Site-archief
Piet Paaltjens
150 jaar Snikken en Grimlachjes
.
150 jaar geleden werd de dichtbundel ‘Snikken en Grimlachjes’ van Piet Paaltjens uitgegeven bij Drukkerij en boekhandel Roelants in Schiedam. Piet Paaltjens is het alter ego van de melancholische dichter en predikant François HaverSchmidt (1835-1894). De Bibliotheek Schiedam en haar partners hebben dit jubileum aangepakt om de schrijver dertien dagen lang te eren met allerlei uitingen binnen een festivalprogramma. Van het onthullen van het muurgedicht en het voorlezen van gedichten op zijn graf tot een wandeling in de stad en lezingen in zijn voormalig woonhuis en de drukkerij waar de bundel werd uitgebracht. Hoogtepunt van het festival is de samenwerking met platenlabel Excelsior Recordings. Bekende Nederlandse artiesten, waaronder The Kik, Aafke Romeijn en Freek de Jonge, hebben in Schiedam een CD opgenomen met gedichten van Piet Paaltjens.
Het programma rond de viering van 150 jaar ‘Snikken en Grimlachjes’ loopt van 20 oktober tot 1 november in Schiedam. Voor een uitgebreid programmaoverzicht kun je terecht op https://ppp.debibliotheekschiedam.nl
Om aan te sluiten bij dit mooie project van de bibliotheek Schiedam, mijn zeer gewaardeerde collega Theo en partners uit Schiedam, plaats ik graag een liefdesgedicht van Piet Paaltjens getiteld ‘Aan Rika’.
.
Aan Rika
.
Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die de trein
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.
En toch, zij duurde lang genoeg om mij,
Het eindloos levenspad met fletse lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.
Waarom hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!
En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
En niet, als ’t weerlicht, ’t rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?
Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?
.
Wij
Een liefdesgedicht
.
Anne Sexton (1928 – 1974) wordt gerekend tot de zogenaamde ‘confessional poets’of de ‘bekentenis dichters’, sterk autobiografisch schrijvend, steeds sterk haar vrouwelijke identiteit benadrukkend, met blootlegging van de meest intieme details uit haar leven, onder het motto ‘poëzie moet pijn doen’. Sexton had geen makkelijk leven, ze leed aan anorexia en manische depressiviteit en haar psychiater raadde haar aan poëzie te gaan schrijven. Haar gedichten werden gepubliceerd in The New Yorker, Harper’s Magazine en Saturday Review.
In 1960 debuteerde ze met de bundel ‘To Bedlam and Part Way Back’ en hierna volgde nog een aantal bundels maar ook postuum verschenen nog 5 boeken na haar overlijden in 1974. Ze was tijdens haar leven heel succesvol met haar poëzie, in 1967 won ze de Pulitzer Prijs voor poëzie. Ze was bevriend met Sylvia Plath en na dat Plath zelfmoord had gepleegd dacht ook Sexton na over zelfmoord en of dat voor haar misschien ook het beste zou zijn (ze had sinds 1956 al een aantal pogingen gedaan). Uiteindelijk deed ze een geslaagde poging in 1974.
Uit de bundel ‘Kreupel hart, gedichten’ het door Katelijne de Vuyst vertaalde liefdesgedichtgedicht ‘Wij’ waarin ze een het proces van een liefde beschrijft.
.
Wij
.
Ik was gehuld in zwart
bont en wit bont en
je kleedde me uit en toen
zette je me in gouden licht
en toen kroonde je me
terwijl achter de deur sneeuw
viel in schuine schichten.
Terwijl een dikke laag sneeuw
als sterren neerdaalde
in kleine calciumdeeltjes,
waren wij in ons lichaam
(de kamer die ons zal begraven)
en was jij in mijn lichaam
(de kamer die ons overleven zal)
en eerst wreef ik je
voeten met een handdoek droog
omdat ik je slavin was
en toen noemde je me prinses
Prinses!
.
O, toen
stond ik op mijn gouden huid
en liet de psalmen achterwege
en liet de kleren achterwege
en jij maakte de breidel los
en jij maakte de teugels los
en ik maakte de knopen los,
de botten, de verwarring,
de ansichten uit New England,
de januarinacht van tien uur ’s avonds,
en we rezen op als koren,
are na are van goud,
en we oogstten,
we oogstten.
.
Noli me tangere
Dichten is een hoerige bezigheid
.
Via via kwam ik op een bijzonder grappige en interessante website terecht: https://verbodengeschriften.nl Op deze website staan verboden, vergeten, verketterde, verminkte en doodgezwegen boeken en geschriften. Uiteraard ben ik, nieuwsgierig als ik ben, op zoek gegaan naar poëzie op deze site. Helemaal onderaan de lijst staat een stuk van Søren Kierkegaard, vertaald en ingeleid door Drs. W.R. Scholtens met de intrigerende titel: ‘Waarom de mens vooral van ‘de dichter’ houdt en waarom, goddelijk gezien, ‘de dichter’ juist de allergevaarlijkste is.
Na de vertaalde oorspronkelijke tekst uit 1855 volgt een verduidelijking en daar staat onder andere te lezen:
.
Over de rampzaligheid van dichters
Je kunt pas iets zinnigs over de wereld zeggen als je niet meer van de wereld bent, met andere
woorden, dat je eerst een alien geworden moet zijn om als toeschouwer te zien hoe de wereld in elkaar
zit en dichters kunnen dat dus niet. Zij zitten opgesloten in het huis, waarvan zij denken dat het à huis
clos is, en kijken smachtend door het raam naar buiten. Wat zij als vrijgestelden in deze maatschappij
aldus produceren is slechts l’art pour l’art, voor hun eigen boterham, uit ijdelheid, uit de pretentie dat
ze iets te vertellen hebben, maar in wezen is hun dichten een hoerige bezigheid, het exploiteren van
hun eigen en andermans ellende en troosteloosheid. Zij zitten als die man in Kafka’s ‘Proces’ zielig aan
de, nota bene, open poort, hunkerend om naar binnen te gaan, en kristalliseren hun hunkering uit in
fraaie woorden.
Om te vervolgen met:
”De taal is ontstaan om de wil over te brengen en niet om ideeën te communiceren. De taal is vergelijkbaar met een wiskundige praktische creatie, omdat het een middel is om de wil over te brengen. Maar de mens is de taal langzamerhand gaan gebruiken om de wereld mee te beschrijven. Omdat dit voor een groot deel lukt is men vergeten dat woorden middelen van de wil zijn en is men woorden als begrippen en concepten gaan behandelen die onafhankelijk van de mens bestaan”……. Mundus vult decipi. De priesters geloven niet, wat ze de menigte voorhouden. De leiders van politieke partijen bedriegen het volk willens en wetens, met woorden die ze zelf niet begrijpen. De meeste dichters, schilders en verdere artiesten, hebben zich ook die rol aangemeten, vanuit een slechte kans op een plaats in de arbeidsmarkt, door zwakheid of luiheid. En het kritiekloze publiek erkende na enige tijd hun plaats in het kunstvak, waar ze alleen maar vervalste waar leveren, omdat ze niet anders kunnen.”
.
Als dichter en poëzieliefhebber mag ik graag dit soort dingen lezen. De aard en de ‘macht’ van de dichters was in vervlogen tijd blijkbaar gevaarlijk, waarom anders zou Kierkegaard zo fulmineren tegen de dichter. Mij komt het allemaal zeer vermakelijk over in ieder geval. Je snapt nu ook beter waarom dit op een website van vergeten en doodgezwegen boeken terecht is gekomen. Niets over de schoonheid die poëzie biedt, de troost, het plezier, het enthousiasme, het maatschappijkritische, zelfs niet over de mate waarin poëzie kan ontroeren of kan aanzetten tot denken.
De auteur die de verduidelijking schreef geeft als voorbeeld ook nog een passage uit een gedicht van Pessoa:
“Het mysterie der dingen? Weet ik veel wat mysterie is!
Het enige mysterie is dat er zijn die denken over het mysterie.
Wie in de zon staat en de ogen sluit,
Begint met niet te weten wat de zon is
En heel veel dingen te denken vol van warmte.
Maar dan opent hij de ogen en hij ziet de zon
En kan al nergens meer aan denken,
Want het zonlicht is meer waard dan de gedachten
Van alle filosofen en van alle dichters.”
.
Ik kan het nogmaals vooral glimlachend lezen. En reageren met een gedicht van Gerrit Komrij uit de bundel ‘Gesloten circuit’ uit 1982 getiteld ‘Noli me tangere’.
.
Noli me tangere
.
Een vers is ballast. Zorg dat het vergaat.
Je kunt het slopen als je op het laatst
Een bom onder het deel dat er al staat,
Een landmijn in de laatste regel, plaatst.
.
Steek nu de lont vast aan. Een vrome wens.
Er is geen bom. Je bent gedwongen om
Je vers te vullen tot de verste grens.
Pas na een slalom stoot het op de bom.
.
Waarom schei je er, op dit punt beland,
Dan niet mee uit? Raak het niet langer aan.
Hier kan het nog. Maar verder gaat je hand.
Een vers moet rond zijn om niet te bestaan.
.
Halina Poświatowska
Liefdespoëzie
.
Halina Poświatowska ( 1935 – 1967) was een Pools dichter die door een ongeneeslijke hartafwijking niet oud is geworden. In 1967 overleed zij na een hartoperatie aan trombo-embolische complicaties. Poświatowska behoort tot de moderne tijd dichters in Polen. Ze debuteerde in 1956 met gedichten in het blad ‘Gazeta Czestochowa’. Hierna volgden drie dichtbundels met titels als ‘Today’ (1963), ‘Ode to hands’ (1966) en postuum ‘One more memory’ (1968).
De belangrijkste motieven van haar poëtische werk zijn de liefde en de dood. Bewust van haar broosheid, heeft Poświatowska herhaaldelijk haar tegenstand tegen het onbegrensde lot uitgesproken. Zij klaagde de onvolmaaktheid van het menselijk lichaam aan, maar ze gebruikte ook elk moment van haar leven. In haar werken negeerde ze haar vrouwelijkheid. Ze schreef over zichzelf en andere vrouwen als heldinnen. Dit alles ingebed in diepe filosofische gedachten. De poëzie van Halina Poświatowska is een studie van de menselijke natuur, van een liefdevolle vrouw en van een vrouw die bewust is van haar sterfelijkheid.
Uit ‘Heb medelijden, tijd’ Poolse poëzie van de twintigste eeuw uit 2003, het gedicht zonder titel in vertaling van Karol Lesman.
.
*
.
Ik ben Julia
ik ben 23 jaar
ooit proefde ik van de liefde
ze smaakte bitter
als een kop zwarte koffie
versterkte
mijn hartslag
prikkelde
mijn levend organisme
wiegde mijn zintuigen
.
ze heeft me verlaten
.
ik ben Julia
op een hoog balkon
hangend
schreeuw ik kom terug
ik roep kom terug
ik bezoedel
mijn gebeten lippen
met de kleur van bloed
.
ze is niet teruggekomen
.
ik ben Julia
ik ben duizend jaar
ik leef-
.
A love poem
Charles Bukowski
.
Om de zoveel tijd voel ik de behoefte om iets van Charles Bukowski te lezen. Hij heeft een manier van de dingen opschrijven die ik zeer bewonder en waardeer. Zonder opsmuk of tierelantijnen, zonder hoogdravend te zijn of gekunsteld, gewoon recht voor zijn raap maar toch altijd bijzonder. Daarom dan ook hier een gedicht zonder titel uit de bundel ‘A love poem’ uit 1979, uitgegeven door Black Sparrow Press.
.
all the women
all their kisses the
different ways they love and
talk and need.
.
their ears they all have
ears and
throats and dresses
and shoes and
automobiles and ex-
husbands.
.
mostly
the women are very
warm they remind me of
buttered toast with the butter
melted
in.
.
there is a look in the
eye: they have been
taken they have been
fooled. I don’t quite know what to
do for
them.
.
Flamingo’s
De lenige liefde
.
In 1969 debuteert Herman de Coninck met de dichtbundel ‘De lenige liefde’. Tot op de dag van vandaag lezen vele mensen deze bundel opnieuw en opnieuw, door de schoonheid van de gedichten, de liefde die uit zijn gedichten straalt en de optimistische sfeer die de bundel uit ademt. Omdat er nog altijd mensen zijn die Herman de Coninck en zijn werk niet of niet zo goed kennen daarom een gedicht uit deze bundel.
.
Flamingo’s
.
Ze zijn er bijna niet
zoals heel slanke vrouwen
na heel licht verdriet.
Met hun poten als met een dun pincet
pikken ze preuts hun tenen
uit het water op, o, ze
zijn zo rose
als gedachten van een maniërist.
Ze zijn vraagtekens achter al ons weten
en zo fraai dat we even
niet meer om een antwoord geven.
.
Gedichten voor tuiniers
Anne Ridler
.
Poëziebundels zijn er in vele maten en soorten. Een van de leukste categorieën van poëziebundels vind ik wel de bundels op onderwerp. Zelf bezit ik er inmiddels al heel wat. Gedichten over dieren ( Het grote dieren gedichtenboek), gedichten over geld (Het geld dat spant de kroon), gedichten over vrijheid (Vrij!), over de liefde (De mooiste liefdespoëzie), over muziek (Rock & Roll, klinkende gedichten) en ga zo maar door.
Een bijzondere categorie binnen dit genre vind ik toch wel de gedichten over tuinieren. In 2003 werd bij Virago de bundel ‘Poems for gardeners’ uitgegeven, edited by Germaine Greer. Ruim 200 bladzijden met poëzie over tuinen, tuinieren, planten en flora. En niet door de minste dichters. Seamus Heaney, Sylvia Plath, Emily Dickinson, Robert Frost, D.H. Lawrence maar ook onbekendere namen als Grace Tollemache en Anne Ridler.
Ik koos vandaag uit deze fijne bundel voor een gedicht van Anne Ridler vooral omdat ik haar niet kende en omdat het ik haar gedicht ‘Picking Pears’ uit deze bundel een mooi voorbeeld van het genre vind.
Anne Barbara Ridler (1912 – 2001) was een Engels dichter en redacteur van ‘A Little Book of Modern Verse’ samen met T. S. Eliot (1941). Haar ‘Collected Poems’ werden gepubliceerd in 1994.
.
Picking Pears
.
Nor heaven, nor earth, a state between,
Whose walls of leaves
Weave in a chequer of dark and bright
The falling sky; whose roofs of green
Are held by ropes and chains and beams of light.
.
Regenerate summer hangs in the trees:
Hours of sunshine
Charged the cells, and spread the loot
So thick about us that we seize
Even the kleaves dissembling globes of fruit.
.
Strabge that we only in harvest season
Borrow from birds
These parks of air, these visions over the fence:
Not the flat view of roaring season
But a sharper angle, the height of exalted sense.
.
We enter only to despoil:
Solaced and proud
Though a barren twigs are left behind,
Through a weft of leaves we sink to the soil,
But summer’s nimbus shrivels on the rind.
.
Sonnet 30
Edna St. Vincent Millay
.
Op zondag 30 augustus 2015 schreef ik op ‘Herman de Coninckzondag’ over zijn bundel ‘Ter ere van de goedertieren maan’ uit 1978. Deze bundel bestaat uit vertalingen van gedichten van Edna St. Vincent. Voor deze vertaling kreeg hij de Koopalprijs in 1981. Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950) was een Amerikaans dichteres, toneelschrijfster en activiste. Voor haar prozawerk gebruikte ze het pseudoniem Nancy Boyd. Zij ontving in 1923 de Pulitzerprijs voor poëzie, voor de bundel ‘The Harp-Weaver and Other Poems‘ waarmee ze de eerste vrouw was aan wie deze prijs werd toegekend (de Pulitzerprijs voor poëzie wordt uitgereikt sinds 1922).
Haar eerste poëziebundel ‘Renascence and Other Poems’ (1912) verscheen toen ze pas zeventien jaar oud was, en bevat een aantal opvallend volwassen gedichten, geschreven in een sterk lyrische en romantisch-beschouwende toon. Met name het titelgedicht trok sterk de aandacht, vooral ook door de publicatie in hetzelfde jaar in de bekende bloemlezing ‘The Lyric Year’. Al snel kreeg ze de naam een soort wonderkind te zijn. Haar gedichten zijn doordrongen van beelden uit de natuur en met name van het kustlandschap van haar geboortestreek Maine. Over het algemeen kennen ze een traditionele structuur: Millay maakte veel gebruik van het sonnet, een vorm die ze perfect beheerste, maar waagde zich zelden aan experimenten.
Hoewel biseksueel en bekend door haar schoonheid en onconventionele leefstijl trouwde ze in 1923 met de veel oudere en rijke Nederlander Eugene Jan Boissevain. In 1950 overleed ze na een val van een trap waarbij ze haar nek brak.
Het gedicht ‘Sonnet 30′ werd door Herman de Coninck vertaald en gepubliceerd in ‘Ter ere van de goedertieren maan’.
.
Sonnet 30
.
Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.
.
Sonnet 30
.
Liefde is niet het einde. Is geen eten en drinken.
Is geen dak boven het hoofd tegen de regen,
geen reddingsboei voor wie verdrinken.
Liefde is nergens voor en nergens tegen.
Liefde biedt geen uitkomst tegen de dood.
Vult geen lege longen met lucht. Verricht geen wonder,
tenzij dat je elke dag al een beetje sterft in mijn schoot.
Je hebt er niets aan maar je kunt niet zonder.
Het kan best zijn dat ik in toekomende tijd,
verslagen van pijn en kreunend om respijt,
gesard door armoe en moe van het huilen
jouw liefde voor rust zou verruilen,
of de herinnering aan vannacht voor een kleiner verdriet.
Het kan best zijn. Maar ik geloof het niet.
.
Foto: Calr van Vechten, 1933
Een hond achter de liefde aan
Ander liefdesgedicht
.
Yehuda Amichai ( 1924 – 2000) was een Israëlische dichter. Amichai wordt beschouwd door vele, zowel in Israël als internationaal, als Israëls grootste moderne dichter. Hij was ook een van de eerste om te schrijven in het alledaagse Hebreeuws. Hij werd bekroond met de Shlonsky Prijs (1957), de Brenner Prijs (1969), Bialik Prijs (1976), en de Israël Prijs (1982). Hij won ook internationale poëzieprijzen: De Malrauxprijs (1994) International Book Fair (Frankrijk), De Golden Wreath Award (1995) in Macedonië, International Poetryfestival en nog veel meer.
Amichai’s poëzie behandelt kwesties uit het dagelijks leven maar ook filosofische kwesties zoals de betekenis van leven en dood. Zijn werk wordt gekenmerkt door zachte ironie en originele, vaak verrassende beelden. Net als veel seculiere Israëlische dichters worstelt hij met het geloof. Zijn gedichten zitten vol verwijzingen naar God en religieuze ervaringen. Hij werd beschreven als een filosoof-dichter op zoek naar een post-theologisch humanisme. Maar hij schreef ook bijzondere liefdesgedichten zoals ‘Een hond achter de liefde aan’ uit ‘Aan de oever der wijde zee, Zeven Hebreeuwse dichters van nu’ uit 1988.
.
Een hond achter de liefde aan
.
Nadat je me had gelaten
heb ik een speurhond laten ruiken
aan mijn borst en aan mijn buik. Hij
zal zijn neusgaten vullen en eropuit gaan
om je te vinden.
.
Ik hoop dat hij je zal vinden en dat hij
de ballen van je minnaar zal verscheuren
en zijn pik zal afbijten,
of tennminste dat hij mij tussen zijn tanden
je kousen brengt.
.
Ophelia
Jan Vercammen
.
De Vlaamse dichter en jeugdboekenschrijver Jan Vercammen (1906 – 1984) is zo’n dichter die redelijk snel uit het collectief geheugen van mensen aan het verdwijnen is. In Nederland was zijn dichterschap al weinig bekend maar ook in Vlaanderen nemen nieuwe namen zijn plaats in, in het literaire landschap. Daarom past zijn dichterschap prima in de categorie (bijna) vergeten dichters.
Jan Vercammens dichtdebuut was de bundel ‘Eksode‘, uit 1929. Vanaf zijn ‘De parelvisscher‘ uit 1946 wordt zijn werk religieus-humanistisch genoemd, met de liefde en de dood als belangrijke thema’s, daarvoor had zijn poëzie eerder een katholiek karakter. Zijn werk werd vertaald in het Frans, Duits, Italiaans, Spaans en Russisch, meerdere gedichten werden op muziek gezet. Daarnaast schreef hij ook jeugdverhalen en kinderpoëzie.
Jan Vercammen was redactiesecretaris van ‘De Tijdstroom’ (1931-1935), redacteur van ‘De Gemeenschap’ (1935-1941) en ‘De Schakel’ (1936-1940). Hij was lid van de Raad van Beheer van de Kultuurraad voor Vlaanderen (1959-1976), erevoorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen en lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.
Uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1976 het gedicht ‘Ophelia’, (de geliefde van Hamlet die verdronk) uit Hamlet van Shakespeare.
.
Ophelia
.
Ophelia, wit licht diep in het water
en de verukkelijke wonde van uw mond.
Uw duistre woorden werden dierbaar later
wanneer ik plotseling hun zin verstond.
.
Gij ziet het licht niet, want uw open ogen
zijn afgesloten met de schaduw van de dood,
o duisternis in hun verzonken bogen.
Ik was het leven dat gij duizelig ontvloodt.
.
De tijd beweegt zich traag als vinnen
van zilvervissen en ontstellend bloot.
Ophelia, nog moet ik u beminnen,
wit licht, verlokking tot de dood.
.















