Site-archief
Lust for life
John Schoorl
.
Bij de titel ‘Lust for life‘ denk ik meteen aan het gelijknamige nummer van Iggy Pop uit 1977. Maar dit is ook de titel van de dichtbundel die John Schoorl (1961) uitbracht in 2013. De bundel bevat muziekgedichten wat meteen de titel verklaard. John Schoorl is journalist, schrijver en dichter. Hij schreef eerder voor De Morgen, HLN, De Ondernemer en de tijdschriften De Muur, Passionate Magazine en Hard gras. In 1988 werd hij stadsverslaggever voor het Haarlems Dagblad. Sinds 1998 schrijft hij voor de Volkskrant.
In 2007 debuteerde hij als dichter met ‘A Capella’ in de Sandwichreeks van Gerrit Komrij. Vanaf dat jaar verschenen er meerdere dichtbundels van Schoorl zoals ‘Uitloopgroef’ (2009), ‘Bukshag’ (2012) en ‘Lust for life’ in 2013. Voor zijn journalistieke werk ontving hij verschillende prijzen. Een ervan herinner ik me nog goed, dat was zijn reportage van De Jeugd van Tegenwoordig, genaamd ‘De Anale Driehoek’ in de Volkskrant in 2015.
In de bundel ‘Lust for life’ staan ongeveer 50 gedichten geweid aan muziek. Het lijkt een kleine tour door zijn collectie heen te zijn. Van Alicia Keys tot Herman Brood, van David Bowie tot George Baker. Over meerdere componisten en bands is een gedicht door hem geschreven. In voetnoten bij de gedichten lees je over welke teksten hij het heeft en op welk album het te vinden is. Handig om de muziek bij een gedicht te vinden.
Uit deze bundel koos ik een gedicht bij een al wat ouder nummer van de Franse zanger Johnny Hallyday (1943-2017) getiteld ‘Pour Moi la Vie Va Commencer’ uit 1963. Dit was destijds het Franse antwoord op Elvis. Hallyday scoorde er een nummer 1 hit mee.
.
Pour Moi la Vie Va Commencer
.
Voordat we onder
Het brood doorgingen,
In polonaise nog wel,
.
De moules frites werden
Aangegaapt door een
Everzwijn in ruste,
.
De bordurende vrouw
Naar me lachte, en jij stiekem
Parmantig zat te roken,
.
Pakte ik je dansende hand vast,
En zag ik het hoesje van
Dat plaatje haarscherp voor me.
.
Wij waren allang begonnen hoor,
Me-neer-tje Hallyday.
.
Hamlet
Willem M. Roggeman
.
De Vlaamse dichter, schrijver, essayist Willem M. Roggeman (1935) mag dan niet zo bekend zijn in Nederland, in België is hij een grote dichter. Roggeman studeerde aan het Koninklijk Atheneum te Etterbeek waar hij de dichter Erik Van Ruysbeek als leraar Nederlands had. Hij studeerde economische wetenschappen aan de Rijksuniversiteit te Gent waar hij bevriend werd met Paul Snoek. Van jongs af aan kwam hij dus in aanraking met dichters en poëzie.
Vanaf 1959 tot 1981 was hij journalist op de culturele redactie van Het Laatste Nieuws. Hij publiceerde er artikelen over literatuur, beeldende kunst en jazz. Van 1981 tot 1993 was hij adjunct-directeur en waarnemend directeur van het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond te Amsterdam, waarvoor hij tentoonstellingen van belangrijke Vlaamse kunstenaars en literaire avonden met Vlaamse en Nederlandse auteurs organiseerde. Van 1982 tot 1989 was voorzitter van het Louis Paul Boon Genootschap en sinds 2006 opnieuw.
Hij was lid van de redacties van de literaire tijdschriften Diagram (1963-1964), Kentering (1966-1976), De Vlaamse Gids (1970-1992), Argus (1978-1981), Atlantis (2001-2002) en Boelvaar poef (vanaf 2006). Hij droeg voor op allerlei internationale poëziefestivals, zijn werk werd vertaald in vele talen, componisten hebben muziek geschreven bij zijn gedichten en kunstschilders hebben zijn verzen in beeld gebracht. Roggeman is kortom, niet de eerste de beste dichter.
In 1958 debuteerde Roggeman met de bundel ‘Rhapsody in blue’ waarna nog tientallen bundels zouden volgen. Zijn laatste dichtbundel verscheen in 2022 en is getiteld ‘Bewegend portret’. In 1972 verscheen een overzicht van zijn werk ‘Gedichten ’57 ’70’ en in die bundel staat het gedicht ‘Hamlet’.
.
Hamlet
.
Ik besta
dit betekent
ik leef, ik adem
ik heb pijn.
.
Ik besta
dit betekent
ik lees, ik schrijf,
ik eet
wanneer ik iets te eten heb.
.
Ik besta
dit betekent
ik denk na,
ik vraag mij af
of ik besta.
.
Ik
Jeroen Vermeiren
.
De Vlaamse dichter, copy writer, journalist, woordvoerder en stadsdichter van Bornem van 2014 tot 2016 (Provincie Antwerpen ) Jeroen Vermeiren (1974) debuteerde in 1996 met de dichtbundel ‘Wild vlees’. Hij heeft zelfs zijn eigen schrijfbedrijfje ‘De Zinnenspinnerij’, waar hij voor iedereen de juiste woorden vindt. Sinds 2013 is hij bovendien een van de creatieve schrijvers bij Studio 100 en columnist voor Charlie Magazine.
Werk van Vermeiren werd opgenomen in het literaire tijdschrift Deus Ex Machina en het online literair platform Meander Magazine. In 2016 verscheen de bundel ‘Alles, behalve nooit’ en in 2021 verscheen van zijn hand ‘Uit welk hout zal ik mij snijden?’.
In ‘De 100 beste gedichten van 2018’ voor de VSB poëzieprijs werden twee gedichten van zijn hand (uit ‘Alles, behalve nooit’) opgenomen waaronder het gedicht ‘Ik’.
.
Ik
.
Blues
.
Kijk mij daar gaan
zonder jou.
.
Het is geen gezicht.
Het is naakt. Veel te.
.
Kleed mij aan.
Naai mij toch dicht.
.
En zoen mijn ogen open.
Maak wat donker is
.
weer dragelijk licht.
.
Nieuwe poëzie
Jasmijn Lobik
.
Er is nieuwe poëzie onderweg in de vorm van het nieuwe minipoëzietijdschrift (digitaal en fysiek) MUGzine #19. In dit nieuwe numnmer dat tweede helft van oktober verschijnt een keur aan nationale en internationale bijdragen. Dichters Jan Lauwereyns (Vlaams dichter, woonachtig en werkzaam in Japan), Hava Güveli, Micha Hamel en Jasmijn Lobik verzorgden de poëzie in dit nummer en de Italiaanse collagekunstenaar Valentina Cozzi tekende voor het artwork.
Jasmijn Lobik (1997) is content manager en journalist en woont in Rotterdam. Ze studeerde Kunst- en Cultuurwetenschappen in Nijmegen en schrijft verhalen en gedichten. In 2023 was zij de winnaar van de AMAI Gedichtenwedstrijd ‘Beste gedicht volgens de vakjury’ (de jury waar ik deel van uitmaakte). En later dit jaar won zij de 1e prijs bij de gedichtenwedstrijd van het Poëzie- en Kunstfestival op het Noordereiland in Rotterdam.
Natuurlijk is de nieuwe MUGzine gratis te lezen en downloaden via mugzines.nl, is er een nieuwe @L.uule en kun je natuurlijk elke editie op papier ontvangen. Word dan donateur en ontvang alle edities van het jaar via de post. Om alvast in de stemming te komen een gedicht van Jasmijn Lobik uit 2019 getiteld ‘Dankbaarheidsdagboek’.
.
Dankbaarheidsdagboek
.
Bloedzwart, zuurgroen, nachtgeel
Ik vebrand mijn dankbaarheidsdagboek
Te dankbaar, te aardig ben ik
Mijn woorden willen moord en brand
.
Tien minuten mediteren
Ik verscheur elke zelfhulpbijbel
Te goed, te beleefd ben ik
Mijn lippen willen seks en schelden
.
Apart, interessant zeg ik
de mond van een buikspreekpop
Vouw me op, pas me in
Schreeuwen doe ik straks wel
.
Mijn gedchten
Ze doen, ze zijn, ze worden mij
.
Bevlogen en bevangen
Marcel van Maele
.
In het M HKA (Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen) in Antwerpen was een tentoonstelling gewijd aan de dichter en kunstenaar Marcel van Maele (1931-2009). Deze dichter, beeldhouwer, prozaïst en toneelschrijver schreef ‘rebelse’ poëzie, in taal vol neologismen die breekt met semantische en syntactische regels. Hij was een van de leidende figuren van het tijdschrift Labris (1962-1976), waarin een experimentele stijl prominent aanwezig was. Hij was lid van de Zestigers . Van Maele was de laatste 20 jaar van zijn leven volledig blind.
Uit zijn bundel ‘Over woorden gesproken’ uit 2006 het gedicht dat hij opdroeg aan de dichter Guido Gezelle (1830-1899). Gezelle was een Vlaamse rooms-katholieke priester, lyrisch dichter en hekeldichter, taalwetenschapper, leraar, journalist en vertaler, die vooral schreef over onderwerpen als natuur, vriendschap, religie en de dood. De toon en de manier van aanspreken deed me heel erg denken aan het gedicht dat ik schreef met de titel ‘Open brief aan professor Rümke’.
.
Bevlogen en bevangen
Voor Guido Gezelle
.
Het woord aanroepen en de zinnen belagen,
het woord dat bindt, het woord dat breekt,
dat tiert en en giert en verder viert,
dat kruipt en sluipt en zich verderstrekt
of dichtgeklapt wat bekken trekt.
.
Ik luister naar uw gedicht
dat mij soms wankelen doet en schrijf
het mijne met mijn ogen dicht.
Ik huiver als ik op uw schaduw trap
als gij mij met uw god belast en
in al wat zoet is zijn gebaar herkent.
Gij schrijft me neer en meer en smeert me
keer op keer dat godbestaan weer aan.
.
De stem die zich verheft en stilte gebiedt
als het woord de taal verlaat en zwerven gaat.
Aanhoor nu dat zwijgen langs alle kanten,
de wind die liggen gaat,
gekust de bloem en uitgelezen
de lamme die de trommel slaat.
.
Ezel!
Dubbelgedicht
.
Vandaag een dubbelgedicht over een dier met een, onterecht, dubieuze naam; de ezel. Het eerste gedicht is van Jacob Israël de Haan (1881 – 1924), een schrijver, dichter, publicist en rechtsgeleerde. Het gedicht ‘Ezeltje’ komt uit de bundel ‘Kwatrijnen’ uit 1994.
Het tweede gedicht is van Lêdo Ivo (1924 – 2012) een Braziliaans dichter, schrijver, essayist en journalist. Zijn gedicht ‘De ezel’ komt uit de bundel ‘Vleermuizen en blauwe krabben’ uit 2000 vertaald door August Willemsen.
.
Ezeltje
.
Ezeltje op uwe sterke hertepootjes,
Wat gaat gij driftig door de smalle straat.
Gij struikelt niet over steenen en gootjes.
Een trouw en sober kameraad.
.
De ezel
.
Boven op de verschroeide oever
graast de ezel. Zijn grote gele tanden
vermalen het droge gras dat over is
van zo veel voorjaar.
De aarde is donker. In de volkomen blauwe hemel
werpt de zon zijn schitteringen en verwarmt
tomaten, artisjokken, aubergines.
De ezel overziet de dag die trilt
van zo veel licht
en balkt, zijn aandeel
in de schoonheid van de wereld.
.
Haat
Gwendolyn Bennet
.
Gwendolyn B. Bennett (1902 – 1981) was een Amerikaanse kunstenaar, schrijver en journalist die heeft bijgedragen aan ‘Opportunity: A Journal of Negro Life’ , waarin de culturele vooruitgang tijdens de Harlem Renaissance werd opgetekend. De Harlem Renaissance was een intellectuele en culturele heropleving van Afro-Amerikaanse muziek, dans, kunst, mode, literatuur, theater, politiek en wetenschap, gecentreerd in Harlem in New York City, verspreid over de jaren 1920 en 1930.
Hoewel ze vaak over het hoofd wordt gezien, heeft ze zelf aanzienlijke prestaties geleverd op het gebied van kunst, poëzie en proza. Ze debuteerde in 1923 met het gedicht ‘Nocturne’ in Opportunity magazine. Haar gedichten werden in meerdere verzamelbundels opgenomen.
In de bundel ‘The Rag and Boneshop of the Heart’ a poetry anthology uit 1992 is ze opgenomen met het gedicht ‘Hatred’. Deze ruim 500 pagina’s tellende bloemlezing van poëzie van alle tijden en uit alle landen is een fantastische bron voor elke poëzieliefhebber. Hierbij het gedicht in het Engels en in een vertaling van mijn hand.
Hatred
.
I shall hate you
Like a dart of singing steel
Shot through still air
At even tide,
Or solemnly
As pines are sober
When they stand etched
Against the sky.
Hating you shall be a game
Played with cool hands
And slim fingers.
Your heart will yearn
For the lonely splendor
Of the pine tree
While rekindled fires
In my eyes
Shall wound you like swift arrows.
Memory will lay its hands
Upon your breast
And you will understand
My hatred.
.
Haat
.
Ik zal je haten
Als een pijl van zingend staal
Door stilstaande lucht geschoten
Bij gelijk tij,
Of plechtig
Omdat dennen nuchter zijn
Als ze geëtst staan
Tegen de hemel.
Jou haten zal een spel zijn
Met koele handen gespeeld
En slanke vingers.
Je hart zal verlangen
Naar de eenzame pracht
Van de pijnboom
Terwijl opnieuw het vuur
In mijn ogen
Je zal verwonden als snelle pijlen.
Het geheugen zal zijn handen
Op je borst leggen
En je zult het begrijpen
Mijn haat.
.
Lamia Makaddam
Vrijetijdsgedichten
.
De in Tunesië geboren dichter, vertaler. journalist en tolk Lamia Makaddam (1971) ken ik sinds kort. In eerste instantie via Facebook, later via haar bijdrage aan ‘De eerste bloemlezing van de Nederlandse poëzie’ die werd samengesteld door Tsjead Bruinja en daarna persoonlijk toen ze kwam voordragen in onze gezamenlijke woonplaats bij Loft in het kader van de poëziemiddagen die de organisatie van Dichter bij de dood organiseert. Die laatste bijeenkomst was bijzonder omdat ze mij daar vroeg of ik haar gedichten in het Nederlands wilde voordragen nadat ze ze eerst zelf in het Arabisch voordroeg. Lamia studeerde Arabische taal en letterkunde. Ze publiceerde vijf dichtbundels in het Arabisch en won in 2000 de El Hizjra Literatuurprijs. Haar werk werd vertaald in het Frans, Koerdisch en Engels. In 2020 verscheen haar eerste bundel in Nederland, vertaald door Abdelkader Benali, getiteld ‘Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf’.
Alle reden dus om haar bundel ‘Vrijetijdsgedichten’ aan te schaffen die begin dit jaar werd gepubliceerd door uitgeverij Jurgen Maas en vertaald werd door Djûke Poppinga. De bundel is fraai vormgegeven met op het omslag een foto van de schrijvende hand van Lamia. En de titel van haar eerste Nederlandse dichtbundel is eigenlijk ook op deze tweede bundel van toepassing. Want dat is wat deze bundel doet, de dichter vinden in elk woord dat ze schrijft. Haar poëzie is heel persoonlijk en is geschreven vanuit haar verleden, haar heden en haar toekomst.
Opvallend aan de gedichten is dat je bij een eerste doorbladeren van de bundel niet meteen denkt aan een dichtbundel. De gedichten zijn zonder titel, ze beslaan soms twee pagina’s en zijn als tekstblokken opgeschreven (met uitzondering van een paar gedichten die qua vorm wel meer lijken op wat wij herkennen als gedicht). Nu weet ik dat steeds meer dichters de vorm loslaten en meer proza-achtige gedichten schrijven. Maar Lamia weet hier toch nog een extra dimensie aan te geven.
De gedichten zijn een mengeling van herinneringen, ervaringen, dromen, wensen en verwachtingen en spelen zich vrijwel allemaal af in de directe omgeving van de dichter, haar woning en haar gezin. Maar er zijn ook de herinneringen aan haar ouderlijk huis, haar vader en moeder, haar geliefde en haar land van herkomst. Lamia richt zich in haar gedichten steeds direct tot de lezer waardoor ze een zekere intimiteit weet te scheppen die je niet vaak vindt bij dichters.
Als er al een thema leidend is in deze bundel dan is het denk ik alles wat met kijken, zien, ogen (en hun tranen) en de zintuigelijke visuele waarneming te maken heeft. In vrijwel elk gedicht wordt er al dan niet subtiel naar verwezen, komt het zijdelings aan de orde of is het het onderwerp. Het kijken, het zien, het afnemen van het zicht (tot aan een glazen oog toe). het wordt allemaal beschreven. De poëzie van Lamia is sowieso heel zintuigelijk, ook het voelen, het proeven, ruiken en het luisteren komen terug in haar poëzie.
De poëzie van Lamia is een wonderbaarlijke mix van het bovengenoemde gecombineerd met bespiegelingen en gedachten over de persoon van de dichter, boeken en de liefde. In het gedicht op pagina 18 komt dit allemaal bijeen.
.
Ik was nog een klein meisje, toen een van hen mijn hand pakte en in
zijn broek stak.
Die hand is nooit meer teruggekomen.
Ik schreef poëzie, maar kreeg hem niet terug.
Ik plantte bomen, maar kreeg haar niet terug.
Ik heb haar zelfs niet gevonden toen ik mijn tranen droogde.
Maar vandaag heb ik haar terug gevonden.
Ik hief mijn hand op en zwaaide naar het kleine gezichtje dat tegen de
ruit van de schoolbus was gedrukt
die wegreed.
In de regen en de mist
zag ik mijn hand, levend, ademen,
klein, zoals ik haar had achtergelaten.
Ik heb deze bundel met heel veel plezier in één keer uitgelezen. De poëzie van Lamia pakt je vast en neemt je mee. Wat mij betreft een echte aanrader.
.
Zoet en zout
Dubbelgedicht
.
Dubbelgedichten kunnen overal over gaan zolang ze maar in relatie staan tot elkaar (titel, inhoud, intentie). In dit geval zijn het de smaken zout en zoet die de twee gedichten aan elkaar verbinden.
In 1958 publiceerde dichter, journalist, kunstschilder en filmmaker Hans Verhagen (1939-2020) in eigen beheer zijn eerste bundel ‘Anatomie van een Noorman’. De achttien gedichten droeg hij op aan zijn toen pas overleden moeder. Een van deze gedichten is getiteld ‘Een zout gedicht’.
Het tweede gedicht ‘Zoet’ is van dichter, schrijfster en archeoloog Esther Jansma (1958) en is terug te vinden in haar bundel ‘Rennen naar het einde van honger’ uit 2020.
.
Een zout gedicht
.
1
Een Spanjaard zonder nootmuskaat
is niet te eten,
een Noorman zonder inundatie
is ondrinkbaar.
.
2
Over mijn gescheurde mond jaagt de
Noordzee,
het wier woekert in mijn oorschelp;
ik prevel tevergeefs
mijn aangespoelde woorden, zwaar
van traan,
in het asbest van mijn adem komen
scheuren-
.
3
Aangenomen dat een dijkbreuk
niet de aangewezen weg is
om te wateren
eb ik langzaam af.
Een eenzame, bestofte vis
aait mijn natte lettergrepen
tot een zout gedicht zonder bomen.
.
4
Tussen voeten en hoed blijft hij
nu zijn eigen groei getrouw
en dat is goed. Maar daaronder
loopt het leven van hem weg.
.
Zoet
.
Het was het begin van het leven.
We waren er nog niet aan gewend.
Dreunde de deur ’s nachts open
noemen we het: liefde.
.
Alleen-zijn begint als je elkaar
niet herkent, in dat donker zijn
denk ik de stemmen geboren.
‘Had de rotzooi dan opgeruimd.’
.
En met het zwijgen begon
daar de stilte die maakt
dat we tot een veelheid, aan flarden,
verknipt werden: schimmen,
kaalgeschoren dwerghoeren, lief
voor alles en iedereen zoet, zoet.
.













