Site-archief
Ons te vroeg ontvallen
Antoinette Sisto
.
In de afgelopen 12,5 jaar waarin ik me, na mijn debuut als dichter met ‘Zichtbaar alleen’ actief bezig hou met poëzie, zijn er een aantal goede bekende en bevriende dichters overleden. Op te jonge leeftijd werden zij uit het leven gerukt door ziekte of hartstilstand. Dit waren geen dichters van grote naam en faam onder de Nederlandse bevolking zoals bijvoorbeeld Gerrit Komrij, Jules Deelder of Menno Wigman maar dichters die met hart en ziel aan hun poëzie werkte, bundels uitgaven, actief waren met poëzieprojecten en op podia overal in Nederland stonden.
Omdat ik vind dat deze dichters niet vergeten mogen worden zal ik hier de komende tijd gedichten van hen plaatsen. Om te beginnen met dichter Antoinette Sisto (1963 – 2017). Op 3 juli 2017 overleed zij plotseling na twee hersenbloedingen. Antoinette was naast redacteur van Meander en medewerker van de stichting Perdu, secretaris van het Departement of Communication Sciences, dichter, redacteur en vertaalster van Italiaanse dichters.
In 2013 verscheen van haar hand de bundel ‘Dichter bij de dagen’ met veel gedichten die handelden over de ziekte en dood van haar man Wally, gevolgd door ‘Iemand moet altijd gemist worden’ in 2014. Ik mocht een aantal gedichten van haar voordragen samen met wat eigen werk op de presentatie van haar laatste bundel ‘Hoe een zee een woord werd’ uit 2017. Antoinette was naast een begenadigd dichter een mooi en vriendelijk mens. Ik had het voorrecht om een aantal keer samen met haar op een podium te staan, werd door haar voor Meander geïnterviewd en nodigde haar uit om bij Ongehoord! voor te dragen.
Uit haar bundel ‘Iemand moet altijd gemist worden’ koos ik het gedicht ‘Ambacht’.
.
Ambacht
.
In het diepst van mijn hart
dacht ik voor de duizendste maal
toen ik de ven zag en haast voorbij liep
.
maar evenredig zoveel keren
dacht ik het niet
en ik struikelde over een beter beeld
.
dat ik vasthouden wilde
maar bang als ik was
met andere woorden ontweek
.
over één nacht ijs ga ik niet.
.
Dag aan dag bewerk ik
de barts in het oppervlak
het lek in de stilte
het gewicht van water en lucht.
.
Mijn geduldige handen was ik.
En was ik opnieuw
ze ontdoen zich van iets.
.
Eerst de hond
Dubbel-gedicht
.
Als er een thema is waarover veel gedichten zijn gemaakt (naast de dood en de liefde) dan is het wel het dier. En van alle dieren zijn er denk ik het meeste gedichten over katten, gevolgd door gedichten over honden. Voor het dubbelgedicht koos ik voor de laatste vooral omdat de twee gedichten die ik koos zo totaal verschillend zijn.
Het eerste gedicht is van Kees Stip (1913 – 2001). Onder het pseudoniem Trijntje Fop publiceerde hij vele nonsensversjes. In de bundel ‘De peperbek en andere beesten’ dat werd gepubliceerd onder zijn officiële naam C. Stip uit 1967 staan allerlei gedichten over dieren waaronder het gedicht ‘op een tekkel’.
Het tweede gedicht is van de Poolse dichter, toneelschrijver en essayist Zbigniew Herbert (1924 – 1998). Het gedicht ‘Eerst de hond’ komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999 en werd vertaald door Gerard Rasch. In Polen wordt Herbert beschouwd als een klassiek dichter, hoewel hij maar weinig steunt op metrum en rijm. Hij is klassiek in zijn waarnemingen, zowel van de broosheid van mensen als van de trouw der dingen. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door beheersing, beknoptheid, eerlijkheid en soberheid, soms ook door een speels-filosofische toon.
.
op een tekkel
.
Een tekkel volgde trouw te Dordt
een man met een reclamebord
waarop stond: PIETERS’PILLEN ZIJN
GEWELDIG TEGEN ZENUWPIJN.
het beest sprak enigszins verlegen:
‘Daar ben ik ook geweldig tegen.’
.
Eerst de hond
.
De hond zal dus als eerste gaan
daarna het varken of de ezel
in wart gras treden ze een paadje uit
en daarover schiet de eerste mens
die met ijzeren hand de druppel angst
verstikt die op zijn glazen voorhoofd zweet
.
als eerste dus de hond een brave hond
die nooit van ons is weggelopen
van een bot aardse lantaarns droomt
in zijn wervelende hok in slaap valt
zijn arme bloed raakt aan de kook verdampt
.
daarna gaan wij met een andere hond
die ons aan de lijn zal voeren
met onze witte astronautenstok
stoten wij onhandig sterren aan
niets zien we en niets horen we
we beuken op de donkere ether
en op alle golven klinkt gejank
.
al wat je mee op reis kunt nemen
door het koudvuur van de zwarte wereld –
de naam van mens de geur van appel
een noot van klank een kwart van kleur
.
heb je nodig voor de terugreis
voor het vinden van de snelste weg
wanneer de blinde hond je leidt
naar de aarde blaft als naar de maan
.
Lied
François Villon
.
Op 16 oktober 2019 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/10/16/ballade-voor-de-meisjes-van-plezier/ en 26 april 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/04/26/gek-slecht-en-gevaarlijk-te-kennen/ schreef ik al over de Franse dichter François Villon (1431 – ca. 1463). Nu heb ik een nieuw bundeltje in mijn bezit uit 1969 getiteld ‘Verzamelde gedichten’ vertalingen van Ernst van Altena. Ondanks het feit dat Villon meer dan 500 jaar geleden leefde, is zijn poëzie nog steeds populair. Mijn editie is een 5e druk (1e druk 1963). De bundel beschikt over een groot aantal aantekeningen met duidingen van personen en situaties waarover Villon dicht.
In de bundel staan een groot aantal balladen, renvooien en rondelen. Maar er staat meer in, zoals een lied ( ‘Chanson’).
.
Lied
.
Thuis terug uit kille cel
waar ‘k haast stierf in barre nood…
Dacht Fortuna dat ‘k genoot?
Dan vergist zij zich toch wel!
Hooglijk trekt ze na dit spel
zich nu zonder slag of stoot
thuis terug.
.
Zo is ’t leven mij een hel.
Ach, ik wou meteen wel dood,
om te rusten in God’s schoot,
want zo komt mijn ziel dan snel
thuis terug.
.
Chanson
.
Au retour de dure prison,
Ou jái laissié presque la vie,
Se Fortune a sur moy envie,
Jugiez s’elle fait mesprison!
Il me semble que, par raison,
Elle deust bien estre assouvie
Au retour.
.
Se si plaine est de desraison
Que vueille que de tout devie,
Plaise a Dieu que l’ame ravie
En soit lassus en sa maison,
Au retour.
.
Van Dante tot Neruda
Steinn Steinarr
.
In de bundel ‘Van Dante tot Neruda’ 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen, samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, staat een gedicht van de IJslandse dichter Steinn Steinarr. Nu lijkt het me een hele opgave om de 123 gedichten in deze bundel uit het hoofd te leren maar er staan vele prachtige gedichten in van evenzoveel prachtige dichters. De dichter Steinarr (1908 – 1958) kende ik niet.
Steinn Steinarr wordt soms beschouwd als de eerste belangrijke IJslandse modernistische dichter , maar hij had ook een goede beheersing van de traditionele IJslandse poëzie. Zijn poëzie is verrassend goed verouderd. In feite is het tegenwoordig op veel manieren actueler dan het was toen het werd geschreven. Een reden kan zijn dat zijn favoriete thema, de strijd van de eeuwige eenling / buitenstaander tegen de diepgewortelde tirannie van corrupte macht, nu minstens zo waar klinkt als in de jaren dertig en veertig. Een andere reden kan zijn dat de werken van Steinnarr een spin-off zijn van een van ’s werelds grote literaire tradities: de poëzie van de middeleeuwse IJslandse ‘skalds’ (wat ‘dichter’ betekent, is over het algemeen een term die wordt gebruikt voor dichters die in de Vikingtijd en in de middeleeuwen aan het hof van Scandinavische leiders hebben gecomponeerd), beroemd om hun complexe en raadselachtige stijl, hoewel Steinnarr ook een van de eerste IJslandse dichters was die wegging van de dominantie van strikte meter en alliteratie. (Bron: Wikipedia).
Het gedicht dat in ‘Van Dante tot Neruda’ is opgenomen is getiteld ‘Kind’ en komt oorspronkelijk uit ‘Letters’ uit 1995 en is vertaald door Claude Van De Berge.
.
Kind
.
Ik was een klein kind
en speelde bij het strand.
Twee zwartgeklede mannen
gingen voorbij
en groetten mij:
goedendag, klein kind,
goedendag.
.
Ik was een klein kind
en speelde bij het strand.
Twee bleekharige meisjes
gingen voorbij
en fluisterden:
ga met ons mee, jongeman,
ga met ons mee.
.
Ik was een klein kind
en speelde bij het strand.
Twee lachende kinderen
gingen voorbij
en riepen:
goedenavond, oude man,
goedenavond.
.

Schilderij Hallgrímur Helgason
Nieuwe Amerikaanse dichters
New American Poets
.
In 2005 werd door uitgever David R. Godine (uitgeverij DRG) in Boston de vuistdikke bundel ‘New American Poets’ gepubliceerd, met daarin 95 van de nieuwste dichters in Amerika. Amerikaanse dichters uit alle windstreken, met hun roots in allerlei landen (onder andere Michael van Walleghen waarvan ik vermoed dat zijn roots in Nederland of waarschijnlijker Vlaanderen liggen), man, vrouw en allemaal nog onbekend (zeker hier in Nederland). Het zijn niet alleen jonge dichters, ook dichters die al wat ouder zijn en bekend worden of op doorbreken staan.
In de bundel valt me op dat er veel lange gedichten staan, ook prozagedichten en van elke dichter zijn een paar gedichten opgenomen (de bundel telt maar liefst 442 pagina’s). Omdat ik eigenlijk geen enkele naam ken ben ik wat op onderzoek uitgegaan.
Uiteindelijk heb ik gekozen voor dichter Marilyn Nelson Waniek (1946).
Marilyn Nelson is dichter, vertaler en auteur van kinderboeken. Ze is emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Connecticut, en de voormalige dichter-laureaat van Connecticut. Ze is een winnaar van de Ruth Lilly Poetry Prize, de NSK Neustadt Prize for Children’s Literature en de Frost Medal. Van 1978 tot 1994 publiceerde ze onder de naam Marilyn Nelson Waniek. Ze is de auteur of vertaler van meer dan twintig boeken en vijf poëziebundels voor volwassenen en kinderen, zogenaamde chapbooks (soort zelfgemaakte klein (A6) tijdschriftje van meestal 8, 12, 16 of 24 pagina’s). Naast vele andere publicaties verschenen van haar 11 poëziebundels. Uit ‘New American Poets’ koos ik het gedicht ‘Chosen’ dat komt uit haar bundel ‘Homeplace’ uit 1990.
In ‘The Homeplace’ wordt de lezer betrokken bij een reeks scherp geportretteerde levens (van haar familie). Door een continu verhaal te vertellen in een mix van vrij vers en traditionele vormen, geeft Waniek haar werk tempo en intensiteit. Ze behandelt de villanelle, het sonnet en de populaire ballad met gelijke vaardigheid en enthousiasme.
Het sonnet ‘Chosen’ beschrijft de consensuele maar ongelijke seksuele daad tussen haar over-overgrootmoeder Diverne, een slaaf die naar Hickman in de staat Kentucky werd gebracht vanuit Jamaica, en haar over-overgrootvader, Henry Tyler, een blanke man, wat leidt tot de geboorte van Pump, de overgrootvader van Nelson. Het gedicht besluit met dit couplet: ‘And it wasn’t rape. In spite of her raw terror. And his whip’. Het gedicht houdt vol dat de daad geen verkrachting was omdat het leidde tot de geboorte van een geliefd kind, maar de conclusie van dit gedicht dat eindigt met de woorden ‘verkrachting’ en ‘zweep’ is toch heel anders.
.
Chosen
.
Diverse wanted to die, that August night
his face hung over hers, a sweating moon.
She wished so hard, she killed part of her heart.
If she had died, her one begotten son,
her life’s one light, would never have been born.
Pomp Atwood might have been another man:
nor with a single race, another name.
Diverse might not have known the starburst joy
her son would giver her. And the man who came
out of a twelve room house and ran to her
close shack across three yards that night, to leap
onto her cornshuck pallet. Pomp was their
share of the future. And it wasn’t rape.
In spite of her raw terror. And his whip.
.
Antilliaanse poëzie
Luis H. Daal
.
Ik schreef al eerder over de Antilliaanse en Surinaamse poëzie en dat ik eigenlijk maar weinig weet van de dichters en poëzie van deze twee landen. Nu ben ik in het bezit gekomen van een dubbelbundeltje, eerder een tijdschrift, dat twee voorkanten heeft en getiteld is ‘kennismaking met de antilliaanse poëzie / kennismaking met de surinaamse poëzie’. Deze uitgave werd aan de hoogste klassen van de scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen aangeboden door de Nederlandse Stichting voor Culturele Samenwerking met Suriname en de Nederlandse Antillen (Sticusa) in het jubileumjaar 1973.
In deze bundel zijn gedichten opgenomen die zijn gekozen en ingeleid door dr. J. Ph. de Palm en mr. H. Pos. In de bundel namen die ik ken (Edgar Cairo, Michaël Slory, Albert Helman, Tip Marugg en Alette Beaujon) maar ook, voor mij, nieuwe namen als Elis Juliana, Thea Doelwijt en Bernardo Ashetu. En ook dichter Luis H. Daal.
Luis Daal was de schrijversnaam van Luis Henrique Plácido Daal (1919 – 1997), was een Curaçaos schrijver, dichter, essayist, columnist, vertaler en kinoloog. Hij was werkzaam op de Antillen en in Spanje. Van 1968 tot 1975 was hij werkzaam op het Bureau Toezicht Curaçaose bursalen. En vanaf 1975 tot zijn pensionering in 1984 was hij hoofd Culturele Zaken op het voormalige Antillenhuis in Den Haag. Hij was 10 jaar lid geweest van het bestuur van Sticusa (Amsterdam) en 6 jaar lid van de adviesraad voor Culturele Samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk.
Daal publiceerde in het Spaans en het Papiamentu, hij vertaalde veel poëzie naar het Papiamentu en hij werd voor zijn werk verschillende malen onderscheiden in Nederland, Spanje, België en Venezuela. In de bundel is het gedicht ‘Gebed voor alle dag’ opgenomen (in het Papiamentu ‘Orashón di tur dia’) in een vertaling van Jules de Palm.
.
Gebed voor alledag
.
Lieve vader in de hemel,
zorg dat ik het brood, dat ik eet,
nooit dat zal zijn, dat ontbreekt
op de tafel van een vriend,
noch is onttrokken aan de dorre mond
van het kind van een verachte moeder.
.
Maak dat mijn vreugde
nooit de wijn zal worden
die mij of mijn vrienden
zal benevelen;
.
Zie ook toe
dat in de nog reine ziel van uw zoon
zich nimmer zullen nestelen
het gif van de haat,
de azijn van de afgunst,
de aloë van de wrok.
.
Orashön di tur dia
.
Tata dushi, den bo shelu,
hasi pa e pan ku mi ta kome
nunka tá esún ku falta
riba mesa di un amigu
ni ranka foí boka seku
di un ju dio mama ultrahá.
.
Mira pa mi alegria
nunka jega ‘i tá en biña
ku lo tin di burachá
ni mi mes mi mi amígunan;
.
mira tambe pa den alma
te aínda limpi di bo ju,
nunka n’forma nan bibá
ni venenu di un odio,
ni binágr di envidia
ni sentebibu di renkor….
.
Op reis
Dubbel-gedicht Menno Wigman en Hans Bouma
.
Vandaag in het Dubbel-gedicht twee dichters die nogal van elkaar verschillen (en daarom is het zo aardig om de twee met elkaar te verbinden middels een thematisch gedicht); Menno Wigman (1966 – 2018) en Hans Bouma (1941). Menno Wigman, de dichter, vertaler en bloemlezer bij wie de dood in zijn gedichten een prominente rol speelde en Hans Bouma, Nederlandse protestants-christelijke schrijver, dichter, spreker en dierenactivist.
Van Menno Wigman koos ik het gedicht ‘Herostratos’ uit zijn bundel ‘Slordig met geluk’ uit 2016 en van Hans Bouma koos ik het gedicht ‘Jericho’ uit zijn bundel ‘Op reis – om weer thuis te komen’ poëtisch dagboek uit 1998.
.
Jericho
.
Tienduizend jaar geschiedenis
deden we met gemak
in drie uur af –
.
waarbij we ook nog
een half uur
voor de lunch uittrokken.
.
Herostratos
.
Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
Ze naaien mijn gedachten op.
Ik denk al dagen aan een daad, zo groot
zo hevig en dramatisch dat mijn naam
in alle kranten komt te staan.
.
Napoleon, las ik, was kleurenblind
en bloed was voor hem groen als gras.
En Nero, die bijziend was, hield het spel
in zijn arena bij door een smaragd.
.
Nu even stilstaan. Moet je horen: ik
ga straks de straat op, ik besta het, schiet
me leeg en verf de feeststad groen.
.
Nog voor het eind van het festijn
zal ik de grootste zoekterm zijn.
.
















