Site-archief

Lust for life

Iggy Pop

.

Nu je weer op alle kanalen wordt doodgegooid met lijstjes van muziekliefhebbers rondom de top 2000 van radio NPO 2, word ik vanzelf nieuwsgierig naar bepaalde nummers. Waar gaat een nummer over dat ik al jaren min of meer onbewust meezing en uit mijn hoofd ken. Afgelopen week plaatste ik al de tekst van ‘Smokers outside the Hospital Doors’ van Editors en vandaag is het de beurt aan een all time classic en favoriet van me ‘Lust for life’ van Iggy Pop (1947).

Het nummer ‘Lust for life’ staat (samen met nog al zo’n klassieker ‘The Passenger’) op de LP uit 1977 met de gelijknamige titel. Iggy Pop schreef dit nummer samen met David Bowie (hij componeerde de muziek op een ukelele). Het nummer gaat over de levensstijl van Iggy Pop als een die-hard heroïneverslaafde.

De titel is ontleend aan de gelijknamige film uit 1956, die zelf een bewerking is van de biografische roman van Irving Stone uit 1934 over de Nederlandse schilder Vincent van Gogh.

Het lied maakt verschillende verwijzingen naar Johnny Yen Ik dacht altijd Johnny Inn te horen), een personage in de roman ‘The Ticket That Exploded’ van de Amerikaanse schrijver William S. Burroughs uit 1962. Verwijzingen naar de roman verklaren ook de lyrische preoccupatie met striptease, drugs en het hypnotiseren van kippen (wat mij betreft toch een iconische regel uit de tekst van dit nummer).

Lust for life is inmiddels ook één van de meest gebruikte nummers in speelfilms. Dit nummer werd sinds ‘Trainspotting’ uit 1996 al zeven keer gebruikt in een bioscoopfilm.

.

Lust for life

.

Here comes Johnny Yen again
With the liquor and drugs
And a flesh machine
He’s gonna do another strip tease
.
Hey man, where’d you get that lotion?
I’ve been hurting since I bought the gimmick
About something called love
Yeah, something called love
Well, that’s like hypnotising chickens
.
Well, I’m just a modern guy
Of course, I’ve had it in the ear before
‘Cause of a lust for life
‘Cause of a lust for life
.
I’m worth a million in prizes
With my torture film
Drive a G.T.O.
Wear a uniform
All on government loan
.
I’m worth a million in prizes
Yeah, I’m through with sleeping on the sidewalk
No more beating my brains
No more beating my brains
With the liquor and drugs
With the liquor and drugs
.
Well, I’m just a modern guy
Of course, I’ve had it in my ear before
‘Cause, of a lust for life (lust for life)
‘Cause of a lust for life (lust for life, oooo)
I’ve got a lust for life (oooh)
Got a lust for life (oooh)
Oh, a lust for life (oooh)
Oh, a lust for life (oooh)
A lust for life (oooh)
I got a lust for life (oooh)
Got a lust for life
.
Well, I’m just a modern guy
Of course, I’ve had it in my ear before
‘Cause I’ve a lust for life
‘Cause I’ve a lust for life.
.
Well, here comes Johnny Yen again
With the liquor and drugs
And a flesh machine
I know he’s gonna do another strip tease
.
Hey man, where’d ya get that lotion?
Your skin starts itching once you buy the gimmick
About something called love
Oh Love, love, love
Well, that’s like hypnotising chickens.
.
Well, I’m just a modern guy
Of course, I’ve had it in the ear before
And I’ve a lust for life (lust for life)
‘Cause I’ve a lust for life (lust for life)
Got a lust for life
Yeah, a lust for life
I got a lust for life
Oh, a lust for life
Got a lust for life
Yeah a lust for life
I got a lust for life
Lust for life

.

.

Verleidersspel

Vasko Popa

.

Vasile ‘Vasko’ Popa (1922 – 1991) was een Servische dichter van Roemeense afkomst. De verandering van naam (in feite een vorm van bijnaam) komt in de landen van het voormalige Joegoslavië vaker voor. Zo kende ik de Kroatisch-Bosnische dichter Hrvoje Senda eerst alleen als Pero Senda. 

Na het afronden van de middelbare school schreef Popa zich in als student aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Universiteit van Belgrado . Hij vervolgde zijn studie aan de Universiteit van Boekarest en in Wenen . Tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht hij als partizaan en werd hij opgesloten in een Duits concentratiekamp in Zrenjanin in het huidige Servië. Na de oorlog in 1949 studeerde Popa af aan de Romaanse groep van de Faculteit der Wijsbegeerte aan de Universiteit van Belgrado. Hij publiceerde zijn eerste gedichten in het literaire tijdschrift ‘Književne novine’  en het dagblad ‘Borba’ (Worstel).

Van 1954 tot 1979 was hij redacteur van uitgeverij Nolit . In 1953 publiceerde hij zijn eerste grote verzenverzameling, Kora (Blaffen). Zijn andere belangrijke werk omvatte Nepočin-polje (1956), Sporedno nebo (1968), Uspravna zemlja (1972), Vučja so (1975) en Od zlata jabuka (1978), een bloemlezing van Servische volksliteratuur. Zijn ‘Collected Poems, 1943-1976′, een compilatie in Engelse vertaling, verscheen in 1978, met een inleiding van de Britse dichter Ted Hughes.

In 1995 heeft de stad Vršac een poëzieprijs ingesteld, vernoemd naar Vasko Popa. Het werd jaarlijks uitgereikt voor het beste dichtbundel gepubliceerd in het Servisch . De prijsuitreiking vindt plaats op de dag van Popa’s verjaardag, 29 juni.

Vasko Popa schreef in een beknopte modernistische stijl die veel te danken had aan het surrealisme en Servische volkstradities en absoluut niets aan het socialistisch realisme dat de Oost-Europese literatuur domineerde na de Tweede Wereldoorlog; in feite was hij de eerste in Joegoslavië na de Tweede Wereldoorlog die brak met het socialistisch realisme. Hij creëerde een unieke poëtische taal, meestal elliptisch, die een moderne vorm combineert, vaak uitgedrukt in spreektaal en gewone idiomen en uitdrukkingen, met oude, orale volkstradities van Servië – epische en lyrische gedichten, verhalen, mythen, raadsels, en dergelijke. Hij is een van de meest vertaalde Servische dichters en in die tijd was hij een van de meest invloedrijke werelddichters geworden.

In de bundel ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ De canon van de Europese poëzie hebben Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries het gedicht ‘Spelen: Verleidersspel’ uit 1955 van hem opgenomen in een vertaling van de Rotterdamse dichter Jana Beranová.

.

Spelen: Verleidersspel

.

De een streelt de stoelpoot

Tot de stoel zich verroert

En lief gebaart met zijn poot

.

De ander kust het sleutelgat

Kust het als waanzinnig

Tot het sleutelgat hem terugkust

.

Een derde staat terzijde

Staart het tweetal aan

Schudt zijn hoofd en schudt

.

Tot het hoofd eraf valt

.

Nummer 9

MUGzine

.

In september komt alweer de 9e editie van MUGzine uit, het kleinste maar allerleukste poëziemagazine van Nederland en Vlaanderen met opnieuw hoogwaardige poëzie en interessante illustraties. We kunnen al een paar namen noemen van dichters die met hun poëzie in nummer 9 vertegenwoordigd zullen zijn. Dat zijn uit Vlaanderen de dichter Mark van Tongele en uit Rotterdam de dichter Anouk Smies. Andere namen volgen snel. Uiteraard staat er in #9 een gloednieuwe Luule.

Zoals je misschien al weet is MUGzine gratis digitaal te lezen via https://mugzines.nl/ maar maken we voor de liefhebbers ook een papieren editie. Van elke editie worden 100 exemplaren op papier gedrukt. Als je deze wilt ontvangen via de post kun je donateur worden. Vanaf € 20,- per jaar ontvang je alle 5 de nummers van 2021.

MUGzine is een samenwerking van https://poetryaffairs.nl/https://mugbookpublishing.wordpress.com/ en BRRT.Graphic.Design.

Om je alvast warm te maken voor het nieuwe nummer hier een gedicht van de Vlaamse dichter Mark van Tongele (1956). Deze Vlaamse dichter uit Mechelen moest zijn studie geneeskunde afbreken door een zwaar ongeluk waardoor hij tijdelijk in coma lag. Van Tongele kiest na zijn herstel voor de poëzie en schrijft in december 1984 in een ‘Open brief aan een dichter’ (in het tijdschrift Yang) over digitale poëzie in een maatschappij die beheerst zou worden door de nieuwe technologie. Hij had dus al een vooruitziende blik in een tijdvak waarin de hele digitalisering nog moest beginnen.

In 1980 debuteert hij met de bundel ‘Over leven en dood’ waarna nog vele bundels zullen volgen.

In een interview in Poëziekrant (juli-augustus 2018) zegt hij zelf over zijn poëzie: “Voor mij maakt elke bundel deel uit van mijn ‘symfonie’: motieven allerlei duiken telkens opnieuw overal op in mijn werk. Meer dan het inhoudelijke gaat het om de klank en het ritme van woorden, regels, gedichten, bundels. Het is een spel, leuk omdat er niets moet, alles mag, een poging tot het neutraliseren van de zwaartekracht, o de dood, maar ook de zon, het licht, blij zijn hart en geest vrijmaken.”

Uit zijn bundel ‘Lichtspraak’ uit 2008 komt het gedicht ‘Een tongeldoosje’.

.

Een tongeldoosje

.

Openluchting: vanille-

bloesem, flammé, ja-

woorden, doodsrookver-

drijvers, moedersuiker,

hagelslag en muisjes,

stofgoud, gloeikous,

springzaad, zeejoechee,

levantijnen en sta-oppers,

sterrenzilverrichellopers,

wolkenspiegels, wimpelheil,

engelkruid en toverschijn,

vervoering, mer à boire,

château-neuf-du-mark

 
 
.

We zijn er!

Arjen Duinker

.

In 2009 verscheen bij Querido de dichtbundel ‘Buurtkinderen’ van Arjen Duinker (1956). Duinker studeerde psychologie en filosofie en debuteerde in 1980 in ‘Hollands Maandblad’. Duinker ontving voor zijn poëzie onder meer de VSB poëzieprijs, de Jan Campert-prijs en voor de bundel ‘Buurtkinderen’ de Awater Poëzieprijs.

Duinker publiceerde meer dan 10 dichtbundels en 1 roman. Uit de ruim 200 pagina’s gedichten die de bundel ‘Buurtkinderen’ telt koos ik een, bij de vakantie, toepasselijk gedicht getiteld ‘We zijn er!’ met als ondertitel voor Kim.

.

We zijn er!

voor Kim

De zomer wordt ’s zomers één, twee, drie…

De windmolen versnippert kleine wolken…

Een blik, en ik zag die als een groet…

Een blik, en ik zag die als een groet…

Zo mooi om de kiezels te bewonderen, zo mooi…

We zijn er!… Maar waar dan?… waar je wilt…

De handen zullen bloeiende namen vinden…

De insecten zullen schateren met de ogen…

.

Antoine de Kom

Demerararamen

.

Dichter,  psychiater en schrijver Antoine de Kom is weliswaar in Den Haag geboren (1956) maar is van Surinaamse afkomst. Zijn opa,  Anton de Kom, is een Surinaamse verzetsheld die stierf in een concentratiekamp van de Duitsers. Antoine schrijft al over slavernij en onrecht sinds zijn debuut in 1991 met de bundel ‘Tropen’. Feitelijk debuteerde hij in 1989 in het tijdschrift ‘De Gids’ met de cyclus ‘Palmen’ – zes gedichten lang – die twee jaar later ook in ‘Tropen’ is opgenomen maar die hij schreef onder het pseudoniem Raymond Sarucco.

Zijn nieuwste bundel is getiteld ‘Demerararamen’. Ooit stond een deel van Demerara (een historisch deel van de Gyana’s tot 1815 een Nederlandse kolonie) samen met Suriname onder Nederlands bewind. Demerararamen zijn de ramen die de zonnehitte weren terwijl de verkoelende passaatwind toch vrij spel heeft. Houten louvreramen zijn het, die hellend als een dakraam een kijk op onze wereld bieden die deze nieuwe bundel van Antoine de Kom maakt tot wat hij is: gedichten die al wat wreed, kwaad en ellendig was laten warrelen in de koele hitte van hun schaduw.

In deze nieuwe bundel die dit jaar uit kwam schrijft de Kom opnieuw over de geschiedenis van Suriname (de coup van Bouterse) maar ook over de Koerden en vluchtelingen. Hier spreekt een dichter die zich verzet tegen onrecht. Zoals in het gedicht ‘Say’ over (toen nog) president en legerleider Bouterse.

.

Say

.

[JUSTITIA PIETAS FIDES we gaan uitspraak doen
Verdachte: ik kende het draaiboek ik leidde… strikte
geheimhouding Verdachte niet aanwezig geboren 13-10-1945
thans president van de republiek]
.
de maîtresse en titre boog zich broodmager hees en glanzend
zwart over een veelheid aan biljetten
op zoek naar kleine schade schermutselingen fear of china
dieptriest casa de la alegría gieren en onweer in dat netnietbijland
.
zo X: waar men het in het comité voor het razend gevaar niet
en nooit en nummer over had
.
zo Y: tijd voor een ander universum op naar de plastisch chirurg
op de vlucht voor het lijk met het laaghangend lichaam
met het lijk zonder lichaam inmiddels
.
[JUSTITIA PIETAS FIDES er werden lijsten opgemaakt alle
verbindingen blokkeren opdracht van de legerleiding nieuwe
wapens ingevlogen schietoefeningen door de zestien]

.

O kus mij, omarm mij

Hans Lodeizen

.

Gelukkig lijkt het erop dat er vanaf deze week weer wat meer mogelijk is als het gaat om ontmoeting en intermenselijk verkeer. Om iedereen een hart onder de riem te steken dacht ik maar weer eens een liefdesgedicht te plaatsen. Dit keer van Hans Lodeizen (1924 – 1950), de op jonge leeftijd overleden dichter die niet meer achterliet dan één bundel en een aantal nagelaten gedichten. Hoewel Lodeizen geldt als een van de Vijftigers schreef Peter Berger over Lodeizen en zijn poëzie in het boek ”t Is vol van schatten hier’ uit 1986:

“Weliswaar vertoont Lodeizen een zekere verwantschap met deze naoorlogse dichters (de Vijftigers), maar bij lezing van zijn werk valt het eigen, persoonlijke karakter op. ‘De gedichten van Hans Lodeizen, met hun sfeer van jong-zijn en kleurige feestelijkheden, lijken in hun luchtige elegantie een beetje boven de wereld te zweven. Ze zijn licht en onaards, maar toch zeer autobiografisch.”

Uit de bundel ‘Het innerlijk behang en andere gedichten’, samengesteld door J.C. Bloem, Jan Greshoff en Adriaan Morriën en gepubliceerd 6 jaar na zijn dood (1956) staat het gedicht ‘3’ waarin de beginzin voor veel mensen momenteel heel na aan het hart zal liggen.

.

3

.

o kus mij, o omarm mij

ik heb lang in de regen gestaan

ik heb lang op de bus gewacht

ik heb geen taxi kunnen krijgen

ik heb lang wakker gelegen

ik heb ontzettend gedroomd

ik heb niets gegeten

ik heb gestolen

.

o kus mij, o omarm mij

ik ben de witte slanke jongen

ik ben degene die droomde

ik ben de schim in de regen

ik ben de danser, de dirigent

ik ben de man bij het avondrood

ik ben het lichaam

ik ben de enige

.

schoon

Dubbel-gedicht

.

Wanneer ik een gedicht ergens tegenkom (meestal in een dichtbundel) waarvan ik denk; Dat is een mooi gedicht voor een dubbel-gedicht dan begint het zoeken naar een tweede gedicht dat daarbij past. De ene keer gaat dat vrij vlot en de andere keer zoek ik me helemaal een slag in de rondte naar een passend tweede gedicht. Dat laatste overkwam me toen ik het gedicht ‘Palmolive’ van dichter Jos Versteegen uit de bundel ‘Een huis verlaten’ uit 2012.

Ga er maar aan staan dacht ik en ik kreeg gelijk. Bij het zoeken naar een tweede gedicht richt ik mij meestal op mijn geheugen of op de inhoudsopgaven met titels van de vele dichtbundels in mijn kast. In dit geval lieten beide mij behoorlijk in de steek. Maar uiteindelijk heb ik een tweede gedicht gevonden dat ook als onderwerp Schoon of Schoonmaken als onderwerp heeft. Het aardige is natuurlijk dat, hoewel je de onderdelen in de gedichten herkent van het schoon of schoonmaken, de gedichten feitelijk over heel andere zaken gaan. Dat maakt het Dubbel-gedicht voor mij zo verrassend.

Het eerste gedicht ‘Palmolive’, is, zoals gezegd, van Jos Verstegen (1956). Versteegen is dichter, biograaf en vertaler. Hij is ook bekend onder de namen Robert Alquin, Alkwin en Jacob Steege. Daarnaast was hij jarenlang redactiesecretaris van het tijdschrift ‘De tweede ronde’. Het gedicht ‘Vrienden’ dat hij schreef ter gelegenheid van Eenzame uitvaart nr. 254 in augustus 2020 werd bekroond met de Ger Fritz-Prijs.

Het tweede gedicht is van Robert Anker (1946 – 2017) en is getiteld ‘In jouw handdoek’. Het gedicht is genomen uit de bundel ‘In het vertrek’ uit 1996.

.

Palmolive

.

Zo eindigt zeep: een smalle tong,

soms grijze barstjes in de lengte.

.

Olijven, palmen: niemand dacht

aan warme landen, ’s ochtends vroeg,

wanneer het raam nog donker was.

De zeep lag in het plastic bakje.

Schuimbelletjes, half weggegleden,

dat was je moeder of je vader.

.

Kleine tongen, wit of groen,

steeds dunner, met een scherpe rand,

zo doodmoe in hun plastic bakjes:

niets voor een inventarislijst.

Zeep, soms met barstjes, erf je niet,

daar branden ovens voor.

.

In jouw handdoek

.

Is dit je buik dit is je huid die langs je hand omhoog

Kruipt en het water loopt je navel in en uit

Allemaal detail ben je vrolijk water zing je

Draagt ons overal je krullen ach in golven weggelopen eb

Trekken als een kam je ogen aan en zien ze mij

.

Buiten zingt een vloed supporters met hun sjaals

De leegte toe een oude man onder de voet het draait

Mij om en door de stoom ik roep je toch je hoort me niet

Ik hoor je stem maar zoek me niet nadat ik viel

.

Ben jij het hier en blijf je kletsnat over mij gevallen

Dit is geen grond voor even ik doe de ramen open

De wereld krijst voorbij en ik kan in jouw handdoek leven

.

Stof stof stof

Pieter Boskma

.

Teruglezend op mijn blog kwam ik tot de ontdekking dat ik in al die jaren dat ik dit blog al schrijf nog geen aandacht had besteed aan dichter Pieter Boskma (1956). Pieter Boskma studeerde tussen 1977 en 1984 onder andere Nederlands, Engels, Indonesisch, Kunstgeschiedenis van Oost-Azië en antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij debuteerde in 1984 met de dichtbundel ‘Virus Virus’, uitgegeven in eigen beheer in samenwerking met Paul van der Steen. In hetzelfde jaar richtten Van der Steen en hij het tijdschrift ‘Virus’ op. Eind jaren tachtig was hij betrokken bij de poëziebeweging de Maximalen.

Vanaf 1990 werkte hij een aantal jaren als poëziedocent aan de Schrijversvakschool ’t Colofon. Hij publiceerde niet alleen in alle literaire bladen en de meeste landelijke kranten en opiniemagazines, maar ook in bladen als Playboy en Avenue, en in meer dan honderd bloemlezingen. Daarnaast werkte hij voor de VPRO- en NPS-radio.

Boskma’s werk werd vertaald in onder meer het Engels, Duits, Fries, Frans, Chinees en Italiaans. Pieter Boskma was geruime tijd redacteur van het poëzietijdschrift ‘Awater’. In 2003 had hij zitting in de jury van de P.C. Hooft-prijs. Voor zijn werk ontving hij onder meer de Ida Gerhardt-Poëzieprijs, de Rabobank Cultuurprijs Letteren voor zijn hele oeuvre en hij werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2016.

Het gedicht dat ik koos van Boskma komt uit zijn bundel ‘De messiaanse kust’ uit 1989 en is getiteld ‘Stof stof stof’.

.

Stof stof stof

.

wat maakt het ons uit of ook het stof tot stof vergaat?
wij zijn de douche-generatie, ordelijke gel-gebruikers,
wij laten niets
aan het toeval over.
.
wij shockeren de pillenslikkers van de bestbeprijsde kwis.
wij houden van de doofpot der sterren en kometen.
wij zijn allergies voor knarsende sloten
want wij roesten niet.
.
wij spreken graag voor duistere halflege zalen.
wij dragen fier de ons geschonken bokalen van afgunst.
wij spiegelen ons niet aan elkaar.
wij zijn eenzaam.
.
wij ontvangen ons fortuin van de streamlined stropdas.
wij halen een mes langs de hals die daarin zit.
wij zijn en blijven tegendraads.
ons universum rafelt.
.
en na de feestjes, als wij dertig zijn
en dronken van twee biertjes
in de beha-loze zomer
schrijden wij in onze eigenaardigheid naar huis:
.
hermetische cellen in het harnas van de angst
dat ook het stof tot stof vergaat
en ons als een watertaxi
op de Tafelberg
slechts met ademnood omgordt.

.

De minnebrief

M. Mok

.

Omdat troost ook gevonden kan worden in iets moois als de liefde, in het heden of in het verleden,  koos ik het light verse gedicht van M. Mok (1907 – 1989) uit de bundel ‘De lichte muze’ een Bruna pocket uit 1956.

.

De minnebrief

.

Een juffrouw, met de voornaam Loes,

vond in het stadsarchief van Goes

een brief, die door de aanvangswoorden

‘Mijn lieve Loes’ haar rust verstoorde.

.

Met rozenkleurtjes op haar wangen

las zij welk smartelijk verlangen

des schrijvers ziel, met name Joop

bij Loesjes oogopslag bekroop.

.

Door wederliefde zeer verward,

sloot zij het briefje aan haar hart

en daar is het sindsdien gebleven,

drie eeuwen na te zijn geschreven.

.

Nog

Roland Jooris

.

Opnieuw kom ik een , mij, onbekende dichter tegen. Dit keer in de bundel ‘De 100 beste gedichten’ gekozen door Francine Houben van de VSB Poëzieprijs 2017. Het betreft hier de Vlaamse dichter en publicist Roland Jooris (1936). Jooris debuteerde in 1956 met de bundel ‘Gitaar’ die hij in eigen beheer uitgaf. In 1958 volgde ‘Bluebird’. Beide bundels zijn voorbeelden van experimentele dichtkunst. Jooris nam later afstand van deze poëzie want in de bundel ‘Gedichten 1958 – 78 uit 1978 staat geen enkel gedicht uit een van deze bundels. Na deze experimentele bundels ontwikkeld Jooris zich meer als romantisch realistisch dichter. In zijn bundels ‘Het museum van de zomer’ (1974) en ‘Akker’ uit 1982 komt dit goed naar voren.

In 1976 kreeg Jooris de tweejaarlijkse prijs voor poëzie van De Vlaamse Gids en in 1979 de Jan Campertprijs voor de bundel ‘Gedichten 1958 – 78’. Ook ontving hij in 1981 de Prijs van de Vlaamse Provincies.

Uit de bundel ‘Bladgrond’ uit 2016 komt het gedicht dat in de ‘100 beste gedichten’ is opgenomen.

.

Nog

.

Nabij

toch weer elders

.

Hij raapt op

wat niet gevonden

kan worden

.

Hij hoort iets

wat opspringt uit beduimeld

geblader, uit gefluister

een toets die zich afvraagt

waarom

.

Hij tast naar

een gestommel van

onmondig beramen, hij brengt

het ter sprake

.

Het doorwoelt zich

.