Site-archief
Liefde en seks: deel 1
Steven Herrick
.
De Australische vers-romanschrijver Steven Herrick (1958) schrijft voor volwassenen, tieners en kinderen. Hij behaalde een BA aan de University of Queensland. In een artikel voor The Pulse schrijft Herrick over de verhalende elementen die in zijn poëzie voorkomen: “Mensen denken dat poëzie over heel statische, oude, saaie dingen gaat, zoals een boom of een rivier. Mijn poëzie gaat over een jongen die in de rivier springt. Ik schrijf geen beschrijvende gedichten. Ik schrijf verhalen in versvorm.”
In de bundel ‘Aan de rivier’ uit 2007 schetst Herrick het leven in een ingeslapen stadje ergens in Australië. Er gebeurt niets en toch is de spanning duidelijk aanwezig. Harry groeit op met zijn broertje in een leeg huis. Zijn vader werkt, zijn vriendinnetje verdrinkt. Dat is in het kort het verhaal, in lange proza-achtige gedichten (of verhalende verzen), waar ‘Aan de rivier’ over gaat.
Het gedicht ‘liefde en seks: deel 1’ hieronder is genomen uit deze bijzondere bundel.
.
liefde en seks: deel 1
.
Op mijn veertiende
word ik verliefd op Jane Russell,
de Koningin van Hollywood,
en Eve Spencer,
achttien jaar,
met een prachtige huid,
met een paardenstaart,
en borsten
die me nachtenlang wakker houden.
Ik begin naar meisjes in mijn klas
te kijken met net zulke
coole halfdichte ogen
als Wayne Barlow die zichzelf
in de spiegel bekijkt
en aan zijn kapsel werkt,
vrijdagavond laat
terwijl het meisje zich aankleedt.
Keith en ik,
nog steeds in de bosjes,
weten niet goed
of we naar haar bh moeten kijken,
of naar Wayne Barlow,
die verliefd is
op zijn spiegelbeeld.
.
Nieuwe versvorm
Wim Meyles
.
Tweevoudige Nederlands kampioen plezierdichten Wim Meyles (1949) is geen onbekende op dit blog. Zo schreef ik twee jaar geleden al over zijn bundel ‘Ietsnut’ en was hij een van de light verse dichters in editie 8 van MUGzine samen met Remko Koplamp, Inge Boulonois en Frank van Pamelen. En nu is er weer een nieuwe bundel van Wim Meyles uit getiteld ‘Kortjakje’ waarin Kortjakjes, (snel)sonnetten, Trijntje Fops, limericks, lobbertangen en nog vele andere vormen van light verse zijn opgenomen.
Dat Meyles al lang meeloopt in het vak van het plezierdichten blijkt uit zijn inmiddels grote oeuvre. Zo heeft hij al 29 boeken op zijn naam staan en schrijft hij ook korte verhalen, sprookjes en fabels. Het Kortjakje is een versvorm die door Meyles is bedacht (zoals heel veel versvormen zijn bedacht door dichters als Drs. P, Joz Knoop, Bas Boekelo, Katja Bruning en Frits Criens). Het Kortjakje is als volgt gevormd: kort-jak-je: 4-3-2, dus vier regels, drie regels en twee regels, met verder als kenmerken: jambische viervoeters en het rijmschema AAAA BBB CC.
Hier een voorbeeld kortjakje uit Meyles zijn nieuwe bundel met de gelijknamige titel.
.
Kortjakje
.
.
Half mens
Erwin Hurenkamp
.
Toen ik ‘Nu we er toch zijn’, de nieuwe bundel van Erwin Hurenkamp (1993) voor het eerst zag dacht ik even dat ik met een combinatie van een bundel van uitgeverij Opwenteling en de bundel van de Nacht van de Poëzie dit jaar te maken had. Maar het bleek van niet. Deze nieuwe bundel ‘Nu we er toch zijn’ mag dan qua vormgeving iets weg hebben van beide bundels, maar is uitgegeven door Querido.
Hurenkamp studeerde literatuurwetenschap en Cultural Analysis in Amsterdam. Gedichten van zijn hand verschenen eerder op Hard//hoofd en De Optimist en in Tirade. De bundel ‘Nu we er toch zijn’ is zijn debuut. Ik schreef al eerder over deze bundel als Poëzieclubkeuze van poëzietijdschrift Awater. Peter Vermaat schrijft over deze bundel in zijn recensie op de Meander website: “Er wordt veel verteld, maar weinig verhaald, veel geschreven, maar weinig gezegd.” Toch is Vermaat naast kritisch ook verrast en zitten er in de bundel hier en daar ook pareltjes.
Ik koos, na ‘Kyrie 1.1’ als tweede gedicht uit deze bundel voor het gedicht ‘Half mens’ waarin ik een leegstaand huis ervaar dat door de natuur terug wordt genomen.
.
Half mens
.
De klimop. Het was avond en ik hoorde het kraken
langs de muren schuren, opkruipen tot de nok.
Een tafelpoot schoot wortel.
,
De raamkozijnen staan in knop. Vrij grote, gekartelde bladeren
komen op uit koelkasten en dekenkisten – het huis ademt in
klaagt, breekt, metaal roest.
.
Het regenwater sijpelt langs de binnenwanden. Er ontstaat
een stroom, de voorkamer is een monding en ik lek door alle schermen
en membranen, door de rokken van de slaap.
.
Ontwaak en benader kruipend door moerasgasgroene drek een vorm van gekte.
Kan iemand dit beeld van mijn netvlies schrapen.
.
Joan Miró
Een boomkruiper
.
Afgelopen weekend was ik bij museum Beelden aan zee in Scheveningen. Daar is momenteel een tentoonstelling van werk van Joan Miró (en van Jean Arp, ook zeer de moeite waard). Het werk van Miró (1893-1983) dat tentoongesteld wordt is veelzijdig en interessant. Wat minstens zo interessant is, is de bijbehorende handleiding langs de beelden in het museum. Daarin wordt aan de hand van zijn beeldhouwwerken het verhaal van zijn leven verteld. Zo las ik dat Miró in nauw contact stond met dichters als Paul Éluard (1895-1952) en André Breton (1896-1966). Maar Miró schreef ook zelf gedichten maar daar heb ik geen voorbeelden van kunnen vinden.
Waarschijnlijk omdat Miró geen onderscheid maakte tussen de verschillende disciplines (schilderkunst, beeldhouwwerk, poëzie). Een voorbeeld van dergelijke ‘poem-paintings’, de zogenaamde droomschilderijen waarin hij poëtische teksten en losse woorden verwerkte is ‘ceci est la couleur de mes rêves’ uit 1925.
.
.
Maar Miró illustreerde ook dichtbundels van bijvoorbeeld René Char (1907-1988). Na de tweede wereldoorlog verschenen vier uitgaven van deze twee kunstenaars waaronder ‘Le chien de cœur’ uit 1966.
.
.
De tentoonstelling van Miró (en Arp) in Mueseum Beelden aan zee kan ik iedereen van harte aanbevelen. Vooral omdat er werk te zien is dat voor het eerst buiten Spanje te zien is én er zijn twee studies te zien waarvan er één voor het eerst in een museum. Omdat ik geen gedicht kon vinden van Miró heb ik gekozen voor de dichter René Char met wie Miró samen heeft gewerkt. Uit ‘Grenzend aan Van Gogh’ Les voisinages de Van Gogh in een vertaling van Clasine Herring, komt het gedicht ‘Een boomkruiper’.
.
Een boomkruiper
.
Vonkt
Stoel
.
Marije Langelaar (1978) is beeldend kunstenaar, dichter en schrijver en woont afwisselend in Arnhem en Russeignies in België. Op 15 november schreef ik over de Kunst- en poëzieroute in Arnhem, waar zij maar liefst vier gedichten voor aandroeg.
Ze debuteerde als dichter in 2003 met de bundel ‘De rivier als vlakte’. Hierna volgde in 2009 de bundel ‘De schuur in’. Hiervoor ontving Langelaar de tweejaarlijkse Hugues C. Pernath-prijs, terwijl deze bundel ook werd genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs en de J.C. Bloemprijs.
Haar derde bundel ‘Vonkt’ verscheen in 2017, werd bekroond met de Jan Campert-prijs en de Awater Poëzieprijs en werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Haar werk is vertaald in het Engels, Turks, Litouws, Spaans, Italiaans, Frans en Russisch.
Op de website van Poetry International staat te lezen over haar poëzie: Met deze lichamelijke, ‘natuurlijke’ poëzie hoort Langelaar bij een hedendaagse Nederlandse stroming die de Vijftigerspoëzie van Lucebert nieuw leven inblaast. Een goed voorbeeld van haar ‘natuurlijke’ poëzie is het gedicht ‘Stoel’ uit haar bundel ‘Vonkt’.
.
Stoel
.
Ik stond naast een tafel en het verontrustte mij dat ik zo
alleen was en opeens hoorde ik het kloppen erg
zachtjes weliswaar maar iets maakte zich kenbaar.
Het was zo subtiel dat ik moest knielen, zo vond ik de
stoel en ik raakte het hout zoals je een tong raakt, ik
legde mijn vinger in een nerf, het begon onmiddellijk te
schemeren en dieren stonden om ons heen.
Inmiddels was ik al niet veel groter dan een speldenpunt
en innerlijk dronken de stoel zond mij zijn gedachten, vrij
technisch maar gevolgd door het ruisen van bomen
voor even, een seconde of drie werd ik stoel. Het was zalig, zalig
dat hout in mijn wervels! De klop in mijn been, een bestaan
zonder bloed of gedachten. En stil te staan eeuwig. En
opgetild. En altijd die functie en een
innerlijk waaien van de bomen afkomstig.
.
Gedicht op een klok
Kevin Clark
.
Zo nu en dan ga ik (nog eens) op zoek naar gedichten op plaatsen waar je ze niet zo snel verwacht. Al moet ik onderhand toegeven dat gedichten op werkelijk alle denkbare plekken zijn aangebracht. Als je de rubriek ‘gedichten op vreemde plekken’ terugleest kom je vele (meer dan 100) voorbeelden tegen van gedichten op auto’s, boten, lichaamsdelen, gebruiksvoorwerpen en ga zo maar door.
Nu vond ik een nieuw voorbeeld van een gedicht op de wijzerplaat van een klok. Het gedicht is van dichter en essayist Kevin Clark (1950), Poet Laureate van San Luis Obispo County, Californië in 2020. Gedecoreerd dichter met vele prijzen, schrijver van ‘The Mind’s Eye’ A Guide to Writing Poetry (2007) en dichter van verschillende dichtbundels. Het gedicht op de klok vond ik niet terug maar wel een ander gedicht van Clark uit 2003 getiteld ‘Parallel Paths’.
.
Parallel Paths
.
Today you’re lucky, in love with your wife
for the first time in weeks, both of you
out for a walk in the overgrown park.
No need to hold hands
like that sadly animate couple
you can see through a clearing
on a parallel path.
She lets
go and turns from him. You notice
how in their weather misery hangs
faintly familiar in the cold shadows.
As if having recently unlearned
the habit of empathy, the sky
over their forest seems to laugh
at whatever they say, a woman
turning from a man, their dog
flexed on a heap of duff
pretending to study the sparrows.
Now the woman feigns confidence,
stepping gracefully
away. Two lives severed
irrevocably.
Such a capricious drug,
the present. Look for instance
at this woman’s immediate future.
Like yourself once, she will forget
the names of old haunts, her voice
a clever imposter, someone else
filling her mouth, not with words,
but vocables intending her own worth.
Or right now: how all of these thoughts
have occurred to you in a flash.
When you look up, your wife’s vanished.
But really she’s there, of course,
off the path, among the ancient
waist-high grasses, holding out to you
a single mutable wildflower
burning in its own ochre light.
From here to that flower exist
no guarantees. Best to get on with it.
Lucas Rijneveld
Noppenfoliefolie
.
Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en heb ik, met mijn ogen dicht, de bundel ‘Kalfsvlies’ van Marieke Rijneveld (1991) gepakt. Van (sinds 2023) Lucas Rijneveld heb ik al enige tijd niets meer gehoord. Zijn laatste wapenfeit is alweer van 2022 toen hij het Boekenweekessay schreef voor het CPNB (Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek).
In 2015 ging er een kleine schok door literair Nederland toen Rijnevelds debuutbundel ‘Kalfsvlies‘ werd gepubliceerd, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs 2016 voor het beste poëziedebuut van het jaar. Hierna volgde het uitroepen van Rijneveld door de Volkskrant tot literair talent van 2016.
De rest is geschiedenis. Het enorme succes van zijn roman ‘De avond is ongemak’ waarvoor hij in 2020 de prestigieuze International Booker Prize won, zijn 2e dichtbundel ‘Fantoommerrie‘ in 2019 waarvoor hij de Ida Gerhardt Poëzieprijs won in 2020, de rel rondom het mogelijke vertalen van Amanda Gormans voordracht ‘The Hill We Climb’ tijdens de inauguratie van president Biden in de Verenigde Staten en uiteindelijk het verschijnen van zijn derde bundel ‘Komijnsplitsers‘ in 2022.
Waar hij sinds 2018 elk jaar een roman of dichtbundel publiceerde, is er nu al sinds 2022 niets meer op literair vlak vernomen van Rijneveld behalve dan dat hij het gedicht voor de Nationale Dodenherdenking in 2023 schreef en dat zijn verwachtte roman ‘Het verdriet van Sigi F.’ om onduidelijke reden niet verscheen in 2023. En dat is spijtig. Ik ken Lucas al heel lang (sinds zijn 16e) en ik heb veel respect en waardering voor zijn werk. Als dichter is er geen ander zoals hem in het huidige tijdgewricht.
Maar gelukkig hebben we zijn bundels nog (in afwachting van nieuw werk). In de bundel ‘Kalfsvlies’ koos ik, opnieuw zonder te kijken, voor het gedicht ‘Noppenfolie’.
.
Noppenfolie
.
Van bovenaf gezien is dit trappenhuis net een badkuip, ik denk aan een film met een
clown die uit een putje kroop, sindsdien leg ik er bij het douchen een washandje op.
.
In een woning schuilen vele herinneringen als onderduikers die op een dag
tevoorschijn moeten komen, zoals de keer dat mijn broer onder mijn bed
was gekropen en een kat nadeed. Later was hij degene die voor het eerst
godverdomme riep, alleen met muren kun je kinderen binnen houden.
.
Toen ze hem kwamen ophalen stond vader in zijn overall half gebogen
met zijn hoofd tussen de spijlen van de trap, zweetdruppels op zijn
voorhoofd als noppenfolie als je hard werkt verbrand je op den duur
je tranen, riep hij. Ik vouwde mijn handen om mijn zusjes oren, hopend dat
hij naar beneden zou stormen, de radio aanzetten en dansen
.
zoals we van hem gewend waren. Vrolijk om de sfeer als verlichting
aan te knippen. Dat we zouden lachen en mijn broer niet opgeslokt werd
door monden van grijze meneren aan het einde van de traptreden. Mijn nachten
.
zwarter werden omdat ik nooit meer wist wie er zich nu dubbelvouwde om onder
mijn bed te kunnen passen, clowns niet langer eng waren, alleen maar eeuwig dronken.
.




















