Site-archief
Benjamin’s vertellingen
W.L. Penning jr.
.
Wanneer ik de vele dichtbundels bekijk op de rug in mijn boekenkast, zie ik soms bundels waarvan ik het bestaan vergeten ben of waarvan ik het bestaan niet eens kon vermoeden. Meestal zijn dit oude en wat obscure bundels zoals in onderhavig geval ‘Benjamin’s vertellingen’ een gedicht door de Schiedamse dichter Willem Levinus Penning jr (1840 – 1924) . Dit fraaie werkje is uitgegeven in de sprokkelmaand (februari) van 1898 (zo staat het er echt) in Amsterdam door S.L. van Looy en bevat een aantal hoofdstukken en delen die in de jaren voor 1898 vanaf 1881 werden gepubliceerd onder andere in De Gids, Europa en De Nieuwe Gids.
De gedichten gaan over Benjamin en zijn vrouw Ruth, over het dichterschap, over het familieleven, over het dagelijks leven maar steeds rondom de familie van Benjamin waar de titel naar verwijst. In het hoofdstuk ‘Hoe in den grooten Benjamin de kleine werd wakker geluid’ staat het gedicht ‘De muze en haar dienaar’ dat losgezongen van de rest ook goed leesbaar is als opzichzelfstaand gedicht. Waarbij ik graag je wijs op de laatste 4 zinnen van de tweede strofe, waar de dichter duidelijk aangeeft hoe hij denkt over de ware kunst (een kunstenaar moet lijden).
Penning was een van de voorlopers van de Beweging van Tachtig, een stroming die mede opkwam uit verzet tegen de clichématige, bloedeloze literatuur van haar voorgangers. Hoewel Penning tot die voorgangers behoorde, was hij nu juist een van de weinigen die een eigen geluid lieten klinken. Dichtbundels als ‘Benjamin’s vertellingen’ en ‘Tom’s dagboek’ thematiseren de kinderjaren van de dichter. Door een oogkwaal ging het gezichtsvermogen van Penning snel achteruit en werd hij uiteindelijk blind. Penning was bevriend met bekende dichters, zoals Jacques Bloem, Jan Greshoff, Hein Boeken en Albert Verwey. Zij maakten het mogelijk dat “Levensavond” (1921) verscheen daar Penning toen al enige jaren blind was..
Op Delpher kun je de bundel (tweede druk uit 1920) in zijn geheel lezen mocht je hierin geïnteresseerd zijn https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&identifier=MMKB02A:000031081:00001
.
De muze en haar dienaar
.
Aanschouwlijk, zou zich Ruth het nonnetje ook doen hóóren;
Zou ’t dubbel spoken! had ik wel gezworen;
Doch nu ’t Portret weêr hing, werd van geen vers gewaagd;
En liggen bleef het – tot door na-jaarskoren,
Door storm-muziek mijn ziel werd opgejaagd,
En zich ontwikkelde uit een zakendrukte
Waarvoor de muze al menigwerven week;
Wien ze ooit zich eensklaps weêr ontsluierde ne vrrukte,
Gist hoe in mij de minnaar Dienaar bleek.
Wien ze ooit verkóór, hij weet hoe’s dichters leven
Een dubbel-leven is, en al wie kunstig doet
Veel en uit liefde lijden moet-
Of koud is de uitslag van zijn streven,
Fabriekswerk! mooi, maar poppig goed!
.
Met zwier en glans den Geest ontwrongen,
Zij ’t kunstgewrocht bewond’renswaard, –
Beminnelijk is, en Goddelijk van aard,
Wat, tevens aan ’t Gemoed ontsprongen,
Meer bloeit dan blinkt, als uit de ziel gezongen
Dier leven trillende openbaart.
.
En wijl in ’s dichters hof de lieflijkste rozen
Zich drenkten met zijn hartebloed,
En tranen dauwden op haar gloed,
En stille pijn zich teekent in haar blozen,
Zoo heet de dichter ziek? ….
Blijkt maar zijn oogst gezond,
Gezond is ook zijn ziel! En àlweêr, zorgzaam blijde,
Wil ze als der Parel moeder lijden. –
En aarden naar de Schelp daar Venus uit ontstond.
.
Twee vliegen
Charles Bukowski
.
Ik was wat aan het browsen op de fijne website https://allpoetry.com/ waar je gratis lid van kunt worden. Een website vol poëzie van nu maar ook met een heerlijk archief aan klassiekers. Daar ronddolend kwam ik, zoals vaker, uit bij de poëzie van Charles Bukowski (1920 – 1994), een van mijn all time favoriete dichters (zeker in het Engels taalgebied). Een groot aantal gedichten kende ik al die ik daar las maar deze, ‘2 flies’ nog niet. De zin ‘I suffer insects’ is zo veelzeggend voor Bukowsky, die uit de kleine dingen in het leven iets groots en betekenisvols kan maken. Daarom hier het gedicht ‘2 Flies’.
.
2 Flies
.
The flies are angry bits of life;
why are they so angry?
it seems they want more,
it seems almost as if they
are angry
that they are flies;
it is not my fault;
I sit in the room
with them
and they taunt me
with their agony;
it is as if they were
loose chunks of soul
left out of somewhere;
I try to read a paper
but they will not let me
be;
one seems to go in half-circles
high along the wall,
throwing a miserable sound
upon my head;
the other one, the smaller one
stays near and teases my hand,
saying nothing,
rising, dropping
crawling near;
what god puts these
lost things upon me?
other men suffer dictates of
empire, tragic love…
I suffer
insects…
I wave at the little one
which only seems to revive
his impulse to challenge:
he circles swifter,
nearer, even making
a fly-sound,
and one above
catching a sense of the new
whirling, he too, in excitement,
speeds his flight,
drops down suddenly
in a cuff of noise
and they join
in circling my hand,
strumming the base
of the lampshade
until some man-thing
in me
will take no more
unholiness
and I strike
with the rolled-up-paper –
missing! –
striking,
striking,
they break in discord,
some message lost between them,
and I get the big one
first, and he kicks on his back
flicking his legs
like an angry whore,
and I come down again
with my paper club
and he is a smear
of fly-ugliness;
the little one circles high
now, quiet and swift,
almost invisible;
he does not come near
my hand again;
he is tamed and
inaccessible; I leave
him be, he leaves me
be;
the paper, of course,
is ruined;
something has happened,
something has soiled my
day,
sometimes it does not
take man
or a woman,
only something alive;
I sit and watch
the small one;
we are woven together
in the air
and the living;
it is late
for both of us.
.
Biesbosch
Ben Cami
.
Veel mensen vieren vakantie in eigen land, niet alleen in Nederland maar ook in veel andere landen in de wereld. Door de onzekerheid over wat er wel; en niet mogelijk is kiezen Nederlanders om nu eens niet af te reizen naar de Spaanse stranden, de Turkse all in resorts, de Franse campings of de Thaise eilanden maar om in Nederland te blijven en vakantie te vieren in Otterlo, Veere, Lochem of de Biesbosch.
De Vlaamse dichter Ben Cami (1920 – 2004) schreef al eens een gedicht over een van deze plekken. In de bundel ‘Ben Cami Gedichten’, het verzameld werk van deze dichter uit 2009 staat het gedicht ‘Biesbosch’.
.
Biesbosch
.
Twee vissers in de stille morgen
Trekken ter visvangst. De Biesbosch
Licht voor hen zijn rustige nevels op
De vissen maken blaasjes in hun slaap,
De paling doet zijn lang lijf trillen
Diep in ’t goor.
.
Hebben ze alles mee? Het leefnet en het schepnet
Genoeg benzine, lijntjes voor de brasem
Lijntjes voor de voorn? en op hun tocht
Door de morgen die alleen voor vissers
Als een wonder opengaat,
Zuigen ze diep verheugd aan hun eerste sigaret.
Ze speuren naar de lucht, voorspellen
Zuidwestenwind en dat de vis zal bijten.
.
Korte gedichten
Op maandag
.
De dagen lijken steeds meer op elkaar en daardoor was ik gisteren helemaal in de war. In plaats van korte gedichten van de maand te plaatsen, gaf ik jullie een ‘Cadeautje’. Ook niks mis mee natuurlijk en daarom vandaag, voor een keer op maandag in plaats van op zondag, korte gedichten. Vandaag koos ik voor drie gedichten van dichters uit Vlaanderen en Nederland te weten Hubert van Herreweghen (1920 – 2016) een van de belangrijkste na-oorlogse dichters uit Vlaanderen, de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky (1932 – 1977) en de Vlaamse dichter Petra Van den Berghen (1971).
Van Hubert van Herreweghen koos ik het gedicht ‘Paar’ uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986.
Van Riekus Waskowsky koos ik het gedicht ‘Gospelsong’ uit ‘De verzamelde gedichten’ uit 1985.
Van Petra Van den Berghen koos ik het gedicht ‘grijpen en mazen’ uit ‘Staalkaart van de Nederlandstalige Podiumpoëzie 2017’.
.
Paar
.
Ik zie een jongen naast een meisje lopen,
hij kust haar en zij lacht om het geval.
Genadige dood! Zij kirren en zij hopen,
zij zien het kind nog niet dat hen begraven zal.
.
Gospelsong
.
Elke seconde verandert de wereld
men leeft maar en sterft maar
alsof het niets is en misschien is
het ook wel niets dan wat beweging
waardoor de wereld niet verandert.
.
grijpen en mazen
.
het glijdt de vingers van herhaling door
-tussen-
de pauzes in
snijdend aan gewonde handen grijpen ze doelloos in uitgezette netten
tussen de lijven in wapperen de mazen, bot in hun vieren
in altijd, overal ontglipt.
.
Zomergedichten
Dubbel-gedicht
.
Nu de zon weer schijnt in deze rare en ingewikkelde tijden vond ik het tijd om ook in mijn berichten wat vaker de zon te laten schijnen. Als hart onder de riem of gewoon als voorbode van betere tijden. Daarom vandaag een Dubbel-gedicht over de zon.
Het eerste gedicht ‘Zomer’ is van de dichter Jos De Haes (1920 – 1974) en komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986. De Haes was een Vlaams dichter, essayist en radiomaker. Hij debuteerde in de collectieve bundel ‘Aanhef’ in 1941 met ‘De diepe wortel’, publiceerde gedichten in ‘Podium (1943 – 1944) waar hij hoofdredacteur van was, in de ‘Poëziespiegel’ en in ‘Dietsche Warande & Belfort’ waarvoor hij in 1950 recensent werd en in 1960 redactielid. Na zijn dood verscheen zijn verzameld werk in 3 delen in 1974, 1986 en 2004.
Het tweede gedicht ‘Zonlicht’ is van dichter Rogi Wieg (1962 – 2015) en komt uit de bloemlezing ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ uit 2015. Rogi Wieg was schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant. Hij debuteerde in 1981 met de bundel ‘Cis-trans’. Hij was redacteur van de literaire bladen ‘Tirade’ en ‘Maatstaf’ en hij was tussen 1986 en 1999 als poëziecriticus verbonden aan ‘Het Parool’. Wieg kreeg onder andere het Charlotte Köhler Stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverblijf’. stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverdrijf’.
.
Zomer
.
Stond op de plek een wagen
scheef in de grond ter ziele.
De zon stond hout te zagen.
Ik sliep tussen de wielen.
Ik sloeg de liefde gade
van kevers en van maden.
Tedere bakelieten
plezierden en verdrietten
elkaar met dunne vijlen,
met haken en met bijlen,
met tatertjes en sprieten
alaam van sodomieten.
.
Ik lag in hoge klaver,
de rode toppen blekten.
Ik lag in hoge klaver
met wijfjes van insecten.
.
Zonlicht
.
Veel grote mannen hadden wel
een gezin, een warm bord op
tafel, een balkon boven de zee.
Ben ik een groot man, sla dan
.
tenminste een spijker in mijn
werk die niet krom en roestig
verleden of toekomst uitbeeldt,
maar als spijker het oog
juist op de hoogte houdt
.
van wat het moet zien:
ik mis je zo, eeuwigheid,
dat ik haastig naar huis ga
uit het zonlicht om nog
.
tijd te hebben thuis te komen
uit het zonlicht.
Grootheid is het meervoud omarmen
van grammaticaal zeer ongelijke tijden.
.
November
Innokenti Annenski
.
De in Omsk (Rusland) geboren dichter, vertaler en essayist Innokenti Annenski (1855 – 1909) is een vrij onbekende dichter uit Rusland. Hij was dan ook een laatbloeier met een klein oeuvre, die pas na zijn dood erkenning kreeg en dan ook nog in een kleine kring van kenners waaronder Boris Pasternak (toch niet de minste). Hoewel hij al vanaf jongs af aan schreef publiceerde hij pas zijn eerste werk in 1901.
Annenski schreef bondige, precieze symbolistische lyriek (dat wil zeggen dat alles wat beschreven wordt staat voor iets anders) met een melancholieke inslag, die de tragiek van het bestaan tot onderwerp heeft. Onmiddellijk na zijn dood in 1909 werd zijn bekendste dichtbundel ‘Het cypressehouten kistje’ gepubliceerd. Daarna ontstond pas zijn grootste populariteit, tussen 1910 en 1920, niet alleen vanwege zijn verzen, maar ook vanwege zijn geroemde vertalingen van Franse symbolisten als Baudelaire, Rimbaud en Verlaine.
In 1996 verscheen de bundel ‘Vier Petersburgers’ bij uitgeverij De Bezige Bij met daarin onder andere het gedicht ‘November’ van Annenski in een vertaling van Peter Zeeman.
.
November
.
Het avondrood is dof, verschoten,
En doods de gele dageraad.
Een tak door het kozijn omsloten
Hing gister net zo desolaat…
.
Slechts dit wordt mij tot troost geboden:
Al wat ik schrijf wordt delicaat
Met milde tinten overgoten,
In zilverwitte glans gebaad.
.
De nevel houdt de zon gevangen…
Nu in de sneeuw een slee bespannen,
De wolken volgen in hun jacht,
.
Je over schel gefluit verblijden
En deinend door de witte pracht
Naar onbegrensde verten glijden…
.
Eddy Evenhuis
Uit de Pas
.
Ik koop en krijg veel dichtbundels. En soms zit er een bundeltje tussen dat op het eerste oog niet zo opvalt maar bij nadere bestudering ineens een klein pareltje te zijn. Ik heb er in de loop van de tijd verschillende ‘gevonden’. Nu lag boven op de stapel met dichtbundels een dichtbundel van Eddy Evenhuis. Eenvoudig vormgegeven, grijsblauwe kaft, linnen rug en alleen in kleien gouden letters de naam van de dichter en de titel ‘gedichten’. Deze kleine bundel is zorgvuldig gemaakt, genaaid en gemaakt van een kwalitatief stevige soort bijna geschept papier.
De 32 pagina tellende bundel bevat 19 gedichten. Op het titelblad blijkt het hier te gaan om de bundel ‘Uit de Pas’ uit 1943, uitgegeven door Homerus Pers. In het Colophon staat te lezen: De gedichten uit dezen bundel zijn voor een deel ontleend uit “Pan in de Stad”, een bundel in voorbereiding. “uit de Pas” werd in 1943 uitgegeven in een oplage van driehonderd genummerde exemplaren. Mijn exemplaar is genummerd 167.
Eerst dacht ik nog dat het een heruitgave was, de staat van de bundel is nog zo mooi, geen verkleuring of verstoffing. Maar het betreft hier een originele uitgave uit 1943. Op https://www.nederlandsepoezie.org lees ik dat het hier een clandestiene uitgave betreft.
Eddy Evenhuis (1920 – 2002) was journalist en dichter. Hij heeft als correspondent (De vrije Pers) ,redacteur en eindredacteur (de Leeuwarder Courant) gewerkt en bij de laatste was hij ook verantwoordelijk voor de bijlage ‘De Lyrische courant’. Ook was hij medewerker aan o.a. Criterium, Groot Nederland, Parade der profeten, De Stem, Het Woord en Maatstaf.
Ik koos uit de bundel ‘Uit de Pas’ het gedicht ‘Gif en verraad’.
.
Gif en verraad
.
Zij was een beker met een blank venijn
en gaf zich bloot aan hem, den schelen drinker,
onhandig tastend naar het glas: wat blinkt er
met meer verraad bij kaars en zonneschijn?
.
Maar door de wereld gaat een oud refrein
vol dwazen weemoed: van zwei Königskinder;
hier blijft de minnaar die of kwartjesvinder,
al zal de liefde wel dezelfde zijn.
.
De een drinkt liefde popelend en grif,
de ander aarzelend, die weer behendig,
er zijn er, die geen toon muziek verdragen,
.
er zijn er, die zelfs bruiloftsmarschen vragen,
maar wat is liefde anders dan vergif,
sneeuwwit of purper, proper of ellendig?
.
Nachtelijk gesprek
Paul Rodenko
.
Paul Rodenko ken ik vooral als samensteller en bloemlezer van allerlei bundels zoals ‘Voorbij de laatste stad’, ‘De muze viert feest’ en ‘Nieuwe griffels, schone leien’. Paul Rodenko (1920-1976) was echter veel meer, hij was dichter, criticus, essayist en vertaler. In de oorlog werkte hij mee aan de illegale tijdschriften Maecenas en Parade der Profeten. Zijn debuut als dichter maakte Rodenko in 1947 met zijn vertaling van Dvenatsat (De twaalf) van de Rus A. Blok (de vader van Rodenko was een Rus).
Door zijn essays en bloemlezingen over de experimentele poëzie in Nederland, ontstond een klimaat waarin de vernieuwende Beweging van de Vijftigers in de Nederlandse poëzie in steeds bredere kring werd geaccepteerd. Rodenko, die meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs doorbracht, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighield, was zich al voor het optreden van de Vijftigers bewust van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de literatuur. Een goed voorbeeld is zijn gedicht ‘Bommen’ dat ik mop dit blog plaatste op 15 juli 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/07/15/bommen/.
Uit de bundel ‘Orensnijder tulpensnijder’ Verzamelde gedichten uit 1975 het gedicht ‘Nachtelijk gesprek’.
.
Nachtelijk gesprek
.
We zitten moe als padden zo gedwee
in onze transparante tent
de nacht rondom is een immense zee
de woorden onze mond ontwend
zijn trage jonken op het tijloos water
.
Geen uurwerk tikt er in de nacht
geen tafel lacht
je onbeweeglijke gezicht
is van een wonderlijke naaktheid
.
Hoe lang reeds is de zin geronnen
van ons gesprek in deze tent
komt er dan nooit een end
de laatste spin heeft stil mijn tong bestegen
en is verveeld zijn grauwe web begonnen
.
Je stem heeft zich nu eindeloos verlengd
ik zie de voet slechts van een rijzig woord
je vissenmond kruipt langzaam naar mij toe
.
en wordt heel groot en onbegrijpelijk rond
.

















