Site-archief

Begin van het einde van een regime

Ion Monoran

.

Op 16 december 1989 was het dertig jaar geleden, dat de revolutie tegen Ceaușesc ontketend werd in Timisoara, Roemenie. Ik herinner me dit nog goed, ik had in die periode een boek gelezen over het bizarre regime van Ceaușesc. Via collega dichter Serge van Duijnhoven ontving ik informatie over de dichter die de val van het Ceaușesc regime in gang zette. Uit een bericht op zijn website https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/ : Een moedige dissidente dichter genaamd Ion Monoran, had de euvele moed een trolleybus te kapen. En met zijn verzen op te roepen op te staan tegen het “Genie van de Karpaten” en diens misdadige ultra-communistische regime. Binnen een dag leidde de pop-up opstand van Monoran tot veertig doden die voor de kathedraal van Timisoara werden neergeschoten door de Securitate en een dag later verbrand op last van Elena Ceaușesc in Boekarest. De rest is geschiedenis.

Ion Monoran (1953–1993) werd geboren in het dorp Petroman in Timis, Roemenië. Hij was journalist, dichter en uitgever. Zijn eerste gedichten werden in 1976 gepubliceerd in het tijdschrift Forum studenţesc. Hij gaf les in de literaire kring ‘Pavel Dan’ van het Studenten Cultuurhuis in Timişoara en hij werkte samen met en publiceerde in de literaire tijdschriften Orizont, Amfiteatru, Echinox en Luceafărul. Geen van zijn boeken zijn tijdens zijn leven gepubliceerd. Monoran was een icoon onder de Boheemse kunstenaars van Timişoara en werd een culturele held na de revolutie. Zijn prijzen zijn onder andere de Orizont-tijdschrift Poëzieprijs (1987), de Nichita Stănescu-prijs voor hedendaagse poëzie (1987), de prijs voor literaire creatie (Satu Mare, 1987) en de Literaire Unie Debuutprijs. Voor zijn werk, Locus periucundus, werd hij geëerd door de gemeente Timișoara door hem ereburger te maken.

Na zijn dood werd Monoran pas gepubliceerd in een poëziebundel. Deze bundel ‘Locus Periucundus’ bevat gedichten uit de periode 1975-1989. Deze biografische poëzie geeft de impulsieve, abrupte en vaak tegenstrijdige teksten van Monoran de ervaring van een ‘vrije geest’. Uit deze bundel het gedicht ‘Locus Periucundus (1)’ (wat zoveel betekent als (tweede) Kamer voor meineed in het Latijn). In een vertaling van Marius Surleac en Marc Vincenz.

..

Locus Periucundus (I)

.

Before
becoming a village
this cluster of ruins
gently sloped beneath the trees, beneath bending
boughs, so that from place to place
fragments of wall peer out of the foliage,
a clutter of refuse
collapses into silence,
interrupted only by the murmur of countless
flowing streams
on winding narrow streets
and by the chatter of villagers
or the wide-eyed, ignorant
shepherds
menacingly dangling their clubs
above the hill’s crest,
behind their herds,
and among the brambles and blackberries
that impede the ewes’ ascent.

.

It is essential
to venture up there
amid the vineyards dull and bright,
to admire the hills
bombarded with rural echoes,
and to roam the dung-speckled grasslands
to reach
these Loci Periucundi
as Pliny would say—
places infused with the mysterious
presence of spirits
which give you an unsettling feeling
even when they are spelled out on paper,
not to mention to encounter them here
frightening and cheerful,
throbbing
in a slow affected ostentation
on the muddy footpaths shaded by thickets
from which curious news arrives
in light and shadow,
sweetened by bird song
or muffled by a profusion
of serpentine creeper vines
winding through trees.

.

Time
perfected
this green daedal country
dominated
by the language of birds and flowers,
a country prepared to take back its fauns and satyrs
concealed in the rocks
overgrown with ferns and wild roses—
as if designed in mad disarray
by a frivolous gardener
and in chaotic succession,
as if especially intended for lovers
seeking a hidden place for love.

.

In these places,
ruling for millennia,
hawk, bat, or cuckoo
have fulfilled their roles as augurs,
as angels and archangels, but now
hang as simple decorations
or as red penalty cards,
torn apart by weather and neglect.
.
Despite
the urgency of this beautiful,
almost Rousseauian spontaneity,
churches still loom
abundantly
in the oppressive religiosity
of the peasants
who, notwithstanding their kindness and courtesy,
are more renowned
for the quality of their wines and brandy
than any worship of saints
or their practice of the Mysteries
dedicated to Zamolxis or Dionysus.
.
The peasants are simple,
a living material
of farmers or miners or shepherds
and live their lives in these villages
built from these high walls and rubble—
rather more medieval than ancient.
And only my imagination
helps me see them
dissolve into the dream-light of an antiquity
that swarms everywhere,
reviving from these stones
with uncertain meaning,
the great towers of an almighty
Dacian stronghold,
which, in their long-lasting wanderings,
the Romans besieged.

.

Gedicht als (korte) film

Remco Campert en Alessio Cuomo

.

Vorige week was ik in Gent en daar kwam ik, lopende door de stad, allerlei gedichten tegen die op muren en ramen waren aangebracht. Zo ook het gedicht  ‘Verzet’van Remco Campert. Het gedicht is aangebracht op een zijmuur van het Het Vrijzinnig Centrum Geuzenhuis. Verschillende vrijzinnige verenigingen vinden hier onderdak. Het café werd lang opengehouden door Motte Claus, de schoonzus van Hugo Claus. Zij was ook een van de initiatiefnemers van de Poëzieroute in Gent Het gedicht past bij het publiek van het Geuzenhuis: kritische en maatschappelijk geëngageerde mensen. Toen ik deze week wat aan het zoeken was op internet kwam ik een artikel tegen van mei 2018 over dit specifieke gedicht op deze plek in Gent.

Filmmaker Alessio Cuomo liep met zijn vriendin in Gent toen hij het gedicht op een muur zag staan. Hij was er zo door geraakt dat hij met de tekst aan de slag wilde. “Met het gedicht toont Campert dat verzet niet betekent dat je meedoet met de rest, maar dat je bij jezelf stil moet staan.” Dus stuurde hij Remco Campert een brief met het verzoek dit gedicht te ‘verfilmen’. Ook vroeg hij Campert of hij de hoofdrol wilde spelen in de filmische bewerking. Daar stemde Campert mee in. De film toont onder andere beelden van de schrijver achter zijn typemachine, maar ook de natuur van landgoed Rhijnauwen in Bunnik vlakbij Utrecht, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog zo’n vijfhonderd verzetsstrijders zijn gefusilleerd.

Volgens Cuomo was Campert blij met het resultaat. Al was de schrijver het filmen na een uur of drie wel redelijk zat. Hij was wellicht niet erg bekend met de gebruikelijke lange opnamedagen die er voor een film nodig zijn. “Sommige stukken moesten een paar keer worden opgenomen. Toen Campert weer een zin moest herhalen, zei hij: ‘Wanneer is het nou klaar? Ik kan het gedicht niet meer aanhoren’.”
.

.

Doel

Dorpsdichters van een verloren dorp

.

Afgelopen week was ik in Doel, een dorpje in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen en een deelgemeente van Beveren. Doel ligt in het uiterste noordoosten van de provincie, op de linkeroever van de Schelde, in de polders van het Waasland, vlak bij de Nederlandse grens. Als je de grens oversteekt met Nederland kom je in de Hertogin Hedwigepolder, een polder die door Nederland onder water gezet gaat worden bij wijze van natuurcompensatie, en het wordt daarmee aangesloten bij het Verdronken land van Saefthinge.

Doel was ooit een klein dorpje van zo’n 1300 inwoners maar door (in eerste instantie) uitbreidingsplannen van de haven van Antwerpen (waarbij een dok dwars over het dorp aangelegd zou worden) is het al sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw onderwerp van gerechtelijke procedures bij onze zuiderburen. Het dorp is inmiddels zo goed als uitgestorven (in 2009 woonden er nog 84 mensen maar inmiddels is dat verder geslonken naar ik schat minder dan 20) en lijkt nog het meest op een spookdorp. Op de dag dat ik er was zag je een enkele auto van een bewoner en verder vooral fotografen want dat het dichtgespijkerde dorp inmiddels een aantrekkingskracht heeft op fotografen is duidelijk.

De kerk, het parochiehuis, de school, de woonhuizen en boerderijen, alles staat leeg en verlaten, vervallen of in een staat dat het niet lang meer duurt of het gaat instorten. Een desolate plek om te wonen lijkt me, helemaal omdat de twee kernreactoren van Doel op minder dan een kilometer afstand van het dorp staan. Toen ik daar rond liep kwam ik op een paar plaatsen gedichten van de dorpsdichters tegen; Mark Meekers (2007-2009), Hilde van Cauteren (2011-2013), Geert Colpaert (2018-2020) en van dichter/dichter en sixties-activist Herman J. Claeys. In de gedichten van deze dichters is altijd een activistische toon te lezen, verzet tegen de afbraak van hun dorp. Hieronder een paar voorbeelden en het gedicht ‘Uitgewoond’ van Mark Meekers.

.

Uitgewoond

.

herenwoning en arbeiderskrot, schouder aan

schouder, groot houdt schamel overeind.

een laan van stenen waar grassen alle

perken te buiten gaan, op de drempel

.

een contemplatieve kat, muizenparadijzen

in de kelders, wat merelrumoer, stilte door

kraaien doorprikt, grandioos alledaags.

er is plaats voor een knik, een ochtend-

.

zwaai, maar niet die morgen dat over

een rode loper van verpulverd brik de bull-

dozer heen en weer raast. het licht maakt

zich niet meer op, herinneringen kruipen

.

als processierupsen, nooit meer stralen

boven mijn straat de sterren als engelen-

ogen uit oude reliekschrijnen, elke steen

die overblijft: terzijde gelegde pijn.

.

 

 

Berijmd verzet

W.A. Wagener

.

De Rotterdamse Willem Adriaan Wagener (1901 – 1968) was kunstcriticus, schrijver, kunstredacteur van het Rotterdams Nieuwsblad en toneelregisseur. Daarnaast schreef hij ook gedichten. In de Poëzieweek deel ik gedichten over het thema ‘Vrijheid’ en in de bundel ‘Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad’ staan gedichten uit de jaren 1933 – 1945. Jaren waarin verzetspoëzie vaak het verlangen naar vrijheid uitdrukte, het verzet tegen de bezetter en de hoop dat men eens weer in vrijheid leven kon.

W.A. Wagener schreef verzetspoëzie tijdens de bezetting onder het pseudoniem Willem van Schieland in de clandestien uitgegeven bundel ‘Verkort front’ uit 1944 en uitgegeven in ‘s-Gravenhage. Daarmee was zijn rol als dichter gespeeld. Het zou bij deze éénmalige uitgave blijven. In de andere kunsten zou hij, na de oorlog een bekende naam worden in Rotterdam en daarbuiten.

.

Berijmd verzet

.

Vertreden volk, volhard niet in uw zwijgen,

Smeed uit uw fiere taal een bajonet

En wil daaraan, in naam van recht en wet

De leugenleer van de gehate rijgen.

.

Doorboor ’t bedrog, verscheur het duistre dreigen

En baan u, strijdend met berijmd verzet,

Met vlijmend puntdicht of gevijld sonnet,

De weg, die uit dit smartendal zal stijgen.

.

Een volk, dat slechts van zwijgen weet, en buigen,

Offert zich op ’t altaar van de tiran.

Vrijheid en recht verwerft een volk eerst dan

Wanneer ’t van vrijheidswil weet te getuigen.

.

Merk toch hoe sterk uw zelfbewustzijn wordt

Als ’t vrijheidslied zich in rijmen stort.

.

Babylon

Zbigniew Herbert

.

De Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924 – 1998) was behalve dichter ook toneelschrijver en essayist. Herbert verwerkte in zijn poëzie regelmatig ervaringen uit de oorlog of hij grijpt terug op de klassieke geschiedenis. Lijden, geweld, onderdrukking, verzet, de menselijke waardigheid en de noodzaak van de waarheid te getuigen zijn belangrijke thema’s in zijn werk. In Polen wordt Herbert beschouwd als een klassiek dichter, hoewel hij maar weinig steunt op metrum en rijm. Hij is ‘klassiek’ in zijn waarnemingen, zowel van de broosheid van mensen als van de ‘trouw der dingen’. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door beheersing, beknoptheid, eerlijkheid en soberheid, soms ook door een speels-filosofische toon.

T. van Deel schreef ooit in Trouw over het werk van Herbert: “Het is moeilijk over Herberts poëzie in analytische zin te schrijven. De ontroering en de zwiepers die zijn gedichten teweegbrengen, zijn slecht over te dragen. Het is de toon die hier de aangrijpende muziek maakt “. Zijn werk is in vrijwel alle Europese talen vertaald en is herhaaldelijk bekroond met belangrijke nationale en internationale literaire prijzen. Uit de bundel ‘Rapport uit een belegerde stad ; gedichten’ dat in 1994 door De Bezige Bij werd uitgegeven, het gedicht ‘Babylon’.

.

Babylon

.

Toen ik na jaren in Babylon terugkwam was alles veranderd

de meisjes die ik had bemind de nummers van de metrolijnen

ik wachtte bij de telefoon de sirenes zwegen hardnekkig

.

troost door de kunst dus – Petrus Christus’portret van een jonge

dame

werd steeds platter had zijn vleugels gevouwen voor de slaap

de lichten van de ondergang en van de stad naderden elkaar

,

het festival van de Apocalyps fakkels een valse Sibylle

vergaf de dronken menigten aanhangers van de overvloed

het vertrapte lichaam Gods werd meegesleurd in triomf en in stof

.

zo voltrekt zich het wereldeinde overladen Etruskische tafels

in wijnbevlekte hemden zich onbewust van hun lot vieren ze feest

tot slot komen de barbaren om de slagader door te snijden

.

ik heb je niet de dood toegewenst stad zeker niet zo’n dood

want met jou verzinken de zoete vruchten van de vrijheid

en alles moet beginnen bij de bittere kennis het gras

.

Blijf staan en vecht

Ben Sikken

.

Lambertus Fransiscus Anthonius Maria Sikken werd geboren op 19 februari 1921 in Nijmegen. Hij verhuisde met zijn gezin naar Rotterdam, vanwaar hij, na het bombardement, weer moest verhuizen naar Wageningen. Daar behaalde hij zijn gymnasium diploma. Na het instellen van de Kultuurkamer in 1941 was het voor Sikken onmogelijk om te debuteren, Sikken was vaderlandslievend, had een sterk karakter en een was begaan met het lot van het bezette Nederland. Als één van de verkenners van de Groep Reynaert van de Geheime Dienst Nederland nam hij actief deel aan het verzet. Bij een verkenning van Duitse stellingen op de Wageningse berg op 25 september 1944, werd Ben op heterdaad betrapt. Hij werd gearresteerd, hardhandig verhoord en toen hij niets los liet door de Duitsers vermoord.

Toen hij stierf was hij 23 jaar. In zijn korte leven had hij een paar honderd gedichten geschreven die zijn nalatenschap vormen. Deze gedichten werden door hem geschreven tussen 1939 en 1944. Uit een bekend gedicht van hem ‘Blijf staan en vecht’ komt heel goed naar voren hoe Sikken dacht en hoe hij ook als dichter in verzet was. In 1947 verscheen zijn postume bundel. Die bevat een keuze uit de honderden gedichten  De inleiding van het boek is geschreven door Gabriël Smit. Een dichter/journalist die in de oorlog werkzaam was voor de Nederlandsche Kultuurkamer, als ‘correspondent’ en als verklikker.

.

Blijf staan en vecht!

.

Niet van den slaap zal ik genezen:

Mijn vuist wordt nimmer hard en hecht.

Wie eenmaal heeft gezegd:

“Ik sta en vecht”

sterft liever met uiteengereten pezen

maar fier en recht,

dan dat hij wijkt, vermoeid, in laffe vrezen.

Blijf staan en vecht!

.

 

Vliegtocht

Anthonie Donker

.

Na de Dichters omnibus, derde bloemlezing, vandaag de vierde bloemlezing die ik kreeg toegestuurd van Corry Nieman. Het vierde deel uit 1958 bevat gedichten van vele bekende dichters en een enkele voor mij wat minder bekende dichter. Daar zal ik later ongetwijfeld nog een keer over schrijven in de rubriek (bijna) vergeten dichters. Vandaag koos ik echter voor een dichter die misschien niet meer zo bekend is maar die velen zeker van naam nog zullen kennen; Anthonie Donker.

Anthonie Donker, pseudoniem van Nicolaas Anthony Donkersloot (1902 – 1965) studeerde in Leiden en Utrecht Nederlands en promoveerde in 1929 op het proefschrift ‘De episode van de vernieuwing onzer poëzie [1880-1894]’. Hij was enige jaren leraar en vanaf 1936 hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam  in de Nederlandse letterkunde, vanaf 1956 in de algemene en vergelijkende literatuurwetenschap.

Hij was tijdens WO II  betrokken bij het verzet tegen de bezetters, werd gearresteerd en ontslagen als hoogleraar. Van 1945 tot 1949 was parlementslid voor de Partij van de Arbeid en in 1950 medeoprichter van de vredesbeweging De derde weg.

In zijn gedichten streeft Donker naar verinnerlijking, een mediteren over dood, leven en liefde. Behalve dichter was hij vertaler van o.a. Goethe. Uit de vierde bloemlezing van de Dichters omnibus komt zijn gedicht ‘Vliegtocht’.

.

Vliegtocht

.

Het v liegtuig hangt tegen het avondrood.

Het leven wordt verdubbeld met den dood.

Het krijgt een onbenoembre voorwaarde,

een smaak van voortbestaan buiten de aarde,

met open ogen ziende in het Niets –

Maar bijna zonder dat men het begeert

wordt het oneindige reeds afgeweerd,

maakt men in rechte lijn weer rechtsomkeert

en is aldoor domweg op weg naar iets

waar kalm de breuk in den tijd wordt hersteld

en men bij het vanouds wordt ingeteld.

.

Rotterdam

J.C. Bloem

.

In 1990 publiceerde Dr. J. de Gier bij het Boekencentrum in Den Haag, de bundel ‘Poëzie als wapen’ een overzicht met bloemlezing van gedichten rond oorlog en verzet 1940-1945. In deze bundel dus veel oorlogspoëzie waaronder het gedicht van J.C. Bloem ‘Rotterdam’.

Bloem publiceerde op 4 september 1940 in de Telegraaf dit gedicht dat vervolgens in een aantal verzamelbundels werd opgenomen. In dit gedicht beschrijft hij de stad Rotterdam na het bombardement. Een stad die ‘open ‘ligt. In dit gedicht is eerder sprake van bevreemding en bedeesdheid dan dat de dichter geschokt is door hetgeen is gebeurd. Of, zoals Bloem indirect stelt, de hemel, de zon en de natuur blijven onaangetast en ook op de puinhopen van Babylon en Nineveh is het leven doorgegaan.

De Gier schrijft in de bundel over dit gedicht: “Het lijkt niet erg aannemelijk dat velen in de harde realiteit van toen de hoge vlucht van Bloems verbeelding konden meegaan”. In retrospectief gezien, met de kennis van de stad Rotterdam van nu, is dat al veel beter te doen.

.

Rotterdam

.

Hoe vreemd ligt deze stad nu open,

hoe is zij wonderlijk en licht:

De huizenloze straten lopen

van niets naar niets – toch niet ontwricht.

.

De hemel straalt als nooit tevoren

op waar der eeuwen bouw verdween-

de zomer heeft geen glans verloren,

de zon scheen zoals ze altijd scheen.

.

Men gaat in innerlijke afzondring,

herdenkend hoe het is geweest,

en vindt zichzelf tot zijn verwondring

geschokt veel minder dan bedeesd.

.

Klaag niet. Steeds bloesemen de tuinen

boven vergankelijkheid en wee:

Een herder rust thans op de puinen

van Babylon en Niniveh.

.

paw

Politics

Bob Kaufman

.

Daags na de verrassende keuze van een vreemd volk is het tijd voor een stem uit datzelfde volk op poëtisch gebied. Het gedicht ‘Believe, Believe’ gaat over politiek en over hoe wij als mens beter kunnen blijven geloven in mooie dingen dingen zoals muziek en poëzie dan ons dwars te laten zitten door politici en hun ideeën. Ik ben niet tegen politieke processen of hoe de democratie is geregeld, integendeel, maar voor hen die dat wel zijn is dit gedicht misschien een alternatieve denkrichting.

Bob Kaufman (1925 – 1986) was een Amerikaanse Beat Poet en surrealist die zijn inspiratie vond in Jazz muziek. In Frankrijk waar hij vele bewonderaars had werd hij ook wel de ‘Black Americain Rimbaud’ genoemd. Het gedicht ‘Believe, Believe’ komt uit ‘Cranial guitar’ uit 1996.

.

Believe, Believe
Believe in this. Young apple seeds,
In blue skies, radiating young breast,
Not in blue-suited insects,
Infesting society’s garments.
Believe in the swinging sounds of jazz,
Tearing the night into intricate shreds,
Putting it back together again,
In cool logical patterns,
Not in the sick controllers,
Who created only the Bomb.
Let the voices of dead poets
Ring louder in your ears
Than the screechings mouthed
In mildewed editorials.
Listen to the music of centuries,
Rising above the mushroom time.

In blue skies, radiating young breast,

Not in blue-suited insects,
Infesting society’s garments.
Believe in the swinging sounds of jazz,
Tearing the night into intricate shreds,
Putting it back together again,
In cool logical patterns,
Not in the sick controllers,
Who created only the Bomb.
Let the voices of dead poets
Ring louder in your ears
Than the screechings mouthed
In mildewed editorials.
Listen to the music of centuries,
Rising above the mushroom time.
.
bkaufman

V in vers

Verzetspoëzie

.

In 1965 werd naar aanleiding van het feit dat de Tweede Wereldoorlog 20 jaar daarvoor werd beëindigd, de bundel ‘V in vers’ uitgegeven. De ondertitel van dit boek luidt: De bezetting en het verzet in verzen op de voet gevolgd door Anthonie Donker, met medewerking van E.G. Groeneveld.

Dat ‘op de voet gevolgd’ slaat op de manier waarop deze bundel is samengesteld. In de bundel wordt namelijk verband gelegd tussen verzen en feiten. Vaak werd een verzetsvers namelijk geschreven naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis. De aan de voet van de gedichten opgenomen aantekeningen verduidelijken waar nodig dat  verband en geven biografische bijzonderheden. Dat is waar de bijdrage van Drs. E.G. Groeneveld om de hoek komt, hij werkte destijds voor het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

De V in de titel van het boek verwijst naar de V van Vrijheid, Verzet en Victorie. Deze verzen ‘bevrijdden’ degenen die hun gevoelens op deze wijze onder woorden brachten en, als ‘kleine overwinningen’van hand tot hand gaande, stimuleerden zij anderen in hun verzet.

De schrijver Anton van Duinkerken, pseudoniem van de Nijmeegse hoogleraar dr. W.J.M.A. Asselbergs, verbleef van mei tot december 1942 als gijzelaar in het tot interneringskamp ingerichte Klein seminarie Beekvliet in St. Michielsgestel. In het voorjaar van 1942 waren de bezetters ertoe overgegaan een groot aantal Nederlanders gevangen te zetten als gijzelaars. Hiertoe trachtten de Duitsers het toenemende verzet de kop in te drukken, daar in de toekomst na een tegen hen gerichte aanslag een aantal gijzelaars als represaille zou worden gefusilleerd. Dit is twee maal gebeurd waarbij in totaal acht gijzelaars vermoord werden.

Het gedicht van Anton van Duinkerken over deze gijzelaars is getiteld ‘Concentratiekamp’.

.

Concentratiekamp

.

Niets dan een stem van een kind op de weg

is genoeg om volkomen gevangen te zijn.

Achter het prikkeldraad wuiven de heesters;

wat verder staan bomen, en rein

in de lucht van de zomer klinkt eensklaps daarachter

het heldere, hoge geluid

van ’t kind, dat plezier heeft, en ’t weet niet hoezeer het

voor allen de vrijheid beduidt.

.

Dit lijkt op het heldere schellen der huisbel

na schooltijd, als ’t zaterdag is:

dan komen ze stoeiende vragen aan de vader,

waar morgen, direct na de Mis

de wandeling heengaat. Ze maken plannen;

het huis is te klein voor ’t geluk

en luid breekt de geestdrift der schone verwachting

de ernst der studeerkamer stuk.

.

Wat baat het, van kindren en vrijheid te dromen

terwijl men toch vruchteloos tuurt

om achter de heesters een glimp te betrappen

van ’t leven? – Gevangenschap duurt

niet korter, wanneer men zijn eigen geluk zoekt, –

wij zijn meer dan zeshonderd man.

Een kind op de weg heeft gelachen. Wij hoorden ‘t

en elk werd er eenzamer van.

.

V

Anton