Site-archief
Wormen
Hans Andreus
.
Vanmorgen hoorde ik op Radio 1 een reportage over een wormenkweker. Wat me opviel was dat wormenkwekers (volgens mij één van de beroepen van de toekomst (veeteeltvervangers, biologische mest) blijkbaar tegen een zelfde wetgeving oplopen als veehouders. Het lijkt me toch van een heel ander slag maar misschien moet hier wettelijk nog iets op worden aangevuld, dat werd me niet helemaal duidelijk.
Wormen zijn de darmen van de aarde schijnt de grote Griekse filosoof en wetenschapper Aristoteles al gezegd te hebben en ik kan het daar erg mee eens zijn. In ieder geval was deze reportage aanleiding voor me om eens te kijken of er een gedicht voor handen was over wormen. En dat is er. Hans Andreus (1926 – 1977) schreef het gedicht ‘De wormen’ en ik nam het uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1995.
.
De wormen
.
Wanneer men liefheeft,
komen de wormen weer,
de wormen met hun kleine koppen,
de wormen van de laffe dood.
.
Niet van de echte dood, de echte
dood is groot en heeft een licht,
een zon in zijn handen,
witte zon, naakte zon, zon zonder tijd.
.
Maar in wat leeft leven de wormen
en vreten van de liefde
en vreten van het goede leven,
de wormen met hun kleine koppen.
.
God, wie, wat je bent
kan mij niet schelen, maar verbrand
de wormen van de laffe dood
en laat ons rustig zijn.
.
Winter
Herman de Coninck
.
Op mijn verjaardag geef ik jullie, mijn lezers, graag een gedicht van één van de dichters die ik het liefste lees, namelijk Herman de Coninck (1944 – 1997). En omdat dit gedicht ‘Winter’ uit de bundel ‘Zolang er sneeuw ligt’ uit 1981, een gedicht is van weemoed maar vooral van hoop past het ook nog eens heel goed in deze tijd. Voor een zeer fijne analyse van dit gedicht verwijs ik graag naar http://www.poezie-leestafel.info/h-de-coninck-uitleg-winter
.
Winter
.
winter. je ziet weer de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.
.
En toch is ook de nacht niet
Uitzichtloos, zo lang er sneeuw ligt
Is het nooit volledig duister, nee,
Er is de klaarte van een soort geloof
Dat het nooit helemaal donker wordt.
Zo lang er sneeuw is, is er hoop.
.
schoon
Dubbel-gedicht
.
Wanneer ik een gedicht ergens tegenkom (meestal in een dichtbundel) waarvan ik denk; Dat is een mooi gedicht voor een dubbel-gedicht dan begint het zoeken naar een tweede gedicht dat daarbij past. De ene keer gaat dat vrij vlot en de andere keer zoek ik me helemaal een slag in de rondte naar een passend tweede gedicht. Dat laatste overkwam me toen ik het gedicht ‘Palmolive’ van dichter Jos Versteegen uit de bundel ‘Een huis verlaten’ uit 2012.
Ga er maar aan staan dacht ik en ik kreeg gelijk. Bij het zoeken naar een tweede gedicht richt ik mij meestal op mijn geheugen of op de inhoudsopgaven met titels van de vele dichtbundels in mijn kast. In dit geval lieten beide mij behoorlijk in de steek. Maar uiteindelijk heb ik een tweede gedicht gevonden dat ook als onderwerp Schoon of Schoonmaken als onderwerp heeft. Het aardige is natuurlijk dat, hoewel je de onderdelen in de gedichten herkent van het schoon of schoonmaken, de gedichten feitelijk over heel andere zaken gaan. Dat maakt het Dubbel-gedicht voor mij zo verrassend.
Het eerste gedicht ‘Palmolive’, is, zoals gezegd, van Jos Verstegen (1956). Versteegen is dichter, biograaf en vertaler. Hij is ook bekend onder de namen Robert Alquin, Alkwin en Jacob Steege. Daarnaast was hij jarenlang redactiesecretaris van het tijdschrift ‘De tweede ronde’. Het gedicht ‘Vrienden’ dat hij schreef ter gelegenheid van Eenzame uitvaart nr. 254 in augustus 2020 werd bekroond met de Ger Fritz-Prijs.
Het tweede gedicht is van Robert Anker (1946 – 2017) en is getiteld ‘In jouw handdoek’. Het gedicht is genomen uit de bundel ‘In het vertrek’ uit 1996.
.
Palmolive
.
Zo eindigt zeep: een smalle tong,
soms grijze barstjes in de lengte.
.
Olijven, palmen: niemand dacht
aan warme landen, ’s ochtends vroeg,
wanneer het raam nog donker was.
De zeep lag in het plastic bakje.
Schuimbelletjes, half weggegleden,
dat was je moeder of je vader.
.
Kleine tongen, wit of groen,
steeds dunner, met een scherpe rand,
zo doodmoe in hun plastic bakjes:
niets voor een inventarislijst.
Zeep, soms met barstjes, erf je niet,
daar branden ovens voor.
.
In jouw handdoek
.
Is dit je buik dit is je huid die langs je hand omhoog
Kruipt en het water loopt je navel in en uit
Allemaal detail ben je vrolijk water zing je
Draagt ons overal je krullen ach in golven weggelopen eb
Trekken als een kam je ogen aan en zien ze mij
.
Buiten zingt een vloed supporters met hun sjaals
De leegte toe een oude man onder de voet het draait
Mij om en door de stoom ik roep je toch je hoort me niet
Ik hoor je stem maar zoek me niet nadat ik viel
.
Ben jij het hier en blijf je kletsnat over mij gevallen
Dit is geen grond voor even ik doe de ramen open
De wereld krijst voorbij en ik kan in jouw handdoek leven
.
Ballade van het optipessimisme
Ernst van Altena
.
De dichter, schrijver en vertaler Ernst Rudolf van Altena (1933 -1999) werd vooral bekend als vertaler van chansons van Jacques Brel. Hij vertaalde tijdens zijn leven meer dan 1500 chansons, van Brel maar ook van Charles Aznavour, Gilbert Bécaud en Boris Vian. Daarnaast kende ik hem van de bloemlezingen die hij samenstelde ( https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/05/28/van-vroeger-en-thans/) en van zijn vertalingen van de Franse dichter François Villon ( https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/04/26/gek-slecht-en-gevaarlijk-te-kennen/ ).
Toch dreigt zijn naam als dichter wat te vervagen (het lot van vrijwel alle dichters). En dat is toch jammer want Ernst van Altena was een begenadigd dichter. Zo publiceerde hij in 1970 de bundel ‘Als je erdoor bent is het water heerlijk’. In de bundel ‘Weerspiegeling’ bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van 1880 tot heden uit 1971 werd dan ook prompt het gedicht ‘Ballade van het optipessimisme’ uit de bundel uit 1970 opgenomen.
Toen ik dit gedicht las moest ik glimlachen. Een serieus gedicht waarin wat zwaardere onderwerpen niet geschuwd worden, in een makkelijk leesbare versvorm (rijm) met kwinkslagen maar heerlijk om tot je te nemen. Reden genoeg om het gedicht hier te delen.
.
Ballade van het optipessimisme
.
Je kunt natuurlijk in het zand gaan rusten,
je ogen sluiten… branden in de zon.
Vergeten dat op andere verre kusten
een menner staat te brallen op ’t balkon.
Die menner haalt met woorden en met daden
de ochtendkrant en zelfs de avondbladen.
En boven brandt de zon en jij beneden,
jij denkt aan al wat jong is, blond en groen.
Voor optimisme is geen enkele reden,
maar zeg nou zelf, wat moet je zonder doen?
.
Je kunt natuurlijk binnen manneschouders
verliefd gaan bouwen aan een kindje blond.
Vergeten dat op dit moment veel ouders
hun blonde zoon zien weggaan naar het front.
Die zoon haalt zwartomrand de commentaren
en voor jouw zoon duurt dat misschien nog jàren.
En ach… voor het verlies maak je een tweede
en verder peinzen smoor je in een zoen…
Voor optimisme is geen enkele reden,
maar zeg nou zelf, wat moet je zonder?
.
Je kunt natuurlijk in een charter kruipen
en vliegen naar een zondoorstoofde staat.
Vergeten dat zo’n land lijdt aan de stuipen
van clericaal fascisme, derde graad.
De schrijvers zitten daar in kille cellen
en jij ligt op hun stranden te vervellen.
Maar Lorca is alweer zo lang geleden,
de Guardia Civil houdt z’n fatsoen.
Voor optimisme is geen enkele reden,
maar zeg nou zelf, wat moet je zonder doen?
Prince
Prins zeg nou zelf, dat wij dat gisteren deden,
moeten wij dat vandaag soms niet meer doen?
Voor zonnen, vrijen, reizen is geen reden…
maar kun je het niet zònder reden doen?
.
Stof stof stof
Pieter Boskma
.
Teruglezend op mijn blog kwam ik tot de ontdekking dat ik in al die jaren dat ik dit blog al schrijf nog geen aandacht had besteed aan dichter Pieter Boskma (1956). Pieter Boskma studeerde tussen 1977 en 1984 onder andere Nederlands, Engels, Indonesisch, Kunstgeschiedenis van Oost-Azië en antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij debuteerde in 1984 met de dichtbundel ‘Virus Virus’, uitgegeven in eigen beheer in samenwerking met Paul van der Steen. In hetzelfde jaar richtten Van der Steen en hij het tijdschrift ‘Virus’ op. Eind jaren tachtig was hij betrokken bij de poëziebeweging de Maximalen.
Vanaf 1990 werkte hij een aantal jaren als poëziedocent aan de Schrijversvakschool ’t Colofon. Hij publiceerde niet alleen in alle literaire bladen en de meeste landelijke kranten en opiniemagazines, maar ook in bladen als Playboy en Avenue, en in meer dan honderd bloemlezingen. Daarnaast werkte hij voor de VPRO- en NPS-radio.
Boskma’s werk werd vertaald in onder meer het Engels, Duits, Fries, Frans, Chinees en Italiaans. Pieter Boskma was geruime tijd redacteur van het poëzietijdschrift ‘Awater’. In 2003 had hij zitting in de jury van de P.C. Hooft-prijs. Voor zijn werk ontving hij onder meer de Ida Gerhardt-Poëzieprijs, de Rabobank Cultuurprijs Letteren voor zijn hele oeuvre en hij werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2016.
Het gedicht dat ik koos van Boskma komt uit zijn bundel ‘De messiaanse kust’ uit 1989 en is getiteld ‘Stof stof stof’.
.
Stof stof stof
.
wat maakt het ons uit of ook het stof tot stof vergaat?
wij zijn de douche-generatie, ordelijke gel-gebruikers,
wij laten niets
aan het toeval over.
.
wij shockeren de pillenslikkers van de bestbeprijsde kwis.
wij houden van de doofpot der sterren en kometen.
wij zijn allergies voor knarsende sloten
want wij roesten niet.
.
wij spreken graag voor duistere halflege zalen.
wij dragen fier de ons geschonken bokalen van afgunst.
wij spiegelen ons niet aan elkaar.
wij zijn eenzaam.
.
wij ontvangen ons fortuin van de streamlined stropdas.
wij halen een mes langs de hals die daarin zit.
wij zijn en blijven tegendraads.
ons universum rafelt.
.
en na de feestjes, als wij dertig zijn
en dronken van twee biertjes
in de beha-loze zomer
schrijden wij in onze eigenaardigheid naar huis:
.
hermetische cellen in het harnas van de angst
dat ook het stof tot stof vergaat
en ons als een watertaxi
op de Tafelberg
slechts met ademnood omgordt.
.
Warmte, een woonplaats
Ellen Warmond
.
In deze tijd van polarisatie en het vergroten van de verschillen in denkwijze over van alles, leek het me een goed idee om weer eens een liefdesgedicht te plaatsen. Ik ging op zoek en kwam het gedicht ‘Warmte, een woonplaats’ tegen van Ellen Warmond (1930-2011) in de gelijknamige bundel uit 1961. Want zoals Ellen dicht “want liefde en het besef / van liefde daaraan ontsteken / ogen en stemmen hun licht”. en liefde en licht daar kunnen we wel wat van gebruiken in deze letterlijk en figuurlijke donkere tijden.
.
Warmte, een woonplaats
.
Liefde en het besef
van liefde daartussen bouwen
mensen een warmende woonplaats
.
en sprekende zeggen ze: liefste
open je ogen nu langzaam en eet
ik heb het licht voor je aangesneden
of: open je ogen niet drink nu het donker
ik heb de nacht voor je omgekocht
.
want liefde en het besef
van liefde daaraan ontsteken
ogen en stemmen hun licht
daarin ontbloeien de lippen
daaruit ontstaat het gedicht.
.
De zwarte kat
Bulat Okudzava
.
Dat ik nogal onder de indruk ben van de bundel ‘Gezanten uit Alexandrië, Poëtische vignetten van macht en gezag, een bundel uit 1970 over dichters die in hun poëzie in verzet gaan tegen machthebbers en de macht, mag inmiddels wel duidelijk zijn. Ik schreef al over de bundel zelf en over het gedicht ‘Stalin’ van Osip Mandelstam, en vandaag dus weer een gedicht met een verhaal uit deze bundel.
Het betreft dit keer het gedicht ‘De zwarte kat’ van de Russische dichter, schrijver, muzikant, romanschrijver en singer-songwriter van Georgisch- Armeense afkomst Bulat Okudzhava (1924 – 1997). In de bundel staat in de inleiding van Co de Koning een opmerkelijk en zeer interessant stuk over dit gedicht dat Alexander Münninghoff (voormalig correspondent voor o.a. het NOS journaal in de Sovjet Unie) schreef over dit, door hem vertaalde gedicht.
“Tsjornyj Kot is de titel van het gedicht in het Russisch. Dit is van belang want de beginletters ‘Tsj’en ‘K’, roept bij iedere Rus direct een begrijpelijke associatie op met de Tsjeka, het ‘Buitengewone Komitee’ dat de sinistere voorloper was van wat later de KGB werd genoemd. Tsjornyj Kot was ook het slangwoord voor de Tsjeka in die jaren. Maar tevens is het duidelijk dat met deze zwarte kat, die zijn glimlach in zijn snor verbergt en wiens gele ogen venijnig op de inwoners zijn gericht, niemand minder dan Stalin bedoeld wordt. De strekking is dan, dat Stalin zo machtig was, dat hij niet eens meer van zijn macht gebruik hoefde te maken om zijn onderdanen onder de duim te houden. In naam beschermt hij hen ( is hij de bewaker van de ingang) maar hij doet in feite niets dan zwijgend (en daarom des te dreigender, want ‘je moet echt niet vergeten dat zijn klauwen dodelijk zijn’) zijn deel opeisen dat iedereen hem dan ook huichelend ‘met een vriendelijk gezicht’ op een presenteerblaadje komt aandragen. ‘Toch’ dat wil zeggen ondanks het feit dat in Rusland alles veilig is (het huis heeft immers een afschrikwekkende bewaker) is het leven er niet vrolijker op geworden. Daar valt niets aan te doen, zelfs het aanbrengen van feestverlichting zal de steeds aanwezige schaduw van de Zwarte Kat niet kunnen verdrijven. De sinistere machthebber in optima forma, zoals je ziet.”
.
De zwarte kat
.
Bij ons hofje is een ingang
wel bekend als ’t “Zwarte Gat”.
Als bewaker van die toegang
hebben wij een zwarte kat.
.
Hij verbergt zichzelf in ’t duister
en zijn glimlach in zijn snor
en je hoort zelfs zijn gefluister
niet in ’t dagelijks kattenkoor.
.
Muizen doodt hij niet. Van ’t leven
worden zij niet meer beroofd.
Voor de worst die wij hem geven
heeft hij ons een kool gestoofd.
.
Zijn gele ogen zijn venijnig
op de inwoners gericht.
Daarom geeft elkeen het zijne
met een vriendelijk gezicht.
.
Muisstil zit hij daar te eten,
maar die kalmte is slechts schijn
want je moet echt niet vergeten
dat zijn klauwen dodelijk zijn.
.
Toch is om een duistere reden
ons leven thuis niet opgewekt…
Maar geld aan lampions besteden
heeft waarschijnlijk geen effekt.
.
The Mersey Sound
Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten
.
In 1967 publiceerde Penguin Books ‘The Mersey Sound’ nummer 10 in The modern poets series. In deze bundel stonden zo’n 100 gedichten van de Liverpoolse dichters Adrian Henri (1932-2000), Roger McGough (1937) en Brain Patten (1946). Van deze bundel zijn meer dan 500.000 exemplaren verkocht, meer dan van welke bloemlezing in het Verenigd Koninkrijk ooit. In 2009 werd in het Victoria Gallery and Museum een tentoonstelling georganiseerd over deze drie dichters en hun kunst. In dat zelfde jaar werd door de universiteit van Liverpool werk aangekocht uit de erven van Adrian Henri, om maar aan te geven hoe belangrijk deze drie dichters zijn (geweest) voor Liverpool en het tijdsgewricht waarin deze bloemlezing werd gepubliceerd.
Liverpool was in de jaren ’60 een brandpunt van de popcultuur. De Liverpool-dichters werkten in een omgeving waar kunst, muziek en literatuur nauw met elkaar verbonden waren. In de gids die bij de tentoonstelling werd gemaakt werd het als volgt omschreven: “Zoals veel jongeren in het Groot-Brittannië van de jaren zestig, werden de Liverpool Poets sterk beïnvloed door de hippie subcultuur van de Verenigde Staten. Jonge Amerikanen kregen lang haar, leefden samen, beoefenden gratis seks en drugsgebruik en woonden massale openlucht muziekconcerten bij. De oorlog in Vietnam, raciale onrust en de druk om zich te conformeren frustreerden hen. ‘Vrede’ en ‘liefde’ waren hun slogans. De dichters uit Liverpool schreven uitgebreid over het onderwerp liefde. Ze onderzoeken de vele vormen van liefde, van korte ontmoetingen en verlangen tot duurzame relaties en verliefdheid. De dichters gebruikten liefde ook als thema voor uitvoeringen, waarbij ze ten minste drie ‘Lovenights’ ensceneerden in het Everyman Theatre. Bij het onderzoeken en uiten van deze fundamentele menselijke emotie probeerden ze hun poëzie voor iedereen toegankelijk te maken. De zomer van 1967 werd uitgeroepen tot de Summer of Love, vernoemd naar een massabijeenkomst in het Golden Gate Park, in San Francisco.”
Het is volgens mij dan ook geen toeval dat het nummer ‘All you need is love’ van de Beatles (geschreven door John Lennon) in dat jaar uit kwam. Dichter Adrian Henri schreef het gedicht ‘Love is…’ dat in ‘The Mersey Sound’ is opgenomen.
.
Love is…
.
Love is…
Love is feeling cold in the back of vans
Love is a fanclub with only two fans
Love is walking holding paintstained hands
Love is
.
Love is fish and chips on winter nights
Love is blankets full of strange delights
Love is when you don’t put out the light
Love is
.
Love is the presents in Christmas shops
Love is when you’re feeling Top of the Pops
Love is what happens when the music stops
Love is
.
Love is white panties lying all forlorn
Love is pink nightdresses still slightly warm
Love is when you have to leave at dawn
Love is
.
Love is you and love is me
Love is a prison and love is free
Love’s what’s there when you are away from me
Love is…
.
Vuur en wind
Muus Jacobse
.
In de loop der tijd heb ik heel wat dichtbundels verzameld die de oorlog als onderwerp hebben. In een aantal gevallen betreft het hier dichtbundels met poëzie die tijdens en na de oorlog zijn geschreven, vaak met verzetspoëzie maar in een aantal gevallen ook met persoonlijke gedichten.
De bundel ‘Vuur en wind’ van Muus Jacobse met als ondertitel Gedichten 1941 – 1945 waarvan ik een derde druk bezit uit 1946, is er een uit de laatste categorie. Deze bundel werd door D.A. Daamen uitgeversmaatschappij N.V. in Den Haag uitgegeven en werd in december 1945 (een maand na de eerste publicatie) bekroond met de Van der Hoogt-prijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde én met een prijs voor verzetspoëzie van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
De bundel is chronologisch ingedeeld (van 10 mei 1940 tot na de bevrijding), is geschreven in vast rijm en bevat vele verwijzingen naar God, die blijkbaar een belangrijke rol speelde in het leven van de dichter. Muus Jacobse was het pseudoniem van dichter Klaas Hanzen Heeroma (1909 – 1972). Ik schreef al eerder over deze dichter https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/04/02/het-boek-2/ als één van de dichters in de bundel ‘Het landvolk’.
Ik koos voor het gedicht ‘Wit afscheid’ omdat het zo vol van verwijzingen zit en niet doordrenkt is van religieuze overdenkingen. Voor de echte liefhebber is de hele bundel hier https://www.dbnl.org/tekst/heer023vuur01_01/heer023vuur01_01.pdf integraal te lezen.
.
Wit afscheid
.
Vanmorgen lag als sneeuw
gespreid op gras en stam
een hagelbui, waarmee
de winter afscheid nam,
.
tussen de bloesemknop
en het uitdagend groen
een witte sluier op
de prilheid van ’t seizoen,
.
een hagelwitte kou
dun over ’t jonge gras,
opdat ons hart zich zou
herinneren wat wás…
.
Het is de laatste April
en morgen is het Mei.
Ons hart wordt wit en stil:
zijn wij nu morgen vrij?
.
Vandaag is het een eind,
morgen een nieuw begin:
wat er werd af gepijnd,
bracht het ons goed gewin?
.
Wit werd nu gras en stam,
dat ons hart nooit vergeet,
hoe ons de vrijheid kwam
door kou, honger en leed…
.
Misschien ligt in Berlijn
vandaag dezelfde sneeuw:
dat het begin mocht zijn,
God, van een beter eeuw!
In San Francisco, in
Moskou en Amsterdam
dezelfde sneeuw, waarin
Uw rijk een aanvang nam!
.
In San Francisco, in
Moskou en Amsterdam
Uw sneeuw als een begin,
Uw liefde als een vlam!
.













