrika. Daarom verhuist hij in 1960 naar Parijs waar hij zijn latere vrouw de Frans-Vietnamese Yolande Ngo Thi Hoang Lien, leert kennen. Omdat gemengde huwelijken verboden zijn in Zuid-Afrika in die tijd, is een terugkeer naar Zuid-Afrika uitgesloten.
Breytenbach wordt lid van de Sestigers (niet te verwarren met de Zestigers waar ik gisteren nog over schreef), een groep schrijvers die zich in het Afrikaans verzetten tegen de apartheid, waartoe ook André Brink en Ingrid Jonker behoren. In 1964 debuteert Breytenbach met de poëziebundel ‘Die Ysterkoei Moet Sweet’. In zijn hele leven publiceert Breytenbach circa 50 boeken waarvan de helft dichtbundels.
In 1975 keert Breytenbach toch terug naar Zuid-Afrika, ondanks dat hij weet dat hij daar opgepakt zal worden. Dat gebeurt en in zijn proces dat volgt bekent hij schuld: hij zou zijn teruggekeerd om een anti-apartheidsorganisatie in het leven te roepen die als witte afdeling gelieerd zou zijn aan het ANC. Hij wordt veroordeeld tot negen jaar in de cel (welke hij voor een deel in isolatie doorbrengt). Maar ook in de gevangenis schrijft hij door. Maar liefst vijf boeken schrijft hij daar waaronder ‘De ware bekentenissen van een witte terrorist’ memoires over zijn veroordeling en gevangenschap. In dit boek gaat hij in op de vraag hoe hij als politieke gevangene zijn gevangenschap overleefd heeft.
Na heel veel druk op de Zuid-Afrikaanse machthebbers wordt hij uiteindelijk in 1982 vrijgelaten uit de gevangenis. Hij gaat terug naar Frankrijk waar hem het Frans staatsburgerschap wordt toegekend. Vanaf 2004 woont en werkt hij afwisselend in Europa, Afrika (Zuid-Afrika, Senegal) en de Verenigde Staten.
Breytenbach ontvangt gedurende zijn leven vele literaire prijzen en zijn werk is over de hele wereld vertaald. Zo ook in Nederland bijvoorbeeld door Adriaan van Dis en Laurens van Krevelen. In 2017 verschijnt bij uitgeverij Podium de bundel ‘De zingende hand’ Gedichten 2007-2016. Adriaan van Dis zegt over de taal van Breytenbach: “Een overspelig Nederlands, lenig en krachtig, een kleurtaal aan Calvijn en klei ontstegen’ en The New Yorker noemde hem ‘De grootste Afrikaanse dichter van zijn generatie’.
Uit deze laatste bundel koos ik het gedicht ‘eigenplekspertief’ in een vertaling van Laurens van Krevelen, dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Katalekte’ (Nederlands Catalecten: een verzameling fragmenten uit oude werken) of ‘selfplekspertief’zoals de originele titel luidt.
.
eigenplekspertief
.
om met Descartes te spreken:
het ik is het spook
in de nachtmachine
van het gedicht
.
en als die gedachte
begint te dagen op papier
komt de nachttijding
als beweging
.
pats-boem in het kaartenhuis van hier-kiep-kiep
.
selfplekspertief
.
om met Descrates te praat:
die ek is die spook
in die nagmasjien
van die gedig
.
en wanneer daardie gedagte
dag word op papier
beland die nagtyding
as beweging
.
kaplaks in die hierkiepkiep se kaartehuis
.














