Site-archief
In het raam
Roelof ten Napel
.
De in Friesland geboren Roelof ten Napel (1993) is schrijver, dichter, en essayist. In 2014 debuteerde hij met de verhalenbundel ‘Constellaties’ waarvoor hij het C.C.S. Crone-Stipendium kreeg uitgereikt. In 2018 debuteerde hij in de poëzie met de bundel ‘Het woedeboek’ waarvoor hij enkele malen genomineerd werd voor poëzieprijzen en waarvoor hij in 2019 de School der Poëzie Jongerenprijs kreeg. In 2020 verscheen de bundel ‘In het vlees’ en in 2021 de bundel ‘Dagen in huis’. In de pers werd hij al omschreven als een van de grootste jonge schrijvers van het moment en een van de meest interessante auteurs van de nieuwe generatie.
In ‘Dagen in huis’ gaan de gedichten over precies dat wat de titel belooft; dagen in huis. Hij beschrijft zaken die zich in zijn kamer bevinden en gebruikt die om gedichten in algemenere zin te schrijven. Zelf vind ik het gedicht ‘In het raam’ heel bijzonder omdat het me doet terug denken aan mijn eigen jeugd. Ik kon als geen ander, hangend uit het raam, mij urenlang ‘vervelen’ zonder er erg in te hebben zoals ten Napel schrijft.
.
In het raam
.
Om gelukkig te zijn, zei iemand,
hoef je andermans geluk maar
in te beelden. Je beeldt het je in
en het zwelt in je op,
alsof die voorstelling binnenglipt langs de rand
van het halfdoorzichtige gordijn
waarmee je de verbeelding best kan vergelijken.
En als je nog een voorstelling zocht:
.
een jongen in een open raam, hangend
in zijn eigen armen, kin op zijn pols.
Hij verveelt zich, maar heeft er geen erg in.
het is nog niet zo laat.
.
IJstocht
Simon Vestdijk
.
Simon Vestdijk ( 1898 – 1971) was romanschrijver, essayist, vertaler, muziekcriticus, arts en dichter. Dat laatste is bij veel mensen niet bekend. Vestdijk schreef een enorm oeuvre bij elkaar maar wordt tegenwoordig niet veel meer gelezen. Als je op de website van DBNL.org kijkt krijg je een idee van de enorme productie van deze schrijver.
In 1926 debuteert Vestdijk met gedichten in het tijdschrift ‘De Vrije Bladen’. Zijn poëzie is gratis te downloaden via de website over hem. Daar is ook te lezen dat Vestdijk maar liefst 12 dichtbundels heeft gepubliceerd. Veel minder dan romans maar toch nog steeds een respectabel aantal.
Ik kwam op deze website omdat ik in de verzamelbundel ‘Glad en wijd ligt het ijs’ de mooiste schaatsgedichten uit de Nederlandse en Friese literatuur uit 1999, het gedicht ‘IJstocht’ van Vestdijk tegenkwam. Omdat de winter er nu toch echt lijkt aan te komen en vele mensen hopen op vorst zodat de ijzers weer ondergebonden kunnen worden, hier dit gedicht.
.
IJstocht
.
Door albast blinkt de zon. De velden schijnen
Ons tegen met dezelfde gele glans,
Die ook op ’t hardblauw vlak aan de balans
Der schaatsen ontschampt in bestoven lijnen.
.
Het kruis der armen, ’t overstag der voeten,
De losse haren onder mutsenvacht:
Alles biedt de weerstand tegen ’t ontmoeten,
Dat wij zo lang vermeden, overmacht,
.
Een korte tijd maar op de noordervijvers
Met ’t gele zuiderlicht, waarlangs het steken
Der ijzersneden is als vlijt’ge drijvers
Naar een verliefdheid die niet door wil breken.
.
Op de rand van de taal
Een keuze uit 10 jaar poëzie
.
In 2001 publiceerde uitgeverij Atlas de bundel ‘Op de rand van de taal’ een keuze uit 10 jaar poëzie bij uitgeverij Atlas. De bundel werd samengesteld door Koen Vergeer en bevat poëzie van dichters die bij deze uitgeverij publiceren. Het betreft hier 22 dichters en van de een zijn slechts twee gedichten gekozen (James Fenton) en van een ander maar liefst tien (Frans Kuipers).
Ik koos volledig willekeurig (er staat zoveel moois in deze bundel) voor een gedicht van Bernard Dewulf (1960) een Vlaams dichter, essayist, toneelauteur en columnist. Bernard Dewulf debuteerde met de bundel ‘Waar de egel gaat’ in 1995. Deze bundel werd bekroond met de Debuutprijs. Deze prijs was een literatuurprijs die tussen 1969 en 2017 aan de vooravond van de Boekenbeurs Antwerpen werd uitgereikt aan het literair debuut van een Vlaamse auteur dat werd uitgegeven in het voorbije kalenderjaar.
Reeds voor het verschijnen van deze bundel waren er gedichten van Dewulf gepubliceerd, onder meer in verschillende literaire tijdschriften. Publieke bekendheid verwierf hij voor het eerst in 1987, toen de collectieve dichtbundel ‘Twist met ons’ verscheen, met daarin gedichten van Dewulf zelf, Dirk van Bastelaere, Charles Ducal en Erik Spinoy. De laatste dichtbundel die van Bernard Dewulf verscheen was ‘Naar het gras’ uit 2018.
In ‘Op de rand van de taal’ dus een gedicht van deze dichter met de titel ‘Le rêve, 1955’ uit zijn debuutbundel ‘Waar de egel gaat’.
.
Le rêve, 1955
.
Een bloesje staat open, van linnen.
Al dertig jaar is zij de droom,
de gril van een schilder. Ik sta
aan de kant en kan het niet zien.
.
Haar enige hoop, een schaduw
van elders, schuift binnen.
.
Tepel wordt hard, Batlthus verstart.
Zijn penseel, als een gek, gaat tekeer
op de vlek. Mijn hand is maar even.
Op het doek ligt geen teken van leven.
.
Een suppoost loopt voorbij,
hij maakt het niet dicht.
.
Krottenbuurt in de winter
Louis Lehmann
.
Op 29 november stond in de Volkskrant een artikel over dichter Louis Lehmann omdat er een nieuwe biografie en bloemlezing verschijnt. Mijn aandacht werd meteen getrokken door twee korte, Luule-achtige gedichtjes.
Derde zoon van een koning
Dat lijkt ook wel fijn
Om zomaar om niets
Belangrijk te zijn.
en
De blikjes
Onder de lekken
Zeggen: pak, pek, peung.
Vooral het tweede gedichtje deed me erg denken aan een Luule die verscheen op het instagram account van @l.uule:
Wasmasjien
Tif.
Zip.
Tif. Zip.
Ding Ding Ding
Dong.
Zop.
Tuf. Zop.
Wat. Sop?
Genoeg om me eens verder te verdiepen in wie deze Louis Lehmann nou was.
Dichter, schrijver, essayist, vertaler en scheepsarcheoloog Louis Th. Lehmann (1920-2012) was een originele dichter die veel verscheidenheid in zijn werk toont, met veel burleske humor en een door ironie doorkruiste romantiek. Hij debuteerde op achttienjarige leeftijd in de almanak ‘In Aanbouw’, in 1939 uitgegeven door Kees Lekkerkerker. In de Tweede Wereldoorlog werkte hij onder meer mee aan het surrealistische en dadaïstische tijdschrift ‘De Schone Zakdoek’. In 1964 won hij de Jan Campert-prijs voor ‘Who’s who in Whatland’. In zijn latere poëzie geeft hij blijk van meer nuchterheid. Zijn verhalend proza heeft soms een toon van ontgoocheld idealisme.
In het tijdschrift ‘Werk’ jaargang 1 uit 1939 verscheen een aantal van zijn gedichten waaronder het gedicht ‘Krottenbuurt in de winter’
.
Krottenbuurt in de winter
.
De kleine meisjes die hier ’s zomers zwemmen
in te groot badpak of in onderjurk,
kunnen nog lang niet aan de winter wennen,
zijn warm als veren en licht als de dobber
.
voor ’t wrakke vletje van de hengelaar,
een voorpost die de vlag ook heeft gestreken,
achter rot hout voelt men zijn ogen klaar
voor in de zwijgende falanx der stegen.
.
Maar als ’t verstijfde drek niet stinkt, het hout
verstard is door ijstanden die het klieven
en brokkelgaten gaafgesneeuwd zijn, gaan
.
de meisjes, hun schaatsbanden zwaargeknoopt,
tot waar het ijs niet bruin ziet, vleermuis licht
trekken zij onbegrepen hieroglyphen.
.
Michel Houellebecq
Zo lang
.
Er zijn schrijvers van proza en er zijn dichters. Wat me steeds meer opvalt is dat deze twee totaal verschillende disciplines toch vaak door een en dezelfde persoon worden gecombineerd. Dichters die romans gaan schrijven en schrijvers die poëzie gaan schrijven. Over het algemeen is de eerste groep de meest voorkomende. Ik heb hier al eerder geschreven over schrijvers waarvan ik niet wist dat ze ooit als dichter zijn begonnen. Mooie voorbeelden van schrijvers die ook dichter zijn (en waarvan ik het niet wist) zijn Hella Haasse https://woutervanheiningen.wordpress.com/2021/03/22/hella-haasse/, Rita Mae Brown https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/06/13/rita-mae-brown/, Abdelkader Benali https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/12/13/ik-zag-jou-laatst-versnellen/ en Maarten ’t Hart https://woutervanheiningen.wordpress.com/2012/11/18/een-vrouw/ .
Aan dit rijtje wil ik vandaag de Franse Schrijver Michel Houellebecq (1958, pseudoniem voor Michel Thomas) toevoegen. Van hem is de uitspraak: “In mijn poëzie kan ik gelukkig zijn, dat is vrijwel onbereikbaar in romans” en “In tegenstelling tot de literatuur weten zij (poëzie en schilderkunst) het geluk te vatten. Daarvoor is het genre van de roman niet geschikt”.
In Frankrijk kennen ze hem behalve als romancier wel ook als dichter. Hij debuteerde in 1985 in literair tijdschrift ‘La Nouvelle Revue’, publiceerde in 1992 de bundel ‘La Poursuite du bonheur’, die werd bekroond met de Prix Tristan Tzara, en hij bleef gedurende de rest van zijn loopbaan poëzie publiceren waaronder in 2010 zijn verzamelde gedichten. Vertaler Peter Verstegen (Heine, Rilke, Dante, Emily Dickinson) heeft zich over de poëzie van Houellebecq ontfermd en een deel van zijn vertalingen gepubliceerd in literair tijdschrift ‘Kort Verhaal’.
Onderstaand gedicht is er één van vijf die op de website https://www.actualidadliteratura.com/nl/michel-houellebecq-gedichten/ werden gepubliceerd.
.
Zo lang
.
Er is altijd een stad, met sporen van dichters
Dat ze tussen de muren hun lot hebben doorkruist
Overal water, de herinnering mompelt
Namen van mensen, namen van steden, vergeetachtigheid.
.
En hetzelfde oude verhaal begint altijd opnieuw,
Ongedaan gemaakte horizonten en massageruimtes
Aangenomen eenzaamheid, respectvolle buurt,
Er zijn echter mensen die bestaan en dansen.
.
Het zijn mensen van een andere soort, mensen van een ander ras,
We dansen verheven een wrede dans
En met weinig vrienden bezitten we de hemel,
En de eindeloze vraag naar ruimtes;
.
De tijd, de oude tijd, die zijn wraak plant,
Het onzekere gerucht van het leven dat voorbijgaat
Het gesis van de wind, het druipen van water
En de gelige kamer waarin de dood voortschrijdt.
.
Poëzie als programmeertaal
Gerrit Krol
.
Enige tijd geleden werd aan de medewerkers van Meander gevraagd om onder woorden te brengen wat zij vonden dat een goed gedicht maakt, of aan welke eigenschappen een goed gedicht zou moeten voldoen. Ik moest hieraan denken toen ik een artikel over Gerrit Krol las op de website literatuurmuseum.nl. In dit artikel las ik dat Krol over een gedicht zegt dat dit een reeks woorden is, dat aan een aantal voorwaarden voldoet. Daarover zo meer.
Gerrit Krol (1934-2013) was naast romanschrijver, essayist en dichter ook computerprogrammeur bij een groot internationaal olieconcern. Vooral die laatste functie had een grote invloed op zijn poëtisch werk. Gerrit Krol was een groot bewonderaar van Gerrit Achterberg. Hij bewonderde de techniek, en vooral de procesachtige manier waarop Achterberg bewegingen kon beschrijven. Want veel meer dan de thematiek van de verloren geliefde, die gewoonlijk met Achterberg wordt geassocieerd, was dat voor Krol het geheim van Achterberg: de manier waarop hij het exacte en het poëtische wist te verzoenen.
– een ander zich van die woorden een voorstelling kan maken
– als hij het prettig vindt zich deze voorstelling te maken
– de woorden, in die volgorde, niet worden gebruikt voor andere doeleinden.
misschien gaat ze zwemmen
ze steunt op haar hand
om niet te vallen
een aardige vrouw om te zien
een wereld op zich
een denkend wezen
dat haar lippen verft
een lok voor haar ogen
haar oksel is niet te zien
als ze haar arm opheft
zie je die wel
als je haar van de andere kant bekijkt
zie je de andere oksel ook
voor hetzelfde geld kun je zeggen
een nieuw badpak
nu al kiezen
en straks kopen
en het plaatje vergeten
Tattoo
Luuk Gruwez
.
Tatoeages zijn wonderlijke dingen. Ötzi, de ijsmummie uit de Alpen, die zo’n 5350 jaar geleden leefde, had zo’n 61 tatoeëringen. Er zijn tatoeages op Egyptische mummies gevonden, die van 2000 voor Christus dateren. Ook de Oekokprinses (mummie uit de 3e tot de 5e eeuw voor de jaartelling) gevonden in Rusland, droeg tatoeages. In de klassieken wordt er gerefereerd aan tatoeages bij de oude Grieken, de Germanen en nog meer volkeren.
Tot enkele decennia geleden werden tatoeages in Nederland vooral gedragen door zeelieden en soldaten en vrijwel niet door vrouwen. Tegenwoordig hebben meer mensen tatoeages, zowel mannen als vrouwen. Soms lijkt het er weleens op dat er meer mensen met tatoeages zijn dan zonder. Ook bij de bekende Nederlanders en vooral ook de professionele voetballers zijn tatoeages niet meer weg te denken.
Over de literaire of poëzie tatoeage schreef ik al in 2013 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2013/04/05/tattoo-you/ . In de jaren nadien werden deze tatoeages met literaire of poëtische verwijzingen alleen maar populairder. Het was dan ook onvermijdelijk dat dichters zich met deze vorm van lichaamsversiering gingen sieren en erover begonnen te dichten.
Zoals Luuk Gruwez, de Vlaamse dichter, prozaïst en essayist, in de bundel ‘Bakermat’ uit 2008. Zijn gedicht ‘Tattoo’ zoals tatoeages in toenemende mate genoemd worden geeft een kritisch beeld van de getatoeëerde mens.
.
Tattoo
.
Een na een trokken ze hun kleren uit,
vol schaamte voor wat, amper vod of lomp,
misschien maar beter kon verstookt. Of ook omdat
zij zelf in naakte ikken dreigde te verstikken:
.
snikheet was het die dag. Maar eens
ontbloot ontstonden stilaan grote grijze kiltes,
zoals die een septemberavond soms ontstaan:
eerste dressuur voor najaar en winter
wanneer de kwade hond kan komen.
.
En zij begonnen elkaar liefdevol te verven,
zo vlijtig als maar kon, op borst, op bil en overal,
alsof zij moesten uitgewist. Tattoo na tattoo
brachten zij aan. Tot zij, compleet uit zicht
verdwenen, opgelucht weer adem kregen.
.
Hoe je verder moet
Remco Ekkers
Remco Ekkers studeerde Nederlandse taal en literatuur in Groningen waar hij na zijn studie is blijven wonen (in de provincie). Zijn eerste gedichten verschenen in het Groninger satirische tijdschrift ‘De Nieuw Clercke’. In 1979 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel ‘Buurman’. Voor zijn bundel ‘Haringen in de sneeuw’ uit 1985 ontving Ekkers de Zilveren Griffel. Het was de eerste keer dat deze prijs voor jeugdliteratuur naar een dichtbundel ging. Vanaf midden jaren 70 organiseerde Ekkers in Zuidhorn en Leek het poëziefestival Dolersheem. Veertig jaar lang (tot eind 2016) maakte hij deel uit van de redactie van de Gentse Poëziekrant. Ekkers was van 1986 tot 1992 poëziecriticus van De Gids. In de Leeuwarder Courant verzorgde hij tien jaar lang poëzierecensies. In het blad Schrijven verschenen zijn interviews met dichters. Werk van Ekkers werd gepubliceerd in landelijke tijdschriften en lexicons als De Gids, Maatstaf, Tirade, Bzzlletin, De Revisor en Hollands Maandblad.
In Raster nummer 92 uit 2000 verscheen het gedicht ‘ Hoe je verder moet’ van Ekkers en dat vond ik een heel mooi en toepasselijk gedicht om bij dit bericht over zijn overlijden te plaatsen.
.
Hoe je verder moet
.
Stap opgewekt voort
al weet je niet zeker
waar naar toe. Vooruit
.
over het glimmende asfalt
tussen de kale bomen
hoofd scheef, wuivend
naar het huis dat al in de mist
is verdwenen en straks vergeten.
.
Je zet een voet vooruit
en dan een andere.
Je kijkt niet naar de spiegeling
in de plassen, het beeld
van de takken waar je
tussen hangt, pats!
in het water.
.
Zo kom je verder
weg van wat is geweest.
.














Het nieuwe doen
22 sep
Geplaatst door woutervanheiningen
Paul van Capelleveen
.
De Nijmeegse dichter Paul van Capelleveen was enige jaren tegelijkertijd verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek en aan het Museum Meermanno, beide in Den Haag. Hij is auteur van een reeks boeken en artikelen, met name over boekgeschiedenis. Hij publiceerde ook essays en gedichten die deels in beperkte oplagen zijn verschenen. In 1992 werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs met zijn poëziedebuut ‘Altijd commentaar’ (winnaar werd Anna Enquist dat jaar met ‘Soldatenliederen’).
In 2004 verscheen van zijn hand de bundel ‘Laatste metamorfosen’ bij uitgeverij Meulenhoff. Op de achterflap van de bundel wordt hij omschreven als “de messenwerper van de Nederlandse poëzie, zijn dolken treffen zijn lieftallige assistente, de Muze, altijd recht in het hart. Zijn verrassende en expliciete regels zijn opgestapeld als muzikale variaties op een thema, vermomd als definitie of nieuwsfeit. Alles lijkt te berusten op de travestie van de vraag: wat wil de lezer? De lezer wordt voortdurend uit zijn tent gelokt en uitgedaagd om weerwoord te geven.”
Volgens mij heeft hier een copywriter met een reclameachtergrond zichzelf overtroffen in overdrive maar leesbaar is de bundel zeker. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Het nieuwe doen’.
.
Het nieuwe doen
.
Lees een gedicht, desnoods van mij.
Schrijf zomerbrieven. Evenaar
de poolnacht van een schone lei.
Niet, niet doen.
Voel je knoken,
doe wat je wilt – ik doe het ook.
Verwijder dagelijks smeerboel.
Niet, niet doen.
Maak je op voor de grote trek.
Doe je te goed aan het nieuwe jaar.
.
Dit delen:
Geplaatst in Bibliotheken, Dichtbundels, Favoriete dichters
Een reactie plaatsen
Tags: 'k Verzoek de zee, 1992, 2004, achterflap, Altijd commentaar, Anna Enquist, artikelen, auteur, boeken, boekgeschiedenis, C. Buddingh' prijs, copywriter, De Muze, dichtbundel, dichter, essayist, expliciete regels, gedicht, gedichten, gedichtenbundel, Het nieuwe doen, KB, Koninklijke Bibliotheek, Laatste metamorfosen, messenwerper, Museum Meermanno, muzikale variaties, nijmegen, Paul van Capelleveen, poëzie, poëziebundel, Soldatenliederen, uitgeverij Meulenhoff, vertaler