Site-archief

Gouden munt

Tj. A. de Haan

.

In 2019 schreef ik een blogpost over de bundel ‘Album van de Indische poëzie‘ uit 2014. Ik plaatste daar toen een gedicht bij van de dichter Tj. A. de Haan. Naar aanleiding van dat bericht kreeg ik een reactie van zijn zoon die mij meer kon vertellen over zijn vader Tjaarda Aldert de Haan (1909-1984). Naar aanleiding van dit bericht heb ik een paar keer met dhr. de Haan gebeld en hij heeft zijn zus, mevrouw A.M. Schermer – de Haan gevraagd om mij een exemplaar van ‘Gouden munt’ en ‘Mnémosyné’ toe te sturen, wat ik graag aanvaarde. De bundel ‘Gouden munt‘ mocht ik houden en daar heb ik later weer een gedicht uit gedeeld.

Nu kreeg ik deze week opnieuw een reactie op mijn blog, dit keer van de zoon van Aldert Willem de Haan, Peter de Haan, en dus de kleinzoon van Tj. A. de Haan, dat zijn vader vorig jaar is overleden op 90 jarige leeftijd. Op zijn blog schreef hij een bericht over zijn vader en grootvader. Als eerbetoon schreef hij er een gedicht over. Ik heb goede herinneringen aan mijn gesprekken met Aldert Willem, ze waren inhoudelijk en hij wist veel over zijn vader te vertellen. Als eerbetoon van mij aan hem een gedicht van zijn vader (volg je me nog?) uit zijn bundel ‘Gouden munt’ uit 1975 en wel het titelgedicht.

.

Gouden munt
,
Ik had een gouden munt,
die glansde in de zon,
een munt die ik aan niemand
en nooit meer kon geven.
.
Ik hield hem vast in mijn hand,
ik hield hem vast in mijn droom,
ik hield hem vast als een vogel,
zo rustig in een boem.
.
Maar op een kwade dag
was de munt plotseling
voorgoed uit mij verdwenen,
ik weet niet meer waarheen.
.
Nu loop ik langs de wegen,
nu loop ik door de stad,
en vraag aan alle mensen:
wie heeft mijn munt gehad?
.

Reïncarnatie

Dag drie

.

Op dag drie van mijn vakantie een gedicht met een titel die dichters blijkbaar aanspreekt want ik plaatse al eerder een gedicht met de titel ‘Reïncarnatie’. Van Patricia Lasoen (1948) en van Daan Zonderland (1909-1977). Vandaag echter een gedicht met deze titel van Ester Naomi Perquin (1980) uit haar bundel ‘Servetten halfstok’ uit 2007.

.

Reïncarnatie

.

Wil iemand in mijn benen lopen,

in mijn mond zijn woorden leggen

en in mijn handen stijve vingers

soepel strekken voor pianospel

of strelen – wie wil mij aan?

.

Word ik de eerste keus of heeft

een mooier lichaam niet gepast?

Lig ik opgevouwen achteraan of

hang ik breeduit in de etalage?

.

Hoe weten zij hoe ik mij was?

Welk nog onzichtbaar etiket

is in mijn nekrand vastgezet?

.

Kind

M. Vasalis

.

In 2005 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker de verzamelbundel ‘Kinderen’ Meer dan honderd gedichten over hun wondere wereld. Verzameld en toegelicht door Willem Wilmink (1936-2003). In deze bundel is een grote variëteit aan gedichten (over allerlei aspecten en omstandigheden van het kind zijn) opgenomen en het aardige van deze bundel is dat Willem Wilmink bij elk gedicht  een toelichting geeft onder het gedicht.

Over het algemeen vind ik dat dichters die onder hun gedichten allerlei informatie geven over het gedicht, de plank een beetje misslaan. Als een gedicht allerlei informatie nodig heeft, schrijf dan geen gedicht maar een artikel, geef info achterin de bundel, of, in het geval van een woord dat onbekend is, werk met een * en zet dan onder het gedicht deze * met de betekenis maar dan in kleine letters. Goed genoeg mening voor nu en hier, terug naar de bundel ‘Kinderen’.

Willem Wilmink schrijft in korte commentaren iets over wat hem is opgevallen, iets over de dichter of de herkomst van het gedicht. Als lezer van gedichten vind ik dit minder vervelend dan het commentaar van de dichter zelf. Ik neem een voorbeeld dat ik tegenkwam en waar ik, met de informatie die Wilmink bij het gedicht geeft, meteen door geïnteresseerd was.

Het betreft hier het gedicht ‘Kind’ van M. Vasalis (1909-1998) dat genomen werd uit haar bundel ‘De vogel phoenix’ uit 1948. In de toelichting schrijft Wilmink: “De bundel waarin dit gedicht staat, De vogel phoenix, droeg de dichteres op aan haar zoontje, dat in oktober 1943 stierf, anderhalf jaar oud. Vasalis heeft me verteld dat deze bundel verreweg de minst verkochte is van de drie die ze schreef, want de mensen gaan verdriet nu eenmaal uit de weg.” Alle reden dus om juist dit gedicht onder de aandacht te brengen want verdriet is een emotie die je nooit uit de weg moet gaan.

.

Kind

.

Er was een lichte warmte boven zijn gezicht,

als van de aarde ’s avonds, als de zon verdween.

En als de wind in een gordijn, ging licht

zijn adem in en uit zijn lippen heen…

.

Hij was het leven, zichtbaar bijna zonder schaal

en niets dan leven, tot de rand geschonken

en zonder smet of schaduw neergezonken

en opgestegen in de broze bokaal.

.

Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven

en hoe toegankelijk voor zijn eb en vloed…

Hoe licht en stil en schoon is met de dood

hij op het lege strand alleen gebleven.

.

 

Poëzie en rouw

Dromen dromen

.

In de Volkskrant van zaterdag viel me weer eens op hoe vaak poëzie wordt gebruikt in rouwadvertenties. Dat zal bij andere kranten overigens niet anders zijn. Ik las strofen uit gedichten van Hans Faverey (1933-1990) : ‘Zo begint het, en moet zo lang. / Te lang begonnen blijven’, van Lieke Marsman (1990) ‘Als je eigen dood aan je deur staat en ongeduldig je naam door de brievenbus roept, zie dan maar eens open te doen met een onbewogen, “ach ja, jij hoort er nu eenmaal bij”.’ en van George Harrison (1943-2001) ‘Here comes the sun, and I say, it’s all right’.  En er was een uitspraak van de Duitse kerkleider, schrijver en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) met een grote poëtische zeggingskracht ‘Afscheid nemen / is met zachte vingers / wat voorbij is dichtdoen / en verpakken / in goede gedachten / der herinnering…’.

Ik moest na het lezen van deze stukken meteen denken aan poëziedoctor Kila van der Starre (1988). In haar onvolprezen proefschrift uit 2017 ‘Poëzie buiten het boek‘ de circulatie en het gebruik van poëzie, heeft ze een hoofdstuk gewijd aan Rouwpoëzie, poëzie in rouwadvertenties. Daarnaast was ik nieuwsgierig naar het meest gebruikte gedicht in Nederlandse rouwadvertenties. Daar heb je tegenwoordig een prima AI app voor Perplexity en die geeft als antwoord dat ‘Sub Finem‘ van Vasalis (1909-1998) een van de meest populaire rouwgedichten is, naast ‘De Steen‘ van Bram Vermeulen (1946-2004) en de tekst van Psalm 39 (in meer Christelijke kringen) volgens een onderzoek van het Reformatorisch Dagblad.

Na lezing van deze gedichten voerden mijn gedachten mij vervolgens naar een bundel die ik sinds kort in mijn bezit heb ‘De gedichtenapotheek‘ samengesteld door Philip Huff (1984). In het hoofdstuk ‘Leven met verlies’ is bij ‘de dood van een geliefde’ het gedicht ‘Dromen dromen’ opgenomen van Judith Herzberg (1934).

.

Dromen dromen

.

Ik droomde dat je thuis was lief
je kwam licht uit de auto, ik sliep,
ik hoorde vogels, rook seringen,
jij draaide aan de knop van de radio
die aan mijn hoofdeind stond.
Uit elk station kwamen verwonderlijk
belangwekkende fragmenten.
Ik droomde ook dat ik gedroomd had
dat ik in de keuken stond
en dat het aanrecht in stukken brak –
marmeren brokken. Ik nam in elke hand
een scherf want dacht ik, misschien
is dit een droom, en bracht mijn handen
langzaam bij elkaar, om het marmer
te horen ketsen, maar het ketste niet.
Ik vond het prettig datje thuis was
kon je de droom vertellen. Ja zei jij,
ja dat doet een droom, je voelt iets in je hand
dat er niet is, dat is bekend.
Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik
dat jij thuis bent, ik slaap nog even door.
.Jij neemt wel op. Ik hoorde je spreken.
Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd
en rende. Verdriet om sterven is bekend
verdriet van scheiden niet geacht. En
doden weten niet hoe ze ontbreken.

.

Smalltalk

Sven Cooremans

.

Bladerend in Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, kom ik gedichten tegen van de Vlaamse dichter Sven Cooremans (1970).

Sven Cooremans studeerde filosofie in Leuven en klinische psychologie in Brussel en werkt momenteel aan een doctoraatsonderzoek.  Hij debuteerde in 2003 met de dichtbundel ‘Myeline’.  Zijn verhalen en gedichten verschenen in diverse literaire tijdschriften als De Brakke Hond, DW&B, Yang, Deus Ex Machina en Gierik & NVT en werden in meerdere bloemlezingen opgenomen, onder andere 21 dichters voor de 21e eeuw, Hotel New Flandres en De 100 beste gedichten van de VSB Poëzieprijs 2015. In 2014 won hij met het gedicht ‘Sisyphus’ de tweede prijs in de Turing Gedichtenwedstrijd. Bij PEN Vlaanderen was hij meerdere jaren als bestuurslid verantwoordelijk voor het Writers in Prison Committee en hij was redactielid van Gierik & NVT.

Zijn laatste bundel ‘In rivieren zal ik altijd een gisteren zien’ uit 2023 volgt Cooremans de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) tot in de diepe hellecirkel van de Tweede Wereldoorlog. In Het Liegende Konijn staan gedichten uit zijn bundel ‘Het is dat of stoppen met zingen’ uit 2013. Een van deze gedichten is getiteld ‘Smalltalk’. Voor sommige mensen een gruwel, voor andere smeerolie tot een gesprek.

.

Smalltalk

.

de zee hier blauw noemen

.

en over de stenen vloer van stoelen

en schaaldieren het geschuifel opmerken

.

van de woorden de getijden

.

alleen maar om in deze volle kamer

te kunnen blijven

.

bijvoorbeeld dat alles tegenwoordig

kan worden weggewerkt

.

neem nu die rimpels rond je mond: vul een glas

met ijskoud water en noem de zee

.

hier blijvend blauw

.

Blind gepakt

Tj. A. de Haan

.

Vandaag begin ik op de vrijdag een nieuwe rubriek. Eigenlijk is dit een onderdeel van Uit mijn boekenkast maar ik noem het toch anders namelijk ‘Blind gepakt’. Het idee is simpel, ik heb inmiddels zo’n 15 meter poëzie in mijn kasten staan. Ik ga voor mijn boekenkast staan en pak met mijn ogen dicht een bundel uit mijn boekenkast. Vervolgens open ik deze op een willekeurige bladzijde en het gedicht dat daar staat zal ik hier delen. Lekker random dus zoals sommige jongeren wel zeggen.

De eerste bundel die ik pak is ‘Gouden munt’ van Tj. A. de Haan uit 1975. Tjaarda A. de Haan (1909-1984), zoals de volledige naam van de dichter luidt, was arts en marine officier en werd geboren in Nederlands Indië. ‘Gouden munt’ is niet meer verkrijgbaar (ik vond nog 1 exemplaar antiquarisch te koop) en toen ik de bundel willekeurig opende stuitte ik op het gedicht ‘Horizon’ .

.

Horizon

.

Je wandelt aan de grenzen van mijn horizon

Niet verder af, maar zelden dichterbij

Je koos een pad, dat voerde weg van mij

En van het water uit een diepe bron

.

Hoe juist, dat ieder mens zijn eigen paden kiest

Het kan daar eenzaam zijn of juist ook vol en druk

Men kan de wanhoop tegenkomen of een groot geluk

’t Is mogelijk dat men alles wint of ook verliest

.

Wanneer de hemel helder is en blauw en wijd

Richt zich de koers op zeker schijnend doel

Dan lacht een zorgeloze vreugd, een trots gevoel

Om iedere zorg en iedere moeilijkheid

.

Maar als het gaan een dwalen wordt, of grauwe mist

Het zicht beperkt tot blinde nevel muur

Die elke spanning wegneemt uit een volgend uur

Dan kan er twijfel zijn aan wat men zeker wist

.

Wel steeds wanneer ik uitkijk naar mijn horizon

En je zie wandelen in een ver verschiet

Dan wil ik dat je weten zult, betwijfelen niet

Dat er een rustpunt is te vinden aan de bron.

.

Reïncarnatie

Daan Zonderland

.

Ik ben in het bezit gekomen van de bundel ‘Weerbarstig alfabet’ van Daan Zonderland (1909-1977) uit 1955. Een bijzonder bundeltje omdat het in rode inkt en overdwars gedrukt is en omdat ik dacht dat ik het al in mijn bezit had. Ik vergiste me, ik had zijn bundel ‘Redeloze rijmen’ uit 1952 voor ogen dat, bijzonder genoeg, ook al een alfabet als uitgangspunt had. In die bundel staan vooral light verse en nonsens rijmen en in ‘Weerbarstig alfabet is dat eigenlijk niet anders.

Dat Zonderland het alfabet niet strak volgt is het meer dan vergeven, in de bundel spat het plezier eraf en daar gaat het om. Dit keer koos ik voor de letter M waar een gedicht staat dat over Mientje gaat (wat de letter M rechtvaardigt) met als titel ‘Reïncarnatie’.

.

Reïncarnatie

.

Jij met je schone gelaat,

Jij met je gratie,

Als jij ooit overgaat

Tot reïncarnatie,

Waarschuw mij, lieveling,

Mientje, mijn fee,

Want als jij herbevleest,

Dan doe ik mee.

.

De idioot in het bad

Vasalis

.

Zondag interviewde ik José van Zutphen tijdens het poëziepodium van DBDD in de aula van de begraafplaats Oud Eik en Duinen. Ik vroeg haar onder andere welke dichter ze graag eens zou ontmoeten (mocht een levende of een overleden dichter zijn). Ze antwoorde hierop dat ze graag Vasalis (1909-1998) zou willen ontmoeten. Ik begrijp dat heel goed. Ze vertelde erbij dat ze het gedicht ‘De idioot in het bad’ zo mooi vond.

Nu wil het geval dat ik afgelopen weekend in een kringloopwinkel de bundel ‘Met twee maten’ kocht. Samengesteld door Paul Rodenko en oorspronkelijk uitgegeven in 1956 (mijn exemplaar is een derde druk uit 1974) als een Bert Bakker Bloemlezing. De ondertitel van de bundel luidt: de kern van vijftig jaar Nederlandse poëzie geïsoleerd en experimenteel gesplitst. En laat het gedicht ‘De idioot in het bad’ nu in deze bundel staan.

Uiteraard heb ik eerst gekeken of ik het gedicht al eens geplaatst had op mijn blog en aanvankelijk dacht ik dat dat het geval was maar het blijkt dat ik slechts de laatste twee strofes heb opgenomen in dit bericht. Daarom alsnog het hele gedicht.

.

De idioot in het bad

.
Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
Haast dravend en vaak hakend in de mat,
Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
Gaat elke week de idioot naar ’t bad.
.
De damp die van het warme water slaat
Maakt hem geruster : witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.
.
De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.
.
Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.
.
Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.
.
En elke keer, dat hij uit ’t bad gehaald wordt,
En stevig met een handdoek drooggewreven
En in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.
.
En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

.

Zangen van hoop

S. Bonn

.
In een kringloopwinkel kwam ik een dichtbundel tegen uit 1919 getiteld ‘Zangen van hoop’ van dichter S. Bonn. Dichter en toneelschrijver Salomon Bonn (1881-1930) werkte onder meer als schoenmakersknecht, coupeur in de confectie-industrie en als boekhandelaar.  Bonn is een dichter die zo af en toe in poëziebloemlezingen opduikt, maar waarvan slechts weinigen meer weten dan dat hij in de periode 1910-1930 de bekendste arbeider/dichter van het land was.
Van jongsaf aan was hij actief partijlid van de in 1894 opgerichte Sociaal Democratische Arbeiderspartij. Hij was sterk beïnvloed door Herman Gorter (die hoge verwachtingen van
hem had), C.S. Adama van Scheltema en Henriëtte Roland Holst. Hij stond bekend als de eerste joodse ghetto-dichter; hij gebruikte in zijn laatste bundel ‘Gewijde
liederen’ (1926) ook Jiddisch en Hebreeuws.Bonn declameerde onder meer voor de VARA-Radio (1930). Hij was medewerker aan onder andere De Gids (1908-1912), De XXste Eeuw (1909), De Vrij-dagavond, Joodsch Weekblad en De Socialistische Gids. In laatstgenoemd maandschrift verscheen in 1918 het gedicht ‘Karl Marx (Ter herdenking)’.
Uit de bundel ‘Zangen van hoop’ nam ik het gedicht ‘Gij’.
.
.
Gij
.
.
Gij die zoo rank als alpenbloeme zijt
en roert uw teeder lijf met teer gerengel
gelijk de lichte bloem aan haren stengel
op ’t windje wiegedeint en blinkend spreidt.
.
Gij die zoo blank als zuiver zonlicht zijt
goudstralen stroomend uit ’n lichte lucht
tot aarde is ’n stralend gouden vrucht
onder fluweelenblauw blinkend gebreid.
.
Gij die zoo teer als blonde jonge morgen
uit stilte schuchter treedt, uit ’t zacht verborgen,
en ruischloos nacht maakt dag, wanneer zij schrijdt.
.
Al nacht en droefheid, ’s levens zwarte zorgen
wijken van mij voor stralend lichten morgen
als gij, lieve, mij naart dees zang gewijd.
.
.
.

Liefdesgedicht

Miklós Radnóti

.

Omdat het nooit kwaad kan om een liefdesgedicht te delen, en omdat het in deze donkergrijze natte dagen kan helpen om even wat verwarming te vinden in een liefdesgedicht, wil ik vandaag een gedicht plaatsen van Miklós Radnóti uit de bundel ‘Nachthemel, waak’ die begin van dit jaar uitkwam in een vertaling van Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi. Deze ruime bloemlezing uit het werk van de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) maakt de Nederlandse lezer bekend met de rijkdom van zijn poëzie.

In 2021 verscheen Het schriftje uit Bor, de laatste gedichten die de Hongaars-Joodse dichter als dwangarbeider noteerde in de weken voordat hij door zijn Hongaarse bewakers werd vermoord. Maar Radnóti’s poëzie bestaat niet alleen uit ongeëvenaarde meesterwerken van de universele Holocaustliteratuur. Ze omvat ook uitbundige liefdesgedichten, natuurlyriek en polemische verzen, al blijft het altijd, bijna profetisch, doordrenkt van de dood.

Radnóti’s reputatie als dichter was en is in Hongarije groot – zij het niet onomstreden: de huidige regering rangschikt hem onder de ‘minder belangrijke auteurs’. Ook politiek en maatschappelijk maakte hij in zijn korte leven een grote ontwikkeling door, van sensueel, paganistisch dichter werd hij, via christelijke invloeden, een ‘getuige van zijn tijd’. De dichter als ziener, als verantwoordelijke zonder enige vrijblijvendheid.

Uit deze bundel dus een liefdesgedicht met precies die titel. Een gedicht dat Radnóti  schreef op 2 oktober 1939.

.

Liefdesgedicht

.

Daar talmt de z\on in de woelige, schuimende lucht,

wuift even koel, zwemt voorbij.

Hier in je ogen het parelend zonnezweem dat

blauw door de nevelen schijnt.

Voort gaat het goudgele pad,

lang overdekt al met blad.

.

Hier is het herfst. En de walnoten worden gekraakt,

stilte druipt al van de wanden,

zend nu de dromende druif op je schouder maar uit,

blad valt, de vorst is ophanden,

star is de akker, hij kantelt

en valt; hoor dat stille geluid.

.

Mild lief van mij. jou bemin ik, jij hoedt de seizoenen!

Nimmer bemin ik een ander.

.