Site-archief
Voor de spiegel
Liane Bruylants
.
Vanaf vandaag ben ik even een weekje op vakantie. Daarom, zo als altijd de komende week elke dag een gedicht zonder al teveel omhaal. Vandaag begin ik met een gedicht van de Vlaamse dichter Liane Bruylants (1921-2009). Het gedicht ‘Voor de spiegel’ komt uit haar bundel ‘Droomgestalten’ uit 1976, als deel van ‘De Bladen voor de Poëzie’.
.
Voor de spiegel
.
Ik zat naast hem: aan de wand
weerkaatste de spiegel ons beeld.
Het was als een tijdloos verband
waarin niets van onszelf bleef verheeld.
.
Hij dacht dat ik, dromend, niet wist
wat hij me zwijgend verborg
en wat hij sinds lang had beslist
maar steeds nog niet zeggen dorst.
.
Steelsgewijs keek ik hem aan
toen hij zijn hoofd van me boog
en kon het niet langer bestaan
te verzwijgen hoe hij steeds loog.
.
Hij ging. Zijn afscheid was koel
als van een die weet wat hij wil.
Niets had zin n u noch doel:
wij scheidden zonder geschil.
.
.
Carpe Diem
Job Degenaar
.
Begin dit jaar verscheen bij een van mijn favoriete poëzie-uitgeverijen, uitgeverij P, de bundel ‘Zomerschaduw’ van Job Degenaar uit. Job Degenaar (1952) is dichter en vertaler en studeerde in 1983 af in de Neerlandistiek, hoofdrichting Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was tien jaar voorzitter van Writers in Prison Committee van PEN Nederland en is sinds 2017 voorzitter van PEN Emergency Fund.
In 1976 debuteerde Degenaar met de bundel ‘Bericht voor gelovigen’ en nu is er dan ‘Zomerschaduw’ zijn elfde uitgave met uitsluitend nieuwe gedichten. In deze bundel staat het licht centraal; maanlicht, zonlicht, schaduwen, schemerlicht, lentelicht, het komt allemaal langs in zijn poëzie. Of, zoals Tom Veys het beschrijft in zijn recensie van deze bundel op Meander: “Het licht merk je vaak tussen de verzen”. Maar zijn poëzie is ook luchtig, ernstig en serieus maar er zit ook humor in zijn gedichten zoals in het gedicht ‘Ans’.
.
Ans
.
Twintig en nog onbevlekt, wringt ze zich
amechtig van haar fiets, om voor Facebook
te poseren bij een schittermeer in Fryslân
.
Vijf likes maar liefst: van amechtige tante
Truus, bedlegerige ome Piet, zwijgzame
Cousin Koos, diens morbide zoontje Joost
en zelfs van halfzus Coby, die
doorgaans alles maar zozo vindt
.
Ans van ‘Begeleid’
wordt zéér in eigen kring benijd
.
Zoals je leest (schittermeer) komt ook hier het licht terug. De onderwerpen die Degenaar kiest zijn heel verschillend (honden, geluk, verzetsmonument, muziek etc.) en zijn stuk voor stuk heel goed leesbaar. Voor beginnende poëzielezers en voor de wat gevorderde poëzielezer is er genoeg te ontdekken in zijn poëzie. In het gedicht ‘Carpe Diem’ blijkt zijn opmerkingsgave, waar, ook meteen, het licht weer zijn plek vindt.
.
Carpe Diem
.
Op een overbelichte zondag
waarin gehaast verkeer voorbij stoof
zag ik waar geen huizen zijn
.
geen luchtige moeders hun jongen tonen
onder bruinomrand kastanjeblad
mager, kaal, gekromd, pokdalig
.
iets bewegen van papier-maché
met een rechteroog dat door celdeling
tot wenkbrauwhoogte was opgestuwd
.
Dit bouwsel, ooit een mens als ik
schuifelde door mijn zekerheden
voor het terugviel in zijn scootmobiel
.
Mijn geliefde de zee
Reinaldo Arenas
.
De film ‘Before Night Falls’ is een Amerikaanse biografisch drama uit 2000, geregisseerd door Julian Schnabel . De film is gebaseerd op zowel de gelijknamige autobiografie van Reinaldo Arenas. Ik vermelde Arenas al eerder in een blogbericht, toen over de website lithub.com waar een lijst van films wordt besproken die gebaseerd zijn op dichters of gedichten.
De Cubaanse dichter, roman- en toneelschrijver Reinaldo Arenas (1943-1990) was een groot criticaster van Fidel Castro, de Cubaanse revolutie en de Cubaanse regering. Al op jonge leeftijd sloot hij zich aan bij de communistische vrijheidsstrijders. Door zijn homoseksualiteit werd het leven in Cuba steeds moeilijker voor hem. Zijn geaardheid moest strikt geheim blijven anders wachtte hem het lot dat vele LGBT- mensen, christenen en vermoedelijke leden van de Cubaanse dissidente beweging ten deel vielen namelijk opsluiting in een militaire eenheid ter ondersteuning van de productie, wat een eufemisme was voor een concentratiekamp.
Zijn schrijfsels en openlijk homoseksuele leven brachten hem in 1967 in conflict met de communistische regering. Hij verliet de Nationale Bibliotheek (waar hij werkte) en werd redacteur van het Cubaanse Boekinstituut tot 1968. Van 1968 tot 1974 was hij journalist en redacteur van het literaire tijdschrift La Gaceta de Cuba. In 1974 werd hij naar de gevangenis gestuurd nadat hij was aangeklaagd en veroordeeld wegens ‘ideologische afwijking’ en wegens het publiceren in het buitenland (de Verenigde Staten) zonder officiële toestemming. Hij ontsnapte uit de gevangenis en probeerde Cuba te verlaten door zichzelf vanaf de kust te lanceren op een binnenband, maar hij werd opnieuw gearresteerd en gevangengezet in het beruchte El Morro Castle, samen met moordenaars en verkrachters. Hij overleefde door de gevangenen te helpen brieven te schrijven aan vrouwen en geliefden. Op die manier verzamelde hij genoeg papier om zijn schrijven voort te zetten. Zijn pogingen om zijn werk uit de gevangenis te smokkelen werden echter ontdekt en hij werd zwaar gestraft. Met de dood bedreigd, werd hij gedwongen afstand te doen van zijn werk en werd hij in 1976 vrijgelaten.
In 1980 vluchtte hij alsnog met de Mariel Boatlift (een grote vluchtelingen exodus op gang gebracht door de economische malaise in Cuba) naar de Verenigde Staten.In 1987 werd bij Arenas aids vastgesteld, maar hij bleef schrijven en zich uitspreken tegen de Cubaanse regering . Hij was mentor van veel Cubaanse schrijvers in ballingschap. Na zijn strijd tegen aids stierf Arenas aan een opzettelijke overdosis drugs en alcohol .
.
Mijn geliefde de zee
.
Ik ben dat kind met dat ronde, vuile gezicht
dat je op elke hoek lastigvalt met zijn
“Kun je een kwartje missen?”
Ik ben dat kind met dat vuile gezicht,
ongetwijfeld ongewenst,
dat van verre naar bussen kijkt
waar andere kinderen
in lachen uitbarsten en flink op en neer springen.
Ik ben dat onsympathieke kind,
absoluut ongewenst,
met dat ronde, vuile gezicht,
dat voor de gigantische straatlantaarns of
onder de eveneens verlichte grootmoeders
of voor de kleine meisjes die lijken te zweven,
de belediging van zijn vuile gezicht projecteert.
Ik ben dat boze en eenzame kind van altijd,
dat je de belediging van dat boze kind van altijd toewerpt
en je waarschuwt:
als je me hypocriet over mijn hoofd aait,
zou ik die gelegenheid aangrijpen om je portemonnee te stelen.
Ik ben dat kind van altijd
voor het panorama van dreigende terreur,
dreigende melaatsheid, dreigende vlooien,
van overtredingen en de dreigende misdaad.
Ik ben dat weerzinwekkende kind dat een bed improviseert
uit een oude kartonnen doos en wacht,
zeker wetend dat je me zult vergezellen.
.
Kleren
F.L. Bastet
.
De enige keer dat ik aandacht besteedde aan dichter F.L. Bastet op dit blog, was toen ik een dubbelgedicht plaatste over begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat doet dichter, archeoloog, literator, biograaf, schrijver en essayist Frédéric Louis Bastet (1926-2008) geen eer aan en vandaar vandaag opnieuw aandacht voor deze P.C. Hooft-prijs winnaar (in 2005 voor zijn essayistische oeuvre).
Bastet studeerde klassieke talen en archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1958 promoveerde hij er tot doctor in de Letteren. Van 1966 tot 1976 was hij hoogleraar klassieke archeologie aan de universiteit Leiden. Na zijn professoraat werd Bastet conservator van de klassieke afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden.
Naast zijn wetenschappelijk werk schreef Frédéric Bastet biografieën, biografische romans, fictie, essay- en dichtbundels. In 1959 debuteerde Bastet met de roman ‘De aardbeving’ en een jaar later, in 1960, als dichter, met de bundel ‘Gedichten’. Als dichter publiceerde hij vooral in de jaren ’60 en ’80 bundels. Zijn laatste poëzie werd in 2005 gepubliceerd onder de titel ‘Twee gedichten’.
In 1980 verscheen ‘Catacomben’ Een keuze uit de gedichten. Uit deze bundel nam ik het fraaie gedicht ‘Kleren’.
.
Kleren
.
Ik hield van je kleren,
ordeloos over de stoel.
Als wij verzadigd waren
trok je ze langzaam aan:
.
medeplichtigen.
.
Ze moesten je immers behoeden
tegen de kou van de wereld,
tegen de vreemde handen
van wie niet weten konden
met hoeveel liefde
– zo was het toch wel –
met hoeveel liefde ik ’s nachts
in het stroombed en de eeuwige vlakte
je warmte had toegedekt.
.
I.M. Marilyn Monroe
Hans Clavin
.
In september vorig jaar schreef ik al een stuk op dit blog over het boekje ‘Concrete Poëzie‘ deel 5 uit de reeks Moderne Literatuur Nederlands door Erik Slagter uit 1971. In dit boekje staan een aantal prachtige voorbeelden van concrete poëzie en in het laatste gedeelte gaat het over een vorm van beeldpoëzie namelijk gemaakt met collages en foto’s waarmee een meer plastische wijze van uitdrukken wordt nagestreefd. Poëzie zonder tekst of slechts met enkele woorden, letters en beelden.
Een dichter die nader wordt bekeken (en die ik ook al in mijn vorige blogbericht over dit boekje noemde) is Hans Clavin (1946-2016). Clavin is het pseudoniem van Hans van der Heijden, een dichter en uitgever van de tijdschriften Subvers, uitgegeven tussen 1970 en 1976 (en waar tegenwoordig grote bedragen voor wordt betaald bij veilinghuizen) en Clavin, dat onregelmatig verscheen sinds 1990.
Clavin debuteerde in 1967 in het Rotterdamse tijdschrift Vers-Univers. Ook publiceerde hij gedichten in De Tafelronde en hij schreef en publiceerde meerdere dichtbundels bij verschillende uitgeverijen (waaronder zijn eigen uitgeverij The Subvers Press) en in eigen beheer.
In 1970 publiceerde hij de bundel ‘Holland var. 969’ bij De Tafelronde. De Poëzie in deze bundel verrast door haar vormgeving. Het woord wordt herhaald of afgebroken en op die manier visueel in beeld gebracht, soms met behulp van kleur, met rekenkundige tekens, verschillen in de lettergrootten of met letters in een afwijkende stand. Het is zuivere concrete poëzie, speels en beweeglijk.
Zo ook het ‘gedicht’ getiteld ‘I.M. Marilyn Monroe’. In dit gedicht zien we een combinatie van een sjablone en het spel met het letterpaar ‘MM’.
.
Hoe heter hoe beter
Els Moors
.
De Vlaamse dichter en schrijver Els Moors ( 1976) woont en werkt in Brussel. Haar met lof overladen poëziedebuut ‘Er hangt een hoge lucht boven ons’ uit 2009 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. Bij het balanseer verscheen in 2013 de dichtbundel ‘Liederen van een kapseizend paard’. Deze bundel werd bekroond met de J.C. Bloem-poëzieprijs 2015 en met de Prijs Letterkunde van de provincie West Vlaanderen. De bundel werd ook vertaald naar het Frans. In 2015 verscheen bij Brueterich Press de naar het Duits vertaalde bundel ‘Lieder vom pferd über Bord’.
Moors is onder meer docent Creative Writing in Brussel, Antwerpen en Arnhem ArtEZ en redacteur van het literaire tijdschrift “nY”. Sinds 2016 is zij een van de Nederlandstalige dichters in de poule van het ambitieuze, Europese poëzieproject ‘Versopolis’. Ook was zij van 2018-2020 Dichter des vaderlands van België. De gedichten die ze ambtshalve schreef, zijn gebundeld in ‘Knalpatronen’, waarin de gedichten ook in het Frans en Duits zijn opgenomen, en soms in het Arabisch en Afrikaans.
Uit deze bundel ‘Knalpatronen’ uit 2020 nam ik het gedicht ‘Hoe heter hoe beter’.
.
Hoe heter hoe beter: klimaatlied
.
auto’s die drijven op een zee van plastiek
naar hete planeten vandaag ben ik ziek
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat
hoe heter hoe beter
en ja ook op straat
zee doet niet mee en is morgen kapot
één chimpansee later en dan ben ik god
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat (x2)
.
Foto: Guy Kokken
Zwerversliefde
Adriaan Roland Holst
.
Al zwervend over het wereld wijde web, kom je soms interessante pagina’s tegen. Op de website van Rozemarijnonline kwam ik een bespreking van een gedicht van Adriaan Roland Holst (1888-1976) tegen. Toen ik het gedicht las moest ik meteen aan de serie B & B vol liefde denken. Deze serie liep tot en met vandaag en voor wie de serie niet kent: single Bed & Breakfast eigenaren in het buitenland doen een oproep op televisie waarop mensen kunnen reageren. Het uiteindelijk doel ius de liefde te vinden. Mensen reageren hierop en gedurende de serie worden deze mensen ‘gevoerd’ aan de B & B eigenaren. Dat dit tot hilarische en zeer ongemakkelijke momenten leidt is duidelijk. Dat is waarschijnlijk ook waarom deze serie zo populair is. De reden dat ik aan deze serie dacht is dat er bijna nooit een liefde wordt gevonden. En als er al een vorm van ‘liefde’ wordt gevonden is dat iets dat heel veel op een vorm van zwerversliefde lijkt zoals Rozemarijn deze in haar analyse beschrijft.
Tel daarbij op dat Adriaan Roland Holst een dichter is die toch een beetje in de vergetelheid dreigt te raken, dus leek het me goed om deze bespreking hier te delen. En ook om te kijken in hoeverre je het eens bent met haar analyse. Het gedicht ‘Zwerversliefde’ komt uit de bundel ‘Voorbij de wegen’ uit 1920.
Analyse: Het gedicht ‘Zwerversliefde’ staat in de vierde bundel van Roland Holst, ‘Voorbij de wegen’ (1920). Het gedicht is een monoloog, bestaande uit vijf strofen (van elk vier regels) met een duidelijk metrum, gelijke regellengtes (vijf beklemtoonde lettergrepen) en een strak rijmschema (omarmend rijm: abba). Het gedicht heeft dus een duidelijke, vrij strakke poëtische vorm.
In het gedicht is er sprake van een sprekende figuur en een persoon die aangesproken wordt met ‘kind’. Omdat het gaat over liefde tussen die twee, in aannemelijk dat de aangesproken persoon een (jonge) vrouw is.
De sprekende persoon suggereert in de eerste twee strofen om niet over de liefde te spreken (dat leidt vaak tot een gebroken hart), maar om zacht te zijn voor elkaar. Mensen zijn als de bladeren in de wind (strofe 3). Soms ‘waaien’ twee mensen bij elkaar, zijn ze een tijdje samen, raken ze weer uit elkaar. Het is vaak onduidelijk waarom dit gebeurt, dat weet alleen de wind. In plaats van over liefde te gaan spreken, wat leidt tot teleurstelling en gebroken harten, is het beter om ‘zacht te zijn’ voor de tijd dat je bij elkaar bent.
De titel ‘Zwerversliefde’ dekt in één woord de lading van dit gedicht. Het gaat hier niet om het aangaan van een langdurige relatie of huwelijk, het gaat om tijdelijke liefdes, die door de wind bij elkaar waaien en door de wind, zonder begrijpelijke redenen, na enige tijd weer uit elkaar waaien. Tijdens het zwerven door de wereld, kan de verlatenheid en eenzaamheid tijdelijk worden opgeheven door je naar elkaar toe te neigen en zacht te zijn voor elkaar.
.
Zwerversliefde
.
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –
want o, de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie’ in de oude wind.
.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –
.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen
binnen één laatste droom gemeenzaam zijn.
.
Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
.
Brug
Dag 18: Steven Van de Putte
.
Van de schrijver van het boek Iedereen stadsdichter Steven Van de Putte (1976), een stadsgedicht ‘Brug’ dat hij schreef als stadsdichter van Deinze.
.
Brug (Opening Buurtpunt ‘Onder ’t perron’, Landegem)
(voor Mieke De Visscher, schilderes, fervente reiziger)
Eerst zwijgt zij nog, haar rugzak vol reizen, legt
zij haar oor aan het raam. Dendert Oostende al?
.
Zo wacht zij mij in, zoekt een vrij spoor
in mijn ogen, schuift letters tot het witte
gewicht van haar woorden, legt vingers
als wissels op de wonden van het dorp:
.
bloed als geroot vlaswater naar te vroege zee.
Een sabel voor altijd in oevers gebeiteld.
.
Tussen kust en kanaal rijdt de rollercoaster
het landschap open. De ontsporing nabij
oververft zij de vallei in felle kleuren. Met
populieren als penselen plukt zij het geluk
.
uit wolkenvelden. Zal zij straks met de oogst
van haar ogen nieuwe bruggen bouwen?
.
Nacht
Agostinho Neto
.
Na een langdurige strijd tegen het Portugese kolonialisme, als medisch student in Lissabon en als leider van de vrijheidsoorlog die de MPLA (People’s Movement for the Liberation of Angola) vanaf 1961 voerde, werd António Agostinho Neto (1922-1979) op 11 november 1975 bij het uitroepen van de onafhankelijkheid beëdigd als de president van de Volksrepubliek Angola. Agostinho Neto was echter ook dichter. Zijn poëzie werd door de Angolese dichter en schrijver Fernando Costa Andrade (1936-2009) gekarakteriseerd als ‘de kreet van een volk dat vastbesloten is zicht te bevrijden’. De poëzie van Neto geeft uiting aan het leed van de onderdrukking, het groeiend verzet en het verlangen naar bevrijding.
In de bundel ‘Horizon van bevrijding’ van Agostinho Neto die in een vertaling van Bertus Dijk in 1976 verscheen, wordt de onderdrukking, de vernietiging van mensenlevens maar ook het uitzicht op de bevrijding. Neto schreef het meeste van zijn poëzie tussen 1946 en 1960. Hij was het eerste lid van de Anglo Writers Union and The Center for African Studies in Lissabon. Ook kreeg hij de Lotus Prize van de Conferentie van Afro-Aziatische schrijvers. Uit de bundel ‘Horizon van bevrijding’ koos ik het gedicht ‘Nacht’.
.
Nacht
.
Ik leef
in de duistere wijken der wereld
zonder licht of leven
.
Tastend loop ik
door de straten
geleund tegen mijn vormeloze dromen
struikelend in slavernij
in mijn verlangen om te bestaan
.
Het zijn slavenwijken
werelden van ellende
duistere wijken
.
Waar verlangens verwelken
en de mensen versmelten
met de dingen
.
Strompelend
door de onbekende
onverlichte straten
gedrenkt in mystiek en verschrikking
hand in hand met de schimmen
.
Ook de nacht is donker.
.













