Site-archief

Rouwmuur

Lieve Desmet

.

In de week waarin ik bezig ben met de aanvraag bij de CultuurSchakel in Den Haag om financiën te krijgen voor de activiteiten van Dichter bij de Dood (naast de dichtersmanifestatie op 1 november Allerheiligen, de poëziepodia dit jaar hopelijk ook een dichtwedstrijd en een workshop Rouwpoëzie), las ik in ‘De 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2025’ het gedicht ‘Rouwmuur’ van de Vlaamse dichter Lieve Desmet (1959).

Desmet is actief in de sector van het algemeen welzijnswerk. Sinds 2004 geeft ze ook les aan de Karel De Grote Hogeschool in Antwerpen en ze maakt deel uit van de dichterspoule van  ’De eenzame uitvaart ’ in Leuven. Gedichten van Lieve Desmet werden gepubliceerd in verschillende literaire tijdschriften zoals Deus ex Machina, De Brakke Hond , Het Liegend Konijn en Poëziekrant. In 2020 werden gedichten van haar opgenomen in de tentoonstelling ’Rodin, Meunier en Minne’ museum M in Leuven. Lieve Desmet is lid van de beheerraad van de schrijfresidentie het ‘Huis van de dichter ’ in Watou.

Ze debuteerde in 1993 met de bundel ‘Een kat in een vreemd pakhuis’. Hierna volgde ‘De bedauwde ruimte’ (2003), ‘In de maat van de zee’ (2016) en in 2024 de bundel ‘In de wind staan’ bij uitgeverij P. Uit deze laatste bundel is het gedicht ‘Rouwmuur’ afkomstig. In dit gedicht lees je een dichter die het verstaat om dichter bij ‘De eenzame uitvaart’ te zijn.

.

Rouwmuur

.

Kom bij dauw en buig hier onder de stapelwolken

in je mooie verenkleed waaronder ik graag school.

Lees mijn naam in steen.

.

Ik ben niet langer van gewicht,

sla mijn ogen niet meer neer,

als deze oude muur werp ik schaduw.

.

Kom en biecht zo nodig, eet je boterhammen,

breek als in je kindertijd.

Ik zal horen hoe je bloedt, mijn naam roept.

.

Ik help je ons verloren brood te kneden

help een bres te slaan.

.

Ga dan na de buien huiswaarts,

kom terug

tot je mij kunt  missen met pantoffels aan.

.

Liefdesgedicht

Hanna Kirsten

.

Opnieuw leer ik een dichter kennen; Hanna Kirsten (1947). Ik kende haar niet maar ik heb hier haar nieuwste bundel in handen, uitgegeven door uitgeverij P begin dit jaar. Hanna Kirsten, pseudoniem van Johanna Bral, was tien jaar werkzaam als lerares Nederlands en Verbale Expressie in Antwerpen. Ze publiceerde gedichten in tal van tijdschriften en werd met haar poëzie in verschillende bloemlezingen opgenomen. Ze debuteerde in 1973 met ‘Adem voor vogels’  en publiceerde ze nog ‘Het is erg wit wat er staat’ (1975), ‘De kou is uit de lucht’ (1979), ‘De lucht hangt nog vol dagen’ (1983), ‘Elders wonen’ (2003), ‘Korst en kruim’ (2005) en ‘Hoe sterk is de hechtzijde’ (2007).

En dan verschijnt er nu, 18 jaar na haar laatste bundel dus een nieuwe bundel ‘Voetafdruk van stilte’. Dichter Lut De Block schrijft in het voorwoord over deze bundel: “Voetafdruk van stilte bevat subtiele, intimistische gedichten over liefde en ouder worden, waarbij alle clichés over ‘starre oudjes, triomfantelijk ontkracht worden. de actuele gedichten (over asielzoekers, discriminatie, covid) lijken eenvoudig maar zijn diepmenselijk en geëngageerd. en zoals de winterwereld zachter oogt met een aarzelend laagje sneeuw, zo klinken de gerijpte ‘in memoriam’-gedichten nooit somber of doods. Ze krijgen een Szymborskiaanse lichtvoetigheid mee en getuigen vooral van het leven. ”

Dat belooft veel en ik moet zeggen dat Lut de Block de spijker op zijn kop slaat. In sobere, soms ingetogen maar heldere gedichten beschrijft Hanna Kirsten precies die onderwerpen. Ik ben vooral erg geporteerd van het hoofdstuk getiteld ‘jy is my liefling en ek is so bly’ een zin uit het gedicht ‘Allerliefste’ van de Zuid Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach.  Uit dat deel van de bundel nam ik het titelloze gedicht op pagina 35.

.

ik loop traag

een afdalende weg

droom van een zachte winter

.

mensen op leeftijd

dor hout?

.

zacht hout van naaldbomen

hun toppen door de wolken heen

.

onmacht en rusteloosheid

breken op als ijs dat gaat kruien

.

liefste, herinner me

aan je aanwezigheid

in het kleurveld van een dag

woorden zijn gevonden veren

.

zing van een lente

geen betere tijd

om te zoenen

.

 

Muggenzuchten

Mooie zinnen

.

Mooie zinnen horen bij de literatuur. En natuurlijk bij poëzie. Veel mensen kunnen, daarnaar gevraagd, wel een zin reproduceren uit een gedicht of een roman die is blijven hangen, die iets met de lezer doet, een emotie teweegbrengt of een soort jaloezie; waarom bedenk ik niet van dit soort mooie zinnen?

In het leukste en kleinste poëziemagazine van Nederland en Vlaanderen MUGzine proberen we de lezer te verwennen met mooie, bijzondere, grappige, vervreemdende of emotionerende gedichten (en illustraties). Toch hebben we gemeend terug te keren naar ons oorspronkelijke uitgangspunt dat een tekst of stuk uit een verhaal of roman, die door het taalgebruik poëtisch is, ook een plek te geven.

Die plek is de rubriek Muggenzuchten geworden. Na Muggenbeten (met prikkelende en schurende uitspraken over poëzie), nu dus een rubriek met voorbeelden van prachtige en poëtische zinnen. We willen kijken hoe dit bevalt en we hebben al ideeën voor meer bijzondere rubrieken. Maar daarover later meer. In 2022 vroeg de CPNB naar aanleiding van de Boekenweek aan de bezoekers van het Boekenbal, wat zij de mooiste Nederlandse zin vonden. Dat werd toen een zin van Arthur Japin uit ‘Een schitterend gebrek‘.

Wij hebben de redactie gevraagd ( en zelf meegedacht) naar mooie zinnen. Die zijn opgenomen in Muggenzuchten in MUGzine #27 die de komende week verschijnt. Maar er is meer te vertellen over deze nieuwe editie. Het is een dik voorjaarsnummer geworden (maar liefst 24 pagina’s, zo dik was de MUGzine nog niet eerder) met vier prachtige dichters; de Vlaamse Veerle De Caestecker en Esohe Weyden, de Nederlandse Madelief Lammers en Marilou Klapwijk, illustraties van de zeer getalenteerde kunstenaar/illustrator Elzeline Kooy, natuurlijk een nieuwe @l.uule en een poëtisch voor woord van Marianne en als extra een gedicht van Marianne en van mij.

Kortom een MUGzine om te koesteren. Wil je nu zelf een jaar lang elke MUGzine op papier ontvangen? Word dan donateur. Dat kan al vanaf € 22,50, en door een mail te sturen naar mugazines@yahoo.com

Als voorproefje een gedicht van Esohe Weyden (niet in de MUGzine) dat zij schreef als campusdichter van de universiteit van Antwerpen, getiteld ‘De witte bladzijde’.

.

De witte bladzijde

.

Ik hoop dat je schrijfsels niet verdrinken.

Laat ze op serene wijze drijven

op een eindeloze

sinusgolf.

.

Laat

sommige woorden

even kopje-onder gaan,

de drukkende diepte verkennen

tot ze haastig moeten happen naar adem

om de lucht weer te kunnen

omarmen.

.

Ik wens je

duizenden geboortes toe

van verse zinnen die ervan dromen

om teksten te worden. Luister naar hoe ze

schreeuwen van verrukking bij

elke regel die dan toch

herschreven

wordt.

.

Voed je moed,

borstel de laatste

restjes twijfel van je borst.

.

 

 

Bijtgraag

Max Temmerman

.

Vandaag voor mijn boekenkast gaan staan (één van de vier met poëzie) en daar, met de ogen gesloten een bundel uit gepakt. Dit keer is dat het lijvige ‘Nieuw Groot Verzenboek’ 600 gedichten over leven, liefde en dood uit 2015, samengesteld door Jozef Deleu (1937).

Opnieuw dit boek op een willekeurige pagina opengeslagen en daar op pagina 378 staat het gedicht ‘Bijtgraag’ van Max Temmerman, uit de bundel ‘Vaderland’ uit 2011.

Max Temmerman (1975) debuteerde met deze bundel, welke hem meteen in 2012 een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs opleverde. In 2013 verscheen de succesvolle opvolger ‘Bijna een Amerika’ waarvoor hij de Herman de Coninck Publieksprijs kreeg en werd genomineerd voor de Jo Peeters Poëzieprijs 2014 en de J.C. Bloemprijs 2015. Zijn laatste dichtbundel is alweer van 2019 getiteld ‘Huishoudkunde’.

Max Temmerman schrijft gedichten voor de Eenzame Uitvaart te Antwerpen, een initiatief (ook in Nederland bekend) waarbij een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen wordt voorgedragen.

.

Bijtgraag

.

Er is een klare lijn die jou omspant.

Van de achterkant van je hoofd

over het profiel van je ogen

van je vingers de onderkant en

langs de rug van je hand.

Via de regelmaat van die handen

bovenop je armen die omarmen

tot aan je benen die spreiden en verdwijnen.

.

Als een draaiende as figureert je hals. Hij loopt over in je rug,

verkent je schouders en mondt uit in je borst.

.

Je lippen, je tanden en de optelsom van je volle mond,

je buik, van het zachte en je buik, van het harde.

.

En overal je huid van warmte en geur.

Daar eindigt alles: hoe je ruikt naar wat seizoenen voorspellen.

Van wat ’s winters trilt boven donker water

tot het stoffige en broeiende van withete zomers.

.

Ik stel voor: laten we beginnen bij het begin en laten we het daar

dan ook bij houden. Laten we met de rede van onze jaren duidelijk maken

waar het op staat. Hier komt geen einde aan. Wij zijn niet van gisteren

en we doen dit al langer dan vandaag. We hebben geen vergelijk

en als we in elkaar bijten dan doen we dat rakelings en schaamteloos

en zo gulzig als onze honger dat vraagt.

.

 

 

De mantel

Annemarie Estor.

 

Ik kreeg van Annemarie Estor een uitnodiging voor de presentatie van haar nieuwe verhalende gedicht ‘Het overschot’ dat 18 mei aanstaande verschijnt bij uitgeverij Wereldbibliotheek. De presentatie is bij filosofisch huis Het Zoekend Hert, in Antwerpen. Tijdens de presentatie zal filosoof Bart Loos en auteur Annelies Verbeke met Annemarie Estor dieper ingaan op dit nieuwe werk. Reserveren kan bij Het Zoekend Hert. Dit zijn altijd hele leuke en zeer informatieve bijeenkomsten. Helaas kan ik niet aanwezig zijn maar ik kan hier wel een gedicht van Annemarie Estor met jullie delen.

Annemarie Estor (1973) is dichter en essayist. Zij woont en werkt afwisselend in Antwerpen (België) en Aragon (Spanje) en ze is in mei van dit jaar vijftien jaar auteur. Ze debuteerde in 2010 met de dichtbundel ‘Vuurdoorn me’ en sindsdien verschenen verschillende boeken en gedichten van haar hand in een aantal gevallen samen met andere dichters en illustratoren als Lies Van Gasse, Joke van Leeuwen en Piet Gerbrandy.

In 2018 verscheen ‘Niemandslandnacht’ een crime poem en daaruit komt het gedicht ‘De mantel’.

.

De mantel

.

Ik zit in mijn kamer
en draag de mantel van de dood.

Hij is nog warm van jouw lichaam.
Hij ruikt.
Naar je zorgen.
Naar je zwerftochten.
Naar je orgasmes.
Naar je willen-weten.

En je bent er niet.

Straks,
als ook ik ben verdwenen,
ruikt hij waarschijnlijk naar mij.
Naar mijn lafheid.
Naar mijn gemakzucht.
Naar mijn nagellak
en mijn pannenkoeken met honing.

Ach, mantel, wade
voor de aftocht uit dit ademruim,
waar van alles nog af moet,
en onder zo veel voorwaarden.

Ach, mantel, voorhang
voor die ongekende ruimtetijd
waar de rook uit elkaar spat tot slordige tulpen,
waar de wijn door kelders trekt in purperen wolkenformaties,
waar de liefde wit als napalm je geslacht in brand steekt
om nooit meer weg te ebben.

Ik zit tussen muren van beton
die de mens uitlachen
om zijn zoeken naar betekenis.

Daarom vraag ik u,
bot van onze schedels,
os frontale, bot aan het front,
krommend Jupiter-brein,
buig u over ons
als het dak van het Pantheon.

Verander de bedompte bedstee van ons brein
in portalen vol bochtige pilaren en dartele gewelven
waar wij elkaar oneindig op de monden kussen,
tot het dondert in het oudste sterrenstelsel
dat zich aan ons voordoet als een blauwe kikker
slapend onder een blauwe mantel in een koude nacht.

.

De stilte

Jan van Nijlen

.

Dat er heel veel themapoëziebundels zijn uitgegeven in de loop der jaren zal voor de vaste lezer van dit blog geen nieuws zijn. Over de meest uiteenlopende onderwerpen zijn bloemlezingen verschenen. Of het nu gaat over verzet, roken, fietsen, troost, de tweede wereldoorlog of beta’s, je kunt het zo gek niet bedenken of er is een verzameling gedichten van gemaakt.

Blijkbaar voorziet de bundeling van gedichten per onderwerp of thema in een vraag van poëzieliefhebbers. In de jaren 1979, 1980 en 1981 verscheen bij Erven Thomas Rap een serie Thema-poëzie. Onderwerpen waren de fiets, de moeder, Het werk, de vogel, de stad, het kind, de tuin en de dood. Maar ook de stilte. In 1980 stelde Kees Fens de bloemlezing ‘De stilte’ samen en in die bloemlezing staat het gedicht ‘De laatste dagen’ van Jan van Nijlen. Deze Vlaamse dichter (1884-1965) was ambtenaar, dichter en essayist.

In 1906 debuteerde van Nijlen met de bundel ‘Verzen’ en voor zijn werk (proza en poëzie) ontving hij onder andere de Constantijn Huygensprijs (1963) en de Staatsprijs Vlaamse Poëzie (1934). Van Nijlen is bij de meeste mensen (zeker in Antwerpen) bekend door zijn gedicht ‘Bericht aan de reizigers’ dat uit zijn bundel ‘Geheimschrift’ uit 1934 komt en dat in 2011 in het centraal station van Antwerpen onthuld werd.

Van Jan van Nijlen is in de bloemlezing ‘De stilte’ het gedicht ‘De laatste dagen’ opgenomen uit ‘De dauwtrapper’ uit 1947.

.

De laatste dagen
.
Een blauwe schotel bleef, met enkle vruchten,
vannacht in het prieel op tafel staan,
en daarop schijnt, door winde en wilde wingerd,
een laatste straal van de verdoofde maan.
.
Geen wind beweegt de donkre notelaren,
rond zonnebloem en volle dahlia
gonst geen insekt: ’t is de volmaakte vrede
die eeuwig lijkt, als kwam niets daarna.
.
O laatste, warme dagen van september,
de weemoed van uw licht gloeit ook in mij,
ik laat, als gij, mij met een glimlach glijden
naar dood en vrede, beiden zo nabij.

.

Norbert De Beule

Spring, plank

.

De Vlaamse dichter Norbert De Beule (1957) was jarenlang leraar maar besloot na het overlijden van zijn vader in 2004 zich volledig op het schrijven (van poëzie) te richten. In 1987 debuteerde hij met de bundel ‘Rockoco’ een aflevering van Quarant-Dash? – Tijdschrift voor literaire scherpzinnigheid, dat al na één jaargang ophield te bestaan.

In 1997 rijpt bij De Beule het idee om een monoloog te schrijven over Jotie T’Hooft, die toen 20 jaar dood was.  Maar ziekte vertraagde het project met enkele jaren. Pas in 2000 werd met het schrijven begonnen in samenwerking met Frank Pollet. In 2002 en 2003 kwam de monoloog op de planken. Norbert de Beule speelde zo’n 50 maal de rol van een psychiatrisch patiënt die zich Jotie T’Hooft waant. Het boek – de theatertekst, een compilatie Jotie-citaten en eigen materiaal – werd door Uitgeverij P gepubliceerd onder de titel ‘Jotie een dichtersleven van naald tot draad’.

In de bundels die hij na dit boek publiceert is de typografie medebepalend voor de betekenis van de gedichten. Norbert De Beule experimenteert met ‘digitale dichtbundels’ in feuilletonvorm: ‘SaintTube’. De bedoeling van zijn gedichtenproject is dat er één gedicht per week wordt gepubliceerd, gekoppeld aan een filmpje dat hij van het internet plukte. Hij noemt het project ‘mijn persoonlijke heiligenkalender’. Op de website van Norbert de Beule vindt u alle afleveringen terug die de dichter tot nu toe publiceerde.

In een eerdere blogpost schreef ik al eens over een gedicht dat ik van De Beule tegen kwam op een plein in Antwerpen. In 2004 stond De Beule op de 24ste Nacht van de Poëzie in Utrecht. In de bundel die van die nacht verscheen is het gedicht ‘SPRING, plank’ opgenomen.

.

SPRING, plank

.

Over het bestaan van bruggen wordt gelogen.

Je kunt niet iets tegemoet treden

wat niet evenzeer naar jou toe beweegt:

.

vlechtwerk van schaduw en duizendknoop,

een trillend tegenbeeld

(van vlier en heftig vlonder)

.

Omdat wij zwaarmoedig zijn, gewichtig,

een niet te tillen last van hersengolven

.

hebben wij de brug nodig

het wankel, wassend oppervlak

waaronder bomen roeien als bezeten.

.

Wij staan niet stil.

Wij vlotten, omdat dansers ons bewegen.

.

Lies Van Gasse

Visioen 21.4

.

Bij de Nacht van de Poëzie sprak ik Lies Van Gasse (1983). Zij is samen met Lotte Dodion, Ruth Lasters, Cleo Klapholz en Yves Kibi Puati Nelen stadsdichter van Antwerpen. Van haar kreeg ik een bidprentje. Maar niet zomaar een bidprentje. Het betreft hier een bidprentje met een gedicht en een tekening van Lies voor de Antwerpse Begijnhoftuin. Op 21 april 2024 (zie de titel van het gedicht) werd de Begijnhoftuin omgedoopt tot het Hofje der Poëten. Het dient als bede om de stilte en de geschiedenis van deze tuin te bewaren en publiek toegankelijk te houden.

De bijzondere boomgaard, de symbolische bloemenpracht, de beelden van Aäron  en Melchisedek vertellen elk hun verhaal. Daarom moet deze stiltetuin gekoesterd blijven. Daarnaast is de Begijnhoftuin een toevluchtsoord voor dichters en denkers als Peter Holvoet-Hanssen en Diane Broeckhoven en verder terug in de tijd proto-stadsdichter Hadewijch van Antwerpen.

Op de dag van de opening en de omdoping tot Hofje der Poëten werd het gedicht ‘Visioen 21.4’ van Lies Van Gasse onthuld. Hieronder kun je het gedicht lezen.

.

Visioen 21.4

.

Ik ga zitten in het stil, het bloeiende stil
met tegenover mij beelden, profeten
die gremelen achter mijn lichtend scherm,
die mij uit vele vensters een vis toewerpen, broden,
die begrijpen wat een ander verstaat,

,

mijn hoofd dat licht geeft in het smalle donker,
mijn gedachten, soms zo weinig van gewicht,
mijn ogen, vastgeklit in mazen.

.

Hier zit ik, het stil, het zich herhalende stil,
een ruimte van takken en gras, een groene kapel
vol oude stenen monden.

.

De kussentjes van de kweeperen zingen.
Stille ogen zorgen voor een stille geest.
We worden gelikt door dromen

.

en rondom mij groeit een kamer
die we zacht moeten noemen,
die we, mossig en moerbei en peren,
die schors waaruit zij al eeuwen zingt,

.

die stem die mij aankijkt, een duister
– ze wordt nu met andere ogen gelezen
en op dunne pootjes loopt ze achter ons aan.

.

De stem wordt een stem in een stem.
De vrouw in de vrouw wordt een andere vrouw.

.

Haar haar zingt een lied. Ik zing een lied
en er zijn hier geen poorten, geen spijlen.

.

Hoe heter hoe beter

Els Moors

.

De Vlaamse dichter en schrijver Els Moors ( 1976) woont en werkt in Brussel. Haar met lof overladen poëziedebuut ‘Er hangt een hoge lucht boven ons’ uit 2009 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. Bij het balanseer verscheen in 2013 de dichtbundel ‘Liederen van een kapseizend paard’. Deze bundel werd bekroond met de J.C. Bloem-poëzieprijs 2015 en met de Prijs Letterkunde van de provincie West Vlaanderen. De bundel werd ook vertaald naar het Frans. In 2015 verscheen bij Brueterich Press de naar het Duits vertaalde bundel ‘Lieder vom pferd über Bord’.

Moors is onder meer docent Creative Writing in Brussel, Antwerpen en Arnhem ArtEZ en redacteur van het literaire tijdschrift “nY”. Sinds 2016 is zij een van de Nederlandstalige dichters in de poule van het ambitieuze, Europese poëzieproject ‘Versopolis’. Ook was zij van 2018-2020 Dichter des vaderlands van België. De gedichten die ze ambtshalve schreef, zijn gebundeld in ‘Knalpatronen’, waarin de gedichten ook in het Frans en Duits zijn opgenomen, en soms in het Arabisch en Afrikaans.

Uit deze bundel ‘Knalpatronen’ uit 2020 nam ik het gedicht ‘Hoe heter hoe beter’.

.

Hoe heter hoe beter: klimaatlied

.
auto’s die drijven op een zee van plastiek
naar hete planeten vandaag ben ik ziek
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat
hoe heter hoe beter
en ja ook op straat
zee doet niet mee en is morgen kapot
één chimpansee later en dan ben ik god
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat (x2)

.

                                                                                                                                         Foto: Guy Kokken

Herman de Coninck

Twee gedichten voor Hans Lodeizen

.

Het is alweer enige tijd geleden dat ik een gedicht van één van mijn meest favoriete dichters aller tijden, Herman de Coninck (1944-1997) hier op dit blog deelde. In ‘De gedichten’ uit 1998, is een gedicht opgenomen bij de verspreidde gedichten, dat komt uit  ‘Ruimten’ jaargang 4 nummer 13/14 uit 1965. In dit literair magazine verscheen het gedicht van de Coninck getiteld ‘twee gedichten voor hans lodeizen’.

Dit magazine met nieuwe realistische poëzie verscheen tussen 1961 en 1973. Ruimten werd opgezet met de bedoeling de lezer kennis te laten maken met de literaire producten van de allerjongste generatie, studenten aan de universiteiten van Gent, Brussel, Leuven en aan de hogeschool van Antwerpen.

En, zoals de redactie het in 1961 in het eerste nummer in het voorwoord schreef: ” de redaksie houdt zich geen vast (politiek) programma voor ogen, wat aan de gemiddelde lezer van vlaamse tijdschriften hoogst ongeloofwaardig en ongebruikelijk zal voorkomen. wij zullen echter met genoegen alle politieke kwesties, die in ons laag landje zoveel geesten tot op zo verafgelegen gebieden blijken geboeid te houden, naar het andere einde van de wereld wensen bij onze literaire bezigheden. dit betekent helemaal niet dat wij ons buiten het aktuele tijdsgebeuren plaatsen om ons op te sluiten in een ivoren toren.”

Het gedicht van Herman de Coninck is geschreven voor mededichter Hans Lodeizen (1924-1950), waarmee hij zich in goed gezelschap begeeft. Andere dichters die gedichten over Lodeizen schreven waren Simon Vinkenoog (1928-2009) en  Heere Heeresma (1932-2011). Het gedicht van Herman de Coninck bestaat uit twee gedichten.

.

Twee gedichten voor Hans Lodeizen

.

1.

.

voor ik zal sterven wil ik

alle mensen toelachen zei hij

en ging op reis naar alle mensen

en lachte en lachte

.

maar onderweg stierf hij

van verdriet.

.

2.

.

sterven is mooi dacht hij

kijk maar naar de zon

en ze stierven lang samen

tot het water van de nacht

hen overspoelde hij deinde uit

zo wijd als hij maar wezen wilde

en werd het water

waarin hij verdronken was.

.