Site-archief

Overweeg de hel

Berthold Brecht

.

Op het forum https://bukowskiforum.com kwam ik terecht nadat ik de vraag had gesteld welke dichter te vergelijken was met Charles Bukowski. Het kan heel boeiend zijn om te lezen wat lezers en fans van een bepaalde dichter vinden van andere dichters die, wellicht, vergelijkbaar zijn met hun idool. In dit geval kwam de naam van Paul Celan naar boven. Op zichzelf geen vreemde suggestie maar doorbladerend kwam ineen de naam van Berthold Brecht naar voren, geïllustreerd door het gedicht ‘Contemplating hell’.

Eugen Berthold Friedrich (Bertolt) Brecht (1898 – 1956) was een Duits dichter, (toneel)schrijver, toneelregisseur en literatuurcriticus wiens werk sterk politiek geëngageerd was . Brecht wordt gezien als de grondlegger van het episch theater. Hij werkte veel samen met de componisten Hanns Eisler en Kurt Weill. In 1933 vluchtte Brecht uit Duitsland voor de nazi’s en kwam na omzwervingen in de Verenigde Staten terecht. In de koude oorlog periode werd hij echter vervolgd worden wegens on-Amerikaanse activiteiten (lees communistische of crypto-communistische activiteiten in de McCarthyperiode) , waarna hij vertrok naar Oost-Berlijn.

Uit de periode waarin hij in de Verenigde Staten leefde (in Los Angeles) stamt dit kritische gedicht.

.

Contemplating Hell

Contemplating Hell, as I once heard it,
My brother Shelley found it to be a place
Much like the city of London. I,
Who do not live in London, but in Los Angeles,
Find, contemplating Hell, that it
Must be even more like Los Angeles.

Also in Hell,
I do not doubt it, there exist these opulent gardens
With flowers as large as trees, wilting, of course,
Very quickly, if they are not watered with very expensive water. And fruit markets
With great leaps of fruit, which nonetheless

Possess neither scent nor taste. And endless trains of autos,
Lighter than their own shadows, swifter than
Foolish thoughts, shimmering vehicles, in which
Rosy people, coming from nowhere, go nowhere.
And houses, designed for happiness, standing empty,
Even when inhabited.

Even the houses in Hell are not all ugly.
But concern about being thrown into the street
Consumes the inhabitants of the villas no less
Than the inhabitants of the barracks.

.

Er staat nog een stoel

Marijke Hooghwinkel²

.

Afgelopen vrijdag kwam ik Marijke Hooghwinkel tegen bij een voordracht in Breda. Thuis gekomen nam ik haar bundel ‘er staat nog een stoel’ er weer eens bij die ze in oktober 2016 publiceerde bij uitgeverij MeerPeper. Het was de wens van Derrel Niemeijer, de ons helaas ontvallen dichter en naast Lea Theunissen, medeoprichter van de uitgeverij, om Marijke bij MeerPeper te laten debuteren.

Marijke is autonoom beeldend kunstenaar, dichter, schrijver en ze organiseert het 1m² Podium. Een van haar thema’s is Onderweg en Ruimte. In de bijzonder fraai en met zorg uitgegeven bundel ‘er staat nog een stoel’ staan 28 gedichten, allemaal zonder titel en allemaal persoonlijk van toon zoals ook het volgende gedicht.

.

waar realiteit

lekt

vallen kelders

.

hier blijf ik staan

op de

.

drempel

.

zie ik jou in mij zie ik

mij in jou wij ballen ons

samen

.

hier blijf ik staan

naar andere diepten

waar jij zult verlangen

naar mij

.

of zal ik deze spiegel metéén

leegvegenwant

jij kijkt vanuit jouw taal

.

mijn blik kruist ooit

vooruit met jou mee

.

Ik ben mogelijk

Maud Vanhauwaert

.

De Vlaamse dichter Maud Vanhauwaert (1984) is schrijver en theatermaker. Ze behaalde een masterdiploma Taal-en Letterkunde aan de universiteit van Antwerpen en een masterdiploma Drama aan het Conservatorium van Antwerpen, waar ze nu zelf doceert. Voor haar poëziedebuut ‘Ik ben mogelijk’ (2011) kreeg ze de Vrouw Debuut Prijsvoor haar bundel ‘Wij zijn evenwijdig’ (2014) de Hughues C. Pernathprijs en de Publieksprijs van de Herman De Coninck- wedstrijd. In haar werk zoekt ze naar speelse theatrale vormen om poëzie publiek toegankelijk te maken. Met haar performances trad ze op, op radio en tv, in binnen en buitenland. In 2018-2019 is ze stadsdichter van Antwerpen.

Uit haar bundel ‘Ik ben mogelijk’ een gedicht zonder titel.

.

jonge mensen die zwijgen

slappe ballen onder een stijve

lage slingers bij een verjaardagsfeest

waar zijn de moeders

die vragen hoe het is geweest

.

in deze stad waarin ze met moeite de maand neertelt

het aangeraden gebak, zonnebrillen metallisch groen

van keverschilden, vraagt ze: ik ben alleen

.

en hoewel de lucht zalmroze

we vrijelijk kunnen spreken dus van luchtroze zalm

zeg ik domweg ja, de stad is steeds

.

en dan de putjes in haar lach

alsof in elke wang een nietje zat

.

Anna Blaman

Lonkende leestafel

.

Afgelopen dinsdag was ik met nog 700 collega’s uit het hele land op het Nationale Bibliotheek congres. Ik was daar als geïnterresseerde maar ook als deelnemer aan één van de activiteiten ‘De lonkende leestafel’. De Lonkende Leestafel staat voor gastvrijheid in lezen. De Lonkende Leestafel brengt mensen met hun interesses samen, stimuleert het lezen en ontsluit kennis. Andere deelnemers aan deze activiteit waren bijvoorbeeld schrijver, dichter cen cultureel denker Gino van Weenen en dichter en organisator Meliza de Vries. Het onderwerp van onze bijdrage was Bubbels. Ieder van ons leeft in zijn eigen bubbel en hoe kun je nou op een creatieve manier inhoud geven aan je eigen bubbel of juist ontsnappen aan je bubbel en juist eens iets heel anders doen.

Op dit blog probeer ik altijd zoveel mogelijk buiten mijn eigen bubbel te treden door ook juist dichters en gedichten te delen die ik niet meteen zou lezen of die niet meteen tot mijn favorieten behoren. Juist om te zien wat er nog meer is onder de zon en of ik daar tussen misschien ook hele mooie gedichten of poëzie kan ontdekken. Tijdens onze performance heb ik Dries Roelvink aan Anna Blaman gekoppeld,  twee inwoners van twee verschillende steden (Amsterdam en Rotterdam) uit twee verschillende culturen en tijdsgewrichten.  Om te laten zien dat je, wanneer je buiten je eigen bubbel plaats neemt er soms hele mooie dingen te vinden zijn.

Van Anna Blaman heb ik haar achtergrond belicht en het gedicht ‘Flirtation’ gebruikt en voorgedragen.

Johanna Petronella Vrugt, beter bekend als Anna Blaman (1905-1960) was schrijfster en dichter. Blaman, openlijk lesbiënne, had haar pseudoniem zorgvuldig gekozen (Blaman staat voor Ben Liever Als MAN).  Haar debuut in 1941! De roman ‘Vrouw en vriend’ veroorzaakte nogal wat ophef vanwege de homo-erotische passages.

.

Flirtation

.

De ganse stad zwicht in mijn vuist
en om de hemel niet te schenden
moet ik mij fluist’rend tot u wenden
in woorden honderdvoud gekuist

Wij zweven in de kleurenwand
van berstensmooi zeepbelgedroom
Ik manoeuvreer – en gij laat loom
alle verantwoording aan kant

Wanneer wij op een klip vergaan
zal ik u trouweloos verlaten
Ik kan uw liefde niet bestaan

en derailleer in eigen baan
zodra daar weerkeren de straten,
mijn pauperhart, mijn schoenzoolgaten

.

Ik ben de vurige

De liefste, onsterfelijke liefdesverzen

.

Gustavo Adolfo Domínguez Bastida (1836 – 1870), kortweg Gustavo Bécquer, was een Spaanse toneelschrijver en dichter. Hij wordt tot de bekendste schrijvers van de Spaanse romantiek gerekend.

Zijn bekendste werken zijn de Rimas (‘Rijmen’) en de Leyendas (‘Legendes’), die tegenwoordig doorgaans samen als de  ‘Rimas y leyendas’ worden uitgegeven. Deze gedichten en verhalen vormen een onlosmakelijk onderdeel van de Spaanse literatuur en behoren tot de verplichte stof van middelbare scholieren in de Spaanstalige wereld.

In de bundel ‘De liefste, Onsterfelijke liefdesgedichten’ staat het gedicht ‘Ik ben de vurige’ van zijn hand.

.

Ik ben de vurige

,

‘Ik ben de vurige, de donkere vrouw,

ik ben het zinnebeeld van elk verlangen;

door liefdeshunker is mijn ziel bevangen.

Ben jij op zoek naar mij?’ – ‘Neen, niet naar jou.’

.

‘Mijn hoofd is bleek; mijn vlechten zijn van goud;

ik heb jou eindeloos geluk bereid;

ik draag in mij een schat aan tederheid.

Roep jij misschien naar mij?’- ‘Neen, niet naar jou.’

.

‘Ik, ik ben een onmogelijke droom,

een hersenschim van nevel en van licht;

ik heb geen lichaam, ik heb geen gezicht;

ik kan je niet beminnen.’  – ‘Kom, o kom!’

.

Dichter van de maand Maart

Armando

.

Na mijn oproep om dichters te noemen die dichter van de maand Maart zou kunnen zijn kreeg ik veel reacties (waarvoor mijn dank). Bekende en minder bekende dichters, zelfs voor mij (nog) onbekende dichters. Uit de 16 suggesties heb ik gekozen voor de kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando (1929) of Herman Dirk van Dodeweerd zoals zijn echte naam luidt.

Armando is een kunstenaar in de meest ruime zin des woords. Aan al zijn activiteiten is al af te lezen dat we het hier hebben over iemand die meer is dan alleen dichter. Toch mocht hij juist voor zijn schrijverschap verschillende prijzen ontvangen zoals De Herman Gorterprijs, de Ferdinand Bordewijkprijs, De Multatuliprijs en de VSB-Poëzieprijs. Armando debuteerde in 1964 met de bundel ‘Verzamelde gedichten’ en in 2017 verscheen zijn voorlopig laatste bundel ‘Liever niet’. Alle reden dus om Armando dichter van de maand te maken.

Ik wilde Maart beginnen met een gedicht uit zijn meest recente bundel ‘Liever niet’ getiteld  ‘De waarheid’.

.

De waarheid

.

Wee het veel te smalle bospad,
het stramme struikgewas,
wee de gaten in de bodem.

De jaren zijn in de boeien geslagen,
langs de straten slapen de vochtige lichamen,
stapels op een hoop verzameld.

Hier heeft iets plaatsgevonden
dat op de vage waarheid lijkt.

.

Straatpoëzie in New York

Frank O’Hara

.

In Nederland (en Vlaanderen) heb je sinds vorig jaar een prachtige website https://straatpoezie.nl waar je een vrij uitputtend overzicht krijgt van alle poëzie die je in de openbare ruimte kan tegenkomen of kan opzoeken. Maar niet alleen in ons land en België bestaat zoiets als poëzie in de openbare ruimte. Zo kwam ik een mooi voorbeeld tegen van regels uit een gedicht van de Amerikaanse Frank O’Hara die zijn aangebracht in een hek in Lower Manhattan langs het water bij Battery Park in de buurt van het World Financial Centre.

Het betreft hier een regel uit het gedicht ‘Meditations in  an Emergency’. Frank O’Hara (1926 – 1966) was kunstcriticus, schrijver en dichter die zich veelvuldig liet beïnvloeden door jazz, het surrealisme, het abstract expressionisme, action painting en verschillende avant-garde kunststromingen.

Zijn poëzie heeft een geheel eigen toon en inhoud en werd wel beschreven als dat ze klonk als ‘het begin van een dagboek’. O’Hara zoekt de intimiteit van het leven in zijn poëzie omdat “poëzie zou moeten gaan tussen twee mensen en niet tussen twee bladzijden”. Behalve dat zijn werk heel autobiografisch is, gaat het ook heel erg over New York, de stad waar hij zijn leven lang gewoond heeft. Zijn werk is eigenlijk de vertelling van zijn leven.

Het gedicht ‘Meditations in an Emergency’ is uit 1957.

.

Meditations in an Emergency

.

Am I to become profligate as if I were a blonde? Or religious as if I were French?

Each time my heart is broken it makes me feel more adventurous (and how the same names keep recurring on that interminable list!), but one of these days there’ll be nothing left with which to venture forth.

Why should I share you? Why don’t you get rid of someone else for a change?

I am the least difficult of men. All I want is boundless love.

Even trees understand me! Good heavens, I lie under them, too, don’t I? I’m just like a pile of leaves.

However, I have never clogged myself with the praises of pastoral life, nor with nostalgia for an innocent past of perverted acts in pastures. No. One need never leave the confines of New York to get all the greenery one wishes—I can’t even enjoy a blade of grass unless I know there’s a subway handy, or a record store or some other sign that people do not totally regret life. It is more important to affirm the least sincere; the clouds get enough attention as it is and even they continue to pass. Do they know what they’re missing? Uh huh.

My eyes are vague blue, like the sky, and change all the time; they are indiscriminate but fleeting, entirely specific and disloyal, so that no one trusts me. I am always looking away. Or again at something after it has given me up. It makes me restless and that makes me unhappy, but I cannot keep them still. If only I had grey, green, black, brown, yellow eyes; I would stay at home and do something. It’s not that I am curious. On the contrary, I am bored but it’s my duty to be attentive, I am needed by things as the sky must be above the earth. And lately, so great has theiranxiety become, I can spare myself little sleep.

Now there is only one man I love to kiss when he is unshaven. Heterosexuality! you are inexorably approaching. (How discourage her?)

St. Serapion, I wrap myself in the robes of your whiteness which is like midnight in Dostoevsky. How am I to become a legend, my dear? I’ve tried love, but that hides you in the bosom of another and I am always springing forth from it like the lotus—the ecstasy of always bursting forth! (but one must not be distracted by it!) or like a hyacinth, “to keep the filth of life away,” yes, there, even in the heart, where the filth is pumped in and courses and slanders and pollutes and determines. I will my will, though I may become famous for a mysterious vacancy in that department, that greenhouse.

Destroy yourself, if you don’t know!

It is easy to be beautiful; it is difficult to appear so. I admire you, beloved, for the trap you’ve set. It’s like a final chapter no one reads because the plot is over.

“Fanny Brown is run away—scampered off with a Cornet of Horse; I do love that little Minx, & hope She may be happy, tho’ She has vexed me by this Exploit a little too. —Poor silly Cecchina! or F:B: as we used to call her. —I wish She had a good Whipping and 10,000 pounds.” —Mrs. Thrale.

I’ve got to get out of here. I choose a piece of shawl and my dirtiest suntans. I’ll be back, I’ll re-emerge, defeated, from the valley; you don’t want me to go where you go, so I go where you don’t want me to. It’s only afternoon, there’s a lot ahead. There won’t be any mail downstairs. Turning, I spit in the lock and the knob turns.

.

Dichter van de maand Februari

Levi Weemoedt

.

De dichter Levi Weemoedt (1948, Vlaardingen)  studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden en heeft dertien jaar als leraar Nederlands voor de klas gestaan. Omdat hij hierin niet voldoende voldoening vond, stopte hij met lesgeven. Weemoedt is schrijver van tragi-komische korte verhalen en dito gedichten die veelal in en rondom Vlaardingen spelen. Ook was hij als medewerker verbonden aan het ‘Algemeen Dagblad’ en publiceerde hij in Renaissance dat in 1996 door Look J. Boden was opgericht. Verder was Weemoedt van 1976 tot 1979 redacteur van literair-satirisch studentenblad Propria Cures, later, in de jaren ’80 schreef hij in ‘Mare,’ het weekblad van de Rijksuniversiteit Leiden. Weemoedt debuteerde in 1977 met de dichtbundel ‘Geduldig Lijden, een jaar later gevolgd door ‘Geen Bloemen’ en ‘Zand Erover’ (1981). Zijn werk werd in 2007 verzameld in ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’. Na 1999 werd het stil rond Weemoedt tot in 2007 de verzamelbundel ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’ werd gepubliceerd met o.a. 40 nieuwe gedichten gevolgd door  ‘Met enige vertraging’ in 2014.

Uit de bundel ‘Rijk verleden’ uit 1999 koos ik voor het gedicht ‘Brave soldaat van D.’ .

.

Brave soldaat van D.

.

Ik draag de hemden af van H. van Duijvenbroek:

KL-soldaat, zo laat het merkje mij weten.

Hij kwam in ’60 op, en hij verliet de troep

in ’62. Zo goed als niet versleten.

.

Van Duijvenbroek is in die twee jaar tijd

één maat gegroeid. Misschien beviel het koken

van de kazernekok. Zijn hemd bleef uit de strijd.

Er zit één gaatje in, maar dat is van het roken.

.

Op avonden dat ik te gast moet wezen

op lezingen of in de Boekenweek,

vraagt iemand soms: ‘Weemoedt, wat moet ik lézen?’

Dan zeg ik: ‘Sorry, ‘k ben een slechte bibliotheek….

.

Maar hoort u het ooit prijzen: vermijd beslist het boek

‘Oorlogsmemoires’. Door H. van Duijvenbroek.’

.

 

10.000 kleine voorwerpen

Wibo Kosters

.

In 2016 was éen van de deelnemende dichters aan de Poëziebustoer de dichter Wibo Kosters (1978). Wibo is schrijver, dichter, organisator en performer. Op zijn website https://wibokosters.nl  staat een erg lange lijst van optredens vanaf 2007 maar ook samenwerkingen die hij aanging met beeldende kunstenaars. Van 2017 – 2019 is hij stadsdichter van Deventer en hij maakt deel uit van dichterscollectieven ‘Brommerdief’ en ‘de korte metten’. In de poëziebusbundel werd het gedicht ‘10.000 kleine voorwerpen’ geplaats en dat sluit aan bij de nieuwe weg die Wibo heeft ingeslagen om eenvoudiger te leven. Zie daarvoor ook zijn website https://legewittekamer.wordpress.com

.

10.000 kleine voorwerpen

.

elke dag een beetje verdwijnen

in voorwerpen die het huis verlaten

met de anekdotes

van de dingen

ik word een man zonder context

verberg me niet in spullen

mijn handen langzaam

echte handen

die niet bezighouden

maar doen

straks is er geen verhaal meer

geen taal om mij

ben ik een herinnering

onopgemerkt

voorbij

.

Op een dag breekt alles

Marieke Lucas Rijneveld

.

Op zondag 28 januari aanstaande zal Marieke Lucas Rijneveld te gast zijn als voordragend dichter bij de Gedichtendag in Theater Koningshof in Maassluis. Deze middag, waarop ook Rellie Telg (Relliatuur), Bert Blasé en Hans Trompert en een aantal Maassluisse dichters zullen voordragen (waaronder de stadsdichter Jaap van Oostrum) zal ik persoonlijk presenteren.

Marieke Rijneveld (1991) is schrijver, muzikant en dichter. Ze studeert poëzie en proza aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Werk van haar is gepubliceerd in onder andere de VPRO Gids, Das Magazin,De Revisor en bij Hard//Hoofd, Passionate Platform, Op Ruwe Planken en De Toneelcentrale. Ze won diverse schrijfwedstrijden en de jaarfinale van de poëzieslag in Festina Lente in Amsterdam. In 2015 verscheen haar debuutbundel ‘Kalfsvlies’ dat al heel snle verschillende herdrukken beleefde. In 2018 dus zeer recent verscheen haar eerste roman getiteld ‘De avond is ongemak’.

In 2014 werden in De Revisor’ een paar gedichten van Marieke Lucas geplaatst, in dat zelfde jaar werd ze door door Arie Boomsma in samenwerking met Das Magazin benoemd tot literair talent van dat jaar.

.

Op een dag breekt alles

Als ik uitstap vraagt een man of ik van bier eerder zal breken
of ik wist dat kroegen net katten waren die overdag sliepen, in de nacht

zich warm om je heen krulden als bladerdeeg in de oven. Ik denk aan de keren
dat ik mijn huis in dronken toestand zag, aan de vreemde pasvormen in de banken

schaafwonden die geen kans op genezing kregen. Aan de vloer die daarna nog
dagenlang zich aan mijn voeten klampte en ik me opsloot omdat de gang beelden

projecteerde van zoenende mensen. Iemand schreef op het behang dat mensen net
melkpannetjes waren en dat het kookpunt er nooit ineens was maar zich altijd

langzaam opbouwde. Ik ging er met een vaatdoekje overheen en  zag mijn
moeder die als ze overkookte, flessen Chardonnay aan de goudvis voerde

daarna de kom aan haar lippen zette, trots zei dat ze al tijden geen druppel meer
dronk. Met stift tekende ik een fornuis  voor de pan, sindsdien kun je zelf

de temperatuur instellen. En ik schud mijn hoofd naar de man op straat en hij
lacht als ik zeg dat het punt van breken nooit met drank te maken heeft

maar met het moment waarop glazen elkaar eventjes aanraken.

.