Site-archief
Memento Mori
Emerald Liu
.
Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.
Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.
Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.
.
Memento Mori
.
je staart
komt dichterbij
kijk me aan
bewandel mijn hand
land zacht op mijn hoofd
.
er is geen buigzaam verleden
enkel roest
een kroonblad staat wit op zwart
wankelt wordt wacht neen is
een verrukking
.
kantel je gezicht zo
nu haast een glimlach die balanceert op je
lippen robijnen in een hap van een kers en
barst het is zo voorbij bijt me bont
alsjeblieft is enkel een achtste rust in
de tijd dirigeert onze handen zoeken een
houvast
.
viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood
en bid voor een morgen die we kunnen
delen
het licht kruimelt
en in de verte landt een roetvlok in
de sneeuw
vergaat
.
Latrine poëzie
Toiletpoëzie
De inscripties op de latrines van het voormalige Geboorteklooster in Tepoztlán, Mexico, zijn bijna volledig in de vergetelheid geraakt, maar bieden een onverwacht staaltje poëzie. Tegenwoordig is in het voormalige klooster het Museo de la Natividad gevestigd. Tijdens de renovatie van het historische gebouw werd graffiti ontdekt op de muren van de latrines. Aanvankelijk kon echter niemand de inhoud ontcijferen.
Gelukkig werd er tegelijkertijd aan de inwoners van Tepoztlán gevraagd om deel te nemen aan een ‘herinneringswedstrijd’ en voorwerpen met een betekenisvolle boodschap naar het museum te brengen. Tot ieders verbazing meldde zich een vrouw met een stuk papier waarop een familielid de volledige tekst van de graffiti op het toilet had geschreven.
In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten in een oude kerkbadkamer, waren de korte teksten geen gebeden of religieuze verwijzingen, maar een reeks scabreuze gedichten, geschreven in 1840 door José Manuel de Mata en vervolgens in 1895 in het klooster geschilderd door José Donaciano. Ze gaan allemaal over toiletbezoek. Elk gedicht is nu afgedrukt op museumborden voor de latrine waar ze werden gevonden. Hier zijn enkele voorbeelden:
‘Als je tijdens het eten fatsoenlijk bent, in je kleding en spraak, gedraag je dan ook netjes tijdens het toiletbezoek; toon jezelf dan niet onfatsoenlijk.’
‘Over ontlasting maken we allemaal grapjes, en wanneer de tijd rijp is en de darmen weer tot rust komen, daalt de koning van zijn troon en verlaat de paus zijn stoel.’
Hoewel het klooster onder meer bekendstaat om het behoud van zijn originele muurschilderingen uit de Renaissance, is de poëzie van het buitentoilet een unieke bezienswaardigheid op zich.
Om toch met een hedendaags toiletgedicht te eindigen hier het gedicht ‘Sanitaire saltarello’ van dichter Erik Heyman (1960-2010).
.
Sanitaire saltarello
.
Laat alle water dan maar hier verdwijnen,
keer het de rug toch toe, neem het niet mee,
en raak verlost van alle onderhuidse pijnen.
Druk hier uw wil nog door, vergeef de druppel
niet die met de moed der wanhoop de om-
knelling wil vermijden. En zwijg mij dood, er is
papier genoeg om al uw zonden te belijden.
Weet dat ik u uit uw gedachten haal.
Dus lees en veeg mij weg, negeer mij straal.
.
Clerihew
Versvormen
.
Als je de categorie Versvormen op dit blog aanklikt, krijg je een grote hoeveelheid van verschillende versvormen te zien die ik door de jaren heen heb beschreven. Voor de liefhebber van ‘vaste’ versvormen is er dan ook heel wat te genieten op dit vlak, niet alleen zijn er heel veel versvormen (bekend en onbekend) maar er worden er ook nog altijd nieuwe bedacht.
Op de website mentalfloss.com (een website die nieuwsgierigheid stimuleert door kennis verrassend en plezierig te maken) las ik een artikel over een versvorm die ik nog niet kende, de clerihew. De clerihew is vernoemd naar zijn uitvinder, de Engelse schrijver Edmund Clerihew Bentley (1875-1956), die zijn eerste clerihew als tiener op school schreef in de jaren 1890. Het onderwerp was Sir Humphry Davy (die Bentley als Humphrey spelde ), de scheikundige uit het begin van de 19e eeuw die wordt beschouwd als de ontdekker van natrium en andere elementen. De allereerste clerihew ging als volgt:
Sir Humphrey Davy
Detested gravy.
He lived in the odium
Of having discovered Sodium.
In sommige publicaties verving Bentley ‘ detested’ door ‘abominated‘ of ‘was not fond of’, wat een goede indicatie is van hoe weinig hij zich in deze specifieke gedichten bekommerde om het metrum. Sterker nog, clerihews zijn vaak opzettelijk aritmisch (en niet helemaal historisch accuraat) om ze kinderlijker en daardoor grappiger te laten lijken.
Om als traditionele clerihew te worden aangemerkt, moet een gedicht aan de volgende regels voldoen:
- Het moet vier regels lang zijn.
- De eerste twee regels moeten rijmen, en de laatste twee regels moeten ook rijmen.
- Het moet gaan over een persoon, die je in de eerste regel noemt.
Er is zelfs zoiets als een National Clerihew Day en laat dat nou op 10 juli zijn (vandaag dus, toeval bestaat niet denk ik).
Uiteraard heb ik ook een poging gedaan.
Boerenvoorganger Koekoek
was destijds al vaak de weg zoek.
Maar Lientje, die zich er daarna in vastbeet
heeft van die hele weg geen weet.
.
We geven de zaak uit handen
MUGzine #33
.
Omdat wij, de makers van MUGzine, een bepaald idee hebben over hoe we MUGzine willen maken (verrassend eigenwijs, lieflijk irritant en niet onopgemerkt) hebben we voor de nieuwe editie iets nieuws bedacht: De gastredacteur. We willen poëziekenners en -liefhebbers gaan vragen of ze gastredacteur willen zijn van MUGzine. Hoe vaak en wanneer we dat gaan doen, tsja dat weten we zelf eigenlijk nog niet, maar tenminste een keer per jaar.
Een gastredacteur krijgt van ons de vrije hand om dichters te benaderen en te vragen om een bijdrage. Uiteraard geven we een gastredacteur wat kaders mee, MUGzine kent tenslotte haar beperkingen (A6 dus geen ellenlange gedichten en geen heel lange regels). En wanneer een gastredacteur ook een kunstenaar of illustrator wil aandragen dan mag dat ook.
Als eerste gastredacteur vroegen we Wim van Til (1955), voor wie ook maar enige notie heeft van de stand van de poëzie in Nederland, geen onbekende. Wim wist dichter en schrijver Frouke Arns te strikken en twee debuterende jonge talenten Famke Houthoff en Solaris. Uiteraard droeg hij zelf een paar gedichten aan en voor de illustraties wist hij niemand minder dan Julia le Fevre binnen te halen, de dochter van Esther Jansma.
Natuurlijk wordt de nieuwe editie geopend door onze redactiefilosoof Marianne en tekende Bart van BRRT.graphic.design voor de vormgeving, is de rubriek Muggenzuchten terug en ronden we ook deze editie af met een Luule.
Zoals je inmiddels ongetwijfeld weet is elke editie van MUGzine gratis te lezen op mugzines.nl maar de ware liefhebber wil natuurlijk het papieren kleinood dat van elk nummer wordt gemaakt thuis ontvangen. Dat kan heel eenvoudig door donateur te worden. Klik hier en lees hoe.
Geen blog zonder gedicht, dit keer van de gastredacteur zelve.
.
Bagdad-Amersfoort, enkele reis
.
Waar zwijgen zich keert tegen de kade,
deze tien vingers dit landschap betasten
en mijn muze rust in de val van blad,
verdwijnt wat ik liefheb.
Mijn woorden gaan scheep in de maan,
mijn lippen houden de wacht bij de bron.
Tot het water terugkeert,
houden mijn lippen de wacht.
.
Uit-spuit-de-bocht
Elma van Haren
.
Kinderliedjes zijn van alle tijden en het kinderliedje ‘In spin de bocht gaat in’ kennen velen van ons als een touwspringliedje waarbij je op een zeker moment in het liedje in het touw moest springen dat gedraaid werd. Dat zo’n liedje, in dit geval ‘In spin de bocht gaat in’ dat stamt uit ca. 1880 uit ‘Kinderdeuntjes, wiegeliedjes, speel-, tel-, raadsel- en andere rijmpjes’ samengesteld door J.J.A. Goeverneur, nog steeds inspireert blijkt uit een gedicht van Elma van Haren (1954).
In haar bundel ‘Uit de klatergouden boot gevallen’ uit 2025 kwam ik het gedicht ‘uit-spuit-de-bocht’ tegen en wie het voornoemde liedje kent weet dat dat de vervolgzin is op de titel(zin).
Elma van Haren studeerde aan de kunstacademie in ‘s-Hertogenbosch. In 1988 verscheen haar debuutbundel ‘De reis naar het welkom geheten’, waar ze de C. Buddingh’-prijs voor ontving op Poetry International in Rotterdam. Het was de eerste keer dat deze prijs werd uitgereikt.
In 1997 kreeg ze de Jan Campert-prijs voor de bundel ‘Grondstewardess’. Sinds de dichtbundel ‘De wiedeweerga’ (1998) schrijft ze ook voor kinderen. Sinds 2003 is ze jurylid van de P.C. Hooft-prijs en ze is redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DW B.
.
Uit-spuit-de-bocht
.
Vanaf mijn fijnsnarig weefwerk in het Heelal bekeken,
Lijken Gaia’s bergen een fluwelen vrouwendracht,
Een donkerrode en okeren geplooide pracht,
Achteloos op een hoop gesmeten en zoals is gebleken
.
Grijpt het arrogante mannen bij de lurven onverwacht
En snijdt het hen de adem af, een doddelijk teken
Dat het voor hen niet goed toeven is in deze streken.
Vrouwgewaad wreekt hongermacht.
.
Rotsen breken de benen van de paarden
Doornen haken zich in mantels rondom.
Gaia’s geilheid piekt hoger dan haar mededogen,
.
Ze strooit fluweelheet zand in mannenogen,
Verdort hun tong tot taal verstomt, stort zich
Wellustig over de kam en bedelft hen onder aarde.
.
Al van kleins af aan
Roziena Salihu
.
Als liefhebber mag ik graag rondstruinen op de website van Poetry Circle want daar staat allerlei informatie over getalenteerde, vaak jonge, dichters. Wat me dan ook opvalt is dat al die jonge dichters zichzelf vaak niet zien als dichter maar als woordkunstenaar of als creatieveling in de brede zin des woords. Zo vind ik combinaties in de volgende disciplines: dichter/spoken word artiest/beeldend kunstenaar/filmer/tattoo artist/ schrijver/fotograaf/theatermaker/collage artiest/acteur/verhalenverteller/muzikant en coach.
Aan de ene kant heb ik hier geen mening over in de zin dat ik zelf ook niet alleen dichter ben, maar het verschil is dat ik creatief gezien daarnaast alleen blogger ben en geen andere creatieve aspiraties heb. Het lijkt me dan ook lastig kiezen uit al die mogelijke combinaties. Dat gezegd hebbende zit er erg veel talent tussen de dichters/performers op Poetry Circle. Een aantal van de daar geportretteerde dichters ken ik (bijvoorbeeld van de Poëziebus -Steff Geelen en Rellie Telg-, de Kunstbende – Daniëlle Zawadi- en Raamwerk | Dichtwerk -Benzokarim-) of zijn inmiddels landelijk bekend (Derek Otte en Babs Gons) maar er staan ook namen bij die ik niet ken.
Zoals bijvoorbeeld Roziena Salihu (1994). In 2018 werd haar werk voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘En ze leefde nog’. Ook is ze een van de schrijvers die is opgenomen in de bundel ‘Hardop‘ die in 2019 verscheen, samengesteld door Babs Gons. Ze werd gescout voor het nieuwe talentontwikkelingstraject WOLK, dat tot stand is gekomen door een samenwerking tussen Poetry Circle Nowhere, Tilt en Watershed. Daarnaast schrijft ze proza, maakt ze documentaires en is actrice.
Voor aan het sympathieke Raadgedicht deed ze mee. Dat gedicht lees je hieronder.
.
Al van kleins af aan
leren ze ons
over moed
we lezen het in boeken
zien het in cartoons
en vlak voor het slapengaan
vertellen ze het ons,
over prinsen, over ridders
over het redden van prinsessen
en in al die verhalen gaat het altijd hetzelfde
.
Moed
daar word je mee geboren
staat gelijk aan het ontbreken van angst
het redden van prinsessen uit hoge torens
doet alleen een moedig man
.
Maar dat is het ding met sprookjes
het is en blijft op fantasie gebaseerd
en de verhalen die wij hoorden als kind
zijn inmiddels enorm gedateerd
.
Want als we de echte verhalen horen
de geschiedenis terug volgen
dan heeft moed niks te maken met wapens of zwaarden
dan komt er geen prinses en geen ridder aan te pas
dan kan iedereen het vinden
terwijl het daarvoor nooit in je zat
.
Want we worden er niet mee geboren
en da’s maar goed ook, liever niet
want moed heb je pas nodig
als het verschrikkelijk tegenzit
.
En soms is het niet groots
en ook niet gewelddadig
soms zit moed gewoon in
het kleine, het alledaagse
.
Er is maar één correcte definitie van moed
dat ondanks dat iets eng is
je het toch gewoon doet.
.
Randschade
Een recensie
.
Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.
De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:
Is het mijn sterfdag?
Vergeet engelen en psalmen
Ik wil het vanille van een oud boek
Ik wil een koud flesje bier
en ik wil jou, nog één keer.
De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.
In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.
In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.
Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.
Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.
.
Uitzicht
.
De middag zet zijn ramen open:
een tuin vol weegbree, paardenbloem
en kattenpis. Een kraai verdwijnt in
de schaduw van een haag.
.
Daarachter zwijgzame huizen
voorbijschuivende silhouetten
een passant die de dag vervloekt
het niet begrijpende kind
dat hem vergezelt.
.
In hun voetafdruk hangt randschade.
.
De kamer vult zich met het oog
dat kijkt. Licht valt op het lege doek.
Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit
de tuin een strook, het kind een kras.
.
Pompejaans rood en nachtzwart
rollen erdoor heen. Feest
op de rand van een vulkaan.
.
Niek Verhaagen
Uit mijn boekenkast
.
Vandaag pakte ik de bundel ‘Dichters bij de Bezige Bij 1944-1984’ uit 1984, uit mijn boekenkast, opende deze op een willekeurige bladzijde (in dit geval pagina 275) en daar staat het gedicht zonder titel dat hieronder is overgenomen van Niek Verhagen (1915-1948). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De laatste Adam’ uit 1944.
Als dichter is Niek Verhaagen vrijwel vergeten, toch kwam ik een aardig stuk tegen over hem en zijn poëzie op het blog van Teunis Bunt. In dat artikel schrijft hij onder andere: “In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse”.
.
Wat wilt Gij?… Dat ik verzen schrijven zal,
die ene deugd die ik misschien nog kende?-
Och, als ik mij aan deze stilte wende
en aan het lege beeld van dit verval,
.
dan zou ik woorden vinden, arm en smal
en haast geluidloos, maar toch allengs stemden
de klanken, die het levensritme remden,
te zamen … Als ik stil ben, klinkt het al.
.

















