Site-archief
De laatste dichters
The Last Poets
.
Ik ben de roman ‘De laatste dichters’ van Christine Otten (1961) aan het lezen uit 2004. Deze roman gaat over een groep dichters uit die bekend zijn geworden onder de naam ‘The Last Poets’. Ze beschrijft hun levensverhalen, over hun jeugd in de getto’s, hun liefdes, successen en nederlagen. Het boek springt van de jaren ’50 naar de jaren ’00 naar de jaren ’70 en weer terug naar de jaren ’60 enzovoorts. In het boek leer je de dichters kennen. mensen als Omar Ben Hassen, Felipe Luciano, Abiodun Oyewole, Gylan Kain en David Nelson komen voorbij maar ook allerlei mensen als producers, journalisten en familieleden. De verhalen lopen door elkaar heen en al lezend begin je een rode draad te zien van verhalen van een aantal hoofdpersonen.
The Original Last Poets werden opgericht op 19 mei 1968, de geboortedag van Malcolm X , in Mount Morris Park (nu bekend als Marcus Garvey Park ) in East Harlem , New York City. De oorspronkelijke groep bestond uit Gylan Kain, Alafia Pudim (Felipe Luciano) David Nelson en Abiodun Oyewole. De groep ontstond via een Harlem writers’ workshop uit 1969, bekend als East Wind. Op 24 oktober van dat jaar trad de groep op in het baanbrekende New Yorkse televisieprogramma Soul! . The Last Poets droeg “Wake Up, Niggers” bij aan de soundtrack van ‘Performance’ , een film uit 1970 met Mick Jagger.
In de jaren 80 en daarna kreeg de groep echter bekendheid met de opkomst van hiphopmuziek , en werd vaak genoemd als grootvaders en oprichters van deze, toen nieuwe beweging. In de loop der jaren wijzigde de formatie nog al eens onder andere door gevangenschap (Oyewole) en overlijden (Sulaiman El-Hadi). Toch bleven veel van de leden actief tot ver in de 21ste eeuw. Door de jaren heen bleven Jalaluddin Mansur Nuriddin ( Lawrence Padilla) en Suliaman El-Hadi als kernleden over terwijl andere leden kwamen en gingen.
‘De laatste dichters’ bevat niet alleen de levensverhalen van The Last Poets, maar ook veel van hun teksten en gedichten. Een van deze gedichten (niet toevallig over een bibliotheek) wil ik hier met jullie delen. Het betreft ‘The Library’ uit 1968 geschreven door Felipe Luciano, een van de originele grondleggers van de Last Poets, van het album ‘Right On!’ uit 1968.
.
The Library
.
I’ve kissed books before
Held them close to my brown skin
Learning when my mother got moody at the end of every month
But they never taught me how to fight
Or how to run from cops
Zig zag
Zig zag
Taught me to know
But not to believe
Mum’s believe is in God
I believe in revolution
We both believe in something devoutly
.
Lieke Marsman
Natalya Gorbanevskaya
.
Afgelopen vrijdag liep ik in de boekenwinkel op zoek naar een cadeautje voor mezelf (van mijn moeder) en daar zag ik ‘Op een andere planeet kunnen ze me redden’ van Lieke Marsman liggen. Ik kocht het en thuis gekomen las ik dat dit boek op die dag pas was uitgekomen. Spiksplinternieuw dus. En hoewel het geen dichtbundel is, werd ik toch aangetrokken door de inhoud. “dit boek is een filosofische trip tot in de diepten van de menselijke geest, afgewisseld met dagboekfragmenten die beschrijven hoe de dood haar op de hielen zit.”
Waarschijnlijk niet helemaal toevallig stond er gisteren in het Volkskrant Magazine een interview met Lieke Marsman (1990) over dit boek en haar situatie. In dit interview wordt geschreven over hoe Marsman op haar 17e een gedicht van Natalya Gorbanevskaya vertaalde (Het gedicht was vanuit het Russisch naar het Engels vertaald en zij vertaalde het naar het Nederlands). Een prima manier, zo vertaalde ik ooit begin deze eeuw het gedicht van Juhasz Gyula naar het Nederlands nadat het door een Hongaarse voor mij naar het Engels was vertaald. Mijn derde bundel kreeg zelfs als titel een zin uit dat gedicht.
Nieuwsgierig als ik ben wanneer ik dit sort verwijzingen lees ging ik op zoek. Natalya Yevgenyevna Gorbanevskaya (1936 – 2013) was een Russische dichter, vertaler van Poolse literatuur en burgerrechtenactiviste. Ze was een van de oprichters en de eerste redacteur van A Chronicle of Current Events (1968–1982) een van de langstlopende samizdat– periodieken van de post-stalinistische Sovjet-Unie. In 1968 nam ze samen met zeven anderen deel aan de demonstratie op het Rode Plein in 1968 tegen de Sovjetinvasie van Tsjecho-Slowakije. In 1970 veroordeelde een Sovjetrechtbank Gorbanevskaja tot opsluiting in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze werd in 1972 vrijgelaten en emigreerde in 1975 uit de USSR en vestigde zich in Frankrijk. In 2005 werd ze staatsburger van Polen. Slechts negen van haar gedichten waren gepubliceerd in officiële tijdschriften toen ze in 1975 de USSR verliet; de rest circuleerde privé ( samizdat ) of werd in het buitenland gepubliceerd (tamizdat).
Ook het gedicht dat Lieke Marsman vertaalde heb ik kunnen achterhalen.
.
Sterven is – de globe omkeren en leven aan de ommezijde,
tegenvoeter worden van de aardbodem en van het kind,
geen berouw meer kennen en verharden in bewusteloosheid,
het verschil vergeten tussen zuster, kind en minnaar.
Sterven is – van een brug af vallen als een lucifer,
die de oceaan op drijft en aanspoelt in het binnenland…
Wie niet gestorven is, weet niets en begrijpt niets,
hij zet een gebarsten glas aan zijn mond, of een gammele fluit.
.
Hermans over Hölderlin
Dichter over dichter
.
Schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995) schreef in zijn leven niet veel poëzie. Slechts ruim honderd gedichten, die in een relatief korte periode in een vroege fase van Hermans’ schrijverschap ontstonden. Zijn eerste gedicht publiceerde hij in 1939 in de schoolkrant, het laatste gedateerde is van 1953.
Hermans publiceerde vier bundels poëzie. In 1944 verscheen in een kleine oplage in eigen beheer ‘Kussen door een rag van woorden’, in 1946 ‘Horror Coeli en andere gedichten’, in 1948 ‘Hypnodrome. Gedichten’ en in 1968 ‘Overgebleven gedichten’. Hermans’ poëzie werd wisselend ontvangen, Hans van Straten schreef in een recensie dat zijn gedichten meer merkwaardig dan goed waren.
In 2011 verscheen bij De Bezige Bij de volledige poëziewerken van Hermans onder de titel ‘Volledige werken’ deel 9 Gedichten. Uit deze bundel nam ik het gedicht dat Hermans schreef over Friedrich Hölderlin (1770-1843).
.
Hölderlin
.
Hij gaat gebukt onder de droeve kanonnaden
Van de horizon der onsterfelijkheid.
Hij gaat blootshoofds de schrikkelpaden
Die tot verdwalen leiden. In zijn haar de zaden
Van gewassen die slechts daar ontkiemen,
Waar zij wiesen. En niet waar hij gaat:
.
Aangehitst door droefenis en grieven
Naar een veilig, maar steriel klimaat,
Nu de diepte van zijn trieste giechlen
Met zijn laatste tanden is betaald.
.
De scherpe kant van regen
Ilja Leonard Pfeijffer
.
Enige tijd geleden had ik een gesprek over boeken en literatuur met een kennis. Het gesprek kwam op enig moment via ‘La Superba’ dat we allebei gelezen hadden naar ‘Grand Hotel Europa’ en ‘Alkibiades’ van Ilja Leonard Pfeijffer (1968). De taalvirtuositeit, de prachtige zinnen, alles kwam langs. Tot ik begon over de fantasie die Pfeijffer stopt in zijn poëzie. En de woordvondsten en woorden die (nog) niet bestaan maar die bij hem ineens heel gewoon lijken. Ik schreef een paar dagen geleden al over het feit dat ik zo gecharmeerd ben van dichters (en schrijvers) die zo kunnen toveren met taal dat ze zelf woorden of woordcombinaties verzinnen en dat Pfeijffer wat mij betreft daar zeker bij hoort.
Tot mijn grote verbazing wist hij niet dat Pfeijffer ook dichter was, sterker nog dat Pfeijffer als dichter was gedebuteerd in 1998 met de poëziebundel ‘Van de vierkante man’. Genoeg reden voor mijn gesprekspartner om ook die kant van de dichter/schrijver te gaan ontdekken. Om alvast een handreiking te doen hier een gedicht uit de tweede dichtbundel van zijn hand ‘Het glimpen van de welkwiek’ uit 2001, getiteld ‘De scherpe kant van regen’.
.
De scherpe kant van regen
.
jouw wegen zijn mijn stratenplan geworden
ik wou dat ik je beter had onthouden
,
gespitst op wind zo kwetsbaar altijd in je ooghoek
leefde je dicht langs de muren
achter je kraag werden messen geknipt
dat moet wel dat kan niet anders
zijn geweest een naald trilde elders
.
ook al dacht ik te praten maar hoe precies
hoe balde jij handen spitsvallig
op mijn vragen? bij welke trede stokte
angstvondig jouw tred? wat was
als ik lachte de kleur van je ogen?
in ieder portiek had elke natte krant
berichten
.
mijn gebaren steken hoekig uit jouw mouwen
jouw kraag verdiept zich in mijn kwijtgedoken weg
het is jouw regen die de stad onleesbaar maakt
.
Sinds Buddingh’
Campert over Buddingh’
.
Remco Campert (1929-2022) was een dichter van weinig woorden maar altijd wel precies de juiste woorden. Dat is ook waarom ik hem on der een van mijn favoriete dichters schaar. In een tijd van ellenlange gedichten die pagina’s lang door bundels meanderen is een gedicht van Campert een verademing. Met heel weinig, maar juist gekozen woorden, precies dat zeggen wat je wil.
Campert had ook een mening over poëzie en dichters. Of die altijd serieus waren weet ik niet maar bij het lezen van een gedicht als ‘Sinds Buddingh’ verwachten veel mensen…’ neem ik toch aan dat hij oprecht was. Het zegt overigens denk ik meer over de luisteraars naar de poëzie van Buddingh’ (1918-1985) dan de poëzie zelf. Het gedicht van Campert nam ik uit ‘Alle bundels gedichten’ uit 1976 maar werd oorspronkelijk gepubliceerd in ‘Mijn levensliederen’ (1968).
Ron Elshout schreef een boeiend artikel over dit gedicht en de poëzie van Buddingh’ in Bzzlletin jaargang 25 (1995-1996) dat je hier kan lezen.
.
‘Sinds Buddingh’ verwachten veel mensen…’
.
Sinds Buddingh’
verwachten veel mensen
van poëzie
een avondje lachen
.
dat is geen vooruitgang
geloof ik
maar eerder een stap achteruit
.
pas als mensen
van poëzie
helemaal niets verwachten
zullen we het hebben:
poëzie
.
dit moet maar eens bewezen worden
.
Ontroerend onhandig
zoals vuilnisauto’s die hardrijden
.
Onrust
Lieve Van Damme
.
Zo nu en dan pak ik een boek uit mijn boekenkast met de verwachting dat ik daar dichters ga aantreffen die ik nog niet ken. Zo’n boek is ‘Ik ben genoemd Meisje en Vrouw’ 500 gedichten over de vrouw uit de Nederlandstalige letterkunde, samengesteld door Christine D’haen uit 1980. In dit boek kom ik het gedicht ‘Onrust’ tegen van Lieve van Damme.
Lieve Van Damme (1912-1998), pseudoniem van Godelieve Van Damme-Ketele, was een Vlaamse dichter wier Oeuvre maar een paar bundels beslaat. Om precies te zijn publiceerde ze 5 bundels. Haar debuut in 1962 ‘Duinhelm en polderriet’ werd gevolgd door ‘Bladnerven’ (1964), ‘Reizen en rozen (1966) en ‘Aren lezen’ (1968). Uiteindelijk zou pas 10 jaar na deze laatste bundel haar allerlaatste bundel verschijnen ‘De lange draad’ in 1978.
In 1962 schreef Remi Van de Moortel naar aanleiding van haar debuut, in het kunsttijdschrift West-Vlaanderen: Haar verzen zijn meestal losjes en licht, rustig en kalm, maar niet zonder een diepere achtergrond. Dat geldt ook voor het gedicht dat ik las in ‘Ik ben genoemd Meisje en Vrouw’ met als titel ‘Onrust’ dat werd genomen uit haar bundel ‘Reizen en rozen’ uit 1966.
.
Onrust
.
Niet op reis gaan
maar terugkomen
van ver het zout smaken
dat in de lucht blijft hangen
en het zeewier ruiken
het onaangeroerde reisgoed terugbrengen
en verwacht worden.
.
Niet van deze wereld
Dichter over dichter
.
Vandaag in de rubriek dichter over dichter, de dichter A. Roland Holst (1888-1976) over de dichter, schrijver, diplomaat Reijnier Flaes (1902-1981). Roland Holst en Flaes waren bevriend en correspondeerde met elkaar. Onder het pseudoniem F.C. Terborgh publiceerde hij in de jaren dertig proza en poëzie in de literaire tijdschriften Helikon, Forum en Groot Nederland. Het werk van F.C. Terborgh is vaak in verband gebracht met dat van J. Slauerhoff, met wie hij bevriend was. Omdat hij als diplomaat vele jaren in het buitenland woonde drong zijn poëzie (en verhalen) maar mondjesmaat door tot het grote publiek.
Zijn literaire oeuvre bleef vrijwel onopgemerkt, totdat hij twee prestigieuze literaire oeuvreprijzen kreeg: de Tollensprijs in 1968 en de Constantijn Huygens-prijs in 1971. Zijn verzameld werk werd gebundeld in 1975-1977.
A. Roland Holst schreef het gedicht ‘Niet van deze wereld’ voor F.C. Terborgh en het werd gepubliceerd in de bundel ‘Vuur in sneeuw’ uit 1969.
.
Niet van deze wereld
.
Voor F.C. Terborgh
.
In zichzelf neuriënd, rondom bespot,
door de straatjeugd bedreigd, ging voor zich heen
de onnoozle, de dorpszot, de kroeg langs, tot
een vlegel hem te na kwam.
.
Toen verscheen
in de open deur een wezen, kennelijk
van hoger orde. Toornende verjoeg
hij het gespuis dat links en rechts de wijk
naar elders nam. Zacht, zonder woorden, sloeg
hij om de onnozele zijn arm, en liep
met zijn beschermeling de dorpsstraat uit,
het open land in, dat in nevel sliep.
.
Langzaam kwam een hoog paard hen tegemoet.
.















Gelijk de Phoenix
27 mrt
Geplaatst door woutervanheiningen
Jaap van Yperen
.
Van mijn collega kreeg ik een, door de bibliotheek Rotterdam, afgeschreven tijdschrift met de titel ‘Vlaardingen vooruit’ dat werd uitgegeven ter gelegenheid van de grote tentoonstelling , welke gehouden werd van 3 tot en met 14 augustus 1946. Volgens het redactionele stukje voorin had dit blad tot doel de ontwikkeling der gemeente Vlaardingen in de loop der jaren te demonstreren. Van een klein vissersdorp aan de Maas werd Vlaardingen tot de derde (!) zeehaven van Nederland en een belangrijk industriecentrum.
Toen ik dit las moest ik meteen aan iets denken uit 1997. In dat jaar werd ik directeur van de bibliotheek Maassluis en Maasland. In de bibliotheek stond een kast vol boeken in het Fries. Ik verwonderde mij hierover en mijn collega’s wisten mij ook niet meer te vertellen dan dat er veel vraag was naar Friese boeken. Later begreep ik dat na de tweede wereldoorlog er heel veel mensen uit het noorden van Nederland (Groningen, Friesland en Drenthe) naar het Rijnmond gebied waren getrokken omdat er hier heel veel werk was te vinden. Het belangrijke industriecentrum in Vlaardingen zal hierin ongetwijfeld een rol hebben gespeeld.
Terug naar ‘Vlaardingen vooruit’. Op pagina drie onder het redactioneel commentaar en de woorden van de toenmalige burgemeester is een gedicht geplaatst van ene Jaap van Yperen (1901-1972). Jaap van IJperen (van Yperen was zijn pseudoniem) schreef voornamelijk sonnetten. Hij was zeeman en arbeider op een scheepswerf. Hij debuteerde in 1945 met de bundel ‘Blauwe lucht’ en pas in 1956 verscheen zijn tweede bundel ‘De Aeolusharp’. In 1968 verscheen ‘Twee vrienden op een havenhoofd’ maar daarvan ben ik niet zeker of het poëzie was en in 1971 verscheen, onder auspiciën van de Culturele Raad van Vlaardingen, ter gelegenheid van de 70e verjaardag van de dichter ‘Archief 70 gedichten’. In 2001 verscheen ten slotte postuum nog, in beperkte oplage, in Vlaardingen een bundeltje ‘Heimwee’.
In ‘Vlaardingen vooruit’ is zijn sonnet ‘Gelijk de Phoenix’ opgenomen, een gedicht dat vlak na de oorlog, nog duidelijk de oorlog als onderwerp heeft.
.
Gelijk de Phoenix
.
Ik hoor de lichte golfslag breken tegen
De sterke kademuren waar voorheen
Je vissersvloot zo dikwijls heeft gelegen
Maar ach, dat is al weer zo lang geleên
.
Toen is de oorlog over ons gekomen,
De vijand nam je schepen één voor één.
Zullen wij van ’t verleden blijven dromen
Of onze blik der toekomst richten heen?
.
Nu loop ik langs je lege kaden, zoekend,
Vergeefs misschien, ’t verloren paradijs.
Maar een legende die ik eenmaal las
.
Spookt door mijn hoofd, en in mijzelve vloekend
Den ik; mijn oude Vlaardingen herrijs,
Gelijk de Phoenix uit zijn eigen as.
.
Dit delen:
Geplaatst in (bijna) vergeten dichters, Bibliotheken, Favoriete dichters
Een reactie plaatsen
Tags: 1901, 1946, 1956, 1968, 1971, 1972, 1997, 2001, 70ste verjaardag, afgeschreven, Archief 70 gedichten, Bibliotheek, Blauwe lucht, Burgemeester, Culturele Raad, De aeolusharp, debuut, derde zeehaven, dichtbundel, dichter, Drenthe, Friese boeken, Friesland, gedicht, gedichten, gedichtenbundel, Gelijk de Phoenix, Groningen, heimwee, industriecentrum, Jaap van IJperen, Jaap van Yperen, Maassluis, poëzie, poëziebundel, Postuum verschenen, pseudoniem, redactioneel commentaar, sonnet, tentoonstelling, Twee vrienden op een havenhoofd, Tweede wereldoorlog, vissersdorp, Vlaardingen, Vlaardingen vooruit