Site-archief

Boris Pasternak

Russische poëzie

.

Boris Pasternak (1890 – 1960) was de zoon van een gewaardeerd kunstschilder Leonid Pasternak en de pianiste Rosa Kaufman. Hij groeide op in een kosmopolitisch en intellectueel milieu: tot regelmatige bezoekers van de familie behoorden onder anderen de componisten Sergej Rachmaninov en Alexander Scriabin, de dichter Rainer Maria Rilke en schrijver Leo Tolstoj. Boris studeerde muziek en filosofie en hij publiceerde gedichten van zijn 22ste. Later zei hij over dit werk dat het onrijp was. Hij werd wereldberoemd met zijn roman Dokter Zjivago. Onder meer door dit werk ontving hij in 1958 de Nobelprijs voor de literatuur.

Bij deze roman behoren een 25tal gedichten. Mede hierdoor wordt hij gezien als één van de grootste dichters van het post-revolutionaire Rusland. Pasternaks poëzie wordt gekenmerkt door een intens meebeleven met het gevoel van het onderwerp. Het gaat om de emoties, de extase van gevoelens. Zijn gedichten kenmerken zich door een hoge muzikaliteit. Kern van zijn poëzie is de metafoor die berust op een vluchtige associatie. Zeker in zijn beginperiode zijn de gedichten niet altijd even toegankelijk.

 

De hof Gethsemane

 

De sterren flonkerden wat onbekommerd

Maar er viel licht toch waar de bocht begon.

De weg lag om d’ Olijfberg heen gekronkeld

En daar beneden stroomde de Kedron.

 

De kleine weide stokte halverwege

En ging vervolgens in de Melkweg op.

De zilveren olijven liepen tegen  .

De hemel met zijn stergewemel op.

 

Aan ’t einde bij een hof liet Hij hen achter

En zei dat Hij weer bij hen komen zou.

‘Blijf waken bij de muur,’ zei Hij, ‘en wacht er

Mijn ziel is diep bedroefd, tot stervens toe.’

 

En zonder weerstand deed Hij afstand van de

Almachtigheid en wonderdadigheid,

Als waren ’t dingen die Hij eenmaal leende.

Hij was nu even sterfelijk als wij.

 

De nachtelijke verte leek een oord van

Vernietiging en van het niet-bestaan.

De wereld was volkomen uitgestorven

En leven was slechts mooglijk in die tuin.

 

Terwijl Hij in de zwarte diepten staarde,

Zij waren leeg, geen eind en geen begin

Bloeddroppels zwetend, bad Hij aan Zijn Vader:

Neem deze drinkbeker van mij vandaan!

 

Hij bad en zie, zijn moeheid was te dragen,

Hij liep weer naar de schuur en zag terstond

Dat Zijn discipelen te slapen lagen,

Vlak langs de weg, in ’t priemgras op de grond.

 

Hij zei: ‘De Heer heeft jullie uitverkoren

Voor deze tijd, maar jullie slapen maar…

De Zoon des Mensen is de dood beschoren,

Hij geeft zichzelve over aan ’t gevaar.’

 

Direct daarop verschenen de verraders,

Met fakkels en met zwaarden toegerust.

Het waren slaven, vergezeld van Judas,

Met op zijn lippen de verraderskus.

 

De enige die weerstand bood was Petrus:

Hij sloeg het oor van een der slaven af.

‘Een twist wordt nooit door ’t zwaard beslecht,’ zei Jezus,

‘Dus steek dat zwaard weer in de schede weg.

 

Kan God de Vader mij geen eng’len zenden,

Zijn legioenen om mij bij te staan?

Dan zouden, zonder mij een haar te krenken,

Mijn vijanden weer spoorloos verder gaan.

 

Maar ’t levensboek is aan de bladzij toe

Die ’t liefste is van alle heiligdommen.

Al het geschrevene tot heden moet

Nu in vervulling gaan. Het zij zo. Amen.

 

De loop der eeuwen lijkt op een parabel

En kan in brand geraken, onderweg.

In naam van haar verschrikkelijke luister

Daal ik vrijwillig af in ’t smart’lijk graf.

 

En op de derde dag zal ik herrijzen.

Dan drijven eeuwen, als een karavaan

Van barges, zoals vlotten verder drijven,

Te mijnen oordeel uit het duister aan.’

.

boris_pasternak_cropped

Boris Pasternak in 1934 tijdens het eerste congres van Sovjet schrijvers

dz

Met dank aan ‘Spiegel van de Russische poëzie’ en Wikipedia

De Zeehond

Jos De Haes

.

Via Facebook kreeg ik van Bout Vercnocke een tip over de Vlaamse dichter Jos De Haes (1920 – 1974). De Haes was behalve dichter ook essayist en radiomaker. Hij publiceerde gedichten in het tijdschrift ‘Podium’ (1943-1944), waarvan hij hoofdredacteur was. Hij ontmoette er Frank Meyland, Anton van Wilderode, Hubert Van Herreweghen, en Christine D’Haen.

Daarna publiceerde hij in ‘Poëziespiegel’ waar hij Paul De Rijck, Hubert Van Herreweghen, André Demedts en Albert Westerlinck ontmoette. In 1950 werd hij recensent bij ‘Dietsche Warande en Belfort’ en werd in 1960 redactielid.

In 1961 werd hij diensthoofd van de literaire en dramatische uitzendingen van de BRT en werkte hij aan het programma ‘Vergeet niet te lezen’.  Hij publiceerde 4 dichtbundels en gedichten in verzamelbundels. Hij ontving onder andere voor zijn werk de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse  provincies, de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie en Guido Gezelle-prijs van de Koninklijke Vlaamse Academie.

Het gedicht ‘De Zeehond’ komt uit de cyclus ‘De Pool’ in de bundel ‘Gedaanten’ van 1954. De gedichten uit die cyclus zitten vol symboliek. Zo ook ‘De Zeehond’ waarin, kort gesteld, de mens vecht tegen de dood met de moed der wanhoop, als een zeehond die onder de ijskorst zwemt maar uiteindelijk toch het ademwak, het leven vindt.

De YouTube opname van Jo De Meyere komt uit een tv-uitzending van rond 1970.

.

De Zeehond

.

Het is te vinden in ’t ademwak

het ijsgat met de smalle schacht,

waardoor ik aan het oppervlak,

liggend in reukzout en koud water,

leven zuig uit sneeuwlichte nacht.

.

IJspegels brekend met mijn tand

zoek ik in ’t licht der sneeuw rondom

en vind haar Engel aan de rand

de vogel keizerpinguin staat er,

een kegel als Haar wijsheid stom

en als Haar eeuwig willen strak

.

Het is te vinden in ’t ademwak,

longpijp in ’t rustigste der vlezen,

diep ademhalen en genezen.

.

De-Haes-0

Hellouw

Gijsbert Hamoen

.

Van mijn oud mede columniste bij Maassluis.nu Corinne Hamoen, kreeg ik de dichtbundel ‘Vierstromenland’ van haar vader Gijsbert Hamoen (1932 – 2013). De bundel is mooi en zorgvuldig vorm gegeven, fraaie omslagfoto’s, harde kaft en mooi matglanzend papier. Uitgegeven in eigen beheer.

Gijsbert Hamoen groeide op in de Rijnstreek. Hij studeerde aan de RU te Utrecht theologie en Semitische talen. Hij werkte in Berlijn als predikant voor buitengewone werkzaamheden (vluchtelingenwerk), en woonde en werkte achtereenvolgens in de Alblasserwaard (Oud-Alblas), Tielerwaard (Meteren en Est), Land van Heusden en Altena (Heusden), het Westland (’s Gravenzande) en het Sticht (De Meern). Hij publiceerde gedichten en artikelen over plaatselijke en regionale kerkgeschiedenis in verschillende tijdschriften.

Dan de bundel. Deze bevat zo’n 120 gedichten en deze zijn geschreven tussen 1960 en 2011. Een overzicht van een dichterlijk leven dus. Een aantal gedichten zijn eerder gepubliceerd in onder andere het tijdschrift de Waagschaal en de historische reeks Land van Heusden en Altena. Andere gedichten zijn voorgelezen in het NCRV programma ‘Vers in het gehoor’.

De bundel is opgedeeld in een aantal hoofdstukken en deze verwijzen naar de Vier Stromen uit de titel. Zo zijn er hoofdstukken met titels als ‘De Alblas’, ‘De Linge’, ‘De Maas’ en ‘De Rijn’. In deze hoofdstukken een aantal gedichten zonder titel maar de meeste gedichten verwijzen naar een dorp of hebben een andere geografische verwijzing.

Een aantal genoemde dorpen kende ik maar er viel nog een hoop te ontdekken zo merkte ik tijdens het lezen. Zoals bijvoorbeeld bij het gedicht hieronder ‘Hellouw’. Dit blijkt een dorpje te zijn in de Betuwe met 960 inwoners (2008). Hamoen geeft in deze bundel vele van dit soort kleine dorpjes een eigen gedicht en dat vind ik op zichzelf al een mooi gegeven.

Voor de inwoners van deze dorpjes zullen de gedichten zeker herkenbaar zijn, specifieke plekken als wegen, kerken, begraafplaatsen, waterputten en andere objecten worden op een respectvolle en poëtische manier beschreven.

Als deze bundel één indruk bij mij heeft achtergelaten dan is het wel dat er veel mooie plekjes in Nederland zijn om nog te ontdekken. Bijvoorbeeld met deze bundel in de achterzak.

.

Hellouw

.

Tussen de kribben

drijft een dode hond

op de rivier

en op het basalt

blijft hooi en hout

op de hoogte

van de vloed.

.

Tegen de dijken

schurken de huizen

en likken hun wonden

bij doodtij.

.

hellouw

vierstromenland

Moeder

Willem Elsschot

.

Ik moest vandaag denken aan een literaire wandeling die ik maakte met collega’s door Antwerpen aan de hand van een verhaal van Willem Elsschot. Uit het verzameld werk van Willem Elsschot (1882 -1960) heb ik daarom het gedicht ‘Moeder’ gekozen. Omdat ik zin had om iets van Elsschot met jullie te delen en omdat de taal van Elsschot zo heerlijk vol zit met woorden en uitdrukkingen waarvan ik geen weet heb maar waar ik zeer van kan genieten.

.

Moeder

.

Als vader slaapt gelijk een rustig beest,

en in zijn droom herkauwt en zalig lacht,

dan ligt gij wakker, starend in den nacht,

en roept uw zoons en dochters voor den geest.

.

Zij zijn gevloôn, als gieren voor ’t tempeest,

met stukken van het oude nest bevracht,

waarin gij dubbend op hun terugkeer wacht,

maar op de klok het woord des tijds niet leest.

.

Laat niet uw dagen slinken in verdriet;

geen macht die tanden aan uw mond verstrekt,

of ooit weer zog in uwe borsten wekt.

.

Er is niets aan te doen, zoals gij ziet.

Drink dus een borrel bij een passend lied,

daar schele Piet reeds met uw tenen trekt.

.

moeke

Het mes op de gorgel

C. Buddingh’

.

In een kringloopwinkel in Den Haag heb ik weer een paar mooie vondsten gedaan. Zo kocht ik ‘Het mes op de gorgel’ Gorgelrijmen en andere gedichten van C. Buddingh’ (1918 – 1985). Dit fraaie bundeltje in de zwarte beertjes reeks met een omslagontwerp van Dick Bruna uit 1960 heeft als thema: Nonsens of wat daarvoor door moet gaan.

Op de achterkaft staat te lezen: De Gorgelrijmen van C. Buddingh’, in de tweede wereldoorlog voor het eerst in een clandestiene luxe uitgave verschenen en naderhand talloze malen uitgebreid en herdrukt, behoren stellig tot de meest gelezen hedendaagse Nederlandse poëzie. In deze bundel staan ze voorop, doch ze worden gevolgd door een uitgebreide keuze uit de minder bekende gedichten van dezelfde geestige, speelse en originele poëet.

Uit deze bundel een typisch Buddingh’ rijm ‘De Blobber’.

.

De Blobber

.

De blobber heeft een kop van kalk,

Maar ogen als een neushoornvalk.

.

Hij doet echter graag interessant,

En draagt een bril met gouden rand,

.

Die hij, uit vrees hem te verliezen,

Wanneer hij onverwacht moet niezen,

.

En wijl zijn kop wat steun behoeft,

In zijn halswervels heeft geschroefd,

.

Hetgeen zijn houding tevens iets

Bijzonder statigs geeft, of niets

.

Op deze waereld kan gebeuren

Dat zijn sereniteit kan steuren.

.

gorgel

 

Zij

Bernard Dewulf

.

Voormalig stadsdichter van Antwerpen (2012-2014) Bernhard Dewulf (1960) is naast dichter ook redacteur, columnist en dramaturg voor theatergezelschap NT Gent. Dewulf publiceerde al gedichten in diverse literaire tijdschriften, voor hij debuteerde met de bundel ‘Waar de egel gaat’ in 1995. Sindsdien publiceerde hij naast gedichten ook theatrale vertellingen, lezingen, kunstbeschouwingen en essays.

Uit de bundel ‘Waar de egel gaat’ uit 1995 het liefdesgedicht ‘Zij’.

.

Zij

.

Wij doen ondeelbaar, hart aan hart,

maar slapen ieder onze nacht.

Haar lichaam ademt in mij voort

en binnen word ik weggedacht.

.

Woont daar iemand die bestaat

als zij zich sluit? Alles is

zo denkbaar in dit hoofd, ik

raak er niet in en niet uit.

.

Ik ken haar enkel in mijn armen,

zij houdt mij eeuwig op de tast.

Zij slaapt en wie is zij

die morgen weer in alles past?

.

Dewulf

Dewulf-2

 

Vogels

Bert Schierbeek

.

Bert Schierbeek (1918-1996) was een van de dichters die aan de wieg stonden van de Vijftigers beweging. Hij was behalve dichter ook schrijver, essayist en toneelschrijver In Twente geboren groeide hij op in Groningen en studeerde hij in Amsterdam.

In 1946 sloot hij zich aan bij de Cobra-groep, die voornamelijk bestond uit beeldend kunstenaars en werd hij redacteur van het tijdschrift Het WoordSchierbeek verzette zich tegen traditioneel taalgebruik en literaire patronen. In 1951 publiceerde hij ‘Het boek Ik’, dat wordt beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek. De breuk met de traditie was compleet. De roman lijkt opgebouwd te zijn zonder verhaallijn en uit niet meer dan associaties van woorden en gedachten te bestaan.

Hij werkte samen met Lucebert en Karel Appel en hij won verschillende literaire prijzen zoals de Henriette Roland Holst-prijs in 1960, de Herman Gorterprijs in 1978 en de Constantijn Huygensprijs in 1991.

Uit de postuum verschenen bundel ‘Vlucht van de vogel’ uit 1996 het titelgedicht.

.

Vlucht van de vogel
.

soms op een vleugje wind

soms in een storm

vliegen zij op

een wolk van vogels

voor de zon

.

welke dromen

bevliegen de vogels

dat zij zich

lichtvaardig

in zoveel lucht

begeven

.

vogels

 

Het gedicht Vlucht van de vogel is ook aangebracht op de gevel van een school aan de Jac. P. Thijsselaan in Oegstgeest
schierbeekMet dank aan Wikipedia.

 

 

Het gevecht met de muze

Bertus Aafjes

.

Vandaag wil ik aandacht besteden aan de dichter Bertus Aafjes. Aafjes (1914-1993) was schrijver en dichter die ook onder de naam Jan Oranje publiceerde. Hij debuteerde met ‘Het gevecht met de muze’ waarover hierna meer. Hij maakte deel uit van de redactie van de literaire tijdschriften ‘Criterium’ en ‘Ad Interim’, was één van de oprichters van het blad ‘Klondyke’ en verleende zijn medewerking aan talrijke tijdschriften. In 1953 verscheen zijn (voorlopig) laatste dichtbundel ‘De Karavaan’ nadat hij zich negatief had uitgelaten over de Vijftigers.

In opdracht van het Elseviers Weekblad zou Aafjes in de zomer van 1953 zes artikelen aan de Vijftigers wijden, drie tegen en drie vóór deze groep experimentele dichters. Elsevier stopte de reeks echter nadat de eerste drie kritische artikelen een storm van protest hadden losgemaakt. Aafjes koos dan ook voor een ongekend harde toon, en zijn zin: “Lees ik Lucebert’s poëzie, dan heb ik het gevoel dat de SS de poëzie is binnengemarcheerd”, werd berucht. Veel lezers van het rechtse Elseviers Weekblad steunden Aafjes in zijn kritiek op de Vijftigers, maar vrijwel al zijn collega’s en bekenden uit de literaire wereld vielen over hem heen. De Elsevier-artikelen leidden ertoe dat Aafjes alleen kwam te staan in de literatuur en luidden ook het einde van zijn eigen dichterschap in.

Later in zijn leven zou Aafjes toegeven dat hij zich enorm vergist had en dat zijn afkeer van de Vijftigers al kort na het verschijnen van de gewraakte artikelen was omgeslagen in bewondering. In een brief uit 1983 bood Aafjes zelfs zijn excuses aan Lucebert aan, een van de dichters die hij in 1953 hard had aangevallen. Lucebert reageerde dat hij nooit wrok had gekoesterd tegen Aafjes en dat het jammer was dat ze elkaar nooit ontmoet hadden. Dan had de “roestige nutteloze strijdbijl” meteen begraven kunnen worden.

In 1980 publiceerde hij nog wel de bundel ‘Deus sive natura’ met erotische poëzie maar deze bundel werd zeer kritisch onthaald. In totaal publiceerde Bertus Aafjes meer dan 100 werken en kreeg hij o.a. de Tollensprijs (voor zijn gehele oeuvre) in 1953, de ANWB prijs voor ‘De wereld is een wonder’ in 1960 en de Cestodaprijs in 1989.

Uit mijn boekenkast heb ik de bundel ‘Het gevecht met de muze’ gehaald. Deze bundel uit 1965 bevat de bundels ‘Het gevecht met de muze’ (1940) en het  ‘Het zanduur van de dood’ (1941). Deze laatste bevat, de afdelingen ‘Het zanduur van de dood’, ‘Sonnetten uit 1938’ en ‘Verspreide gedichten’.

Op de achterflap staat onder andere over Aafjes geschreven: Hij is geboren met het herscheppend dichteroog, waarmee hij een morbide wereld kan veranderen in een lieflijk paradijs – een charmante leugen, waarin wij hem zo nu en dan gaarne willen geloven.

Uit ‘Het gevecht met de muze’ het gedicht (hoe kan het ook anders vandaag) ‘Zondagmorgen’.

.

Zondagmorgen

.

Grijs staat de gracht gedempt

En in het water weerspiegeld

Toeven de takken gestremd

En door de mist doodgewiegeld.

Hoor je de hoer die giechelt

Naakt naast haar wollen hemd,

Gierend en ongeregeld

Of zit zij vastgenageld

tussen toeklappende deuren?

Nu klinkt het weer gedempt.

.

aafjesgevechtmuze3

aafjes

Een zwemmer is een ruiter

Paul Snoek

.

Paul Snoek (1933-1981) was het pseudoniem van Edmond André Coralie Schietekat (Hij nam de naam van zijn moeder aan Paula Snoeck). Snoek was een van de bekendste dichters en prozaschrijvers van België.  Hij debuteerde met de bundel ‘Archipel’ in 1954 en er verschenen in totaal 22 bundels van zijn hand. Tijdens zijn leven ontving hij onder andere de Jan Campertprijs (1971) en de Driejaarlijkse Staatsprijs voor de Vlaamse poëzie (1969) voor ‘De zwarte muze’.

Paul Snoek wordt gerekend tot de vijfenvijftigers (als een reactie op de vijftigers). Zij organiseerden zich rond het tijdschrift Gard Sivik, een naoorlogs avant-garde tijdschrift dat zich ook bezighield met het ethische. Zij zetten zich af tegen de ethische implicaties van de ‘Tijd en Mens’-generatie. Ze gingen op zoek naar meer esthetisch georiënteerde poëzie. Met andere woorden, het ethische was voor hen ondergeschikt aan het esthetische. Zij moesten niets meer weten van een direct engagement. Bij hun ging het om de schoonheid van de gedichten.

Zijn werk is moeilijk bij één stroming in te delen of valt moeilijk onder één noemer te vatten. Begonnen als romantisch dichter, evolueerde hij naar meer agressieve en cynische geschriften. Op het laatste werd hij een gelaten, pessimistisch dichter, in overeenstemming met zijn manisch-depressieve buien.

.

Uit de bundel ‘Hercules’ uit 1960 het gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’.

.

Een zwemmer is een ruiter

Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het altijd allesbegrijpende water.

Ik moet bekennen dat ik gek ben van water.
Want in het water adem ik water
word ik een schepper die zijn schepping omhelst,
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.

Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.

.

paul snoek

Hommage aan Paul Snoek van Jef Snauwaert (pasteltekening/schilderij op papier, 1983)

.

snoek_hercules

Met dank aan Wikipedia, DBNL.org en Poezie-leestafel.info

 

 

Poetry in motion

New York, 1992

.

Bij Poetry in motion moet ik altijd denken aan het lied van Johnny Tillotson uit 1960. Weliswaar ver van voor mijn tijd, maar het is zo’n liedje dat, als je het eenmaal gehoord hebt, blijft hangen. Verrassend was het dan ook toen ik surfend op het wereld wijde web de term Poetry in motion tegenkwam als een heel ander gegeven. In 1992 werd door de MTA (Metropolitan Transportation Authority) in New York, in navolging van een zelfde project in London, Poetry in motion geïnitieerd.

Samen met de Poetry Society of America werden gedichten geselcteerd om op borden in het openbaar vervoer aangebracht te worden. De eerste gedichten waren: “Crossing Brooklyn Ferry” van Walt Whitman, “Hope is the Thing with Feathers” van Emily Dickinson, “When You Are Old” van William Butler Yeats, en “Let There Be New Flowering” van Lucille Clifton. In de eerste 10 jaar werden de gedichten geplaatst op een bord dat, door de tegelstructuur, verwees naar de metrostations van New York.

poetry4

In de loop van 10 jaar werden meer dan 150 gedichten en dichters op deze manier getoond aan de inwoners van New York. Niet alleen Amerikaanse dichters maar internationaal bekende namen kwamen (in vertaling) op deze manier in het openbaar vervoer terecht.Het initiatief werd menigmaal bekroond. Na 2012 werd een nieuwe look geïntroduceerd. Hiervan enige voorbeelden:

poetry in motion1

poetry in motion 2